Skip to content

Grote stappen snel thuis pagina

Deze pagina vat in de notendop de uitkomsten van een aantal bijdragen samen. De link verwijst naar de onderliggende kernbijdragen.

♦ Het Algemene Rekenkamer rapport laat zien dat we een Nederland i.t.t. bijvoorbeld de UK geen flauw benul hebben van de omvang van onze  totale schaduweconomie, die internationaal twijfelachtig op 9% (2015) wordt geschat. Wel kennen we de BTW gap, die voor 2014 10,4% van de te verantwoorden BTW-opbrengst bedraagt of € 5 mld. (UK: 10,14%) [link]

♦ In de periode 2008- 2016K3 nam het aantal werknemers en zelfstandigen in totaal met slechts 19.000 toe. Het aantal werkzamen bij de overheid nam in de periode 2013-2016K3 met 105.000 af, waarvan 86.000 mensen in de zorg. [link]

♦ Gedurende de periode 1995 – 2015 stegen het bbp en de belastingen en sociale premies voor de overheid beide met 3,7% per jaar. Om te zien wat er werkelijk gebeurde moet je echter naar het onderliggende cijfermateriaal kijken.[link]

♦ Door de Brexit ontvangen de overige 27 EU-landen op basis van de 2017 cijfers netto ca € 10.520 mln. minder inkomsten. Het Nederlandse aandeel daarin zal op basis van constante arrangementen ca € 635 mln. bedragen.[link]

♦ Door de crisis raakte Nederland alleen voor het jaar 2015 al ca € 57 mld. bbp kwijt. De groei van het bbp is sinds de neoliberalen aan de macht zijn drastisch gedaald.[link]

♦ Het pensioenvermogen inclusief derde pijler bedraagt eind 2017 ca € 1.700 mld. Hiervan is ca € 1.100 mld. van de pensioendeelnemers en € 600 mld. van de staat. [link] Het CBS ignoreert dit gegeven veelal in zijn statistieken en het CPB volgt dit slaafs. hiermee wordt de burger van staatswege op het verkeerde been gezet, waarbij de media nog een handje helpen.

♦ Per saldo hebben we eind 2017 een overheidsactief van ca € 154 mld. en een overheidoverschot van € 30 mld. en dus noch een overheidsschuld noch een tekort. [link]

♦ De overheidsschuld is materieel belegd in het pensioenvermogen, met alle risico’s van dien. Jaarlijks maakt de staat ca € 37 mld. rendement op zijn belastingclaim op het pensioenvermogen, waarvan hij geen stuiver verantwoordt in zijn begroting. Wel betaalt de burger jaarlijks de rente op de overheidsschuld in 2017 groot € 6,4 mld. [link]

♦ De overheidsbalans geeft ook een vertekend beeld doordat de belastingclaim op het pensioenvermogen niet wordt meegenomen. Dat vermogen bedraagt eind 2015 derhalve € 783 mld. i.p.v. € 257 mld. Ten opzichte van 2001 nam dat vermogen voornamelijk door de stijging van de belastingclaim op het pensioenvermogen met € 307 mld. toe. [link]

♦ De dekkingsgraad van de vijf grote pensioenfondsen is eind 3e kwartaal 2016 eerder 128%/ 116,5% dan 91,3%. [link]

♦ In de periode 2008-2015 maakten de vijf grote fondsen € 241,6 mld. rendement maar verdween € 308,5 mld. in het afvoerputje dat rentetermijnstructuur heet en dat we ook wel als een zwart gat kunnen aanmerken. Dat afvoerpotje is overigens een onjuiste voorstelling van zaken: door de kunstmatig lagere rekenrente worden de historisch behaalde rendementen doorgeschoven naar de volgende generatie, die toch nog durft te klagen dat de pensionado’s de pensioenpot leegroven. {geen belanghebbende} [link]

♦ De AOW-verplichtingen 2013 (meest recent) bedragen volgens het CBS € 1.356 mld. rekening houdend met de belastingen over die uitkeringen op basis van de Eurostat systematiek is dat ca € 658 mld., toch 698 mld. lager dan het CBS ons weer eens voorschotelt. [link]

♦ Politieke partijen die de AOW-leeftijd willen verlagen plegen populisme, partijen die de AOW-leeftijd verhoogd hebben en nog verder willen verhogen doen dat echter ook. Eind 2025 moeten  545.000 65-67-jarigen aan het werk gehouden worden omdat zij geen AOW meer genieten. Maar gaat dat gezien het grote aantal werkelozen ook lukken? [link]

♦ Het aantal zelfstandigen rijst de pan uit. Wiebes kan Asscher natuurlijk zo uit de brand helpen door werknemers dezelfde fiscale faciliteiten te geven als die zelfstandigen op grond van artikel 1 van de grondwet. [link]

♦ De vermogensstatistieken van het CBS zijn uiterst gebrekkig. Het vermogen van de burgers bedraagt eind 2013 ca € 2.079 mld. Dat is € 960 mld. hoger dan het CBS ons wil doen geloven. [link]

♦ Door die gebrekkige CBS vermogensstatistieken [link] valt er, al pretendeert het CBS anders, weinig te zeggen over de ontwikkeling van de vermogens van het 10e vermogens- en inkomensdeciel gedurende de periode 2006 – 2013 en de vermogensontwikkeling in het algemeen. [link]

♦ De fiscale belasting op vermogens is in Nederland uiterst particularistisch geregeld. [Link] We weten inmiddels dat Wiebes niet kan (re-)organiseren maar ook zijn nieuwe tarieven voor de vermogensrendementshefiing laten zien dat hij uitstekend jezuïtisch naar zich toe kan rekenen terwijl het toch redelijk eenvoudig is om de meeste vermogencomponenenten op basis van de werkelijke inkomsten te belasten, zoals ook in het buitenland gebruikelijk is. [link]

♦ De quote 500 nemen 97 % van het vermogen van de 0,1% CBS-topvermogens voor hun rekening, zodat er voor de rest nauwelijks iets overblijft. Nu weten we dat beide cijfers nergens op slaan. Van Quote kan dat door de aanpak nauwelijks anders, van ons CBS mag je echter meer verwachten.[link]

♦ Het HRA-infuus bedraagt 28,8% (40,5%) respectievelijk 35,4% (52%) van de koopprijs van een huis. Hiervan heeft een substantieel deel van respectievelijk 67% en 73% betrekking op de vaak vergeten subsidie vrijstelling VRH als we even van het EWF afzien.  De zgn. “aanpak” van de hypotheekrenteaftrek door verlaging van het tarief van de aftrek heeft, mede door de Wet Hillen, nog nauwelijks effect. Gaan we uit van een reëler VRH-percentage dan is het voordeel 25% van de koopprijs.[link]

♦ Dankzij het CPB kan een ieder nu uitrekenen wat hij aan zijn eigen huis verdient door zijn nettolasten als eigenaar te vergelijken met de marktconforme jaarhuur, die volgens een fragwürdige CPB-model ≈ € 6.126 +1,9% van de WOZ-waarde bedraagt. [link, noot 2 voor kanttekeningen]

♦ De internationale aanpak van de belastingontwijking is illusoir gezien het belang van wereldspelers en de politieke partijen die in de Angelsaksische landen in het zadel zitten/zaten. [link]

♦ Zoals we in de rapporten van de onbezoldigde interne controledienst van de belastingdienst Abvakabo hebben kunnen lezen is de belastingdienst een bordeel met een zeer incompetente leiding. Weekers en Wiebes waren dus gewaarschuwd. [link]

♦ Het armoede-onderzoek van het SCP rammelt aan alle kanten omdat wordt uitgegaan van een arbitrair basisbudget zonder een relatie te leggen met het wettelijk sociaal minimum. [link]

♦ Het CPB sluit in haar conclusie van een studie naar het optimale belastingtarief niet uit “dat het huidige toptarief ongeveer opbrengstmaximaliserend is”, terwijl het in dezelfde studie schreef dat “het opbrengstmaximaliserende toptarief in Nederland ongeveer 49% is“. Omdat sprake was van een uiterst fragwürdige panelstudie, sluit ik bij het CPB eigenlijk niets meer uit. [link]

♦ De voorronde in de aanloop naar de CPB-doorrekening van de verkiezingsprogramma’s. [link]

♦ Politieke partijen die schamperen over het aantal werknemers dat zich in een vakbond organiseert, moeten eerst eens naar hun eigen ledenaantal kijken. Met de ijzeren wet van de oligarchie heeft zo’n lidmaatschap overigens ook nauwelijks zin. Deze bijdrage laat zien dat het relatieve ledenaantal van de vakbonden in 2016 nauwelijks afnam. [link]

♦ Er staat een premie op het voeren van een slechte overheidsboekhouding als je je EU-bijdrage wil minimaliseren. Hoe zwarter hoe beter. [link]

Overheidsschuld 2016

________________________________________________________________

“De Staatsschuld moet door toekomstige generaties nog helemaal worden afgelost” w.g. Marc Rutte, 25 november 2016 [VK]

Nederland heeft relatief het hoogste pensioenvermogen in Europa (eind 2017 ca. 240% bbp) en dat vermogen stijgt sinds 2006, inclusief de 2008 bankencrisis, met 6,9% per jaar. CBS, CPB en DNB rekenen dit pensioenvermogen altijd graag voor 100% toe aan de huishoudens, terwijl toch echt 35% van dat pensioenvermogen aan de staat toekomt in de vorm van nog te innen belasting in box 1. De Staat heeft daarmee eind 2017 een, niet in de boeken verantwoorde, vordering van € 592 mld. op zijn burgers.[2] Politieke economen bedrijven veelal politiek in plaats van wetenschap en sluiten zich voor wat betreft de overheidsschuld graag aan bij de zienswijze van “onze” regering, CPB, CBS en DNB. [7] Bovendien is het regelmatig bepalen van het houdbaarheidstekort natuurlijk een aardige vorm van werkverschaffing, die zonder overheidsschuld niet opportuun en zelfs uitermate ondoelmatig is.

Door de financiële crisis van 2008 zijn de overheidsfinanciën van Nederland volledig uit het lood geslagen als we de regering, politici en media mogen geloven. De werkelijkheid verschilt echter nogal van deze leugenachtige (sorry, dat heet in deze post-postmoderne tijd geframede) voorstelling van zaken en kan als volgt worden benaderd:

237_100

Die netto-overheidsschuld heeft zich sinds 1987 als volgt ontwikkeld als we met de belastingclaim op het pensioenvermogen rekening houden:

237_101

De piek in 2008 komt door de financiering van financiële activa t.g.v. de bankencrisis van € 85 mld. Waarom die politici en de media altijd zo Jeremiëren over die “hoge” overheidsschuld kunt u voor 15 maart 2017 misschien nog eens navragen?

Het staatsvermogen per eind 2015 werd in een andere bijdrage al behandeld.

In Nederland kennen we de omkeerregel pensioenen die er toe leidt dat genoten inkomen dat onder fiscale voorwaarden in een pensioenlichaam wordt gestort is vrijgesteld van de huidige belasting en t.z.t. wordt belast tegen het dan geldende tarief. Het gevolg is dat de overheid jaarlijks belasting misloopt (52%), die natuurlijk wel direct moet worden opgebracht. De overheid derft 17% bij premieafracht en houdt een claim op het op het pensioenvermogen van zo’n 35%. De overheid zou die ckaim natuurlijk ook in de boeken kunnen opnemen, maar doet dat lekker niet zodat ze bezuinigingen en ombuigingen kan afdwingen. CBS, CPB en DNB kunnen de Nederlanders zo al jaren onjuist voorlichten over de werkelijke hoogte van onze echte overheidsschuld.[2]

Met een  belastingclaim van € 592 en een overheidsschuld van € 438 mld. hebben we eind 2017 een actief van € 154 mld. Op die belastingclaim wordt jaarlijks een rendement gemaakt van afgerond € 37 mld. Op die overheidsschuld betalen we in 2017 € 6,4 mld. rente zodat we per saldo ca € 30 mld. overhouden. Het zal duidelijk zijn dat we daarmee noch van een overheidsschuld noch van een overheidstekort kunnen spreken.

Daarnaast heeft de overheid de ambtenarenpensioenen afgefinancierd. Daarmee is na aftrek van de al meegenomen 35% belastingclaim netto nog eens een bedrag van € 358 mld. gemoeid.

Waarom Nederland de afgelopen jaren door Brussel ad nauseam werd lastig gevallen met het Groei en Stabiliteitspact is dan ook alleen te verklaren door een uiterst gebrekkige boekhoudkundige kennis van de EU-bobo’s en een – al of niet met opzet – klungelige  Nederlandse diplomatie. Nou ja, een discussie over de groei kan ik mij dat nog wel voorstellen want die groei was t.o.v. onze buren na Balkende IV onder Rutte I en II inderdaad abdominabel in vergelijking met het buitenland.

Zonder overheidsschuld zouden de banen eigenlijk niet aan te slepen moeten zijn. De politieke economen hebben dus nog wat uit te leggen. Teulings heeft er overigens wel een verklaring voor: “pakhuizen vol met appeltjes voor de dorst”. [10] Ook het omslagstelsel wordt door hem van stal gehaald, zo snel mogelijk opdoeken dus.

__________________________________________________________________

§1 Inleiding

Al bijna een decennium wordt het Nederlandse volk lastig gevallen met de eisen van het Europese Stability and Growth Pact (SGP) waarbij de overheidsschuld niet hoger mag zijn dan 60% bbp en het overheidstekort de 3% bbp niet mag overschrijden. Bij een jaarlijks toename van het bbp met 5% stijgt dan immers bij een schuld van 60% en een tekort van 3% de relatieve overheidsschuld (60% bbp) niet. Van 2007 t/m 2017 zal het bbp echter slechts met 1,9% p.j. toenemen, de overheidsschuld nam in diezelfde periode met 4,9% p.j. toe. Terwijl de rente in 1992 nog 6,2% van het bbp bedroeg zal die voor 2017 0,9% bbp gaan bedragen. Hel en verdoemenis staat ons te wachten als we niet aan de eisen van het SGP voldoen, er hangt zelfs een permanente dreiging van een boete boven ons hoofd, die de overheidsschuld alleen nog maar zal doen toenemen. Regering, politici en de media spaarden kosten noch moeite om het Nederlandse volk van de ernst van de situatie te laten doordringen, en zijn dan stomverbaasd als dat volk, na de put ingepraat te zijn, het even niet meer ziet zitten. De parameters van dat SGP zijn volledig achterhaald en zouden dus nodig op de helling moeten. Voor Nederland kan dat SGP-document direct het ronde archief in omdat we noch een schuld noch een tekort hebben. De urgentie van de wet Houdbare OverheidsFinanciën van december 2013 kan dan ook alleen verklaard worden doordat onze politici de ballen verstand hebben van een doelmatige overheidshuishouding.[9]

Er is eigenlijk weinig reden om veel woorden vuil te maken aan een zo marginaal probleem als de Nederlandse EMU-overheidsschuld. Door de belastingclaim op het fors stijgend pensioenvermogen en rekening houdend met de acquisitie in 2008 van € 85 mld. financiële activa om de bankencrisis te bestrijden, hebben we eigenlijk al vele jaren geen overheidsschuld meer, zoals onderstaande grafiek duidelijk maakt [1]:

237_102

(1) Als we het hier over onze werkelijke nominale overheidsschuld hebben dan doelen we op de oker cijferkolommen in de grafiek. De belastingclaim, inclusief derde pensioenpijler, is ontleend aan de bijdrage Pensioenen 2016, de EMU-schuld is volgens CBS Statline of het CPB MEV 2017.[1/1a]

(2) Die bankencrisis werd door onze politici geframed als een crisis ten gevolge van onze nauwelijks bestaande overheidsschuld , waarbij door het CPB zelfs het “standaard”-werk This time is different van Reinhart en Rogoff uit de kast werd gehaald. {Een soort Apocalypse Now met rekenfouten en omissies} [3] Dit terwijl onze werkelijke schuld eind 2008, inclusief de in dat jaar voor € 85 mld. verworven financiële vaste activa, ca € 79 mld. bedroeg of slechts 12% bbp.

(3) Bovenstaande schuld is opgenomen tegen nominale waarde. Eind 2e kwartaal 2016 is de marktwaarde van die schuld € 73,9 mld. hoger door de lage rentestand. Indien we de overheidsschuld uit de markt willen halen, b.v. om de staatsschuld af te lossen, is dat de relevante schuld. Het plaatje in tabelvorm van het verloop van die overheidsschuld wordt dan als volgt [1]:

(click op tabel of Ctrl + om te vergroten)

237_103

Eind 2017 hebben dus geen overheidsschuld van € 438 mld. maar een actief van ca € 154 mld. Houden we rekening met de hogere marktwaarde van die overheidsschuld dan gaat daar op basis van het meest recente cijfer (Q2 2016) € 73,9 mld. vanaf.

(4) In de mltv 2018-2021 van het CPB konden we lezen dat de overheidsschuld eind 2040 een actief van € -5 mld. is en eind 2060 zelfs € – 31 mld. [1f, blz. 45] Uiteraard nog zonder belastingclaim op het dan van toepassing zijnde pensioenvermogen. Dàt gegeven wordt ons door het CPB onthouden. We mochten eens vragen stellen over de situatie in 2040, als het geld helemaal over de plinten klotst. Het ABP is in elk geval van mening dat de pensioenpot, ook dan, zeker nog niet leeg is.[4]

(5) Voor 2016 en 2017 is een stijging van het pensioenvermogen van 6,9% aangehouden. Voor 2016 is dat eind juni 2016 praktisch gerealiseerd. De pensioendeelnemers mogen op een houtje bijten, de staat loopt door het hoge rendement op het pensioenvermogen binnen, zolang het pensioenvermogen ten minste niet afgestempeld moet worden. (Meneer Dijsselbloem en de onzin uitkramende dames en heren uit de commisie studiegroep begrotingsruimte [6], mogelijk is dit toch een reden om die belastingclaim versneld te gaan incasseren,) Mocht die afstempeling van pensioenrechten noodzakelijk zijn dat is dat te danken aan het door de overheid gecreëerde Financieel ToetsingsKader, dat volstrekt losgezongen is van de werkelijkheid. Het is dan ook typerend voor het denkvermogen op het MvF dat op de vraag in welke mate de lage rente invloed heeft op de begroting er met geen woordt gerept wordt over het rendement op de belastingclaim. [1g, vrg 18 & 123]

Voor 2016 hebben we, als een gebeurtenis na balansdatum, de belastingclaim op het pensioenvermogen verlaagd met € 4,0 mld. in verband met de afkoop van de pensioenen in eigen beheer in de jaren 2017-2019.[1] Dat bedrag werd verjubeld in de miljoenennota 2017 [1e] Telkens als de overheid de belastingtarieven aanpast heeft dat zijn uitwerking op de belastingclaim op het pensioenvermogen. Zo zie ik dat effect ook nooit terug bij voorstellen om tot een vlaktaks over te gaan.

(6) In de glazenbol van het MvF kunnen we voor de ontwikkeling van de EMU- overheidsschuld nog wat verder vooruitkijken [1g, vrg 23] :

237_11

Hoewel ik een bloedhekel heb aan pipe dreaming, waag ik mij toch aan een uiterst ruwe schatting van de belastingclaim eind 2021. Het is aannemelijk dat de belastingclaim dan, de systematiek van §1 (5) volgend,  rond de € 700 – 760 mld. ligt. Het EMU-schuldcijfer voor 2017 wijkt licht af van de CPB MEV 2017, zie hiervoor het antwoord op Kamervragen MN2017.[1g, vrg 19]

§2 De rente-“last” op onze officiële EMU-overheidsschuld.

Jarenlang zijn we lastig gevallen met de rentelast op onze staatsschuld. De heren politici vertelden er natuurlijk niet bij dat die overheidsschuld materieel belegd was in ons pensioenvermogen. Van dat rendement op het pensioenvermogen prikt de staat een aardig vorkje mee. Dat bedrag verschijnt natuurlijk niet in de boeken van de staat. Zolang de media niet doorvragen en de politici hun mond houden zal dat bedrag u ook onthouden worden.

We geven eerst de rentelast op de overheidsschuld sinds 1995 zoals dat van officiële overheidszijde (CBS, CPB en MvF) wordt verstrekt [8] :

237_12

(1) We schreven overheidszijden omdat de ene hand niet weet wat de andere hand doet en de MvF-cijfers [1g, vrg 32} afwijken van de CBS-cijfers [1d2, 1d3 en 8] en de CPB-cijfers [1d3]. Het CBS splitst de ontvangen interest en de betaalde interest en het is onduidelijk welk cijfer je moet nemen. Het nettocijfer CBS-cijfer uit statline 1995-heden sluit redelijk aan bij de cijfer van het MvF in het antwoord op kamervragen.[1g] Met het CPB-cijfer kunnen we helemaal niets aanvangen. [1d3]

(2) De CBS interestlast bedroeg in 1996 netto € 14,7 mld. of 4.3 % bbp. Gebruiken we dit percentage voor 2017 dan zou de rentelast € 30.9  mld. hebben bedragen, dat is dus 4,8 keer zoveel als de werkelijke last in 2017 (miljoenennota € 6,4 mld.) Bovendien is dat bbp 2017 cijfer nog gedrukt door het beleid van Rutte II (ca € 57 mld. lager bbp eind 2015).

We gaan verder met de MvF cijfers [1g] om consistentie in het cijfermateriaal te houden. Onderstaande grafiek laat zien hoe wij op onze overheidsschuld verdienen van 2000 t/m 2017 door het rendement op de belastingclaim op het pensioenvermogen. Die opbrengst zien we ook niet terug in de CBS- en CPB-cijfers, die wel de rentelast opvoeren maar zwijgen over het ongeboekte rendement op de belastingclaim op het pensioenvermogen (mismatch).[2]

237_4

(1) De netto rente is de rente op de overheidsschuld minus het rendement op de belastingclaim op het pensioenvermogen. De rente op de schuld bedraagt voor 2017 inmiddels 0,9 % van het bbp. Het netto rendement op de belastingclaim is inmiddels in 2017 opgelopen tot zo’n € 30 mld. na aftrek van de betaalde interest op de overheidsschuld. Dat is toch mooi 6,1 x het EMU-tekort 2017. Dat rendement is onderdeel van de jaarlijkse mutatie in het pensioenvermogen.

(2) We gaan uit van een gemiddeld rendement van 6,4% per jaar.[5] In werkelijkheid zal het rendement op het pensioenvermogen van jaar tot jaar sterk fluctueren. Zo was het rendement in 2014 ≈16% en in 2015 slechts ≈1,75%.

(3) Indien de overheidsschuld na de aanpassing van de overheidsschuld tegen marktwaarde wordt opgenomen zal de toekomstig te betalen reële interest op die overheidsschuld voorlopig verwaarloosbaar zijn. Een goede reden voor de overheid om eindelijk eens renderende investeringen te entameren.

(4) In de antwoorden op vragen n.a.v. de miljoenennota 2017 wordt ingegaan op het effect van 1% rentestijging op de interestlast voor de komende jaren. Onder het motto u vraagt en wij draaien levert het CPB de volgende onvolledige en daarmee misleidende informatie op [1g]:

237_80

Uiteraard wordt er in het antwoord niet gerept over het effect op de waardering van de belastingclaim van die 1% rentestijging en die financiële woordvoerders in de Kamer stellen er natuurlijk ook geen vragen over. In elk geval weten we dat de dekkingsgraad van de pensioenfondsen met zo’n 12% toeneemt, zodat het afstempelrisico van pensioenafspraken aanmerkelijk afneemt.

(5) In de periode 2007 – 2017 betaalt de overheid € 93,4 mld. aan rente over de overheidsschuld, die in die periode op de belastingbetaler wordt afgewenteld. Het rendement op de belastingclaim van ca € 285 mld. (6,4%) liet de overheid lekker in de pensioenpot zitten. Uiteraard alle reden voor de jongeren om zich weer te beklagen over de babyboomers die zo’n grote overheidsschuld achterlaten.

 ____________________

Laatst bijgewerkt 18 november 2016

Noten {groen commentaar}

[1] Bronnen cijfers

[1a] Belastingclaim op het pensioenvermogen: de bijdrage Pensioenen 2016

[1b] Overheidsschuld : CBS Statline, Verloop van de EMU-overheidsschuld, http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=82565ned&D1=a&D2=0&D3=0-3,8,13,18,23,28,33,38,43,48,53,58,63,68,73,78,83,88-90&HDR=G1,G2&STB=T&P=T&VW=T

[1c] Marktwaarde overheidsschuld: CBS Statline, Marktwaarde overheidsschuld, http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=82567ned&D1=0&D2=0&D3=a&D4=0-3,8,13,18,23,28,33,38,43,48,53,58,63,68,73,78,83,88-89&HDR=G3,G1&STB=T,G2&VW=T

Ik neem aan de het CBS bij het bepalen van de marktwaarde van de overheidsschuld ook de hedgecontracten die door de DSTA zijn afgesloten in de berekening heeft betrokken. 

[1d1] Interestlast tot 1969 – 2013: http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=81191NED&D1=76-77&D2=0&D3=0-35,40,45,50,55,60,65,70,75,79-80&HDR=G1,G2&STB=T&VW=T

[1d2] Interestlast vanaf 1995: http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=82563ned&D1=77-78&D2=0&D3=0-3,8,13,18,23,28,33,38,43,48,53,58,63,68,73,78,83,88-90&HDR=G1,G2&STB=T&VW=T

[1d3] Om de verwarring nog groter te maken doet het CPB ook nog een dit in het zakje:

https://www.cpb.nl/sites/default/files/omnidownload/Langetijdreeksen-overheidsfinancien-mev2017_publicatie.xls

Elke gelijkenis van het CPB-cijfer met het CBS cijfer berust op zuiver toeval – zie grafiek.

[1e] https://www.cpb.nl/sites/default/files/omnidownload/Macro-Economische-Verkenning-MEV-2017.pdf

[1f] https://www.cpb.nl/publicatie/middellangetermijnverkenning-2018-2021

[1g] https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2016/09/30/bijlage-1-antwoorden-kamervragen-miljoenennota-2017/bijlage-1-antwoorden-kamervragen-miljoenennota-2017.pdf , vraag 46.

[2] Met de Worldbank deel ik de voorkeur voor het accrual stelsel i.p.v. het archaïsche kasstelsel – voor de transitie:

“based on the view that accrual information includes, supplements and enhances the cash information currently provided and benefits both internal and external users”

http://www1.worldbank.org/publicsector/pe/April2003Seminar/Course%20Readings/05.%20Government%20accounting/IFAC%20Transition%20to%20Accrual%20PSC-Study_No_14.pdf

http://www.imf.org/external/pubs/ft/tnm/2016/tnm1606.pdf

De belastingclaim op het pensioenvermogen is redelijk in te schatten indien het CBS zijn statistieken eindelijk op orde heeft. Mocht het risico op afstempeling van pensioenrechten te groot worden geacht dan is er natuurlijk niets op tegen om die belastingclaim zo snel mogelijk te effectueren. Zie de bijdrage Opdoeken die omkeerregel pensioenen!. De rentebate op de belastingclaim, begrepen in de mutatie van de belastingclaim, zult u ook vergeeft in de boeken van de staat zoeken. Wel wordt de rente op de overheidsschuld als last verantwoord. (een zuivere overtreding van het matching principle)

[3] CEP 2009, Rogoff cs werd twaalf keer geciteerd:

https://www.cpb.nl/sites/default/files/publicaties/download/cep2009.pdfhttps://www.accountant.nl/globalassets/accountant.nl/blad/2010-nr.-6/acc_2010_6_believers_versus.pdf

en uiteraard deed onze nationale zwartkijker ook een duit in het zakje:

DNB, “Sanering Nederlandse overheidsfinanciën kan geen uitstel velen”,

https://www.dnb.nl/nieuws/nieuwsoverzicht-en-archief/dnbulletin-2012/dnb268919.jsp

zie verder ook:

https://esb.nu/blog/20012327/cpb-nu-ook-in-de-greep-van-budgettaire-orthodoxie

http://www.peri.umass.edu/236/hash/31e2ff374b6377b2ddec04deaa6388b1/publication/566/

http://krugman.blogs.nytimes.com/2013/05/26/reinhart-and-rogoff-are-not-happy/?_r=0

[4] http://pensioenblog.blogspot.nl/2012/12/de-pensioenpotten-blijven-gevuld.html

[5] De rentevoet op de belastingclaim op het pensioenvermogen 2007-2015 excl derde pensioenpijler is bepaald op basis van het rekenkundig gemiddeld rendement per jaar van de vijf grote pensioenfondsen op basis van de verhouding gewogen pensioenvermogen ABP, PFZW, PMT, PME en bpfBouw. Dit geeft 7% als uitkomst. Voor het veel kleinere derde pijler pensioenvermogen en de verzekeringsmaatschappijen nemen we een rendement van 4%. Gemiddeld komt het rendement dan op ongeveer 6,4%.

Mocht u de uitkomst hoog voorkomen: het ABP behaalde de laatste 20 jaar een rendement van ongeveer 7% gemiddeld. Het gemiddelde historisch rendement sinds 1971 van het PFZW is 8,3% en de laatste 10 jaar, inclusief 2008, 6,8%.

https://www.abp.nl/over-abp/actueel/nieuws/ondanks-onrust-nog-steeds-positief-rendement-in-2015.aspx

https://www.pfzw.nl/actueel/nieuws-van-pfzw/Paginas/U-krijgt-meer-pensioen-dan-u-aan-premie-betaalt.aspx

[6] https://www.rijksoverheid.nl/regering/inhoud/bewindspersonen/jeroen-dijsselbloem/documenten/rapporten/2016/07/01/15e-rapport-studiegroep-begrotingsruimte-van-saldosturing-naar-stabilisatie

Citaten uit het rapport (kijk even in bijlage 2 van dat rapport om te zien welke overheidsbobo’s als leden van die studiegroep meededen):

Als direct gevolg van de crisis verslechterde het EMU-saldo van een overschot van 0,2 procent in 2008 naar een tekort van 5,4 procent in 2009. De EMU-schuld liep, als gevolg van de tekorten, de stagnerende groei en interventies in de financiële sector, op tot een hoogtepunt van 68,2 procent in 2014. {Mevrouw Laura van Geest, directeur CPB, is zeer hardnekkig in het verspreiden van onzin over de overheidsfinanciën – zie}

Schuldafbouw richting een niveau dat een nieuwe klap kan verdragen.

Ondanks de forse verbeteringen van de staat van de overheidsfinanciën, is de schokbestendigheid van de begroting door de crisis aangetast. {Sinds 2014 hebben we al weer geen schuld meer, daarvoor had die schuld betrekking op de financiële vaste activa uit 2008, opgedrongen door de banken}

Het huidige schuldniveau ligt ruimschoots boven het niveau van voor de crisis. Volgens de economische literatuur [ zie ook mijn noot [3]] kan een te hoge overheidsschuld de reële economie schaden. Het is echter moeilijk aan te tonen waar deze drempelwaarde ligt. Verschillende studies wijzen erop dat deze zich tussen de 80 procent en 100 procent bbp bevindt.{6} De effecten van een te hoge overheidsschuld op de reële economie kunnen fors zijn. Het CPB schat op basis van beschikbare schattingen het gemiddelde negatieve effect van een decennium met een schuld van 10 procent boven de drempelwaarde tussen 1 tot 6 procent bbp in het tiende jaar.{7}

{Knap van die Haagse cijferfetisjisten: ze kennen de drempelwaarde niet, maar kunnen wel uitrekenen dat de schuld boven die drempelwaarde een negatief effect heeft van 1 tot 6 percent op het bbp. Gegeven die foutenmarge is die uitkomst echt as useful, as an ashtray on a motorbike.}

De Nederlandse EMU-schuld is nu ver verwijderd van de drempelwaarde, maar kan bij een nieuwe schok in de gevarenzone komen. In 2011 en opnieuw in 2014 is een schokproef uitgevoerd. Deze bracht in kaart hoe de Nederlandse economie en overheidsfinanciën zouden reageren op een combinatie van ernstige schokken. De meest recente schokproef concludeerde dat de schuldquote kan oplopen tot niveaus tussen de 77 en 101 procent bbp.{8} Voor een kans van 90 procent is een buffer van 30 procent bbp nodig en voor 95 procent een buffer van 45 procent bbp.

{En dan hebben ze het effect op het pensioenvermogen en dus de overheidsschuld nog niet eens meegenomen. Die belastingclaim buffer van 22% bbp eind 2017 is natuurlijk ook niet meegenomen. Ook hier is de foutenmarge (77% – 101% bbp) trouwens indicatief voor de waarde van de uitkomst van die schokproef.}

Voor Nederland adviseert de OESO {10} – rekening houdend met landenspecifieke omstandigheden – een schuldniveau van ongeveer 50 procent bbp. { Alleen hebben die sukkels van de OESO niet door dat Nederland daar al decennia ruim aan voldoet.}

De afgelopen jaren is in verschillende rondes van bezuinigingen de begroting op orde gebracht. De schokbestendigheid is echter nog niet op het niveau van voor de crisis. {zie grafiek}

Uit oogpunt van beheersing is het verstandig om rente-uitgaven op de staatschuld in het uitgavenkader op te nemen. De rente-uitgaven zijn in recente jaren sterk afgenomen als gevolg van de dalende rentevoet. Door het lage niveau van de rente zijn de overheidsfinanciën echter gevoeliger geworden voor een mogelijke rentestijging.

{ Elk voordeel heeft zijn nadeel:

1.De ontwikkeling van het rendement op de belastingclaim op het pensioenvermogen en de ontwikkeling van dat vermogen zelf is aanzienlijk belangrijker en hier maakt de studiegroep geen woord aan vuil.

{2}. Zoals de studiegroep weet, is dat niet volgens de EU-regeltjes waaraan die studiegroep toch zoveel waarde toekent.

}

{{#} zijn noten van de studiegroep die verwijzen naar literatuur in rapport}

[7] Wie daarvan drie recente staaltjes wil nalezen kan hier zien welke onzin er weer over onze overheidsschuld gedebiteerd wordt door de politieke economen Bas Jacobs, Roel Beetsma en Raymond Gradus:

http://digitaleeditie.nrc.nl/digitaleeditie/NH/2016/8/20160924___/3_02/index.html#page2

Jacobs komt, kennelijk uit de losse pols, op een belastingclaim van € 420 mld., hetgeen overeenkomt met een pensioenvermogen van slechts € 1.200 mld. Eind 2017 is dat pensioenvermogen ca € 1.700 mld. Het CBS kwam al eerder (3e kwartaal 2015) op dit bedrag uit. Eind juni 2016 bedroeg het pensioenvermogen van de tweede pijler al  € 1.483 mld  (claim € 509 mld.). Daar komt de hele derde pensioenpijler, het best bewaarde geheim van CPB en CBS (pensioenvermogen ca € 167 – 200 mld.), nog bij.

Beetsma (CDA) kwam het in het kader van zijn uitgavenbezuinigingswoede (even googlen! voor de plannen van deze reactionair) niet uit om daar op in te gaan en ging daarom maar leuteren over het met veel hocus pocus berekende structurele tekort van 0,9% (“gewenst” – door de EU-bobo’s, die zoals we zagen niet kunnen boekhouden, 0,5%). Zie ook:

https://www.cpb.nl/publicatie/enthousiasme-bekoeld-over-indicator-structureel-overheidstekort

Dan hebben we natuurlijk ook nog de CDA-econoom Raymond Gradus, iemand die zich kennelijk dagelijks op de VU laaft aan de Openbaringen van Johannes, die nog een duit in het zakje doet:

http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/laatste-begroting-rutte-ii-is-allerminst-schokbestendig

“Het lijkt tijden geleden, maar in de Miljoenennota 2009, enkele dagen na het omvallen van Lehman Brothers, voorspelde het kabinet Balkenende-Bos nog dat de overheidsschuldquote zou dalen naar bijna 35% in 2009. Zeven jaar later is de schuldquote ongeveer het dubbele van die voorspelling. *) Een nieuwe crisis van de omvang van de meest recente zou betekenen dat de schuldquote oploopt tot meer dan 100% van het bruto binnenlands product. Volgens de economische literatuur**)  kan een overheidsschuld tussen de 80% en 100% van het bruto binnenlands product de reële economie schaden. Ondanks alles is de begroting dus beslist nog niet schokbestendig.” ***)

*) zie grafiek § 1; **) – zie [3] (literatuur wel bijgehouden?); ***) Het zal een flinke inspanning vergen om er bij een volgende crisis € 158 mld. doorheen te jagen. Zelfs in 2008, de grootste crisis sinds de Jaren Dertig was de impact op de Nederlandse overheidsschuld materieel nihil.

Komen er na de zeven magere jaren geen zeven vette jaren? Die vette jaren hebben we toch nog tegoed? Of na het zuur, komt het zoet, zoals de tegeltjeswijsheid toch bij het CDA luidde?

[8] Er wordt wat afgeleuterd over de rente op de Nederlandse staatsschuld en dat komt met name omdat het CBS zijn cijfers niet op orde heeft in het doolhof dat CBS statline heet.*)

We kennen de volgende cijferreeksen bij het CBS:

[1d1] 1993 – 2013, waarbij

[1d2] 1995 – heden

Uiteraard hoeven die cijferreeksen niet op elkaar aan te sluiten.

Het Ministerie van Financiën heeft recent op kamervragen de  reeks [1g, vraag 32] opgeleverd., die redelijk aanluit bij het netto saldo van [1d2] van renteuitgaven en ontvangsten. De MvF cijfer zullen we dus maar in de toekomst gebruiken.

*) http://daskapital.nl/2013/09/rutte_liegt_over_rente_staatss.html

Het leuteren sloeg op deze teksten, kijk maar naar de werkelijke uitkomsten:

https://twitter.com/WillemKadijk/status/376786176944140288/photo/1

[9] http://wetten.overheid.nl/BWBR0034360/2015-07-22

[10] Coen Teulings, “Schuldencrisis? Eerder vorderingencrisis”. http://digitaleeditie.nrc.nl/digitaleeditie/NH/2016/9/20161026___/1_18/index.html#page19

Pensioenen 2016

______________________________________________________

In Nederland kennen we drie pensioenpijlers: (1) de AOW, (2) de aanvullende pensioenregeling tussen werkgevers en werknemers, (3) de individuele fiscaal gefaciliteerde pensioenfaciliteiten, zoals b.v. lijfrenten, FOR en pensioen in eigen beheer, pensioensparen, etc. Over de waardering van de AOW-aanspraken heeft het CBS al de nodige onzin gedebiteerd, we verwijzen daarvoor naar een afzonderlijke bijdrage. Hoewel het CBS het pensioenvermogen in Statline met een jezuïtische redenering niet als huishoudvermogen aanmerkt, is het 2e en 3e pijler pensioemvermogen toch als vermogen van huishoudens (65%) en staat (35%) aan te merken. De percentages geven het aandeel aan omdat de staat nog een belastingclaim van 35% op dat pensioenvermogen heeft. DNB, CPB en CBS kennen liever 100% van dat pensioenvermogen aan de huishoudens toe, omdat je anders immers geen overheidsschuld en overheidstekort meer overhoudt en hoe moet je je burgers anders bang maken?

In deze bijdrage zullen we aan de hand van de DNB-statistieken pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen en de CBS statline en andere CBS-publicaties trachten de omvang van het pensioenvermogen, zo goed en zo kwaad als dat gaat, te bepalen.[1;3] Zoals we nog zullen zien is het CBS-cijfermateriaal innerlijk niet consistent.

In een van de opties wordt het pensioenvermogen door het CBS eind 3e kwartaal 2015 op € 1,7 biljoen gesteld, dat is dus €1,1 biljoen voor de burgers en € 0,6 biljoen voor de staat. De staat zal eind 2017 een overheidsschuld hebben van € 438 mld., die dus fluitend kan worden afgelost als we de omkeerregel pensioenen eindelijk opdoeken. In onze opstelling komen we eind 2e kwartaal 2016 op ruwweg € 1.620 mld. pensioenvermogen. Op deze basis komen we eind 2017 ook op een pensioenvermogen van € 1,7 biljoen.

In §4 nemen we een duik in het verleden en in § 5 vergelijken we ons pensioenvermogen met het buitenland.

______________________________________________________

§1 Pensioenvermogen

Tabel 1 Pensioenvermogen

(click op tabel om te vergroten)

240_1

(1) De Pensioenvermogens van de pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen zijn ontleend aan de DNB-statistieken.[1] Hierbij zijn ook de algemene reserves van de pensioenfondsen meegenomen. Ter vergelijking is het pensioenvermogen van de huishoudens volgens het CBS opgenomen, dat ten onrechte exclusief de algemene reserves van de pensioenfondsen, die materieel aan de pensioendeelnemers toebehoort, wordt vermeld. [2] Tot 1/1/2016 publiceerde DNB ook de pensioenvermogens van de huishoudens. Een vergelijking van de cijfers met het CBS is in noot [3] opgenomen. Ten onrechte voeren CBS en DNB, maar ook het CPB de bruto pensioenvermogens als vermogen van de huishoudens op. Op dat vermogen rust immers nog een belastingclaim van zo’n 35% (CPB [5]) van de overheid en het pensioenvermogen wordt daarmee fors te hoog voorgesteld en het vermogen van de staat te laag. Naar we moeten aannemen is dit geen opzet maar onkunde, hoewel het natuurlijk “onze” staat wel helpt bij het afdwingen van bezuinigingen en ombuigingen.

(2) Tevens is voor het eerst een ruwe schatting van de zgn derde pensioenpijler opgenomen die arbitrair wordt geschat op 5/45 van de pensioenverplichtingen tweede pijler. [4] Het zou natuurlijk voor het inzicht helpen als de overheid zijn pensioenstatistiek wel op orde bracht. Het CBS komt in een afzonderlijke publicatie met de volgende pensioenlullepot op een pensioenvermogen (pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen) eind derde kwartaal 2015 van € 1,7 biljoen. [3] Uiteraard wordt dit bedrag zonder nadere vragen aan het CBS, klakkeloos door de media overgenomen.

Sinds kort weten we van Wiebes dat het bedrag aan pensioen eigen beheer (DGA – directie bv met tenminste 10% aandelen) in 2009 alleen al € 31 mld. bedroeg, latere cijfers zijn echter niet beschikbaar. [9]

 §2 Ontwikkeling pensioenfondsen

De ontwikkeling van de actuele dekkingsgraad van de pensioenfondsen valt als volgt weer te geven:

240_4

Die dekkingsdraad is een weinig zeggende grootheid waaraan onevenredig aandacht moet worden besteed door de stompzinnige bepalingen in het Financieel ToetsingsKader (FTK). Stompzinnig om twee redenen:

(a) de dekkingsraad is gebaseerd op een uiterst discutabele extrapolatie van de overigens volstrekt irrelevante risicovrije rekenrente;

(b) Het FTK staat, om de onzin van (a) te corrigeren, toe dat je een herstelplan schrijft waarbij je de aannames in (a) terugdraait door te mogen rekenen met (altijd) gedateerde rendementsparameters over een periode van 10 jaar in je herstelplan. Zo komt Jan Splinter door de winter en hoef je dan weer niet tot afstempeling over te gaan en wordt tevens het gedempte premietekort aangezuiverd. In elk geval schuif je zo elke vorm van indexering voor je uit en wat in het vat zit verzuurt niet.

Voor een uiterst kritische kanttekening bij de hele rekenrente systematiek zie het artikel van Van Praag en Hemmers op de Mejudice site. [7] Het geheel leidt ertoe dat niemand krijgt wat hem toekomt zolang niet wordt overgegaan tot individuele toerekening van de pensioenpot.

De jaarlijks groei van het pensioenvermogen met als vergelijking ABP als volgt worden weergegeven:

240_5

(1) De jaarlijkse stijging van het pensioenvermogen (6,9%) is derhalve fors t.o.v. de groei van het bbp (1,8%). Dat geldt onverminderd voor de groei van de belastingclaim.

(2) De knik in 2014 wordt mede veroorzaakt door de daling van de rente, en de daarmee samenhangende (ongerealiseerde stijging) van de vastrentende waarden. Een dergelijke ongeraliseerde stijging gaat ten koste van de toekomstige rendementen.

Het verloop van de rendementen is als volgt:

240_6

(1) De cumulatieve indirecte resultaten zijn 125% van de directe resultaten. Het totaal rendement 2007-2015 bedraagt € 474,3 mld.

(2) Ook hier springt 2014 eruit, net als 2008 overigens.

De beleggingsresultaten kunnen als volgt nader worden gespecificeerd [1]:

Tabel 2 Beleggingsresultaten

(click op tabel om te vergroten)

240_7

Indirecte beleggingsresultaten op vastrentende waarden gaan door het ontstane agio ten laste van toekomstige renteopbrengsten en drukken dan het toekomstig resultaat door de amortisatie van het agio. Helaas wordt deze informatie niet verstrekt.

Tot slot de mutaties in het pensioenvermogen om het beeld te completeren [1]:

Tabel 3 mutaties pensioenvermogen pensioenfondsen

240_8

§3 Omkeerregel pensioenen en vrijstelling VRH

Het pensioenvermogen is vrijgesteld van vermogensrendementsheffing. Daarmee worden pensioendeelnemers voorgetrokken ten opzichte van andere spaarders die voor hun pensioen sparen en over elke gespaarde euro vermogensrendementsheffing betalen. (1,2% van het vermogen aan het begin van het jaar) Een waardevast pensioen van € 10.000 heeft op 65-jarige leeftijd een vermogenswaarde van zo’n € 130.000 netto.

De omkeerregel pensioenen maakt dat de pensioenpremie van het belastbaar inkomen tegen ca 52% mag worden afgetrokken en t.z.t. bij uitbetaling tegen gemiddeld 35% wordt belast. [5] De genoemde cijfers zijn CPB-cijfers en moeten dus wel kloppen, hoewel het werkgeversdeel van de pensioenpremie veelal tegen 25% vennootschapsbelasting zal worden afgetrokken. Alleen als dat werkgeversdeel de werknemer toekomt, wat lang niet altijd het geval is, geldt het 52% tarief. Omdat de regering Rutte 2 de overheidsfinanciën volgens vriend en vijand zo goed op orde heeft gebracht is het goed om even na te gaan wat dit omkeergeintje de overheid in de periode 2013-2016 zo al gekost heeft aan belastingen en premies. We doen alsof de omkeerregel voor de periode 2013-2016 niet van toepassing is geweest en we dus voor de nieuwe pensioenpremies en de rendementen het stelsel afschaffen.

Tabel 4 Belastingderving en uitstel 2013-2016

240_2

(1) In totaal moesten de huidige belastingbetalers dus in de periode 2013-2016 ca € 193 meer belasting op tafel leggen om de begroting in evenwicht te houden.

(2) De pensioenpremie inclusief derde pijler is ontleend aan [4]. De VRH-vrijstelling is berekend over het pensioenvermogen na aftrek 35% belastingclaim van de staat, waarbij de VRH ook het vermogen vermindert. Het pensioenvermogen eind 2016 bedraagt het pensioenvermogen per 30/6/2016 + 2%. Het uitstel kost dus 35% van € 393 of € 137 mld. aan belasting. De belastingderving kost daar en boven € 55 mld.

Het huidige pensioenstelsel verstoort de overheidshuishouding en heeft een sterk negatief effect op het besteedbaar inkomen van de burgers. Dat effect wordt met name veroorzaakt door:

(a) Onnodig hoge pensioengrondslag door fiscale facilitering en verplichte winkelnering, nog eens versterkt door HRA (geringe neiging tot aflossen = vorm pensioensparen) ;

(b) Extra belastingheffing doordat de lagere belastingopbrengst pensioenstelsel moet worden aangevuld.

De omkeerregel pensioenen kan eenvoudig worden afgeschaft door een voorheffing van 30% in te voeren op alle mutaties in het pensioenvermogen bij het pensioenlichaam en die voorheffing te verrekenen bij uitbetaling, vergelijkbaar met de dividendbelasting. Per 1/1/2017 levert dit ca € 500 mld. op. De progressie bij uitkering blijft zo gehandhaafd. Een gelijke behandeling van alle vermogens brengt wel een VRH op de pensioenvermogens met zich mee, maar verlaagt natuurlijk wel de pensioenuitkeringen. De vermogensvrijstelling moet dan dus wel flink omhoog en de heffing is pas mogelijk als de pensioenvermogens per deelnemer zijn verbijzonderd.

§4 Een duik in het verleden

Zo goed of eerder zo kwaad als dat gaat zullen we ook een duik in het verleden nemen. We gaan daarbij terug tot 1987. Dat gaat slecht omdat ons CBS een bloedhekel heeft aan doorlopende cijferreeksen in statline en ook niet erg behulpzaam is om deze informatie toegankelijk te maken. Statline is daarmee de 21e eeuwse internetversie van een doolhof.

We hebben de volgende informatie bij elkaar gescharreld aan de hand van DNB en CBS statistieken [10]. Aan de hand van deze opstelling is de volgende samenvatting te maken:

Tabel 5 Samenvatting bepaling pensioenvermogen 20001 – 2016K2

(click op tabel of Ctrl+ om te vergroten)

240_800

(1) De gegevens voor de jaren 2006-2016K2 zijn eerder in de tabel 1 opgenomen.

(2) De derde pensioenpijler is herleid op basis van de eerder genoemde ratio 5/45 van het pensioenvermogen van de tweede pijler exclusief algemene reserve pensioenfondsen. Dit is uit pure armoede omdat betere gegevens ontbreken. Gegeven het cijfer van Knot voor 2012 van € 181 mld. lijkt dat cijfer conservatief.

Aan de hand van deze gegevens kunnen we een aantal grafieken opstellen:

Grafiek 4.1. Pensioenvermogen eind van het jaar 1987-2016K2

240_901

(1) De toename van het pensioenvermogen bedroeg voor de periode 1988-2016K2 8,1 % per jaar. In die zelfde periode groeide het bbp, exclusief de stelselwijziging in 1995, met 4% per jaar.

Grafiek 4.2 Dekkingsgraad pensioenfondsen

240_902

(1) Uit de grafiek valt volgens sommige zelfbenoemde jongere pensioendeskundigen af te lezen dat de ouderen in het verleden veel te weinig premie zouden hebben betaald.

Grafiek 4.3 Pensioenpremie 1987 – 2015 in relatie bbp

240_903

(1) De relatief forse toename van de pensioenpremie (6,3% per jaar) heeft natuurlijk zijn tol geëist voor het besteedbaar inkomen en Rijk’s schatkist. De staat liet in de periode 1988 – 2016K2 ruwweg € 244 mld. (52%) aan belastingen over de pensioenpremie liggen, waarvan € 8o mld. (17%) aan permanente belastingderving. Daarnaast stelde de schatkist € 289 mld. (35%) aan belasting langdurig uit door overige toenames (voornamelijk rendement) van het pensioenvermogen. De niet pensioendeelnemers betaalden daar in die periode dus fors aan mee (totaal derving en uitstel € 533 mld.). De omkeerregel pensioenen is dus een uiterst dure Nederlandse hobby.

§5 Vergelijking met het buitenland [6]

oecd-2015-stand-2013

Op basis van de 2015 publicatie van de 2013 OECD-cijfers kunnen we dus concluderen dat Nederland relatief een van de grootste pensioenreserves heeft. Het is alleen jammer dat deze cijfers bij de toetsing aan het Europese Stabliteitspact onder tafel verdwijnen. Dit klemt te meer daar we ook nog de ambtenarenpensioenen hebben afgefinancierd, daar moet je in het buitenland eens om komen:

240_9

 ___________________

Laatst bijgewerkt 17 november 2016

[1] DNB, https://www.statistics.dnb.nl/financieele-instellingen/pensioenfondsen/macro-economische-statistiek-pensioenfondsen/index.jsp

DNB, Verzekeringsmaatschappijen, “Balans van verzekeringsinstellingen” , T7.1 Jaar/Kwartaal (XLS), https://www.statistics.dnb.nl/financieele-instellingen/verzekeraars/macro-economische-statistiek-verzekeraars/index.jsp

DNB T8.4 t/m 2014:

http://www.dnb.nl/statistiek/statistieken-dnb/financiele-instellingen/pensioenfondsen/toezichtgegevens-pensioenfondsen/index.jsp

[2] http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=82594NED&D1=44-45&D2=0-3,8,13,18,23,28,33,38,43,48,53,58,63,68,73,78,83,88-90&HDR=G1&STB=T&VW=T

http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=7118shfo&D1=2,8-10,12-13,25-26,28&D2=0&D3=a&HDR=G1,G2&STB=T&VW=T

[3] Pensioenvermogen CBS vs DNB en vs het CBS zlef die kennelijk niet weet of zij van voren of achteren leeft:

Deze statistiek is per 1/1/2016 gestaakt door DNB. De verschillen met de CBS-cijfers zijn als volgt:

240_3

http://www.dnb.nl/statistiek/statistieken-dnb/huishoudens/index.jsp

Onze Nationale Boekhouder komt ook nog met de volgende pensioenlullepot:

“Pensioenfondsen moeten sinds de crisis dus veel grotere vermogens aanhouden om aan de toekomstige verplichtingen te kunnen blijven voldoen. Het vermogen van pensioenfondsen en verzekeraars, die ook een deel van het pensioenvermogen beheren, steeg dus tussen eind 2008 en september 2015 met ruim 615 miljard euro naar € 1,7 biljoen.” 

We vatten de keuzes voor de hoogte van het pensioenvermogen even samen:

240_10

Met een pensioenvermogen van € 1.700 mld. is de belastingclaim ca 595 mld. Die € 1.700 is kennelijk een waardering door het CBS van de pensioenaanspraken, een soort different pensionreserves for different purposes. 

Het CBS heeft de huishoudvermogensstatistiek inzake pensioenen van DNB overgenomen, vooralsnog lijkt dat geen verbetering, DNB had tenminste nog enige consistentie in het cijfermateriaal. Het gaat tenslotte ook maar om de postzegelkas. Het CBS moet dus eerst maar eens de zaken op een rijtje zetten en zijn publicaties consistent maken.

https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2016/08/nationaal-vermogen-gestegen-door-grotere-pensioenpot

[4] Het pensioenvermogen derde pensioenpijler is in Nederland een goed bewaard geheim.

Het CBS stelt dat:

Van de totale pensioenaanspraken in 2005 zit de helft in de eerste pijler1), 45 procent in de tweede en 5 procent in de derde.

https://www.cbs.nl/nr/rdonlyres/40a155e9-15e5-469b-95fe-f504a904c1d7/0/2008p19p155art.pdf , blz 198.

en nog eens bevestigd in:

https://www.cbs.nl/nl-nl/publicatie/2010/45/pensioenaanspraken-geld-van-nu-voor-later

Op die wat oude basis (2010) kom ik tot een ratio van 5/45.

Voor 2012 hebben we nog de volgende informatie:

De heer Knot kwam voor 2012 in totaal op 212% bbp, het geen ca 181 mld. voor de derde pijler overlaat. Dat is dus € 42 mld. hoger dan de 5/45 regel.

Klaas Knot, “De spaarzin en schuldenlast van de Familie NL”, http://www.dnb.nl/binaries/Speech%20afscheid%20Jan%20Hommen_tcm46-297055.pdf

Leen Preesman, “”, Onduidelijkheid over herkomst 300 miljard pensioenvermogen”, http://nederland.ipe.com/nederland-guest/onduidelijkheid-over-herkomst-300-miljard-nederlands-pensioenvermogen_58530.php#.UogKw8RWxcZ

Klaas Knot, “Stilstand op een hoog niveau”, http://www.dnb.nl/binaries/speech%20Klaas%20Knot%20-%20Stilstand%20%20op%20een%20hoog%20niveau_tcm46-297988.pdf , blz 5.

[5] https://basjacobs.wordpress.com/2014/05/31/pensioenen-worden-gesubsidieerd-met-17-cent-per-gespaarde-euro/

[6] http://www.oecd.org/publications/oecd-pensions-at-a-glance-19991363.htm

[7] Bernard van Praag, Henk Hemmers, “Nederlandse pensioentoezichthouder is te voorzichtig in berekening dekkingsgraad”, Me Judice, 8 september 2016,

http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/nederlandse-pensioentoezichthouder-is-te-voorzichtig-in-berekening-dekkingsgraad

of uitgebreider:

http://www.mejudice.nl/docs/default-source/bronmaterialen/rapport-rentetermijnstuctuur.pdf

Met wel erg grote stappen snel thuis is het effect:

“Gegeven de huidige door DNB voorgeschreven rekenrente van 1% tot 1,3% zou dit leiden tot een verhoging van de dekkingsgraad met ca. (4%-1,3)* 12 procentpunten. Bij een huidige dekkingsgraad van ca. 100% zou dit leiden tot een verhoging met ca. 30% tot 35% procentpunten.”

[8] https://fd.nl/economie-politiek/1167205/dijsselbloem-hekelt-begrotingsregels-eu

[9] https://www.rijksoverheid.nl/regering/inhoud/bewindspersonen/eric-wiebes/documenten/brieven/2016/10/25/nota-naar-aanleiding-van-het-verslag

[10]  Bepaling pensioenvermogen 2001-2016

Aan de hand van de statistieken [1]  is de volgende opstelling gemaakt:

(click op tabel of Ctrl+ om te vergroten)

240_900

De gegevens zijn niet compleet: de derde pensioenpijler onbreekt geheel, en ook de gegevens van de verzekeringsmaatschappijen zijn slechts beperkt beschikbaar. Deze gegevens zijn door mij voor 2006 en 2007 geschat.

 

Enkele aanvullingen op de CPB doorrekening verkiezingsprogramma’s I

______________________________________________________

De doorrekening van het CPB zou bij de partijkeuze een zeer bescheiden plaats moeten innemen. Veel belangrijker is het stemgedrag van de politieke partijen in de afgelopen regeerperiode. Tevens geldt dat het CPB deze keer de in een spreadsheetje aangeleverde voorstellen minder uitgebreid doorrekent.[1] In het verleden werd er nogal eens gesjoemelt bij het inleveren van de data. Economische informatie die relevant is voor je politieke keuze en die niet in dat spreadsheetjes voorkomt, valt buiten de boot en krijgt ook in de media lang niet die aandacht die zij zou moeten verdienen.

In deze bijdrage behandelen we met name de laatst genoemde informatie terwijl we daarnaast in een vervolgbijdrage in zullen ingaan op enkele aspecten van die CPB-doorrekening voor zover daartoe aanleiding bestaat. De ervaringen uit het verleden leren dat dit altijd het geval is, omdat het CPB nogal eens wat steken laat vallen. Het model dat het CPB bij de doorrekening hanteert is met wat tierelantijnen van een verrassende neoliberale eenvoud [1;2] – (plaatje -geen link):

239_0

Daar kun je, met het CPB als bondgenoot, dus je politieke voordeel meedoen, te meer daar die vergaande onrealistische voorstellen toch sneuvelen in het politieke compromis. [3]

______________________________________________________

1 “De overheidsschuld, het overheidstekort en de rentelast op onze overheidsschuld”

De PvdA claimt “tegelijkertijd dringen we het begrotingstekort terug waardoor extra bezuinigingen niet nodig zijn.” [4] De vraag die zich onmiddellijk opdringt is: “welk begrotingstekort en welke overheidsschuld eigenlijk”. Deze vraag kunnen we  met één grafiek afdoen:

(click op grafiek 0f Ctrl + om te vergroten)

239

De rode kolommen geven de door de overheid en bijna alle politieke partijen gepretendeerde virtuele werkelijheid weer, met het CBS en CPB als slippendragers, de groene kolommen geven de zo goed mogelijk benaderde werkelijkheid weer.

Er was/is dus noch sprake van een schuld, noch van een begrotingstekort en ook rentelast op de overheidsschuld blijkt bij nader inzien een bate te moeten zijn. [link] We zijn dus al die jaren door Balkenende IV, Rutte I & II, CPB, CBS, DNB en de media systematisch voorgelogen. Wat die bezuinigingen en lastenverzwaringen, het verschil is veelal semantisch, ons aan bbp en belastingopbrengst gekost heeft rekende Jacobs ons al eens globaal voor. (“5,8 – 5,9 % minder bbp voor de periode 2011-2017”) [4 en punt 7]

2.  Asscher: “Het kabinet ziet op dit moment dan ook geen indicaties om te veronderstellen dat de vermogensverdeling onevenwichtig is.”[5]

Zelfs op basis van de zeer gebrekkige vermogensstatistiek van het CBS, waarop Asscher zich baseert en waaraan hij medeplichtig is [5], valt dit als volgt te weerleggen:

239_2

De waardering van het aanmerkelijk belang vermogen en het ondernemingsvermogen is fiscaal gedreven en daarmee nauwelijks relevant. De waarde van een onderneming is globaal de contante waarde van de toekomstige vrije kasstromen, gecorrigeerd voor o.a. verhandelbaarheid en omvang van het belang. Door de uiterst lage rente en de race to the bottom van het vennootschapsbelastingtarief zal die waarde toenemen. Hiervan vind je niets in de boeken van het CBS terug. Het 10e vermogensdeciel neemt eind 2013 67% van het vermogen, 87% van het ondernemingsvermogen en 98% van het aanmerkelijk belang vermogen voor zijn rekening. Als het CBS leutert dat de “vermogensongelijkheid in 2014 (= 31/12/2013) niet verder is toegenomen”, dan is dat op basis van ondeugdelijk cijfermateriaal en dus nergens op gebaseerd. [6]

Inzicht in de verdeling van het pensioenvermogen is er nauwelijks. Wel weten dat tot voor kort 41% van de gestorte pensioenpremies door ca 7% van de bevolking tegen 52% belasting werd afgetrokken. Dat pensioenvermogen is fiscaal onbelast. De vermogensbelasting op het eigen huis is per saldo sterk negatief.

De gebreken die aan de vermogensstatistiek kleven vinden natuurlijk ook hun neerslag in de inkomensstatistieken.

Ook de gebrekkige degressieve vermogensrendementsheffing van het huidige kabinet op het vermogen draagt daar toe bij:

239_3

De spaarders met een gering vermogen dat meestal op de bank wordt aangehouden zijn de afgelopen jaren systematisch door de overheid bestolen met de veel te hoge vermogensrendementsheffing. Ook onder het nieuwe regime is 2,9% veel te hoog. Deze expropriatie zit niet in de koopkrachtplaatjes van het CPB en treft met name ook de ouderen.

3 Verhoging AOW-leeftijd: “Maar daarvoor moeten ze langer blijven werken” [7]

De volgende grafiek brengt het probleem in kaart:

238_5

Dat langer blijven werken van de boven 65-jarigen die nog geen AOW  krijgen (♦ groene lijn) is een probleem dat we natuurlijk graag naar de toekomst doorschuiven. In 2025 moeten 545.000 65-68 jarigen aan het werk gehouden worden. Dat de werkeloosheid volgens de CPB mltv 2018-2021 eind 2021 slechts 510.000 werkelozen zal bedragen kunnen we dus gevoegelijk afdoen als bullshit bingo. Een wet aannemen om de AOW-leeftijd te verhogen is een koud kunstje, beleid ontwikkelen en uitvoeren om die ex-AOW’ers ook aan het werk te houden is een stuk moeilijker. Voorstellen om dit probleem werkelijk aan te pakken, heb ik echter nog niet gezien. Het AOW-gat van de allochtone bevolking is ook een probleem dat men voorlopig gaarne onder de pet houdt.

4 ”hoognodig iets aan de hypotheekrente veranderen” [8]

Materieel veranderde er aan de hypotheekrenteaftrek voor de normale eigenaar  nauwelijks iets zoals uit de navolgende opstelling van het HRA-infuus onder de nieuwe wetgeving blijkt:

235_9

De overheid legt nog steeds 26.3 % respectievelijk 36,4 % van de koopprijs bij een eigen woning van € 240.000 toe in de vorm van subsidies.De huurder heeft te maken met forse huurverhogingen en mag geen stuiver rente aftrekken voor de rentecomponent in zijn huurprijs. De woningeigenaren die met een belastingtarief van 52% te maken hebben, gaan er door de wetswijziging van de vermogensrendementsheffing per saldo qua subsidie zelfs op vooruit.

De verkoop van huurwoningen in de sociale sector aan de bewoners maakt dat die nieuwe eigenwoning bezitters nog schever gaan wonen. Het CPB vergat dat substantiële effect door te rekenen bij de vorige VVD-verkiezingsprogramma’s en de media (m.u.z. van Sargasso) hadden dat uiteraard ook niet door.

Die forse subsidie maakt natuurlijk wel dat een vergelijking van de Nederlandse hypotheekschuld met die schuld in het buitenland volledig mank gaat. De Nederlandse schuldenaar kan immers aanzienlijk gemakkelijker aan zijn betalingsverplichting voldoen.

Met een hoge hypotheekschuld waarmee je aan het HRA-infuus hangt, ben je politiek gezien natuurlijk niet langer onafhankelijk en is je politieke keuze de facto gemaakt. Deze gedwongen winkelnering maakt dat de middenpartijen ook zo’n grote voorstander zijn van het zo lang mogelijk rekken van de HRA in het kader van hun CRM, terwijl een belastingverlaging veel doelmatiger en rechtvaardiger is. Das gesellschaftliches Sein, das ihrBewußtsein bestimmt maakt dat de ministers en de kamerleden met meestal een forse hypotheek, er zelf ook niet veel voor voelen de HRA fors aan te pakken.

5 Commissie Van Dijkhuizen II: “Het tarief in de hoogste schijf wordt verlaagd tot 49%”. In een later stadium zelfs tot 46%. [9e]

Bij dit onderwerp gaan we wat uitgebreider te werk omdat het een kijkje in de CPB keuken geeft.

In een eerdere bijdrage CPB over de top? maakten we al eens gehakt van deze stelling en waar ik voor nadere details verwijs naar [9b; 9c]  Het “CPB”  concludeerde in die studie:

“Een hoger toptarief in de inkomstenbelasting levert geen hogere belastingopbrengst op. Het opbrengstmaximaliserende toptarief is in Nederland ongeveer 49%. Verhoging van het huidige toptarief van 52% leidt dan niet tot meer, maar juist tot minder belastingopbrengsten.” [10a]

Terwijl het CPB in de onderliggende studie toch echt “zelf” schreef:

Het huidige toptarief van 52% zou opbrengstmaximaliserend zijn bij een elasticiteit van e = 0,22. Dit zou ook het optimale toptarief zijn indien het welvaartsgewicht voor de topinkomens nul is (g = 0). We kunnen daarom niet uitsluiten dat het huidige toptarief ongeveer opbrengstmaximaliserend is. Bij een wat lagere (hogere) elasticiteit is het opbrengstmaximaliserende toptarief wat hoger (lager). ” [10c, blz. 12]

De gotspe in deze studie is dan vervolgens de volgende tekst:

 “Bij de CPB-doorrekening van de verkiezingsprogramma’s is nog gerekend met belastingopbrengsten van respectievelijk 200 mln euro bij verhoging van het toptarief naar 60% vanaf 150.000 euro en 400 mln bij verhoging van het toptarief naar 65% vanaf 150.000 euro (CPB, 2012a).De voorgaande analyse laat echter zien dat deze toptarieven tot respectievelijk 120 en 300 miljoen minder belastingopbrengsten zullen leiden. Bij een volgende analyse van een hoger toptarief zal het CPB daarom geen opbrengsten meer inboeken.”

w.g. Bas Jacobs (Erasmus), Egbert Jongen (CPB) en Floris Zoutman {Erasmus) [10c, blz 17]”

Als je gelooft in je eigen model, boek je natuurlijk als CPB in het kader van een objectieve doorrekening die verliezen wel in. Maar kennelijk heeft het CPB daar net niet de ballen voor. Hetgeen weer te denken geeft hoe het met andere teksten van het CPB gaat.

De beleidsvorming van het CPB vindt tegenwoordig kennelijk plaats door de Erasmus Universiteit, waarbij eerder gepubliceerd materiaal en standpunten gerecycled wordt in een CPB-document. De invisible hand van Adam Smith is kennelijk ook van toepassing op de handen van de directeur van het CPB Laura van Geest.

Caminada heeft erop gewezen dat ca 8% (Van Dijkhuizen 7%) van de belastingplichtigen met het 52%-tarief wordt geconfronteerd. Onder die toppers vallen echter ook:

“de senioren die genieten van hun pensioen en dat zijn hoger ingeschaalde ambtenaren die (C.M: eventueel) geconfronteerd worden met (een verhoging van) het 52%- tarief. Kortom: zij zijn tamelijk ongevoelig voor verhoging van het toptarief, en zij zijn ook niet in de positie om via fiscaal trapezewerk dergelijk inkomen om te zetten naar lager belast (kapitaal)inkomen.”[10d]

Als je dan ook nog weet dat alle boven 55-jarigen uit het panelonderzoek zijn weggezuiverd, dan krijgen we wel een inzicht in de validiteit van dat CPB-onderzoek. [10c1] {voor meer kritiek zie mijn bijdrage CPB over de top?}

Het is dus zaak bij het lezen van de komende CPB-doorrekening een flinke zoutpot  te hanteren en het onderliggende materiaal, voor zover het CPB in de keuken laat kijken, zelf eerst uitermate kritisch te beschouwen. Aan de media, kan je dat, net als bij deze elasticiteitesstudie, kennelijk niet overlaten. Mevrouw Laura van Geest, eerder bekend van haar vele wetenschappelijk economie publicaties, kan immers zonder tegenwerping in een recente lezing de grootst mogelijke onzin debiteren.

6 Van Praag en Hemmers: Rekenrente FTK pensioen terug naar 4%? [11]

Door de pensioenvermogens per deelnemer te verbijzonderen kunnen die deelnemers afkomen van het FTK en binnen een zekere bandbreedte zelf besluiten nemen over hun pensioenregeling. Als die pensioenvermogens worden gealloceerd op basis inleg plus rendement in het verleden plus of minus eventuele overschotten en tekorten hebben ze niets meer te maken met het FTK. De pensioendeelnemer hoeft dan geen rekening meer te houden met de de rentetermijnstructuur hobby horse van regering en DNB uit 2006, toen die ellende begon. Met een lange termijn rendement van zo’n 4% en een dekkingsgraad van zo’n 130-135% kunnen de pensionado en de actieve pensioendeelnemer beter zelf het toekomstige renterisico dragen en kan zelfs gedacht worden aan na-indexatie.[11]

7 Toch niet bepaald het beste jongetje van de klas

Het kabinet Rutte klopt zich nogal op zijn borst over het gezond maken van de Nederlandse economie. Ook ING kreeg ervan langs toen de bank twijfels uitte over het economisch beleid. De Eurostat/OECD-cijfers vertellen echter een niet zo rooskleurig verhaal [12]:

239_6

 

(1) De niet-euro cijfers zijn gebaseerd op de originele valuta uit de OECD database.

(2) Of als we Nederland met onze belangrijkste handelspartner Duitsland vergelijken en met enkele scenario’s:

242_3

Hoeveel geld we in de loop van 2007-2017 zullen kwijt raken wordt behandeld in de bijdrage bbp 1950-2017 §1. Gaan we uit van zo’n € 57 mld. bbp, dan loopt de staat zo’n € 22 mld. aan belastingen mis. Na aftrek van het tekort in 2017 had dan  € 22 mld. aan belastingen aan de burger kunnen worden teruggegeven. Die € 22 mld.. had met een multiplier van 1,5 de economie weer een aardige impuls gegeven.

8 Omdat onze politici nogal wollig doen over de gerealiseerde hervormingen, met dank aan de Kunduz-coalitie,  laten we dit door de Dutch State Treasury Agency (van Minister Dijsselbloem) nog eens pakkend samenvatten:

dsta

{wordt vervolgd in aflevering II}

______________

Laatst bijgewerkt 10 september 2016

[1] VK, “Als het CPB niet bestond, zou het moeten worden opgericht”, 16 april 2016, interview met Laura van Geest, directeur CPB met Robert Giebels, die kennelijk zijn huiswerk niet gedaan heeft.

Betaalmuur:

http://www.volkskrant.nl/economie/-als-het-cpb-niet-bestond-zou-het-moeten-worden-opgericht~a4283372/

zie ook:

http://www.binnenlandsbestuur.nl/juridisch/achtergrond/achtergrond/schijnzekerheid-van-het-cpb.165948.lynkx

Dat het CPB de 2008 bankencrisis niet zag aankomen en initieel als een schoothondje achter Carmen M. Reinhart and Kenneth S. Rogoff aanliep mag hier natuurlijk niet onvermeld blijven. De misinformatie van mevrouw Laura van Geest (CPB) over de ontwikkeling van de  overheidsschuld en het overheidstekort ook niet. Zie ook [7].

[2] Neoliberaal – deze wat lange boekbespreking in de vorm van een video door de altijd lezenswaardige John Lanchester van het London Review of Books zet dat begrip nog eens haarscherp neer:

http://www.lrb.co.uk/2016/08/18/john-lanchester/video-john-lanchester-talks-to-george-monbiot

[3] Een typisch voorbeeld is Rutte, toen nog in de oppositie, die in 2010 voorstelde om met zijn programma 400.000 banen te creëren, en dat aantal werd uiteraard, vreemd genoeg, geaccordeerd door het CPB.

“De werkgelegenheid groeit volgens het CPB met 6 procent, de arbeidsproductiviteit met 3 procent, aldus Rutte.”

NRC, “CPB: berekent 400.000 banen in programma “, http://vorige.nrc.nl/binnenland/article2547110.ece/VVD_CPB_berekent_400.000_ba

De “slijpsteen van de geest” vroeg natuurlijk niet door en kwam er dus ook niet achter dat dit aantal pas in 2040 bereikt zou worden.

Het waren er zelfs 500.000, immers “De economie kan wel wat VVD gebruiken”:

http://www.trouw.nl/tr/nl/4324/Nieuws/article/detail/1105546/2010/05/19/VVD-voorspelt-een-half-miljoen-nieuwe-banen.dhtml

Ook hier kon “De verdieping” geen soelaas bieden.

Bij het CPB kunt u nalezen, hoe je dat voor de CPB-doorrekening moet engineeren:

http://www.cpb.nl/sites/default/files/publicaties/bijlagen/bijz85h6vvd.pdf, blz 113.

U herkent waarschijnlijk het in de inleiding aangehaalde CPB-model?

[4] http://resultaten.pvda.nl/sterkere-economie-stijgende-koopkracht/

[5] https://basjacobs.wordpress.com/2015/11/26/overheid-heeft-met-falend-begrotingsbeleid-een-derde-van-de-grote-recessie-veroorzaakt-kosten-tientallen-miljarden-euros-per-jaar-en-honderdduizenden-banen/

“We kunnen concluderen dat ruwweg een derde van de gemiste groei in Nederland tussen 2011-2017 van ongeveer 15 procent bbp op het gevoerde begrotingsbeleid is terug te voeren “

“Aan de overheid valt ongeveer 37 procent van het bbp toe via de belastingen”

“Het Nederlandse begrotingsbeleid werd alle jaren geschraagd door een diep gewortelde consensus onder alle ‘verantwoordelijke’ politieke partijen: VVD, PVV, PvdA, CDA, D66, GroenLinks, CU en SGP. Deze partijen hebben mesjogge begrotingsbeleid gevoerd dat een derde van de Grote Recessie in Nederland heeft veroorzaakt.”

Dit soort ex-post berekeningen zijn daarmee veelal interessanter dan de CPB-doorrekening van de verkiezingsprogramma’s.

[6] Minister Asscher in: http://www.mejudice.nl/docs/default-source/bronmaterialen/kamervragen-naar-aanleiding-mj-stuk.pdf, blz. 3 of 7.

[7] https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2015/51/vermogensongelijkheid-in-2014-niet-verder-toegenomen

[8] http://www.parool.nl/parool/nl/224/BINNENLAND/article/detail/265190/2009/10/22/PvdA-worstelt-met-leden-over-AOW-leeftijd.dhtml

[9] http://www.pvda.nl/data/sitemanagement/media/2015-1/PvdA_Samsom_Congrestoespraak%20Diederik%20Samsom%202015.pdf

[10a] http://www.cpb.nl/persbericht/3213502/geen-extra-belastinginkomsten-door-hoger-toptarief

[10b] CPB, Policybrief 2013/04,  “Hoger toptarief levert niets op”, http://www.cpb.nl/publicatie/over-de-top

[10c] CPB achtergonddocument, “Meer over de top”,  http://www.cpb.nl/publicatie/meer-over-de-top

en voor het panelonderzoek:

[10c1] http://www.cpb.nl/sites/default/files/publicaties/download/cpb-background-document-estimating-elasticity-taxable-labour-income-netherlands.pdf

http://www.cpb.nl/sites/default/files/publicaties/download/cpb-background-document-estimating-elasticity-taxable-labour-income-netherlands.pdf

[10d] K. Caminada (2011), Overleven we een verhoging van het toptarief?, Almanak 2011 Pecunia Non Olet, Leiden: PNO pp.13-15, http://media.leidenuniv.nl/legacy/kc-2011-06.pdf blz 2.

[10e] https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2013/06/18/eindrapport-commissie-inkomstenbelasting, blz 10.

[11] Bernard van Praag, Henk Hemmers, “Nederlandse pensioentoezichthouder is te voorzichtig in berekening dekkingsgraad”, Me Judice, 8 september 2016,

http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/nederlandse-pensioentoezichthouder-is-te-voorzichtig-in-berekening-dekkingsgraad

of uitgebreider:

https://www.mejudice.nl/docs/default-source/bronmaterialen/rapport-rentetermijnstuctuur.pdf

Met wel erg grote stappen snel thuis is het effect:

“Gegeven de huidige door DNB voorgeschreven rekenrente van 1% tot 1,3% zou dit leiden tot een verhoging van de dekkingsgraad met ca. (4%-1,3)* 12 procentpunten. Bij een huidige dekkingsgraad van ca. 100% zou dit leiden tot een verhoging met ca. 30% tot 35% procentpunten.”

[12] http://ec.europa.eu/eurostat/tgm/refreshTableAction.do?tab=table&plugin=1&pcode=tec00001&language=en

[13] Dutch State Treasury Agency 5-year DDA Investor presentation,

https://english.dsta.nl/documents/publication/2016/06/03/dda-presentation-5-year-dsl—june-2016

 

AOW- leeftijd weer naar 65 jaar?

______________________________________________________

Een tweetal populistische partijen lanceerden recent in hun concept verkiezingsprogramma, waarvan één partij maar één lid kent zodat je eigenlijk niet van een concept kunt spreken. Daarin kwam het idee naar voren om de AOW-leeftijd weer (gedeeltelijk) naar 65 jaar terug te brengen. Daarmee werd een oude discussie opgerakeld. [4] De pers tuimelde over deze partijen heen vanwege het vermeende populistische karakter.

In deze bijdrage verzamelen we wat cijfermateriaal waarmee we aantonen dat de overige partijen net zo populistisch bezig zijn omdat ik voorlopig nog niet zie hoe in 2025 die ruim 540.000 boven 65-jarige werkenden gegeven de huidige, volgens Rutte kennelijk “sterke economie”, aan het werk gehouden kunnen worden. Die zgn. sterke economie (zie bijdrage in par 1.7) kent immers in 2017 nog steeds een hoge werkeloosheid van 6,2% of 560.000 werkelozen. (2007: 4% of 314.000)[6] Het werkeloosheidscijfer in de middellange- termijnverkenning 2018-2021 van het CPB met 510.000 werkelozen in 2021 is daarmee volstrekt ongeloofwaardig als er eind 2021 al 311.000 boven 65-jarigen aan het werk gehouden moet worden.[8;9]

______________________________________________________

§1 Het Cijfermateriaal

Grafiek 1 De toename van het aantal levensjaren en de stijging van de AOW leeftijd 2013-2025

238_1

(1) In de periode 2013 – 2025 stijgt de AOW-leeftijd met 2,5 jaar. Een 65-jarige in 2025 heeft al weer 1,5 jaar (m) en 1,1, jaar (v) langer te leven dan een 65-jarige in 2015, een lange termijn ontwikkeling die de jongeren graag over het hoofd zien.

Om even te laten zien wat al die politieke babbelkousen de aankomende pensionado (65 jaar) laat inleveren met die AOW-leeftijdsverhoging is onderstaand staatje illustratief:

238_7

(1) Die politici zijn natuurlijk alleen geïnteresseerd in uw gezonde levensjaren. De ongezonde levensjaren mag u zelf houden en laten ze graag aan staatssecretaris Martin van Rijn (PvdA) over, die zich als politieke pispaal laat gebruiken.

Om het probleem nog iets inzichtelijker te maken [1a]:

3238_9

U kunt dus zelf zien wat u inlevert als de AOW-leeftijd verder omhoog gaat. [1a] Onze politici zijn kennelijk een eigen Lourdes winkeltje begonnen.

(2) Als de media het weer eens hebben over onze toename levensverwachting is bovenstaand staatje behulpzaam. De media geven die cijfers voor het gemak meestal voor een nuljarige (83,0/79,5). Zo, nu kunt u die 2,5 jaar AOW-leeftijdsverhoging ten minste in perspectief plaatsen.

Grafiek 2 Prognose aantal 65-68 jarigen 2015-2025

238_2

Grafiek 3 Prognose aantal boven 65-jarigen die even geen AOW krijgen 2013-2025 (‘000)

238_3

(1) In 2025 zijn er dan volgens het CBS ruim een half miljoen minder in Nederland woonachtige AOW’ers dan onder het oude AOW-regime. [1] Preciezer zijn dat volgens diezelfde CBS 545.000. De ontwikkeling voor de jaren 2013- t/tm 2025 is in grafiek 3 in kaart gebracht op basis van die cijfers.

Grafiek 4  Ontwikkeling aantal bijstandtrekkers sind 2012 per maand (‘000) [2]

238_4

(1) Als je je statistiek mee laat bewegen met de AOW-leeftijd wordt een eventuele toename van de bijstanduitkering voor de boven 65-jarigen mooi aan het oog onttrokken.[2;7] Tevens geldt dat bijstandtrekkers jonger dan de AOW-leeftijd door verhoging van de AOW-leeftijd langer in de bijstand blijven.

(2) Allochtonen met een AOW-gat zullen ook te maken krijgen met een bijstandsuitkering. Over die toekomstige kosten hoor je niets van de politiek. Over de volledig onlogisch opbouw van AOW-rechten van je 15e ≈ 67e jaar hoor je ook nooit iets.

Onderstaande grafiek vat de problematiek samen:

Grafiek 5  Aantal werkelozen 2012-2025 en mensen zonder AOW > 65 jaar (‘000) [3]

238_5

(1) Naast de werkelozen t/m juli 2016 wordt ook de algemene werkeloosheid  t/m 2021 weergegeven gecombineerd met het aantal mensen zonder AOW van 65 jaar of ouder voor de periode 2013-2025. De lichtblauwe lijn geeft een extra dimensie aan de werkelozenproblematiek.

(2) De bruikbaarheid van de grafieken 4 en 5 gaat natuurlijk aanzienlijk omhoog als de leeftijdscatergorie 65-70 jarigen wordt verfijnd op jaarlaag. Het CBS blijft helaas hardnekkig de misinformatie voor het interval 45 tot AOW-leeftijd hanteren.[7]

(3) De kardinale vraag is nu hoe je beide grafieken tot 2025 kunt doortrekken. Een beredeneerd antwoord ben ik tot op heden niet tegengekomen en zo dat antwoord er wel is kan dat gegeven de notoir onbetrouwbare economische voorspellingen direct de stortkoker in.

(4) Volgens de mltv 2017-2021 zijn er eind 2021 510.000 werkelozen. Als het CPB zijn werk goed gedaan heeft is dan een substantieel deel van de 311.000 ouder dan 65 jarigen die dan geen AOW meer genieten nog aan het werk. Ik ben zo vrij om dat cijfer niet serieus te nemen.

(5) De aantallen voor totaal en overige werkelozen gaan gelijk op door de uiterst vlakke werkeloosheidscijfers voor de 45-65 jarigen.

(6) Zoals bekend is de verlaging van de AOW-leeftijd er destijds door heen gejast zonder adquate adressering van de financiële en arbeidsrechtelijke gevolgen voor de periode 2013- 2025.[4]

§2 De stemmingmakerij van RTLZ [5]

Een gotspe daarbij zijn de uitlatingen van Rob Fransman (VVD) van de Argumentenfabriek.[5] Die Argumentenfabriek heeft kennelijk een schreeuwend tekort aan het productiemiddel grijze cellen:

238_6

(1) Als we toch aan het terugdraaien zijn dan kunnen we ook de invoering van achturige werkdag van 11 juli 1919 terugdraaien. Gegeven het slechte basisonderwijs met 2,5 mln. laaggeletterden in Nederland kan ook het kinderwetje van Van Houten (1874) wel op de helling. Ook de vijfdaagse werkweek was economisch gezien kennelijk een grote misstap die snel omzeep geholpen moet worden. Met de huidige vakbeweging en organisatiegraad moet dat een koud kunstje zijn. De Fransman-banen, niet te verwarren met de Melkert-banen zijn dan niet meer aan te slepen. In een NRC-artikel “NRC checkt”, komt Philip de Witt Wijnen tot een zelfde onzinnige conclusie. [9]

(2) Er blijft één klein probleempje over. Als we geen vrije tijd meer hebben, wanneer moeten we dan consumeren om het zuur verdiende geld op te maken en de op vrije ondernemingsgewijze gebaseerde productie (liefst in een ver goedkoop land zonder vakbonden := globalization) te consumeren? Na 20:00 uur in de week op het internet en op de helaas nog vrije zondag in de koopgoot moet wel genoeg zijn, hoewel dat natuurlijk zonde blijft van al die gemiste potentiële Fransman-banen.

(3) Al die 65+’ers met een uitkering zijn uiteraard geheel gratis en die zitten nog niet eens in de cijfers (grafiek 3).

(4) Gelukkig hebben we dankzij de ontkerstening ook niets meer te maken met Timoteüs 5:18 en Matteüs 10:10. [7] De loonontwikkeling van het laatste decennia is daarvan dan ook de neerslag.  Het zal duidelijk zijn dat met die aanzwellende banenpoel van Fransman-banen de lonen flink onder druk komen te staan. Toch twittert Fransman regelmatige dat die lonen eindelijk eens omhoog moeten, argumenten moet je immers uitspugen, ze hoeven niet noodzakelijkerwijs innerlijk consistent te zijn. 

PS 1  Overigens moet Fransman nog maar eens uitleggen wie al die pensioenrendementen (b.v. 23 jaar tegen 7%) in zijn zak steekt als Opa, na 20 jaar geen indexatie te hebben ontvangen, de pijp uitgaat. Als Opa zijn pensioenpot nu uit zijn pensioenfonds, (incl. historisch rendement) , mocht opnemen, heeft hij niets meer met die belachelijke rekenrente te maken. Zijn geld kan hij dan in een nieuw en wel behoorlijk, niet materieel van overheidswege ( Klijnsma, PvdA) gerund, pensioenfonds storten. Hij kan dan eindelijk echt van zijn welverdiende pensioen genieten. De jongeren gaan dan niet met een deel van zijn achtergehouden pensioengeld schoot.

PS 2 Zie ook noot [9] voor de aan alle kanten rammelende NRC check vanPhilip de Witt Wijnen.

_______________

Laatst bijgewerkt 8 november 2016

[1a] https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2012/29/aow-wet-leidt-tot-ruim-half-miljoen-minder-aow-ers-in-2025

Met tabellen:
• Prognose AOW-leeftijd volgens het wetsvoorstel (maatwerktabel)
• StatLine, Prognose bevolking 65 jaar en ouder
• StatLine, Prognose resterende levensverwachting op 65e verjaardag

• Statline, Gezonde levensjaren  http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=71885NED&D1=a&D2=a&D3=14-15&D4=a&D5=a&D6=1-6&HDR=G5,G4,T&STB=G1,G2,G3&VW=T

[1b] http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=37360NED&D1=3&D2=a&D3=0,66,68&D4=a&HDR=G1,T,G2&STB=G3&VW=T

http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=71885NED&D1=0-1&D2=a&D3=14&D4=a&D5=0&D6=a&HDR=T,G2,G3&STB=G4,G1,G5&VW=T

[2] http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/?DM=SLNL&PA=82015NED

Deze cijferreeks heeft de volgende makke:

“De AOW-leeftijd is de leeftijd waarop het AOW-pensioen ingaat. Tot 2013 was de AOW-leeftijd 65 jaar. Met ingang van 1 januari 2013 gaat deze leeftijd elk jaar met stappen van één of meerdere maanden omhoog.Per 1 januari 2013 is de AOW-leeftijd met één maand verhoogd tot 65 jaar en één maand. In 2014 is de AOW-leeftijd 65 jaar en twee maanden, in 2015 65 jaar en drie maanden.” [CBS]

[3] http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=80479ned&D1=3-5,10&D2=l&D3=0&D4=128,130-141,143-154,156-175&HDR=T&STB=G1,G2,G3&VW=D

Werkloze beroepsbevolking (12-uursgrens):

“Personen die geen betaald werk hebben of voor minder dan twaalf uur per week, recent naar werk voor twaalf uur of meer per week hebben gezocht en daarvoor direct beschikbaar zijn.”

Vroeger zou je iemand met een twaalf uur baan een lanterfanter hebben genoemd.

[4] Harrie Verbon, “Mensen leven langer, maar werk is er niet”, Me Judice, 13 oktober 2014.http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/mensen-leven-langer-maar-werk-is-er-niet

[5] http://www.rtlz.nl/algemeen/politiek/heftig-politiek-programma-50plus-staat-vol-leugens

[6a] http://www.cpb.nl/sites/default/files/omnidownload/CPB-Kerngegevenstabel-raming-Augustus-016.pdf

en voor 2007:

[6b] PDF icon(0,0 MB)

[7] Voor de niet zo bijbelvasten onder ons:

Timotheüs 5:

Want de Schrift zegt: Een dorsenden os zult gij niet muilbanden; en: De arbeider is zijn loon waardig.

(Ἄξιος ὁ ἐργάτης τοῦ μισθοῦ αὐτοῦ of “The laborer deserves his wages.” )

Mattheüs 10:

“Noch male tot den weg, noch twee rokken, noch schoenen, noch staf; want de arbeider is zijn voedsel waardig.

(ῥάβδον· ἄξιος γὰρ ὁ ἐργάτης τῆς τροφῆς αὐτοῦ of For the worker is worth his keep.)

Dat je de Gristenen, en zij niet alleen, dat regelmatig moet inprenten blijkt duidelijk want je vindt een soortgelijke tekst ook ad nauseam b.v. in Lucas 10:7 en hier: http://bible.knowing-jesus.com/topics/Wages.

[7] CBS, “Aantal bijstandsgerechtigden opnieuw toegenomen”,

https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2016/35/aantal-bijstandsgerechtigden-opnieuw-toegenomen

[8] http://www.cpb.nl/sites/default/files/publicaties/download/cpb-boek-21-middellangetermijnverkenning-2018-2021.pdf

[9] Ook de NRC heeft de feiten even uit de losse pols gecheckt.

Philip de Witt Wijnen citeert eerst het CPB:

“Er is geen enkel empirisch bewijs voor een causaal verband tussen het veranderen van de pensioenleeftijd en werkgelegenheid voor jongeren. Misschien in het begin een klein substitutie-effect maar zeker niet structureel.”

Blijft de vraag wie precies die  jongeren zijn. Het werk van die 545.000 ouderen bij pensionering in 2025 ( 311.000 in 2021) wordt dus volgens het CPB. kennelijk helemaal niet meer gedaan. Volgens de MLTV 2017-2021 gaat de arbeidsproductiviteit in in de jaren 2017–2021 gemiddeld maar met 1,2% omhoog, niet om over naar huis te schrijven.

De door het NRC geciteerde werkeloosheid daalde van 2013 631.000-731.000 (zie grafiek 2) naar 550.000 nu. Een nietszeggende vergelijking met deels onjuiste cijfers. Het werkelijk CBS-cijfer 1/1/2013 (begin verhoging AOW leeftijd) was 600.000 en per eind juli 2016 : 614.000  werkelozen – de slijpsteen van de geest is niet meer wat hij geweest is. [3] Dat zegt natuurlijk geen hout over de werkeloosheid van de boven 65-jarigen en de NRC weet ook niet hoeveel er daarvan nog wel aan het werk zijn. De kromme definitie van werkelozen helpt daarbij ook niet. {Werkeloos is bij normale mensen hij/zij die binnen de leeftijd van zeg 25 jaar tot de AOW-leeftijd niet voor minsten 36 uur per week aan het werk is en niet 12 uur per week volgens CBS-definitie.} Bovendien moet het effect van de verhoging van AOW-leeftijd (2016: 84.000) natuurlijk nog grotendeels (eerst afvloeiingsregeling, dan werkeloosheid en vervolgens bijstand) in de cijfers gaan doorwerken (zie grafiek 3).

Ook bij de NRC duikt de stelling Van Fransman weer op, maar misschien is wel sprake van plagiaat, want de NRC doet niet aan bronvermelding:

“De stelling van 50Plus is in de economische theorie precies andersom: meer arbeidsaanbod levert meer banen op – dus ook voor ouderen die langer op de arbeidsmarkt beschikbaar blijven. Het aantal banen in Nederland is volgens het CBS de afgelopen drie jaar met 136.000 toegenomen tot bijna 10 miljoen.”

Ik citeer maar even een studie van het CPB [10]:

“Net als in eerdere CPB-studies naar de effecten van participatiebeleid veronderstellen we in deze projectie dat een verhoging van de AOW-leeftijd met een jaar leidt tot een verlenging van de deelname aan de arbeidsmarkt van een half jaar.” 

Het UWV stelt in haar UWV Arbeidsmarktprognose 2016-2017:[11]

238_8

Als die NRC-stelling gebaseerd was op de aloude wet Van Say dat elk aanbod zijn eigen vraag creëert zou er immers nooit werkeloosheid zijn m.u.z. van frictie- werkeloosheid. Een stelling die sinds de Jaren Dertig van de vorige eeuw sterk aan geldingskracht heeft ingeboet.

https://www.nrc.nl/nieuws/2016/08/30/meer-werklozen-door-hogere-aow-leeftijd-4064258-a1518731

[10] http://www.cpb.nl/sites/default/files/publicaties/download/cpb-achtergronddocument-3juli2014-arbeidsaanbod-tot-2060.pdf

[11] “UWV Arbeidsmarktprognose 2016-2017”, https://www.werk.nl/xpsimage/wdo213568 , blz 9.

Natopartner US verklaart EU de belastingoorlog

___________________________________________________________

In een eerdere bijdrage wezen we er al eens op dat de belastingheffing van staten ingegeven wordt door de wetten die Thomas Hobbes al in 1651 in Leviathan formuleerde.  Een recent artikel in de Guardian bevestigt dit nog eens: “And so there’s a tug of war going on between the countries of how you allocate profits.” [1]

De belasting die een US onderneming in het buitenland betaalt, gaat ten koste van de US vennootschapsbelasting van 35% (incl state ca 39%) die de US heft bij dividend van buitenlandse deelnemingen naar de US (worldwide income). De US-ondernemingen  houdt zo USD 2,1 echte biljoenen winst buitengaats en ook Londen wordt wel gekwalificeerd als Monaco-on-Thames [link] We moeten dus de huidige race to the bottom van de vennootschapbelasting in Europa mede zien als een donatie aan de US Treasury. Of anders gezegd de bijdrage van de EU aan de NATO is aanzienlijk hoger dan uit de boeken van de NATO blijkt. De buitensporig hoge boetes die in Amerika worden opgelegd aan EU-ondernemingen is een andere vorm van die subsidie.

Het is dan ook volledig illusoir om te geloven dat belastingontwijking internationaal zal worden aangepakt, De giften van de US- en UK-ondernemingen aan de politieke partijen daar maakt dit ook nog eens onwaarschijnlijker.

De US Treasury secretary “Lew has accused the commission of “targeting US companies disproportionately”.” en dreigt met vergelding (“retaliation”).[1]  De EU-commissie doet er goed aan om voor die US-dreigementen niet te wijken tenslotte hebben we te maken met een binnenlandse aangelegenheid binnen de EU en onze wetstoepassing. Van het met terugwerkende kracht aanpassen van regels is geen sprake. Het laat ook zien wat ons met een aaangenomen TTIP: Trans-Atlantisch Vrijhandels- en Investeringsverdrag nog te wachten staat.

Tot slot de gotspe uit het Treasury document:

“Critically, these investigations also undermine the multilateral progress made towards reducing tax avoidance.” [1b]

P.S. 1

Kalshoven wijst er in een Volkskrantartikel op dat “winst belasten een Europees ding is”, omdat alleen met een Europese aanpak kan worden voorkomen dat “de wedloop onherroepelijk naar nul gaat”. Wen er maar aan dat met EU-bobo’s  als Juncker (Luxleaks) en onze Nederlandese minister van Financiën Dijsselbloem (obstructie achter de schermen) daar voorlopig geen sprake van zal zijn. Als de UK zijn vennootschapsbelastingtarief naar 15% verlaagt zou daar in het kader van de BREXIT-onderhandelingen consequenties aan moeten worden verbonden, maar ziet u dat gebeuren? [3]

P.S. 2

De recent uitgelekte bief van Silicon Valley tax lobby geeft een aardig inkijkje in het Nederlandse belastingparadijs. Als ik mij niet vergis meen ik hier de invisible hand van de Nederlandse tax lobby in te herkennen die zulke warme banden onderhoud met het Ministerie van Financiën (diens draaideur met de belastingadviseurs) en waarvan mevrouw  Neppérus (VVD) zo’n warme pleibezorgster is. [4]

P.S 3 Als u ook genoeg heeft van die luie persmuskieten kunt u hier het verhaal over Apple’s tax avoidance scheme uit de eerste hand nalezen. [5]

___________________________________________________________

Laatst bijgewerkt 30 augustus 2016

[1a] Guardian, “US warns Europe over plan to demand millions in unpaid taxes from Apple”,  https://www.theguardian.com/technology/2016/aug/24/apple-taxes-european-commission

[1b] “The european commission’s recent state aid investigations of transfer pricing rulings u.s. department of the treasury white paper”, https://www.treasury.gov/resource-center/tax-policy/treaties/Documents/White-Paper-State-Aid.pdf

[2] Frank Kalshoven, “Winst belasten ia een Europees ding”, VK 30 augustus 2016.

Over het artikel valt het nodig op te merken (met name de passage ‘nultarief fundamenteel bekeken geen probleem’), misschien dat ik daar nog eens een bijdrage aan wijd.

[3] “Tax haven route won’t work for post-Brexit UK, OECD says “,

http://www.reuters.com/article/us-britaineurope-tax-idUSKCN0ZJ0MG

[4] Silicon Valley Tax directors group,

http://vkplusmobilebackend.persgroep.net/rest/content/assets/092faa4c-0827-4d16-b148-f34511e7146c

of gratis

092faa4c-0827-4d16-b148-f34511e7146c

[5 ] http://europa.eu/rapid/press-release_IP-16-2923_en.htm

 

 

 

 

 

 

Subsidie eigenwoning 2017

______________________________________________________

actueeel

______________________________________________________

 

 

Besteedbaar inkomen

____________________________________________

Het CBS concludeerde onlangs dat de lage inkomsten relatief veel indirecte belastingen betalen.[1] Dat hoeft niet te verbazen: Caminada en de Kam kwamen al eerder veel gedetailleerder tot een zelfde conclusie.[2a]

In het CBS artikel op de website werd ook ingegaan op de ontwikkeling van het besteedbaar inkomen en dat ook nog per inkomensdeciel. [1b; 1c]

Aan de hand van een aantal posten zullen we in §3 laten zien dat op het door het CBS bepaalde bruto- en besteedbaar inkomen het nodige valt af te dingen.

De kritiek richt zich met name op het inkomen uit de vermogenscomponenten pensioenen, eigen woning, aanmerkelijk belang vermogen, ondernemingsvermogen en beleggingen, kortom het hele vermogen.

Één blik op onderstaande cijfertabel is voldoende om nattigheid te voelen inzake het door het CBS aangeleverde cijfermateriaal:

228_0

Op grond van §3 wordt het volstrekt onbegrijpelijk waarom de media zoveel waarde hechten aan deze CBS inkomensdeciel cijfers die grotendeels op broddelwerk zijn gebaseerd.

____________________________________________

§ 1 CBS gegevens  [1]

Allereerst geven we een  overzicht van het traject bruto-inkomen – besteedbaar inkomen zoals die door het CBS wordt aangereikt:

Tabel 1 Traject bruto-inkomen – besteedbaar inkomen van door het CBS geselecteerde posten:

228_1

(1) Tabel 1 geeft een selectie uit de posten die het traject bruto-inkomen – besteedbaar inkomen weergeven. Daardoor tellen de rubrieken ook niet door. In §2 wordt een doorlopend overzicht gegeven, dat aan dezelfde Statline tabel is ontleend. De CBS-begrippen bruto-inkomen en besteedbaar inkomen worden in [1b] nader toegelicht.

[3] De indirecte belastingen betreffen de omzetbelasting (BTW), accijnzen, verbruiksbelasting, milieubelasting op energie en water, assurantiebelasting en motorrijtuigenbelasting. [1c]

Het CBS relateert de indirecte belastingen aan het bruto-inkomen. [1] Meer in detail is dat eerder gedaan. [4a; 4b]  Je kunt die posten ook relateren aan het besteedbaar inkomen, dat door herverdeling een tikkeltje gelijkmatiger is verdeeld. [4c] Gegeven de makke in de bruto-inkomen en besteedbaar inkomen cijfers kan ik me daar echter niet zo over opwinden.

§ 2 Traject Bruto-inkomen – besteedbaar inkomen [3]

Onderstaand geven we een completer plaatje van het traject bruto-inkomen naar besteedbaar inkomen.

Tabel 2 Traject bruto-inkomen – besteedbaar inkomen 2006 – 2014. [1b; 1c]

228_1

(1) De toename per jaar is het meetkundig gemiddelde voor de periode 2007 – 2014. De inflatie (CPI) in deze periode bedroeg gemiddeld 1,9% p.j.

(2) Voor het bruto-inkomen is, om aansluiting te houden, de indeling van het CBS aangehouden hoewel b.v. de presentatie van de zorgtoeslag inconsequent is.

Tabel 3 Traject bruto-inkomen – besteedbaar inkomen 2014 per inkomensdeciel.

228_2

(1) CBS [1a]:

” De totale druk van inkomstenbelasting, premies volksverzekeringen, indirecte belastingen, lokale heffingen en premies Zorgverzekeringswet voor alle vijf inkomensgroepen kwam uit op een nagenoeg gelijk niveau van rond de 37 procent in 2013.” [De belastinggegevens voor 2014 zijn nog niet beschikbaar]

(2) Als het CBS de belastingen relateert aan het bruto-inkomen blijkt dat onder dat bruto-inkomen box 1 (tabel), box 2 (25%) en box 3 (30% forfaitair)  maar ook onbelast bruto-inkomen bij elkaar geteld worden. Ook vallen sommige inkomsten nog onder de vennootschapsbelasting die niet begrepen is in de belastingen. Daarnaast is het gehanteerde inkomensbegrip, behalve voor de loonslaaf, nogal fiscaal gedreven. Het daaruit resulterend belastingpercentage zal dan ook niet al te betekenisvol zijn.

[3] In § 3 gaan we nader in op een aantal geselecteerde posten en (2) nader uitgewerkt.

§ 3 Nadere toelichting aantal geselecteerde posten uit de tabellen in §2

3.1  Pensioenen

De pensioenpremie bedraagt volgens het CBS voor 2014 in totaal € 35,8 mld. Dat is een incompleet plaatje omdat een belangrijk deel van de derde pensioenpijler niet wordt meegenomen. Men moet eerder aan een bedrag van ca € 45 mld. denken. Maar dat is natuurlijk niet alles, exclusief de derde pensioenpijler nam het pensioenvermogen in 2014, een bijzonder goed jaar, met € 211,4 mld. toe. Er wordt tenslotte ook rendement gemaakt. In de € 211,4 mld. is de eerder genoemde € 35,8 mld. pensioenpremie begrepen. Alleen de pensioenfondsen maakten in 2014 volgens DNB netto, na aftrek beleggingskosten al een rendement van € 174,5 mld. Van die hele € 211,4 mld. bruto-inkomsten in 2014 (netto tegen t.z.t. gemiddeld 35% belasting € 137 mld.) neemt het CBS in zijn inkomensstatistiek onder besteedbaar inkomen in het geheel niets op. Het besteedbaar inkomen is daarmee substantieel te laag voorgesteld en de belasting ook. Aangezien tot voor kort 41% van de pensioenpremie tegen 52% belasting werd afgetrokken (7-8% huishoudens) heeft dit ook consequenties voor de verdeling over de inkomensdecielen.

[Voor die post-modernisten die dit ook maar een mening vinden zou ik willen zeggen dat ze hun oor eens te luister moeten leggen bij een goed betaalde directeur die zijn afkoopregeling van b.v. € 1,5 mln. gebruikt om zijn forse pensioentekort aan te vullen. Deze directeur zal toch tegen zijn ega zeggen dat hij dit jaar bijzonder goed geboerd heeft, zodat er wel een extra japonnetje vanaf kan. Volgens de CBS-statistiek moest hij het alleen met zijn gebruikelijke jaarlijkse hongerloon doen.

Als ik stevig voor pensioen spaar hoef ik geen vermogen voor de oude dag aan te houden en kan ik dat geld dat er anders voor weggelegd zou moeten worden nu extra besteden. Een nadeel van de omkeerregel pensioenen is wel dat het belastinggeld dat de staat zo mist wel nu extra op tafel moet worden gelegd, terwijl je straks over je pensioenuitkering ook gewoon belasting betaalt.]

3.2 Eigen woning en huur

228_4

(1) Het heffingsvoordeel is ontleend aan (5)

(2) De inkomsten eigen woning en de hypotheekrente komen in tabel 2 voor onder bruto-inkomen en zijn netto afgetrokken van het besteedbaar inkomen. Voor de 4.284.000 huishoudens met een eigen woning wordt een besteedbaar inkomen getoond waar de woonlasten al grotendeels af zijn, de huurder mag de huur nog betalen uit zijn besteedbaar inkomen. De in de huur begrepen rente mag hij niet aftrekken.

(3) De inkomsten uit eigen woning zijn met 1,2% van de WOZ-waarde is duidelijk te laag. Het negatieve netto inkomen van € 18,9 mld. is derhalve volstrekt onjuist in de tabellen 2 en 3 opgenomen. De eigen woning als consumtiegoed dient uit het besteedbaar inkomen betaald te worden.

(4) Overeenkomstig zou je natuurlijk de huurtoeslag ook moeten elimineren of je zou die toeslag moeten meenemen als een correctie op te hoge belastingen en premie volksverzekeringen die de staat incasseert.

3.3 Aanmerkelijk belang

Het 10e vermogensdeciel neemt 98% van het door het CBS geregistreerde aanmerkelijk belang vermogen voor zijn rekening en we zullen ons op die groep concentreren:

228_5

(1) De waardering van het aanmerkelijk belang is beter de beoordelen aan de hand van de Quote 500 en mist elke relatie met de werkelijkheid. Per 1/1/2011 is er sprake van integrale waarneming i.p.v. steekproef.

(2) Het salaris van de grootaandeelhouder is het bedrag dat niet als winst wordt uitkeerd of ingehouden. Hoe hoger het salaris, hoe meer pensioen je kan opbouwen. Bij een ab-belang is er een marginale toetsing door de belastingdienst. Dit inkomen wordt belast in box 1.

(3) Het dividend is er alleen nog als ( 2) niet voldoende is of als er andere aandeelhouders zijn die geld willen. Dit inkomen wordt belast in box 2 tegen gewoonlijk 25%. Een tariefsverlaging (2007/2014) helpt om de ab-houder te verleiden om de uitkering op te krikken. Het inkomen zal eerst belast zijn als vennootschapsbelasting en ik denk niet dat deze post in de belastingen zit die het CBS opvoert. In 2014 werd € 4.302 mln. aan dividend uitgekeerd. Als we uitgaan van gemiddeld 22% vennootschapsbelasting is hierover ca 22% van  4.302/0,78 of € 1.203 mln. vennootschapsbelasting betaald. die ook onder belastingen zou moeten worden opgenomen.

(4) De fluctuaties in de aantallen ab-inkomen genieters missen elke logica. Het verschil in de vermogensverdeling naar vermogen en naar inkomen wordt mede veroorzaakt door het inkomensbegrip. Een gedetaillerde analyse van het verschil (grafiek 3) is het CBS ons, geloof ik, al jaren schuldig ondanks het fraaie schema. [1; 5]

3.4 Ondernemingsvermogen

228_6

(1) In de post belastingen zal ongetwijfeld rekening gehouden zijn met zelfstandigeaftrek en MKB-winstvrijstelling, waarmee de ondernemer t.o.v. de werknemer flink wordt voorgetrokken.

(2) Het inkomen uit onderneming bestaat uit de behaalde winst. Dat is volgens mij de winst uit de aangifte. Dat betekent dat anomalieën in het fiscale winstbegrip klakkeloos overgepend worden. Ook de Fiscale Oudedags Reserve verdwijnt zo uit het beeld. Uiteraard is het fiscaal vermogen behept met dezelfde gebreken, zodat ook een correctie i.v.m. mutatie in de stille reserves niet mogelijk is.

3.5 Belegd vermogen

Tot slot geven we nog even het rendement op het overig vermogen. We volstaan met de cijfers die nauwelijks voor zichzelf spreken.

228_7

(1) Goed om te constateren dat de 2008 bankencrisis geheel aan ons verbijgegaan is, maar misschien mist het CBS het een en ander in zijn cijfermateriaal?

(2) Geld op de bank brengt bijna niets op maar doet nauwelijks onder voor het rendement op het overige vermogen als we het CBS mogen geloven. Nu alleen Wiebes nog even overtuigen.

[3] De dividendbelasting wordt met de inkomstenbelasting verrekend. Over het dividendinkomen is eerst vennootschapsbelasting betaald. [Voor de uiterst “heldere” CBS-toelichting van de post belastingen zie [9])

[4] Om toch een tipje van de sluier op te lichten onderstaande tabel 3.3 van het CPB [7]:

228_8

Kijk, zo snappen we de cijfers ten minste weer een beetje, los van de afwijkingen. Koerswinsten, kun je kennelijk volgens het CBS niet besteden en hoef je niet tot het bruto-inkomen of besteedbaar inkomen te rekenen. Voor de vermogensrendementsheffing zie de CPB studie. [7] Die koers-winsten/verliezen zijn overigens netto, de belasting in box 3 is al betaald.

Als we de bevindingen in §3 samenvatten onstaat het volgende beeld:

228_9

§4 Conclusie

Het zal duidelijk zijn dat, zonder naar volledigheid te willen streven, op grond van § 3, zowel bij het bruto-inkomen en het besteedbaar inkomen van het CBS de nodige kanttekeningen zijn te plaatsen.

Op basis daarvan valt te concluderen dat er door de media onterecht veel waarde wordt toegekend aan de door CBS beschreven inkomensontwikkeling en de decieltoerekening terwijl voor substantiële inkomensrubrieken inzicht in de juiste inkomstenbedragen ontbreekt. Het CBS zou dan ook veel meer voorbehouden moeten maken bij het publiceren van die cijfers of gewoon zijn statistieken beter op orde moeten brengen. Dat kost echter geld en mankracht en dat mag je van Asscher daar niet aan uitgeven.[8] Minister Asscher: “Het kabinet ziet op dit moment dan ook geen indicaties om te veronderstellen dat de vermogensverdeling onevenwichtig is.” [8] De vele aanbiedingen op de tv met de aanbieding twee brillen voor de prijs van één helpen hem mogelijk op weg.

_______________

Laatst bijgewerkt 21 juli 2016

[1] https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2016/26/lage-inkomens-betalen-relatief-veel-indirecte-belasting

[1b] StatLine – Samenstelling inkomen; particuliere huishoudens naar diverse kenmerken

Toelichting

https://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/64336C62-2A10-4477-A339-A2B154B8ED47/0/integraalhuishoudensinkomenmicrodata.pdf

“Het besteedbaar inkomen van het huishouden is gelijk aan het bruto inkomen, minus betaalde inkomensoverdrachten, premies en belasting. Voor alle personen in het huishouden worden de betaalde inkomensoverdrachten, premies en belasting van het bruto inkomen afgetrokken. Vervolgens worden deze inkomens geaggregeerd op huishoudensniveau om zo het besteedbaar inkomen van het huishouden te bepalen. Betaalde inkomensoverdrachten bestaan uit overdrachten tussen huishoudens zoals alimentatie betaald aan de exechtgeno(o)t(e). Premies inkomensverzekeringen betreffen premies betaald voor sociale verzekeringen, volksverzekeringen en particuliere verzekeringen in verband met werkloosheid, arbeidsongeschiktheid en ouderdom en nabestaanden. Premies ziektekostenverzekering betreffen alleen de premies voor de verplichte basisverzekering”

Zonder definitie van bruto-inkomen weet je dan nog niets:

“Het bruto inkomen van het huishouden is gelijk aan het primair inkomen plus het overdrachtsinkomen. Voor alle personen in het huishouden worden het primair inkomen en het overdrachtsinkomen samengeteld. Vervolgens worden deze inkomens geaggregeerd op huishoudensniveau om zo het bruto inkomen van het huishouden te bepalen. Het overdrachtsinkomen bestaat uit uitkeringen inkomensverzekeringen (Werkeloosheidswet Documentatierapport IHI 13 (WW), Ziektewet (ZW), Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), pensioen), uitkeringen sociale voorziening in het kader van de geldende Bijstandswet (Bijstand), Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) etcetera), gebonden uitkeringen (huurtoeslag en dergelijke), en overige ontvangen inkomensoverdrachten om niet (alimentatie).”

Het CBS besteedbaar inkomen is dus niet het netto bedrag dat een huishouden op zijn eigen bankrekening krijgt: de hypotheekrente en de particuliere sociale verzekeringen zijn daar al ten dele vanaf, de bijtelling eigen woning zal je niet op je bankrekening aantreffen. De huurder moet uit het besteedbaar inkomen wel zijn huur (inclusief rente) betalen, maar mag die rente weer niet fiscaal aftrekken.

Onderstaand CBS overzicht maakt dde samenhang duidelijk (Welvaart Nederland 2014:

conceptueel kader

[1c]  StatLine – Indirecte belastingen en bestedingen; kenmerken particuliere huishoudens

Aaanvullende toelichting in spreadsheet:

“De indirecte belastingen op bestedingen zijn geschat met behulp van gegevens over bestedingen uit het Budgetonderzoek. Indien voor een groep huishoudens met specifieke kenmerken minder dan 50 waarnemingen uit het Budgetonderzoek beschikbaar zijn, worden cijfers over bestedingen, indirecte belastingen en druk onvoldoende betrouwbaar geacht en niet getoond.”

[2a] C.A. de Kam en C.L.J. Caminada, “Belastingen als instrument voor inkomenspolitiek”, http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2010/04/07/rapport-studiecommissie-belastingstelsel.html

en ouder:

Rens Trimp, Flip de Kam, “De drukverdeling van collectieve lasten”, ESB, 25 november 2011, http://esb.nu/esb/20010862/de-drukverdeling-van-collectieve-lasten

anders althans voor BTW:

[2b] http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/btwverhoging-treft-hoge-en-lage-inkomens-even-sterk

[3a] http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=70991ned&D1=2&D2=0-15&D3=0&D4=a&HDR=G3,T,G2&STB=G1&VW=T

[3b] http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=70991ned&D1=2&D2=16-125&D3=0&D4=a&HDR=G3,T,G2&STB=G1&VW=T

[4]https://basjacobs.wordpress.com/2014/05/31/pensioenen-worden-gesubsidieerd-met-17-cent-per-gespaarde-euro/

[5] https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2015/43/belastingvoordeel-woningbezit-is-280-euro-per-maand

[6] Wiemer Salverda, “Ongelijkheid in Nederland”, http://www.wbs.nl/system/files/piketty_socialisme_en_democratie_webeditie_18_mei_2014_0_1.pdf

[7] CPB, http://www.cpb.nl/sites/default/files/publicaties/download/cpb-achtergronddocument-16mrt2015-het-financieel-vermogen-box3-verdeling-en-belasting.pdf

[8] Het uiterst informatieve en ontluisterende verslag van de Pikety discussie in de Tweede Kamer:

http://www.mejudice.nl/docs/default-source/bronmaterialen/kamervragen-naar-aanleiding-mj-stuk.pdf, blz. 3 of 7.

[9] De definitie van belastingen [spreadsheet 1b] roept meer vragen op dan die beantwoord:

“Bedrag aan verschuldigde inkomsten- en vermogensbelasting. De inkomstenbelasting betreft de belasting die over het inkomen van het betreffende jaar verschuldigd is. Het bedrag is het saldo van de verschuldigde (bruto) inkomstenbelasting (IB) en het IB-deel van de heffingskorting (vanaf 2001). Indien geen aanslag inkomstenbelasting is opgelegd is de inkomstenbelasting gelijk aan de voorheffingen in de vorm van loonbelasting en dividendbelasting. De vermogensbelasting is gebaseerd op het vermogen op 1 januari van het volgende jaar. Met ingang van 2001 is de vermogensbelasting afgeschaft.”

Netto overheidsschuld 31-3-2016

__________________________________________________

 

vervallen

__________________________________________________

Bepaling pensioenvermogen

actueeel

Afbeelding

Pensioenvermogen 2015

 

______________________________________________________

actueeel

______________________________________________________

 

 

 

Vermogensongelijkheid volgens het CPB

_________________________________________________

Er is nogal wat kritiek op het CPB. [3] We zullen in deze bijdrage bekijken of het CPB met de publicatie Vermogensongelijkheid in Nederland, 2006-2013 (= 2012) zijn leven onder de bezielende leiding van Laura van Geest aan het beteren is. Vooralsnog heeft het er de schijn van dat dit niet het geval is.

Regelmatig zal hierbij naar eerdere bijdragen op deze site worden verwezen om niet al te veel in herhalingen te vervallen.

We zullen hier aantonen dat het onderliggende cijfermateriaal zoals dat door het CPB gebruikt wordt volstrekt onvoldoende is en zelfs substantieel onjuist. Conclusies over de ontwikkeling in de verdeling van het huishoudvermogen in de periode 2006-2012 laten zich dan ook op basis van het CPB-cijfermateriaal niet trekken.

Het CPB heeft dus weer een kans voorbij laten gaan om zijn reputatie te verbeteren.

_________________________________________________

§1 vermogensstatistieken CBS

De vermogensstatistieken van het CBS zijn sterk voor verbetering vatbaar. Door de gebrekkige financiering van het CBS ontbreken geld en mankracht om deze statistieken op korte termijn te verbeteren. In hoeverre hierbij sprake is van voorwaardelijke opzet van de staat valt te bezien.

De vermogenscijfers van het CBS kunnen als volgt worden samengevat [2]:

Tabel 1 Vermogen huishoudens volgens CBS Statline

196_1

(1) In 2010 is door het CBS overgegaan van een panelonderzoek naar integrale waarneming. Het vermogen steeg daarmee met € 22,8 mld. Hiervan kwam 19,5 mld.  toe aan het 10e vermogensdeciel waarvan weer € 18,2 mld. voor de vermogens > 1 miljoen. In het CPB document zult u ter vergeefs naar deze aanpassing zoeken, terwijl ze toch voor een historische vergelijking voor het 10e vermogensdeciel niet onaanzienlijk is.  De waarde van een panelonderzoek waarbij men op zoek is naar de ontwikkeling van de top vermogens is beperkt. Zo is de kans dat Goldschmeding ∧  Wessels ∧  De Mol, samen goed voor zo’n € 10,2 mld., in zo’n steekproef vallen praktisch nihil (2,4 * 10^-22) om over de overige 497 Quote 500 gelukkigen, met zijn allen in 2014 goed voor € 83,3 mld. vermogen (2006: € 121,5 mld. !!!), maar te zwijgen.

(2) De ontwikkeling van het aandeel in het vermogen van het 10e vermogensdeciel voor de componenten eigen woning, ondernemings- en aanmerkelijk belang (AB) vermogen en het overige vermogen laat zich uit de tabel aflezen. De eerste twee componenten laten zich als volgt specificeren [2]:

Tabel 2 Specificatie vermogen eigen woning

196_2

(1) De ontwikkeling van de waarde van het eigen huis is volstrekt oninteressant als je het eigen huis als een consumptiegoed beschouwt. De woonlasten zijn immers door de lage rente alleen als maar lager geworden en het huis-onder-water probleem doet zich alleen voor als je het huis gedwongen moet verkopen. Als de eigen woning als een speculatieobject werd beschouwd, waarbij de waardestijging werd aangewend om, gefaciliteerd door het HRA-infuus, de consumptie te verhogen is de situatie natuurlijk volstrekt anders.

Tabel 3 Specificatie ondernemingsvermogen en aanmerkelijk belang vermogen

196_3

(1) De ontwikkeling van het ondernemingsvermogen geeft geen juist beeld omdat goodwill en stille reserves niet in de waardering tot uitdrukking komen. Dat geldt evenzo voor het fiscaal ingegeven aanmerkelijk belang vermogen. Toch vergroot de toename volgens de statistieken kennelijk de vermogensongelijkheid (zie grafiek 1). In totaal is 96% is in handen van de top 10% vermogens.

Persoonlijk zou ik kijken naar de ontwikkeling van het gemiddeld vermogen exclusief eigen huis en ondernemingsvermogen. Dat beeld ziet er als volgt uit:

Grafiek 1 Index gemiddeld vermogen exclusief eigen woning

196_6

§2 De vermogenscijfers volgens het CPB

In tegenstelling tot het CBS houdt het CPB terecht wel rekening met de pensioencijfers, zij het bruto zonder ten onrechte geen rekening te houden met de belastingclaim, terwijl ook de kapitaalverzekeringen verband houdend met de eigen woning financiering worden meegenomen.

Het CBS rekent het pensioenvermogen niet tot het vermogen omdat het pensioenvermogen volgens zijn jezuïtische redenering niet “op korte of middellange termijn omgezet kan worden in consumptieve bestedingen of ook niet leiden tot inkomsten die deel uitmaken van het inkomensbegrip besteedbaar inkomen.” Daarnaast is dat pensioenvermogen niet overdraagbaar bij overlijden. Sommige economen en de pensioenlobby nemen deze zienswijze graag over: je hoeft dan natuurlijk de rendementen op het pensioenvermogen ook niet te belasten.

In gelul kan je niet wonen volgens een Jordanese  banketbakker, dus het eigen huis is ook geen vermogen volgens deze definitie. Het pensioenvermogen van de (bijna) gepensioneerden komt natuurlijk wel binnen afzienbare tijd tot uitkering. Een pensioendeelnemer die voortijdig overlijdt laat zijn pensioenvermogen bezit na aan de overige deelnemers en mocht hij dat pensioenvermogen in eigen beheer hebben, dan gaat dit spaarpotje zelfs gewoon over naar zijn erfgenamen. Leeft hij langer dan de actuaris heeft berekend dan strijkt hij het geld op van de eerder overleden deelnemers. Er is dus alle reden om het pensioenvermogen tot het huishoudvermogen te rekenen. Er is daarbij echter één probleem: het “beste” Nederlandse pensioenstelsel heeft er een zootje van gemaakt zodat het pensioenvermogen niet naar deelnemer te verbijzonderen valt.

Tabel 4 Aanpassingen CPB op CBS cijfers

196_4

Toelichting:

(a) De gegevens van statline zijn in aanzienlijke mate gebaseerd op de fiscale gegevens met dien ten gevolge alle makke die aan deze fiscale gegevens, die overigens uitsluitend ten behoeve van een uiterst coulante belastingheffing van de Upper Middle Class (UMC) geregistreerd worden, kleven.

(b) Bij het pensioenvermogen rekent DNB de algemene reserve van de pensioenfondsen niet mee. Voor de bankencrisis stelde de algemene reserve door de hoge dekkingsgraad nog wat voor. In de vermogensontwikkeling had het CPB dat effect dus mee moeten nemen, dat vermogen is immers voor ca 65% (na belastingen) materieel bezit van de pensioendeelnemers.

De omvang van de derde pensioenpijler is niet bekend. De heer Knot heeft daar in 2012 een gooi naar gedaan en kwam op een totaal pensioenvermogen van ca € 1.271 mld. inclusief derde pijler. Het verschil nemen we netto in §3 mee.

Zowel het CBS, DNB en het CPB rekenen het bruto pensioenvermogen toe aan de huishoudens. Op dit vermogen rust echter nog een belastingclaim van ca 35% (CPB-cijfer), zodat het vermogen van de huishoudens systematisch veel te hoog wordt voorgesteld en het overheidsvermogen overeenkomstig veel te laag. In §3 corrigeren we hier voor.

Omdat 41% van de pensioenpremie wordt afgetrokken tegen 52% belasting door ca 7%-8% van de bevolking zal het pensioenvermogen redelijk ongelijk zijn verdeeld. In welke mate dit in de CPB cijfers tot uitdrukking komt, laat zich raden. Pensioenen in eigen beheer, zeer populair bij de topinkomens, komt immers in het cijfermateriaal dat het CPB gebruikt niet voor.

(c) In welke mate een belastingclaim rust op de levensverzekeringen is onduidelijk. Hiermee is in de opstelling geen rekening gehouden.

(d) Het bedrag aan kapitaalverzekeringen is bij het CBS niet bekend. Blijkens een studie kan dat bedrag voor 2012 gesteld worden op ca € 80 mld. oplopend naar 135 mld. in 2018. Dat is dus aanzienlijk meer dan het CPB hier toerekend.

§3 De (bekende) aanpassingen van de CPB cijfers

Tabel 5 Aanpassingen op CPB-vermogen

196_5

Een aantal posten zijn reeds in §2 toegelicht onder de letters a – d.

(f) Voor de bepaling van het kapitaalverzekering vermogen 2012- 2015 zie noot 4 in de bijdrage Belastingen op kapitaalinkomen volgens Jacobs. Het totale bedrag is dus hoger dan het CPB hanteert.

(g) De correctie van het pensioenvermogen derde pijler is in deze bijdrage nader toegelicht. Het bedrag van 2012 is voor de latere jaren aangehouden.

(h) Het ondernemingsvermogen en het AB-vermogen zouden natuurlijk op de waarde in het economisch verkeer moeten worden gewaardeerd. Veelal wordt daarvoor de contante waarde van de toekomstige cashflow in aanmerking genomen. Het inkomen uit aanmerkelijk belang is afhankelijk van de wens van de ab-houder om dividend uit te keren en fluctueert nogal in de loop der tijd, net zo als het aantal ab-aandeelhouders (?). Het zal duidelijk zijn dat de waarde van het ondernemingsvermogen en ab-belang voor het CBS niet reëel valt te berekenen. Die waardering  is daarmee irrelevant. Van het CPB zou je verwachten dat hier aandacht aan zou worden besteed maar die moest natuurlijk van Asscher bewijzen dat de vermogensontwikkeling geen reden tot zorg is (zie verslag Piketty discussie in parlement). Voor een nadere discussie zie ook de bijdrage Aandeel Quote 500.

De conclusies van het CPB zijn dus van beperkte waarde daar het gebruikte cijfermateriaal uiterst gebrekkig is. In elk geval is het onderliggende cijfermateriaal volstrekt onvoldoende om een conclusie te kunnen trekken over de ontwikkeling van de verdeling van het huishoudvermogen in de periode 2006-2013.

Appendix Cijferanalyse op panelonderzoek

Het CPB maakt gebruik van een representatieve steekproef uit het integrale vermogensbestand (IVB). Naar wij aannemen betreft het een postensteekproef van 2,3 miljoen huishoudens. Daarnaast wordt een steekproef getrokken van uitsluitend huishoudens die zowel in 2006 als in 2013 (lees 2012) in het IVB bestand voorkomen. Deze laatste steekproef is niet resprestatief omdat zowel jongeren als ouderen door discontinuïteit uitvallen. Toch worden op basis van deze niet representatieve steekproef vergaande conclusies getrokken over de ontwikkeling van het vermogen.  Het gemiddeld vermogen voor deze balanced panel groep is substantieel hoger.

Op basis van tabel 2.2 [1] valt de volgend analyse te maken. Hierbij is het jaar conform de bestendige gedragslijn in deze bijdrage per 31-12 van enig jaar weergegeven.

Tabel 6 Netto gemiddeld vermogen (€ ‘000) en corresponderende totalen in € mld. 2005-2012 

196_7

(1) De CPB-cijfers gaan van het 10e deciel uit na aanpassing in 2010. In hoeverre dat nog effect heeft op de vergelijking met voorgaande jaren (b.v. 31-12-2006) is onduidelijk.

(2) Helaas moet de lezer deze gevens zelf uit de tabel destilleren. Het gemiddeld balance panel vermogen is dus niet representatief. Onderstaande grafiek maakt het verloop 2006- 2012 duidelijker:

196_10

(i) Met name de afwijking gedurende de grote recessie is duidelijk.

(2) In het achtergronddocument wordt het gemiddeld vermogen na de CPB aanpassing voor pensioenaanspraken en kapitaalverzekering niet op de voorgrond geplaatst. De gegevens ontbreken zelfs geheel.

(a) Het CPB maakt bij de toerekening van het pensioenvermogen gebruik van het Pensioenaansprakenbestand en het Integraal Persoonlijk Inkomen (IPI) voor de berekening van het pensioenvermogen. In hoeverre de toerekening in totaal van het actieve deelnemersbestand en gepensioneerden bestand ook maar in buurt aansluit op de DNB-statistiek pensioenvermogen gegevens laat zich raden. Ik houd het er maar op dat een dergelijke aansluiting op zuiver toeval zou berusten, gezien de toleranties en de gehanteerde rekenmethodes. Bij een deugdelijke wetenschappelijke publicatie was deze informatie wel verstrekt of kwamen de uitkomsten niet zo goed uit?

(b) De hanky panky excercise van de allocatie van de kapitaalverzekeringen maakt dat we deze allocatie ook maar op de blauwe ogen van het CPB moeten geloven.

__________

Laatst bijgewerkt 25 januari 2016

[1] CPB, http://www.cpb.nl/publicatie/vermogensongelijkheid-in-nederland-2006-2013

en

Mejudice, Arjan Lejour, Thomas Kooiman, “Toegenomen vermogensongelijkheid heeft alle schijn van tijdelijk fenomeen”, 19 januari 2016, http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/toegenomen-vermogensongelijkheid-heeft-alle-schijn-van-tijdelijk-fenomeen

[2] http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=80056NED&D1=0%2c2&D2=0&D3=0%2c3-12%2c14-15&D4=1%2c4-6%2cl&HDR=G1%2cT&STB=G2%2cG3&VW=D

[3] Die kritiek richtte zich met name op de doorrekeningen van de verkiezingsprogramma’s van het CPB.

NRC, “Politieke partijen verliezen vertrouwen in modellen planbureau”, 21 januari 2016, http://digitaleeditie.nrc.nl/losseverkoop/NH/2016/0/20160122___/1_02/index.html#page2

Eerder wezen we in eerdere bijdragen, zonder te streven naar volledigheid, al op:

(1) Een model dat simplistisch uitgaat van de relatie lonen  , werkgelegenheid ⇑. Het vergt zeker twee jaar lagere school om een dergelijk model te ontwikkelen. Werkgelegenheid is daarbij een containerbegrip. De politiek maakt van dat model dankbaar misbruik om hun “progressieve uiterst sociale hervormingsprogramma’s” te laten doorrekenen. De uitkomst laat zich raden en de berekening zou ook op de achterkant van een sigarendoosje kunnen worden verricht. 

(2) De doorrekening van de verkiezingsprogramma’s, waarbij b.v. bij de VVD de verkoop van 1,2 mld. sociale woningen geen effect had op de overheidsfinanciën. (Toch ca 20% HRA-infuus op € 150.000 * 1.2000.000 woningen of € 36 mld. belastingderving)

(3) Het klakkeloos aanlopen achter het trio Reinhart, Reinhart en Rogoff inzake overheidsfinancien, met voor Nederland de laagste werkelijke staatsschuld in Europa (nihil). Dat Laura van Geest dit niet op het netvlies had en haar gehoor misinformeerde (= voorloog) over de historische ontwikkeling van deze schuld vermelden we al eerder. Dat bij een dergelijke lage overheidsschuld de banen niet aan te slepen zouden moeten zijn, kan het CPB dan weer niet verklaren.

(4) De motivering van het toptarief in de belastingen met gebruikmaking van een volstrekt ontoereikend panelonderzoek. De conclusies van dat onderzoek onderbouwde overigens bij close reading het huidige toptarief, dat door de uiterst royale HRA en omkeerregel pensioenen (spaarpot voor de UMC met pensioenen in eigen heheer) toch al zelden betaald werd/wordt.

Kwartaalmonitor overheidsfinanciën

___________________________________________________

Apetrots is het CBS een nieuwe publicatie gestart waarbij het nu per kwartaal de burgers misinformeert over de staat van de overheidsfinanciën. In deze bijdrage nemen we de juistere cijfers op, gebruik makend van dezelfde Statline gegevens en de stand van het pensioenvermogen, waarop de staat nog een belastingclaim heeft van zo’n 35%. Daarnaast laat de integrale doorrekening van de mutaties in de overheidsschuld beter zien welke factoren de overheidsschuld beïnvloeden.

Gegeven het motto van deze site hoeft de voorstelling van de stand van zaken van de overheidsfinanciën door het CBS ons niet te verbazen. Het CBS heeft nog wat huiswerk te doen om hun kwartaalmonitor echt inzicht te laten geven in de overheidsfinanciën. Ook het CPB gaf bij monde van mevrouw Van Geest, directeur van het CPB, in een recente lezing over de overheidsschuld en het overheidstekort een onvolledige en daarmee misleidende voorstelling van zaken, waarbij de historie grof geweld werd aangedaan.

Overigens zijn wij van mening dat de staat een onaanvaardbaar risico loopt op de belastingclaim op het pensioenvermogen van eind 2015K3 € 472,6 mld. Dit pleit ervoor de omkeerregel pensioenen met onmiddelijke ingang af te schaffen.

Update: ook mijn bank, de Rabobank,  kan niet rekenen en laat zich in de lure leggen door de foute EU-regeltjes van de EU-bureaucraten. [3]

___________________________________________________

De CBS-kwartaalmonitor houdt ons het volgende beeld voor [1]:

Tabel 1 CBS Kwartaalmonitor kerncijfers

195_1

De overheidsinkomsten slaan echter door de omkeerregel pensioenen danig uit het lood en hier zal men dus terdege rekening moeten houden. De pensioenpremie bedraagt voor 2015 ca € 44 mld. Hierop laat de overheid 52% belasting en premies liggen of € 23 mld. Wel rust hierop nog een 35% belastingclaim van € 15 mld. op de toekomstige pensioenuitkeringen, die niet in de boeken van de staat worden ingeboekt (kasstelsel). De staat geeft dus direct zo’n € 8 mld. aan belasting en premies weg en dat geld komt nauwelijks aan de lage inkomens ten goede. Tevens maakt de staat rendement op zijn pensioenvermogen van ruim 4% van € 473 mld. of ca € 19 mld., ook dit bedrag zult u niet in de boeken van de staat aantreffen. Ons zogenaamde EMU-“tekort” bestaat dus in feite niet en is een gevolg van onordentelijk boekhouden. Door die bedragen niet in te boeken kan het volk flink bang gemaakt worden met een niet bestaand overheidstekort en overheidsschuld en wordt hiermee de weg vrijgemaakt om bezuinigingen en lastenverzwaringen af de dwingen. Voorzover die bezuinigingen betrekking hebben op minder dienstverlening is dat in feite ook een lastenverzwaring als dat voordeel niet aan de burger wordt doorgegeven en is het onderscheid semantiek.

Daarnaast hebben we ook nog te maken met de vrijstelling vermogensrendementsheffing die, zonder rekening te houden met een vrijstelling, jaarlijks op zo’n 1,2% * 65% (aandeel burgers) van het pensioenvermogen groot € 1.350 (2015K3) of € 10,5 mld. komt. De belastingfaciliteiten pensioenen is dus de grote bleeder voor onze schatkist. Door deze faciliteiten betalen de huidige belastingbetalers te veel belastingen: één keer om het ontstane tekort (ten dele) op te vangen en één keer als pensioendeelnemer bij de pensioenuitbetaling.

Op de CBS-tabel valt dus het nodige af te dingen zodat we maar direct onze aangepaste versie komen:

Tabel 2 Reëlere kwartaalmonitor kerncijfers

195_2

(a) Een integrale doorrekening van het verloop van de overheidsschuld is informatiever dan enkel het EMU-tekort te monitoren. Zo zorgde de mutatie financiële vaste activa in 2015 K2 & K3 voor een daling van de overheidsschuld met € 21,5 mld.

(b) De officiële overheidsschuld nam in de periode 2014K2 – 2015K3 dus met € 7,1 mld. toe, waarvan € 24,9 mld. voor rekening komt van het EMU-tekort.

(c) Uiteraard dient de de belastingclaim van ca 35% op en de mutatie in het pensioenvermogen in de beschouwing te worden betrokken. Die claim nam, ondanks de slechte resultaten in 2015, in de periode 2006-2015K3 met € 63,3 mld. toe.

(i) De echte overheidsschuld eind K3 2015 bedroeg dus € – 25,4 mld. (actief) i.p.v. de € 447,2 mld. die het CBS ons voorhoudt. Door de daling van het pensioenvermogen met € 127,1 mld. nam dat actief in 2015 K2 & K3 met € 44,5 mld. af,

(ii) Tegenover het cumulatieve tekort in de periode 2014 k2 – 2015 k3 van € 7,1 mld staat een toename van de belastingclaim op het pensioenvermogen van € 63,3 mld., zodat de reële overheidsschuld met € 56,2 mld. daalde.

(iii) Bij het jaarlijkse overheidstekort moet je natuurlijk de mutatie in de belastingclaim op het pensioenvermogen in aanmerking nemen. In normale jaren stijgt dat pensioenvermogen met ca 7-8% per jaar, waarvan de helft veroorzaakt wordt door gestorte pensioenpremies en de rest door rendementen.

(iv) In de CBS kwartaalmonitor zult u tevergeefs naar deze cijfers zoeken.

Grafisch kan een en ander als volgt worden samengevat:

195_3

(a) De groene lijnen geven dus werkelijke situatie weer. Het effect van de daling van de belastingclaim op het pensioenvermogen in 2015 K2 en K3 (€ – 44,4 mld.) en daar tegenover de vermindering van de financiële vaste activa (€ -21,5 mld. – blauw rechts) komen duidelijk in de grafiek tot uitdrukking.

(c) De rechter grafiek met het overheidstekort wordt nog inzichtelijker als we het cumulatieve verloop van het overheidstekort weergeven:

195_4

(i) De eindtotalen vinden we ook in tabel 2 kolom totaal mutaties terug.

Het CBS heeft dus nog wat huiswerk te doen om hun kwartaalmonitor echt inzicht te laten geven in de overheidsfinanciën.

Je moet zo’n kwartaaloverzicht natuurlijk ook op de langere termijn bezien. De mutaties in de financiële vaste activa van K2 en K3 2015 komen ten slotte niet uit de lucht vallen. Een lesje geschiedenis van onze overheidsschuld kan daarom geen kwaad. Het verloop van de overheidsschuld voor de periode 2006-2016 kan als volgt worden weergegeven:

195_5

(a) In 2008 nam de netto overheidsschuld met € 121 mld. toe. Daarvan is € 88 mld. een toename van de overheidsschuld en € 33 mld. een daling van de belastingclaim op het pensioenvermogen. Van die € 88 mld. toename had € 85 mld. betrekking op een toename van de financiële vaste activa.

(b) Zolang de dekkingsgraad van de pensioenfondsen > 100% is geldt dat de pensioenverplichting en algemene reserve van de pensioenfondsen communicerende vaten zijn. De rekenrente heeft dan geen effect op de belastingclaim op dat pensioenvermogen.

(c) Zonder een goed begrip van de mutaties in de overheidsschuld is elke bewering over onze ondragelijke hoge overheidsschuld en onze interestlast op die schuld onzinnig. Op die belastingclaim werd immers een fors rendement gemaakt dat de dalende rente op de overheidsschuld verre overtrof. In feite is onze overheidsschuld belegd in het pensioenvermogen, met alle risico’s van dien.

__________________

Laatstelijk bewerkt 6 januari 2016

Bronnen:

[1]CBS, “Kwartaalmonitor Overheidsfinancien“, http://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/8C7A35B8-AE8F-4F31-A216-5E16AB0B7336/0/KwartaalmonitorOverheidsfinancien2015_k3.pdf

[2] CBS Statline , http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=82565ned&D1=0,3-9,11-12&D2=0&D3=76-77,79-82,84-86&HDR=G1,G2&STB=T&VW=T

Deze tabel geeft meer relevante informatie dan de door het CBS aangegeven tabel.

en DNB statistieken zie de bijdrage pensioenen.

[3] http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/nederlandse-begroting-na-het-jubeljaar-2016-dreigen-zure-bezuinigingen-in-2017

 

 

 

 

 

Vermogen Nederlandse burgers

_____________________________________________________

Het vermogens van de Nederlandse burgers bestaat uit het Vermogen huishoudens en het overheidsvermogen zoals dat blijkt uit de Overheidsbalans 2014. Deze bijdrage voegt de gegevens samen. Kerngegevens zijn daarbij ook nog de hoogte van het pensioenvermogen, de overheidsschuld en de pensioenverplichting van de overheid uit hoofde van de AOW.

Het totale vermogen van de burgers bedroeg eind 2013 € 2,810 mld. een stijging van € 43 mld. (1.6%) t.o.v. 2012.

De meest actuele stand van het vermogen van de onderscheiden componenten vindt u in de onderliggende bijdragen aan.[1] Als actuelere gegevens bekend worden, zal deze bijdrage worden bijgewerkt.

_____________________________________________________

Onze media en de politici, die altijd jeremiëren over onze staatsschuld, zouden toch zo zoetjes aan moeten weten dat Nederland ondanks de Excessive Deficit Procedures van het EU-Stabiliteitspact, tot de Oom Dagoberts van de EU behoort. Ook aan de hypotheekschuld wordt onevenredig aandacht besteed, omdat het geld dat gespaard wordt in de vorm van kapitaalverzekeringen en banksparen nooit wordt meegerekend. De toch al lage rente en de hypotheekrenteaftrek maken dat je erg goedkoop geld kunt lenen. De volgende tabel  geeft inzicht in het totale vermogen:

P01_1

(a) Bij het 2013 vermogen van de burgers volgens het CBS groot € 1.119 mld. moet je het netto pensioenvermogen groot € 732 en het bedrag aan kapitaal- en levensverzekeringen van € 229 mld. tellen zodat het werkelijk vermogen 186% hoger uitkomt op € 2.079 mld.

(b) Bij het 2013 staatsvermogen volgens het CBS groot € 337 mld. moet je de latente belastingclaim van 35% van het pensioenvermogen tellen groot € 394 mld. zodat je 217% hoger uitkomt op € 731 mld.

(c) In totaal kom je dus € 1.355 mld. ( 193%) hoger uit dan het CBS de burgers wil doen geloven.Het vermogen van de burgers bedraagt dus eerder € 377.000 per huishouden waarvan € 98.000 overheidsvermogen. Dat is te vergelijken met de € 195.000 die het CBS ons voorschotelt:

P01_3

(d) Het staatsvermogen is ontleend aan de Overheidsbalans 2014.

(e) De AOW-verplichting is toegelicht in de bijdrage CBS totale pensioenaanspraken (AOW). Deze is p.m. opgenomen omdat daar een vordering uit hoofde van toekomstige AOW-premie tegenoverstaat. Zoals daar toegelicht is de verplichting berekend volgens de Eurostat methode na 30% aftrek van de toekomstige inhoudingen op die AOW-uitkering.

(f) Het belang van het pensioenvermogen voor de burgers en staat wordt uit bovenstaande opstelling duidelijk.  In 2014 steeg dat vermogen aanzienlijk met € 212 mld. De ontwikkelingen in 2015 zijn uitermate teleurstellend.  De gebruikelijke jaarlijkse groei van zo’n 7-8% van het pensioenvermogen is goed voor een toename van het vermogen van de burgers en de staat van ca € 95-108 mld p.j., waarvan grofweg de helft met pensioenpremies uit het inkomen wordt gespaard. Het zal duidelijk zijn dat deze forse pensioenpremies het besteedbaar inkomen van de burgers en de belastinginkomsten van de overheid drukken, door de verfoeide omkeerregel pensioenen.  Het belastingtarief is daardoor voor de huidige burgers ook te hoog.

Het pensioenvermogen, en daarmee de belastingclaim, wordt hier nog te laag voorgesteld doordat het bedrag van de derde pensioenpijler niet bekend is. Voor 2012 bedroeg dit ca € 181 mld. (belastingclaim € 83 mld.)

(g) Uit de tabel wordt duidelijk dat het zogenaamde EMU-tekort uitsluitend veroorzaakt waordt door de omkeerregel pensioenen. Per saldo neemt jaarlijks de overheidsschuld af, voor de periode 2010-2015 is dat met ca € 68 mld. Ik kan mij niet herinneren dat ik dat in de media ergens heb gezien. De rente op de overheidsschuld (2016 € 7,8 mld.) wordt meer dan goedgemaakt door het rendement op de belastingclaim op het pensioenvermogen.

(h) In vergelijking met het buitenland moeten we dan ook nog de afgefinancierde pensioenverplichtingen van ambtenaren en semi-ambtenaren bij het ABP en PFZW meenemen. Na aftrek van de 35% belastingclaim gaat het eind 2013 om €285 mld. (2014: 329 mld)

De samenstelling van het vermogen eind 2013 valt als volgt weer te geven:

P07_2

(a) Staat-overig en eigen woning- netto is na aftrek van respectievelijk de overheidsschuld en de hypotheek.

(b) Het ondernemingsvermogen bestaat uit ondernemingsvermogen en de aanmerkelijk belang aandelen. De reële waarde van dit vermogen in het economisch verkeer zal sterk afwijken van de waarde in de boeken van het CBS. Het 9e en 10e vermogensdeciel bezit  samen 96,4% van het ondernemingsvermogen en 99,2% van het aanmerkelijk belang vermogen en toch menen velen een gefundeerd oordeel te kunnen geven over de vermogensontwikkeling van de hoge vermogens. [4]

Conclusies

(1) We worden jaarlijks door regering, politici en media in het ootje genomen over de hoge Nederlandse overheidsschuld en het overheidstekort: beide bestaan in feite niet, er is zelfs sprake van een overschot.

(2) De burgers zijn in feite armer dan het CBS, CPB en DNB soms voorstellen als ze in een onbewaakt ogenblik ( = bijna altijd [2]) het pensioenvermogen wel bruto meerekenen hoewel van dat pensioenvermogen nog een belastingclaim afmoet. Maar als je die correctie wel zou aanbrengen hebben we ineens geen overheidsschuld en -tekort meer en hoe moet je dan al die “hervormingen”, lees belastingverhogingen en bezuinigingen, nog verdedigen? Zou het soms opzet zijn om dat pensioenvermogen bruto te blijven presenteren?

(3) Door de omkeerregel pensioenen af te schaffen kunnen we in feite de overheidsschuld  geheel aflossen, waardoor ook de rente op de overheidsschuld vervalt. Het netto saldo van de rente en de gederfde belasting op pensioenpremie (52%) gesaldeerd met het wegvallen van de belasting op de lagere pensioenuitkering (ca 35%) kan worden aangewend om het EMU-tekort weg te werken. Het restant kan worden gebruikt voor een belastinghervorming.

(4) De staat loopt, net als pensioendeelnemers, een aanzienlijk risico over het pensioenvermogen. De staat heeft net als de pensioendeelnemers niets te zeggen over het beleggingsbeleid van het pensioenfonds. Gegeven het daarmee gemoeide bedrag voor de staat is dat risisco buitenproportioneel (Q3 2015 € 473 mld.). In het 2e en 3e kwartaal ging 132 mld. pensioenvermogen van de pensioenfondsen in rook op. Hiermee verloor de staat dus een belastingclaim van € 46 mld. of bijna drie keer het begrotingstekort 2014. Heeft u daarvan iets in de media gezien? De staat kan dat risico tot nihil terugbrengen door (3) snel te effectueren.

(5) Overigens zijn wij van mening dat we door de gebrekkige vermogensstatistieken maar een beperkt inzicht hebben in de hoogte en verdeling van dat huishoudvermogen. Dat komt met name omdat het CBS budgettair door de regering de nodige middelen en mankracht wordt onthouden (Kamp, Asscher en voorgangers) om een volledig vermogensplaatje op te leveren. Asscher stelde immers recent nog bij de Pikety discussie:

“Het kabinet ziet op dit moment dan ook geen indicaties om te veronderstellen dat de vermogensverdeling onevenwichtig is.”

Als je het CBS onvoldoende geld beschikbaar stelt kun je ook moeilijk tegenbewijs leveren en dat is uiteraard de onuitgesproken opzet.

(6) Het Nederlandse belastingstelsel maak dat de bezitters van de grotere vermogens in vergelijking met overige belastingbetalers in de watten gelegd worden.[3] De bijdragen Belasting op kapitaalinkomen volgens Jacobs , Erfbelasting en Inkomensbeperkende regelingen geven hiervan duidelijke voorbeelden.

___________________

Laatst bijgewerkt 15 december 2015

[1] Bronnen:

♦  Vermogen huishoudens 31-12-2013 (“2014”)

♦  Overheidsbalans 2014

♦   Overheidsschuld

♦  Pensioenen on 17 augustus 2015

♦  CBS Totale pensioenaanspraken (AOW)

♦  Pensioenfondsen ABP, PFZW, PMT, PME en bpfBouw 2014

[2] Voorbeelden foute bruto presentatie:

[a] DNB: http://www.dnb.nl/statistiek/statistieken-dnb/huishoudens/index.jsp

Het DNB neemt daarnaast de algemene reserves van de pensioenfondsen niet mee.

[b] CBS, http://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/911988A7-1223-49D7-BEEC-1C3927924FD1/0/2014Nederlandin2013pub.pdf , blz 20.

en

http://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/24A2FF31-D3EC-49E4-9EC1-84E8AA437A23/0/pb13n022.pdf

{c] CPB, Frank van Es, Henk Kranendonk, Vermogensschokken en consumptie in Nederland, CPB achtergrond document 18 maart 2014,http://www.cpb.nl/publicatie/vermogensschokken-en-consumptie-nederland , blz 23.

[3] Arie C. Rijkers, “Een inkomensbegrip voor de 21e eeuw”, https://www.tilburguniversity.edu/upload/6dfcaed5-d0de-4c63-9527-efd6d16ca07c_130562_oratie_A_Rijkers.pdf

[4] CBS, “CBS: Vermogensongelijkheid in 2014 niet verder toegenomen”

http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/inkomen-bestedingen/publicaties/artikelen/archief/2015/vermogensongelijkheid-in-2014-niet-verder-toegenomen.htm

“De ongelijkheid in vermogen nam in 2014 niet verder toe. Daarmee is een eind gekomen aan de voortdurende stijging van de ongelijkheid sinds het begin van de economische crisis. Het inkomen is veel minder ongelijk verdeeld. De inkomensongelijkheid bleef tijdens de crisis zo goed als stabiel. Dat meldt CBS.”

Bedoeld zal zijn 2013, het CPB werkt immers met 1/1/2014 cijfers en loopt daarbij bijna twee jaar achter de feiten aan. Gegeven de waarderingsgrondslag van de vermogenscomponenten moet aan het (voor)-oordeel van het CBS geen enkele waarde worden toegekend, al zullen de trainees bij de media het wel weer klakkeloos overpennen.

Vermogen huishoudens 31-12-2013 (“2014”)

______________________________________________________

Deze bijdrage geeft de vermogenspositie eind 2013 weer op basis van de gegevens van CBS statline. De bijdrage is t.o.v. van voorgaand jaar aanzienlijk ingekort. Voor het totale vermogensplaatje, inclusief het staatsvermogen zie de bijdrage Vermogen Nederlandse burgers 31-12-2013 .

Als we alleen op de gegevens van het CBS zouden afgaan ontstaat een redelijk misleidende voorstelling van zaken waarbij ca de helft van het vermogen van de huishoudens niet wordt meegenomen. Of “het vermogen van huishoudens niet langer daalt”, valt in zijn algemeenheid dus op basis van de CBS-cijfers niet te zeggen. Er valt eigenlijk nauwelijks een uitspraak te doen op basis van deze cijfers.

In elk geval stijgt het netto pensioenvermogen jaarlijks met zo’n 7-8% en dat vermogen vormt ca 75% van het CBS-vermogen exclusief pensioenvermogen. Voor het jaar 2013 was die netto stijging voor de burgers € 23 mld. en voor 2014 zelfs € 140 mld.

Het 10e vermogensdeciel heeft per 1/1/2014 een aandeel van 73% van het totale vermogen exclusief eigen huis. Van de vermogenstoename exclusief eigen huis van  totaal € 5 mld  in de periode 2011-2014 neemt volgens de CBS-cijfers het 10e deciel  € 71,1 mld. voor zijn rekening. Aandeel percentages zijn in een dergelijke situatie niet zo zinvol. Het gemiddeld netto vermogen van de Nederlandse burger inclusief zijn aandeel in het staatsvermogen bedraagt inmiddels ca € 376.000. Dat is different cookies t.o.v. het CBS-cijfer van € 195.000.

Uiteraard hebben de krakkemikkige vermogensstatistieken ook invloed op de inkomensstatistieken. Zo worden de winst op verkoop van aandelen of obligaties, rente op spaar- en beleggingshypotheken en de vermogenstoename door het rendement op het pensioenvermogen niet tot het inkomen gerekend. De HRA leidt tot negatief inkomen uit vermogen.

______________________________________________________

Tabel 1 Vermogens huishoudens volgens CBS Statline

(click op tabel om te vergroten)

P06_1

(a) Voor 1/1/2011 (2010) is het CBS overgegaan op integrale waarneming i.p.v. een panelonderzoek. Daarmee steeg het vermogen met € 22,8 mld, waarvan € 19,5 mld. alleen al voor het 10e vermogensdeciel. Bij een vergelijking met de cijfers voor 2010 moet deze correctie dus mede in aanmerking worden genomen. De correctie voor de jaren voor 2010 kan jaarlijks natuurlijk anders uitpakken, maar het licht in de rede dat het top 10e deciel systematisch ondervertegenwoordigd zal zijn.

(b) In aanvulling op het CBS [1] wijs ik toch nog maar even op de geel gemarkeerde cellen in de tabel. Het aandeel van het 10e vermogensdeciel voor 1/1/2014 in de aanmerkelijk belang aandelen bedraagt 97% en van het ondernemingsvermogen 87%. De uitkomsten van tabel 2 hoeven dus niet te verbazen. In totaal had het 9e plus 10e deciel 1/1/2014 85,8% van het CBS-vermogen “in handen” (1/1/2013: 85,6%).

(c) Het CBS meldt nog dat het aantal miljonairs is toegenomen in 2013 met 6.000 tot 157.000. Een doorsnee miljonairs huishouden had 1/1/2014 een vermogen van € 1,6 mln. [1]

Statline geeft de volgende aanvullende informatie, die een stuk nuttiger is:

Tabel 2 Vermogen miljonairs 2013 vs 2012

P06_2

Ik zou daaraan kunnen toevoegen dat het aandeel in de totale stijging van het vermogen van € 33,6 voor de miljonairs 94% bedraagt (€ 31,5 mld.), maar dat is al te demagogisch omdat de samenstelling veranderd kan zijn en er 6.000 miljonairs meer zijn. Het CBS zou hierover natuurlijk uiterst nuttige dingen kunnen zeggen.

(d) Het  werkelijk vermogen van de huishoudens is ruwweg twee keer zo hoog als het CBS opgeeft en laat zich als volgt benaderen:

Tabel 3 Een alternatieve benadering van het huishoudvermogen

P06_3

(a) De blauwe regel is overgenomen uit tabel 1. De cijfers zijn nu per 31 december van enig jaar weergegeven.

(b) Het pensioenvermogen is ontleend aan de bijdrage Pensioenen.  Hier moet je dan wel de belastingclaim op dat pensioenvermogen van ca 35% aftrekken omdat dit deel aan de staat toebehoort. DNB, CPB en CBS laten dit altijd na als zij het over het pensioenvermogen van de huishoudens hebben. Het bedrag van de derde pijler pensioenen is niet meegenomen.

Ook het CBS realiseerde zich onlangs dat je pensioenvermogen misschien toch wel moet meetellen om de vermogens internationaal zinvol te kunnen vergelijken. Het heeft derhalve een poging gewaagd om het pensioenvermogen naar inkomensgroep toe te rekenen. Zoals in de bijdrage  Evenwichtere vermogensverdeling door pensioenvermogen? behandeld, kan deze poging minder geslaagd genoemd worden. Het is in het Nederlandse pensioen-“stelsel” immers volstrekt onmogelijk het netto pensioenvermogen naar pensioendeelnemer te verbijzonderen.

(c) De levensverzekeringen zijn ontleend aan de DNB statistiek huishoudvermogens. [3b]

(d) De kapitaalverzekeringen zijn gebaseerd op een studie van Laura Oudman. Dit bedrag loopt op van € 80 mld. in 2012 naar € 135 mld. in 2018.

(e) De gegevens voor het ondernemingsvermogen en aanmerkelijk belang aandelen zijn door het CBS ontleend aan de fiscale gegevens. Uiteraard is de waardering op fiscale basis te laag en geeft daarmee niet de waarde in het economisch verkeer weer. Indicatief kan voor de top 500 van Quote al een bedrag van € 75 mld. worden bijgeteld. Hoewel dit getal natuurlijk eerder als Spielerei kan worden aangemerkt, geeft het toch een eerste indicatie voor de omvang van de totale correctie als je voor al het ondernemings- en AB-vermogen gaat corrigeren.

(f) In de CBS publicatie Nederland in 2015 wordt door het CBS een alternatieve opstelling van financiële bezitten en schulden gegeven (10; blz 31)

P04_100

De aansluiting met de Statline gegevens laat ik, met het CBS, aan de lezer over. Pensioenen worden nu, zij het bruto zonder aftrek belastingclaim, ineens wel tot de bezittingen gerekend. De toename van de pensioenrechten verklaart het CBS door de lage rente omdat het vanuit die rechten redeneert. Zelf verklaar ik die door de gestorte pensioenpremies en de behaalde rendementen.

De top twee vermogensdecielen bezitten 85,8% van het CBS-vermogen, de top twee inkomensdecielen 47,7%. De top twee vermogensdecielen bezitten hiermee € 426,1 mld. meer vermogen dan de top 2 inkomensdecielen. Dit valt als volgt te specificeren:

Tabel 4 Aandeel top twee vermogens- en inkomensdecielen

P06_4

(a) De kanttekeningen bij tabel 3 zijn ook hier van toepassing en maken dat de tabel maar beperkt inzicht geeft in de werkelijke vermogensverschillen.

(b) Voor het pensioenvermogen valt nog op te merken dat tot voor kort 41% van de pensioenpremie werd afgetrokken van het belastbaar inkomen tegen 52% door ca 7% van de bevolking. Over de pensioenuitkeringen moet t.z.t. wel weer belasting betaald worden. De vermogensverdeling van het pensioenvermogen zal voor de vermogensdecielen fors afwijken van de inkomensdecielen.

(c) Het inkomensbegrip maakt dat het inkomen uit vermogen maar beperkt in de inkomensstatistieken naar voren komt. Zie ook de bijdragen inkomensbeperkende maatregelen en Belasting op kapitaalinkomen volgens Jacobs.

De vermogensverdeling naar vermogen en inkomen vallen ook per vermogenscomponent weer te geven:

P06 grafiek 1

(a) Ondernemingsvermogen, effecten en overige vermogen (overig vast actief) zijn dus het scheefst verdeeld.

P06 grafiek 2

(a) De relatief gelijke verdeling van ondernemingsvermogen heeft veel – zo niet alles – te maken met de gehanteerde waarderingsgrondslag door het CBS.

Het gemiddeld vermogen per huishouden per vermogens- en inkomensdeciel is als volgt:

P06 grafiek 3

Voor zover de vermogensstatistieken van het CBS dat toestaan kunnen we de vermogensontwikkeling vanaf 1/1/2006 volgen. Daarbij hebben we, zoals eerder vermeld nog te maken met de overgang om integrale waarneming per 1/12011, die vooral het 10e vermogensdeciel regardeert.. Onderstaande tabel is aan de tabellen in noot [4] ontleend:

Tabel 5 ontwikkeling van het totaalvermogen en het vermogen van 10e deciel 2006 -2013

(click op tabel om te vergroten)

P06_6

(a) De inflatie bedroeg in de periode 1/1/2006 – 1/1/2014 2% p.j.

(b) Overig vermogen heeft in belangrijke mate betrekking op overig onroerend goed en overige schulden.

(c) Voor meer details raadplege men noot [4]

(d) Het 10e vermogensdeciel (748,1 dzd huishoudens) heeft dus per 1/1/2014 een aandeel van 73% van het totale vermogen exclusief eigen huis. Van de vermogenstoename exclusief eigen huis van  totaal € 5 mld in de periode 2011-2014 neemt het 10e deciel  € 71,1 mld. voor zijn rekening. Percentages zijn in een dergelijke situatie niet zo zinvol, conclusies over de vermogenstoename kunnen niet getroffen worden. [9]

De toename komt in belangrijke mate voort uit de toename van het  ondernemingsvermogen- en aanmerkelijk  belang vermogen met € 62,7 mld. Hoe groot dit bedrag in werkelijkheid is, laat zich slechts raden – zie ook de bijdrage Aandeel Quote 500. In de periode 2006-2014 steeg het Quote 500 vermogen eerst van € 110,3 mld. eind 2005 tot € 145 eind 2008 om vervolgens schommelend, groeiend als een koeienstaart, te dalen tot € 113,1 mld. eind 2013. Dat Quote vermogen heeft dan ook een uiterst merkwaardig verloop:

P06_7

(a) De ratio (vermogen Quote 500)/ (officiële 10e vermogensdeciel CBS) kan niet anders dan een beperkte waarde hebben gegeven het natte vinger karakter van de teller en het onvolledige en ook nog onjuiste data van het CBS in de noemer.

(b) Het ligt voor de hand dat het Quote aandeel na integrale waarneming per 1/1/2011 gering afneemt maar dat effect is slechts 0,5% (zie grafiek).

(c) In 2014 (1 augustus 2015) daalde het Quote 500 vermogen nog eens met € 29,8 mld. t.o.v. 2013 of met 26,4% tot € 83,3 mld.

(d) De “kwaliteits”-media citeren jaarlijks klakkeloos, zonder enige zichtbare toetsing, de Quote 500 cijfers. Ook de wetenschap komt niet veel verder.[5]

 

_____________

Laatste bijgewerkt 15 december 2015 met uitzondering tabel 3 (f) Nederland in 2015.

[1] CBS: Vermogen van huishoudens daalt niet langer

http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/inkomen-bestedingen/publicaties/artikelen/archief/2015/vermogen-van-huishoudens-daalt-niet-langer.htm

[2] CBS “Samenstelling vermogen; particuliere huishoudens naar kenmerken”,

http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=80056NED&D1=2&D2=0&D3=a&D4=a&HDR=G1,T&STB=G2,G3&VW=T

[3] DNB

[3a] http://www.dnb.nl/binaries/t8.1nk_tcm46-330813.xls?2015120214

[3b] http://www.dnb.nl/statistiek/statistieken-dnb/huishoudens/index.jsp

[4] Tabellen ter onderbouwing van tabel 5

P06 noot 4 tabel 1

Vanaf 1/1/2011 zijn de vermogenstatstistiken gebaseerd op integrale waarneming i.p.v. panels. Dit had tot gevolg dat het vermogen per 1/1/2011 met € 22,8 mld. werd opgekrikt, waarvan € 19,3 mld. het 10e vermogensdeciel ten goede kwam. Derhalve wordt ook een vergelijking gemaakt voor de periode 1/1/2011 – 1/1/2014. Wat de correctie op het vermogen 1/1/2006 zou zijn geweest weten we immers niet.

P06 noot 4 tabel 2

[5] Bas van Bavel , “Vermogensongelijkheid in nederland de vergeten dimensie”,

http://www.wrr.nl/fileadmin/nl/publicaties/PDF-verkenningen/V28_Hoe_ongelijk_is_NL_hfdst04.pdf [blz 2]

“Het gebruik van deze cijfers (CM: Quote 500 of het Dutch Wealth Report), bijvoorbeeld ook de cijfers die worden gepubliceerd door Forbes Magazine of Fortune in de vs, of the Sunday Times in het Verenigd Koninkrijk (vk), wordt internationaal steeds meer geaccepteerd in het onderzoek naar vermogensverdeling (Atkinson 2008), ook ondanks mogelijke tekortkomingen van die cijfers. Indien de gegevens van Quote 500 en het Dutch Wealth Report globaal juist zijn, dan zou de Gini-coëfficiënt in Nederland zelfs de 0,9 benaderen”

Je mag toch hopen dat de WRR een betere toegang heeft tot de CBS-gegevens dan uit de WRR-publicatie blijkt. Het hoogste vermogen is geheim, maar dat zou voor het totaal van de grootste 500 toch niet het geval hoeven zijn?

http://www.uu.nl/nieuws/bas-van-bavel-reageert-in-diverse-kranten-op-pikettys-ideeen

[9] CBS, “CBS: Vermogensongelijkheid in 2014 niet verder toegenomen”

http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/inkomen-bestedingen/publicaties/artikelen/archief/2015/vermogensongelijkheid-in-2014-niet-verder-toegenomen.htm

“De ongelijkheid in vermogen nam in 2014 niet verder toe. Daarmee is een eind gekomen aan de voortdurende stijging van de ongelijkheid sinds het begin van de economische crisis. Het inkomen is veel minder ongelijk verdeeld. De inkomensongelijkheid bleef tijdens de crisis zo goed als stabiel. Dat meldt CBS.”

“Tussen 2009 en 2013 is de vermogensongelijkheid tussen huishoudens echter toegenomen”, heet het dan verderop. Dit lijkt mij onjuist want het vermogen is nog steeds per 1/1/2014. De kop had dus moeten luiden de ongelijkheid in vermogen nam in 2013 niet verder toe en de tweede tekst tussen 2009 en 2012 is de vermogensongelijkheid tussen huishoudens echter toegenomen. Het CBS loopt dus 15/12/2015 in feite bijna twee jaar achter de feiten aan.

Het CBS goochelt immers altijd met de jaren want het vermogen wordt fiscaal en dus voor de CBS vermogensstatistiek per 1 januari van enig jaar bepaald.  In het maatschappelijk verkeer hebben we het dan over het vermogen per 31 december van het jaar daarvoor. Uiteraard kalken de media dit altijd klakkeloos over.

Zoals boven aangegeven neemt het CBS voor eind 2013 € 1.355 mld. vermogen niet mee in de vergelijking en is daarnaast de waardebepaling van enkele vermogenscomponenten gebaseerd op drijfzand.

(10) https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2016/12/cbs-presenteert-overzicht-economische-ontwikkelingen-2015

Evenwichtigere vermogensverdeling door pensioenvermogen?

____________________________________________________________________

Volgens Asscher en Wiebes daalt het aandeel van het 10e vermogensdeciel in het totaalvermogen door de toerekening van het pensioenvermogen van 61,1% naar 51,1% als we de antwoorden op Kamervragen mogen geloven. Dat wekt de nodige verbazing, want sinds wanneer kunnen we in Nederland binnen ons krakkemikkige pensioensysteem het bruto pensioenvermogen individueel aan de pensioendeelnemer toerekenen? Om van een netto pensioentoedeling na aftrek van de daarop nog drukkende belasting maar helemaal te zwijgen.

In deze bijdrage zullen we dan ook aantonen dat de heren maar wat uit hun duim zuigen en dat over de vermogensverdeling van het totale vermogen per deciel nauwelijk iets zinnigs valt te zeggen, laat staan over de ontwikkeling van dat vermogen in de tijd.

Vroeger leerde je op de lagere school dat je appels en peren niet mocht optellen. Zowel het MvF als het CBS telt vermogenscomponenten waarop geen belastingclaim rust en pensioenrechten met nog een forse belastingclaim van gemiddeld 35%. maar materieel binnen de inkomens- en vermogensdecielen fluctuerend van 19% tot 52%, rustig bij elkaar. Op die krakkemikkige basis slaat men dan onzinnig aan het rekenen.

De staat wordt door het CBS en het MvF natuurlijk buiten de verdeling van het pensioenvermogen gehouden en die heeft toch echt een belastingclaim van ca 35% van het pensioenvermogen. Zou je dat wel doen dan heeft de staat ineens geen overheidsschuld en overheidstekort meer, en dat kan het CBS echt niet gebruiken als his masters voice op het gebied van overheidspropaganda.

De inkomens- en vermogensstatistieken zouden overigens ook aanzienlijk verbeteren als de belastinghervormingen eens systematisch zouden worden aangepakt. De erfbelasting, mede een correctie op in het verleden onbelast genoten inkomen en vermogenstoename, speelt daarbij een belangrijke rol, omdat deze belasting ook nog eens economisch nauwelijks verstorend werkt.

____________________________________________________________________

Om bepaalde clientèle van het Ministerie van Financiën (MvF) bij de belastingheffing een genoegen te doen hanteert dit ministerie zowel een wazig particularistisch inkomens- [2] als vermogensbegrip [3]. Ons armzalig toegeruste CBS bepaalt aan de hand van die gegevens de inkomens- en vermogensstatistieken die daarmee nogal wat leemtes vertonen. [4] “Het brede gebruik van deze cijfers in academische kringen”, maakt echter dat deze cijfers “geenszins suggestief” zijn, volgens staatssecretaris Wiebes en Minister Asscher.[1a] Hoewel ik niet tot die academische kringen behoor, meen ik toch dat er op deze cijfers het nodige valt af te dingen. We hopen dit in deze bijdrage nogmaals duidelijk te maken. In een een eerdere bijdrage gingen we hier voor het 10e vermogensdeciel al uitgebreid op in.

In het antwoord op vraag 30 [1a] wordt aangegeven dat de verdeling van het vermogen na pensioenrechten gelijkmatiger is dan de verdeling voor pensioenrechten. Hierbij kan het staatje van de staatssecretaris, na bewerking, onder aanvulling van de daarmee gemoeide bedragen, als volgt worden weergegeven [1a]:

Tabel 1 De allocatie van de pensioenrechten naar vermogensdeciel 

(click op tabel om te vergroten)

194_1

(a) De paarse cellen zijn ontleend aan het antwoord van de staatssecretaris. Het is zowel bij het CBS als bij het MvF te doen gebruikelijk om van het vermogen per 1/1 van enig jaar uit te gaan. Bij de uitwerking zijn we uitgegaan van het private vermogen per 1/1/2012 (“2012”) maar voor het pensioenvermogen eind 2010 (“2010”). Alleen de percentages worden door de staatssecretaris gegeven en we hebben er de bedragen even bijgezocht aan de hand van CBS Statline. De totale pensioenrechten laten zich dan hieruit berekenen op € 472,3 mld. als we ons op de 50,1% aandeel van het tiende vermogensdeciel concentreren

(b) Voor de volledigheid hebben we ook de vermogensverdeling volgens de inkomensdecielen voor 1/1/2012 opgenomen. Zoals u ziet wijkt die nogal af van de vermogensdecielindeling. Daarnaast hebben we vermogenscomponenten die het CBS wegens onbekendheid of anderzins laat zitten even pro memorie in de tabel opgenomen.[1e] Dit alleen al om te laten zien dat de beweringen van Asscher en Wiebes over de evenwichtige vermogensverdeling met een flinke korrel zout moet worden genomen: we weten het gewoon niet.

(c) De pensioenrechten zijn berekend op actuariële basis. [1b] Op welke wijze rekening is gehouden met de daarop drukkende belastingclaim bij uitkering laat de staatssecretaris in nevelen gehuld. Het is usance bij het DNB, CBS en CPB om het pensioenvermogen bruto weer te geven. Raadpleging van het artikel van Knoef en Caminada geeft enige duidelijkheid over de gehanteerde systematiek. [5] Op grond daarvan moet de conclusie getrokken worden dat de voorstelling van zaken door de minister en staatsecretaris geheel in lijn is met het motto van deze site, immers het artikel licht toe dat de pensioenrechten bruto zijn opgenomen:

“Alle bedragen zijn bruto berekend. Zowel op privaat vermogen als op aanvullende pensioenrechten rust een belastingclaim, zij het in verschillende mate (mede afhankelijk van de precieze samenstelling van het private vermogen). Het is niet op voorhand duidelijk welk effect (uitgestelde) belastingheffing zou kunnen hebben op de mate van scheefheid van de vermogensverdeling.”

Op grond hiervan kunnen de volgende conclusies worden getrokken:

(1) Het bruto pensioenvermogen voor 2012 bedraagt, inclusief derde pijler ca € 1,271 mld. Omdat slechts bruto ca € 472,3 mld. is verbijzonderd in tabel 1 is dus bruto € 799 mld. pensioenvermogen buiten de boot gevallen. Dat het pensioenvermogen niet valt te verbijzonderen naar deelnemer hoeft niet te verbazen, gezien ons pensioenstelsel, met een € 100 mld. doorsneepremieproblematiek, indexatieachterstanden, dekkingstekorten en garantie tot de deur van de pensioenrechten. Je moet dan ook het netto pensioenvermogen verdelen over de deelnemers – meer valt er immers niet te verdelen.

(2) Het gemiddelde belastingtarief bij pensioenuitkering is ca 35%, maar aangezien 41% van de pensioenpremie tot voor kort werd afgetrokken tegen 52% door ca 7% van de bevolking ligt dat percentage voor de hoge inkomens bij uitkering ook rond de 52%. Er is ook een substantieel verschil tussen de vermogensverdeling op grond van vermogen en de vermogensverdeling op grond van inkomen, mede door de gehanteerde inkomens- en vermogensbegrippen, naast de eigen woning en het sparen voor de oude dag. Uiteraard heeft dat ook effect op het effectieve belastingpercentage. Kortom inzicht in het belastingpercentage bij uitkering per vermogensdeciel is niet beschikbaar.

(3) Een substantieel deel van het vermogen valt niet te verbijzonderen naar vermogens- noch inkomensdeciel of is zelfs niet bekend.(4) Onder in de tabel is te zien dat belangrijke vermogenscomponenten überhaupt buiten de statistieken van het CBS vallen. De stelling van Knoef en Caminada dat

het lastig is om iets te zeggen over de al dan niet groeiende vermogensongelijkheid in Nederland vanwege gebrek aan data.

heeft dus, ook na hun artikel, niets van zijn actualiteit verloren.[5]

[4]In de bijdrage Aandeel Quote 500 lieten we al zien dat het CBS het vermogen van de top 0,1% systematisch onderschat wordt met name door de onderwaardering van het ondernemings- en aanmerkelijk belang vermogen. Ruwweg kunnen we op grond hiervan zo al € 75 mld. bijtellen voor het 10e deciel en dat is maar een begin.

(5) Met moet aannemen dat deze feiten bij het MvF genoegzaam bekend zijn. Waarom levert men dan toch zo’n onzintabel op?

Nu we de onjuiste voorstelling van zaken van het MvF behandeld hebben, kunnen we ook de recente CBS publicatie nog even onder de loep nemen voor zover die over het zelfde onderwerp gaat. [1d]

Het CBS richt de verdeling van de pensioenaanspraken op de inkomensverdeling. Daarbij komt het tot de conclusie dat de toedeling het verschil tussen Q5/Q1 vermogensratio stijgt van 6,4 naar 7,8. Dat betekent dat het het totale vermogen van de rijkste 20% huishoudeninkomens 7,8 keer zo groot als het vermogen van de armste 20% huishoudeninkomens als je de pensioenrechten meerekent. Zoals door het CBS vermeld wijkt dit af van Knoef en Caminada die de verdeling op basis van de vermogensverdeling naar vermogen hebben uitgewerkt. Overigens kleeft aan de CBS-methodiek dezelfde makke: de pensioenaanspraken worden bruto meegerekend. Dit heeft tot gevolg dat de topinkomens een hoge pensioenaanspraak krijgen toegerekend terwijl hier nog wel 52% belasting afgaat. Het is dus niet zo’n wonder dat de ongelijkheid met pensioentoedeling volgens de CBS-“methode” licht stijgt.

194_2

De toelichting is deels aan de CBS-spreadsheet ontleend [1d]:

(1) Pensioenrechten omvatten financiële aanspraken van huidige en voormalige werknemers op: a) hun werkgevers, b) een pensioenfonds, c) een levensverzekeraar (collectieve contracten).

Naast deze pensioenrechten hebben we natuurlijk ook nog te maken met lijfrenten, pensioenen in eigen beheer, Fiscale OudedagReserves (FOR), etc., die kunnen worden omgezet in pensioenrechten. Volgens het CBS zijn “de pensioenrechten tussen 2005 – 2012 sterk gestegen als gevolg van de gedaalde rente”.[1d] Er bestaat echter ook nog een algemene reserve pensioenfondsen die mede dankzij de bankcrisis fors daalde. In 2008 bedroeg die nog € 203 mld.. De rentestand heeft bij een dekkingsgraad > 100 alleen effect op de verdeling tussen pensioenverplichtingen/algemene reserves, die immers communicerende vaten zijn.  Het CPB concludeerde vrij recent dat het pensioenvermogen sinds 1990 met 8% per jaar was toegenomen, de helft door premiestortingen en de andere helft door rendementen.

(2)Woningen: gebouwen die geheel of hoofdzakelijk zijn bestemd voor bewoning.

(3) Niet-financiële activa bestaan uit vaste activa, voorraden, grond, olie- en gasreserves en duurzame consumptiegoederen.

Aan de hand van [1d] valt de volgende vergelijking te maken met de bijdrage Vermogen huishoudens 31-12-2012 “2013”:

194_3

(a) We blijken nu ineens in 2012 ca € 484 mld. meer vermogen te hebben waarvan de bron niet hoeft te worden vermeld door het CBS. Ik kwam niet verder dan

“Ondanks dat het vermogensconcept in de nationale rekeningen omvangrijker is dan in de meeste microstudies, is het niet alomvattend.”

Zou het niet handig zijn geweest als die € 484 mld. , toch 41% van het oude CBS-Statline huishoudvermogen wel was toegelicht door het CBS?

Tot slot:

Als de belastingwetgeving wat evenwichtiger was en een ieder naar vermogen belasting betaalde zou er niet zoveel reden zijn om aandacht te besteden aan de inkomens- en vermogensverdeling.  Een van de redenen van de scheve vermogensverdeling is de vrijstelling van erfbelasting van het  geërfd bedrijfsvermogen van 87%. De staatssecretaris  motiveerde dit met:

“De vrijstelling heeft tot doel te voorkomen dat de heffing van schenk- of erfbelasting een belemmering vormt voor de voortzetting van een gezonde onderneming in opvolgingssituaties.” [1a; vraag 46]

Ale je je onderneming verkoopt aan een Venture Capitalist kan de koper de overnameprijs financieren door de overgenomen onderneming een lening te laten opnemen en mag die onderneming de rente ook nog eens aftrekken van de belastingen. Daardoor kan de verkoper ook nog een hogere verkoopprijs bedingen. Als er 20% erfbelasting betaald moet worden, een fractie van de koopprijs, is deze constructie ineens niet mogelijk en moet de ondernemer worden ontzien omdat anders de continuïteit in gevaar komt. Doelredeneringen zijn in de politiek voor de bezittende klasse altijd ruim voor handen en ze worden onbeschroomd geventileerd, ook als de PvdA in de regering zit. {zie ook [2]}

________________

Laatst bijgewerkt 30 november 2015

[1] Bronnen

[1a] “Kamerbrief met antwoorden op de vragen van de vaste commissie voor Financiën over de Nederlandse vermogensverdeling”,

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/brieven/2015/01/09/antwoorden-op-de-vragen-over-de-nederlandse-vermogensverdeling

[1b] https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2014/11/17/kamerbrief-antwoorden-op-vragen-over-vermogensverdeling/kamerbrief-antwoorden-op-vragen-over-vermogensverdeling.pdf

[1c] https://www.eerstekamer.nl/bijlage/20150206/verslag_van_een_nader_schriftelijk/document3/f=/vjr7h0a8z5s5.pdf

[1d] CBS, “Ongelijkheid tussen huishoudens vanuit verschillende concepten”, http://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/34DD12FC-7E6B-43EF-80F6-E392091D2BF1/0/2015DNE05ongelijkheidtussenhuishoudensvanuitverschillendeconcepten03.pdf

[1e] Bronnen: Pensioenen en Vermogen Huishoudens.

[1f] Koen Caminada, “Verdeling van (top)inkomens en vermogen in Nederland.”

http://media.leidenuniv.nl/legacy/1-inkomens-en-vermogensverdeling.pdf

[2] Arie C. Rijkers, “Een inkomensbegrip voor de 21e eeuw”, https://www.tilburguniversity.edu/upload/6dfcaed5-d0de-4c63-9527-efd6d16ca07c_130562_oratie_A_Rijkers.pdf

Rijkers heeft het over “In alle gevallen vormt, dankzij ons huidige wazige inkomensbegrip, een ruimhartig toegepast instrumentalisme de glijbaan naar de belastingvrijdom. ” [blz. 29]

[3] Slechts 21% van het vermogen (exclusief ondernemingsvermogen en ab-vermogen) wordt immers maar belast onder de vermogensrendmentsheffing. (€ 374 mld. van totaal € 1.784 mld.). Het EWF van het eigen huis is een schijntje, zeker met de Wet Hillen, en pensioenvermogen is geheel vrijgesteld. Voor een overzicht van de gatenkaas die de belastingheffing op het vermogen voorstelt zie de  bijdrage Belasting op kapitaalinkomen volgens Jacobs.

[4] Dat het CBS systematisch geld en mankracht wordt onthouden om zijn statistieken op orde te brengen, blijkt uit de antwoorden op kamervragen [1a], [1b] en [1c]. Uit die antwoorden blijkt ook dat fractiespecialisten van de Eerste en Tweede Kamer, die de regering horen te controleren, meer weg heeft van een kleuterklasje, gezien de kwaliteit van de vraagstelling. Hadden de Eerste Kamerleden hun leesbril wel bij zich? Asscher ventileerde dan ook de mening: “Het kabinet ziet op dit moment dan ook geen indicaties om te veronderstellen dat de vermogensverdeling onevenwichtig is.”, waarvan acte. “Ik zie niets”, zei de struisvogel en stak zijn kop nog dieper in het zand.

De makke in de CBS-vermogensstatistiekcijfers zijn door het CBS op verzoek van de staatssecretaris nader uiteengezet in [1c]. In publicaties van het CBS zelf moet je die forse kanttekeningen met een lantaarntje zoeken en veelal ontbreken die in de rapporten, een toch een fors voorbehoud op de juistheid en volledigheid van de cijfers. [b.v. 1d] Die makken zijn o.a.:

Reactie CBS:

In de beschikbare reeksen van de vermogensstatistiek zijn zowel aan de onder- als bovenkant van de vermogensverdeling bepaalde posten beperkt opgenomen:

Aan de bezittingenkant is tot 2012 alleen een deel van de kleine tegoeden opgenomen. Weliswaar wordt/werd steeds het contant geld (boven de fiscale vrijstelling van jaarlijks ongeveer 500 euro) regulier ingeteld maar konden tot 2012 de kleine «bank- en spaartegoeden» en «effecten» vanwege onvolledigheden in de onderliggende fiscale databronnen alleen deels worden opgenomen. Vanaf 2012 worden deze posten volledig waargenomen en dienovereenkomstig ook volledig ingeteld.

♦ Ook kleine schulden zijn alleen gedeeltelijk in de vermogensstatistiek opgenomen. Sinds kort beschikt het CBS over informatie van hypothecaire geldleningen, persoonlijke leningen en consumptief krediet. Deze nieuwe informatie zal vanaf 2016 deel uitmaken van de reguliere vermogensstatistiek.

♦ Het CBS kan sinds kort ook beschikken over informatie over studieschulden waardoor in 2016 ook op dit vlak een verbeterslag in de schuldenspecificatie van de vermogensstatistiek gerealiseerd zal worden.

♦ In de huidige vermogensstatistiek wordt het aantal directeuren en grootaandeelhouders (DGA’s) onderschat en daarmee ook hun aanmerkelijk belang in vennootschappen. Daardoor is er misclassificatie in de hoogte van het vermogen dat door ondernemers in een onderneming is opgebouwd. Dit heeft een versluierende weerslag op (vooral) de bovenkant van de vermogensverdeling. Inmiddels zijn werkzaamheden opgestart voor de ontwikkeling van een nieuwe, zogeheten, DGA-datasatelliet waarin DGA’s en hun aanmerkelijk belang in vennootschappen correct en met teruglegging tot 2007 zijn vastgelegd. Aldus zal eind 2016 een op dit vlak verbeterde reeks vermogensstatistieken beschikbaar komen. Om deze verbeteringen mogelijk te maken heeft het CBS een financiële bijdrage gekregen van het Ministerie van Economische Zaken.

♦ Verder is het opgebouwde vermogen in spaar- en beleggingshypotheken niet bekend waardoor de netto hypotheekschulden volgens de huidige vermogensstatistiek worden overschat. Het CBS heeft nog geen toegang kunnen krijgen tot de noodzakelijke brongegevens om deze informatie beschikbaar te krijgen. {Dit bedrag is recent bepaald op ca € 80 mld. in 2012 oplopend tot 135 mld. in 2018}

Aanvullend valt hieraan toe te voegen:

♦ Pensioenaanspraken maken geen deel uit van de vermogensstatistiek omdat zij niet overdraagbaar, overerfbaar en beschikbaar zijn. Dat is in elk geval niet het geval voor pensioenen in eigen beheer voor een directeur/eigenaar in een BV, noch voor de FOR van een ondernemer, waarover vrij kan worden beschikt bij liquidatie of vererving, uiteraard na belastingheffing. Bovendien geldt volgens de commissie Van Weeghel dat de pensioenopbouw is in voorkomende gevallen zodanig groot is dat deze niet meer als hoofddoel het bieden van een oudedagsvoorziening heeft, maar er veel meer sprake is van vermogensopbouw. Tot voor kort werd immers 41% van de pensioenpremie tegen 52% afgetrokken en dat geld hoopt zich op in het pensioenvermogen. Tot het pensioenvermogen horen niet alleen de aanspraken maar ook de potjes (b.v. algemene reserve pensioenfondsen) die worden aangehouden.

♦ De waarde van het ondernemingsvermogen en de aanmerkelijk belangaandelen wordt overgepend uit de belastingaangifte. Uiteraard berust deze waardering op goed koopmansgebruik en heeft derhalve geen enkele relatie met de waarde in het economisch verkeer. Alleen al voor de Quote 500 kwamen we grofweg, met uiteraard veel slagen om de arm, op een hogere waardering van € 75 mld.

♦ In Nederland is het not done om informatie te verzamelen over de schaduweconomie. De inefficiëntie van onze belastingdienst zou dan immers ook aan de orde moeten worden gesteld en ” je wilt natuurlijk niet dat achter elke boom een belastinginspecteur staat” (Weekers). Toch gaat het om ca 9,1% van het bbp (Zwitserland 7,1%) en er zullen dus ook de nodige schaduwvermogens zijn. De opvolging van de uitkomsten van inkeerregelingen en de erfbelasting moeten toch een aardig inzicht geven, hoeveel geld het CBS met zijn vermogensstatistieken laat liggen. Ook hiervoor zal de overheid het CBS wel geen geld beschikbaar stellen, het desfunctioneren van de overheid wordt dan wel erg transparant.

[5] Koen Caminada, Kees Goudswaard, Marike Knoef, “Vermogen in Nederland gelijker verdeeld sinds eind negentiende eeuw”,Me Judice, 27 juni 2014.

http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/vermogen-in-nederland-gelijker-verdeeld-sinds-eind-negentiende-eeuw

De Tax Gap en de Algemene Rekenkamer

_________________________________________________________________

De algemene Rekenkamer (AR) publiceerde recent zijn rapport Handhaving belastingdienst. [1] Over dat rapport valt het nodige op te merken [10], maar we beperken ons hier tot de zogenaamde Tax gap, de mede door wanbeleid van de opeenvolgende staatssecretarissen gemiste belastingopbrengst, voor zover deze niet inherent is aan belastingheffing. De belastingheffing leidt immers op zichzelf soms al door het economisch handelen van de belastingplichtigen al tot een lagere belastingopbrengst volgens de optimale belastingtheorie.

Nu weten we de tax gap niet en als de overheid geen serieuze poging in het werk stelt om die gap te bepalen, zullen we die gap ook nooit weten. Van onze staatssecretaris hoeven we weinig actie te verwachten, immers elk probleem bij de belastinginning is een carreer damaging event en daar heeft hij er al genoeg van. Vandaar dat wij de interne controle-afdeling van de belastingdienst onbezoldigd geoutsourced hebben naar de Abvakabo en over diens bevindingen dan uiterst selectief laten rapporteren door de Algemene Rekenkamer, die deels zijn eigen vlees keurt.[1]

__________________________________________________________________

§1 Inleiding

“De tax gap is het verschil tussen de belastingen die op grond van de wet verschuldigd zijn en de daadwerkelijke belastingontvangsten, oftewel de gemiste belastingopbrengsten.” [1]

De Algemene rekenkamer {“AR”} concludeerde in zijn rapport:

“Schattingen van de totale tax gap, zoals beschikbaar voor de btw, leveren weliswaar geen directe aanknopingspunten op voor aanscherpingen van het handhavingsbeleid, maar kunnen een indicatieve waarde hebben voor trendanalyses of landenvergelijkingen. Mits er oog is voor de methodologische beperkingen, kunnen deze schattingen hiervoor gebruikt (blijven) worden.”[1, 69-70]

{waar gebruikt (blijven) worden op slaat is volstrekt onduidelijk en eerder onderdeel van een witwasoperatie door de AK, want die totale tax gap analyse heeft het MvF eenvoudig niet: “De Belastingdienst beschikt niet over een schatting van de totale tax gap in Nederland” [1,69]}

Staatssecretaris Wiebes antwoordde hierop: “Het rapport gaat niet nader in op nut en resultaten van de andere instrumenten als dienstverlening en horizontaal toezicht.” [1,79], een neoliberale erfenis uit 2005 die de belastingplichtigen als cliënten en de belastingafdracht als een brengschuld ging beschouwen.

Wiebes loopt met een grote boog om de aanbeveling de kwantificering ter hand te nemen heen, maar merkt nog wel even just for our records op dat “de kans groot is dat enkele onderzoeken grote correcties opleveren die het moeilijk maken trends over meerdere jaren te laten zien.”. [1,75&76] Ik zou zeggen zet wat meer gekwalificeerde belastingambtenaren in om die kennelijk grote kans per heden met meer onderzoeken in klinkende belastingmunt om te zetten. Maar dat past kennelijk niet in de VVD-filosofie.

We zouden natuurlijk ook botweg van belastingdiefstal kunnen spreken, maar daar staan van die hoge straffen op.[6] Het is opmerkelijk dat politici, die altijd voor zwaarder straffen plijten, de belastingontduiker met fluwelen handschoenen aanpakken, vaak nog ondersteund met een inkeerregeling.

Wie meer informatie wil hebben over de schaduweconomie kan niet om Friedrich Schneider heen, dus kennelijk de AK ook niet.[1;4] Visa, die er alle belang bij heeft om de contanten in het geldverkeer terug te dringen, publiceerde ook al eens een ATKearney-studie met diens medewerking.[4] In §3 gaan we nader op Schneider’s publicaties in en plaatsen de nodige kanttekeningen.

De jaarlijkse publicatie Measuring tax gaps 2016 – edition Tax gap estimates for 2014-15 geeft een aardig inkijkje in de bepaling van de tax gap voor de UK, waar Wiebes zijn belastingdienst een puntje aan kan zuigen.[2] Ook “ons” CBS en CPB zitten al vele jaren op hun handen als het om de bepaling van de schaduweconomie gaat. Gaan we uit van een percentage bbp van zo’n 10% dan missen beide instituten toch een niet onbelangrijk deel van de Nederlandse economie. Niet uit te sluiten valt overigens, dat dit percentage voor Nederland aanzienlijk lager ligt als we naar de UK-cijfers kijken, we weten het gewoon niet.

Het voordeel van het niet publiceren van een tax gap is natuurlijk dat een discussie daarover ook niet aan de orde komt. Zo is er in de UK nogal wat kritiek op die berekening. [5] Het cijfermateriaal dat beschikbaar is voor het bepalen van de tax gap is beperkt. Zo zitten de grote internationale taxgraaiers zoals Google c.s. niet in de tax gap cijfers. [9] Bovendien zorgen de grote verschillen tussen een belasting op grond van de huidige Nederlandse wetten en op grond van belastingwetten die wel alle vormen van inkomen, ongeacht de herkomst, naar hetzelfde tariefstelsel belast. Een “politieke belasting gap”, die al vele jaren om dichting vraagt. De huidige Nederlandse belastingwetten vormen voor selecte belastingplichtigen eerder een glijbaan naar de belastingvrijdom. [7]

Een groot bezwaar tegen de huidige opzet van de belastingdienst is dat handhaving en rapportage van de performance in één hand zitten. De huidige chaos in de organisatie is niet ontstaan, maar bestond al vele jaren onder het toeziend oog van de opeenvolgende staatssecretarissen (de Jager, Weekers en nu Wiebes) en natuurlijk ook de AR zelf. Het is kenmerkend voor die dienst dat ABVAKABO, als onbezoldigde intern controleur, nodig was om het lek boven tafel te krijgen. Het is dan ook verdiend dat ABVAKABO in noot 1 & 2 van het AR-report is opgenomen.[1]

§2 BTW gap

De meest recente cijfers (2014) van de BTW gap in Europa zijn als volgt:

253_2

(1) In totaal is de BTW gap € 160 mld. (Nederland € 4.956 mln.; UK € 17.756 mln.) Een indicatief effect op de EU-bijdrage is in §4 opgenomen.

(2) We kunnen dit,voor een aantal geselecteerde landen, ook in een tabel weergeven [3]:

253_3

(1) VTTL staat voor VAT Total Tax Liability, dat is de berekende totale BTW opbrengst inclusief de VAT gap.

(2) Aan de tabel zijn de Schneider schaduweconomie cijfers voor 2014 toegevoegd als % bbp. Zo geldt voor Nederland dat de BTW-gap 11,6% van de verantwoorde opbrengst is en 10,4% van de te verantwoorden BTW-opbrengst.  De BTW gap is € 5 mld. dat is 8,1% van de totale Schneider tax gap voor Nederland van € 61 mld.

De BTW-gap voor Nederland kan voor de jaren 2010-2014 als volgt worden weergegeven:

253_4

(1) Even wat kabbalistiek: als Nederland dezelfde ratio heeft voor VAT gap/ totale tax gap als de UK dan is voor 2014 ( § 3) de totale tax gap slechts € 13,5 mld. of 2 % bbp. Dat wijkt nogal af van Schneider’s cijfer van € 61 mld.

(2) De BTW gap is wel door de belastingdienst bepaald met medewerking van het CBS. Of het cijfer aansluit met de EEC-gegevens weet ik niet [1, blz 54, waarom daar van éénmalig wordt gesproken weet ik ook niet, of hebben we we al te maken met een NEXIT?]

§3 UK Tax gap

253_1

(1) Het HRMC-cijfer is ontleend aan [2]. Schneider’s cijfer is ontleend aan [4].

(2) De samenstelling van HRMC’s tax gap voor de jaren 2010-2014 is als volgt:

253_6

(1) Gegeven de hearings van de Public Accounts Commission (PAC) onder voorzitterschap van Mevrouw Margaret Hodge is het bedrag aan derving voor de vennootschapsbelasting van € 3,3 mld. lachwekkend te noemen. Er is veel kritiek op HRMC’s vasthoudendheid op het gebied van compliance bij multinationals. [5]

De UK VAT gap volgens de EU (kalenderjaar) kan als volgt worden weergegeven:

253_5

§4 Schneider’s publicaties

We hebben hier en daar al gebruik gemaakt van de ad nauseum geciteerde cijfers van Schneider, een vorm van Circular Reference.

Ook de AK citeert uitvoerig de bekende tabellen van Schneider inzake de shadow economie (“schatten economie”), die wereldwijd (Worldbank, OECD en Europese parlement, zelfs bij VISA) aftrek hebben gevonden. Daarbij werd overigens door de AR terecht de volgende kanttekeningen geplaatst:

“Resumerend hebben de kanttekeningen bij de macrobenadering vooral betrekking op de afhankelijkheid van de gebruikte methodiek en uitgangspunten en de kwaliteit van de nationale rekeningen. Daarnaast speelt een rol dat geen onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende economische activiteiten, die allemaal een eigen belastingtarief hebben. Tot slot hebben schattingen een onzekerheidsmarge, die niet altijd is aangegeven, maar in sommige gevallen aanzienlijk blijkt te zijn: 30% (Gemmel & Hasseldine, 2012).”

Als kanttekening zou ik dan nog willen plaatsen dat mij geen recente publicaties van het CBS noch van het CPB bekend zijn die een poging hebben gedaan om voor Nederland de tax gap, en daarmee de leemtes in hun eigen statistieken, die al te zeer op fiscale data zijn gebaseerd, in kaart te brengen.

Een vrij recente publicatie van Edgar L. Feige (02/2016) maakt dat ik de cijfers van Schneider eigenlijk alleen maar als vorm van amusement meeneem. Feige concludeerde dat:

“It does not speak well for our profession (CM uiteraard bedoelt hij hier economen mee) that these conceptually faulty, highly manipulated, and largely undocumented estimates continue to be repetitively published in our academic journals.” [zie verder noot 8 voor nadere details]

Het komt mij voor dat Schneider’s cijfers wat al te veel op kabbalistiek zijn gebaseerd en de locale economische instituten zullen het toch wel het beste weten, als ze daar tenminste zelf enige moeite voor (moeten) doen. Dat moeten tussen haakjes staat, is veelzeggend voor het belang dat “onze” politici hieraan hechten.

We zullen Schneider’s cijfers aan de hand van onderstaande tabel samenvatten:

253_7

(1) U mag raden op basis van welke waarde bovenstaande tabel gesorteerd is. In elk geval is de vergelijking met Schneider’s cijfers voor Zweden in samenhang met de VAT gap bizar. Dat zwart verdiende geld moet immers worden geconsumeerd.

(2) De verbetering staat tussen haakjes om dat Schneider’s cijfers van jaar tot jaar relatief zijn en je de jaren dus eigenlijk niet van elkaar mag aftrekken, zo je überhaupt wat met het cijfermateriaal mag doen.

§5 EU-bijdragen

We roepen onderstaand overzicht voor de EU-bijdrage 2017 in herinnering:

250_1

Alleen voor de BTW kunnen we rekening houdend met de BTW gap de bijdrage als volgt herrekenen:

253_8

(1) NL zou dus € 27,5 mln minder betalen. De gevolgen van de Brexit worden nog een stukje gezelliger binnen de EU en die spaghetti-eters moeten eindelijk ook eens gaan werken en boekhouden.

2) De correctie van de bijdrage voor de gehele tax gap is anyone’s guess.

§6 Conclusie

Als de politiek het probleem van de schaduweconomie serieus neemt dan zou het CBS en CPB in samenwerking met het MvF de opdracht moeten krijgen om de Nederlandse schaduweconomie systematisch in kaart te brengen en daarover jaarlijks te rapporteren. De UK-rapportage vormt daarvoor in elk geval een aanzet.

Europarlementariërs, die horen toe te zien op een evenwichtige bijdrage aan de EU-organen, zouden dit in Europees verband ook moeten afdwingen. De huidige allocatie is gezien alleen al de grote gaten in de BTW-verantwoording niet acceptabel.

Als een commerciële organisatie als SAP brood ziet in het in kaart brengen van de tax gap met behulp van zijn software, dan moet Wiebes dat natuurlijk ook zien zitten: de markt heeft immers altijd gelijk? [9]

_______________

Laatst bijgewerkt 6 december 2016

[1] Algemene Rekenkamer, “Handhaving belastingdient”, http://www.rekenkamer.nl/dsresource?objectid=25006&type=org

Met de triggering events:

ABVAKABO FNV (2012). Miljarden voor het oprapen; Over slokposten, spookburgers en windhappers. Amsterdam: eigen uitgave FNV. ABVAKABO FNV (2013). Miljarden voor het oprapen (deel 2); Belastingambtenaren over slokposten, spookburgers en windhappers. Amsterdam: eigen uitgave FNV.

[2[ HMRC, “Measuring tax gaps 2016 edition Tax gap estimates for 2014-15”, https://www.gov.uk/government/uploads/system/uploads/attachment_data/file/561312/HMRC-measuring-tax-gaps-2016.pdf

[3] Center for Social and Economic Research (Warsaw), “Study and Reports on the VAT Gap in the EU-28 Member States: 2016 Final Report “, https://ec.europa.eu/taxation_customs/sites/taxation/files/2016-09_vat-gap-report_final.pdf , TAXUD/2015/CC/131

[4] Een selectie uit de Friederich Schneider literatuur:

[4a] Friederich Schneider, “Size and Development of the Shadow Economy of 31 European and 5 other OECD Countries from 2003 to 2015: Different Developments”, http://www.econ.jku.at/members/Schneider/files/publications/2015/ShadEcEurope31.pdf

[4b] http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/etudes/join/2013/507454/IPOL-IMCO_ET(2013)507454_EN.pdf

[4c] http://www.oecd.org/std/na/new-standards-for-compiling-national-accounts-SNA2008-OECDSB20.pdf

[4d] https://www.atkearney.com/documents/10192/1743816/The+Shadow+Economy+in+Europe+2013.pdf

[5] Een selectie uit de kritiek op de UK tax gap:

[5a] https://www.theguardian.com/business/2016/oct/20/experts-dismiss-hmrcs-shrinking-tax-gap-estimate

http://taxwatch.org.au/wp-content/uploads/2016/09/Reforming-HMRC-making-it-fit-for-the-twenty-first-century.pdf

https://www.taxation.co.uk/Articles/2012/08/22/45591/whats-tax-gap

http://www.taxresearch.org.uk/Documents/PCSTaxGap2014Full.pdf

http://www.victoria.ac.nz/sacl/about/cpf/publications/pdfs/WP09_TaxGap_14092012.pdf

[6] Zoals eskimo’s vele woorden voor sneeuw schijnen te hebben zo is het aantal woorden voor belastingdiefstal ook vrij omvangrijk: tax evasion, tax avoidance, aggressive tax planning, tax mitigation, treaty shopping, tax exile, tax shelter en tot slot: Capitalism (Eric Schmidt Google).

[7] Arie C. Rijkers, “Een inkomensbegrip voor de 21e eeuw”, https://www.tilburguniversity.edu/upload/6dfcaed5-d0de-4c63-9527-efd6d16ca07c_130562_oratie_A_Rijkers.pdf

[8] Edgar L. Feige ,”Reflections on the meaning and measurement of Unobserved Economies: What do we really know about the ”Shadow Economy” “, https://mpra.ub.uni-muenchen.de/69271/1/MPRA_paper_69271.pdf

” To date, insufficient and inaccurate documentation concerning key data sources and procedures has precluded replication of his results. However, we know that his estimates critically depend upon his choice of indicator variables and the sign of their normalizing coefficients for which theory provides little guidance. The size and trend of his latent variable is arbitrary and fragile, its meaning is obscure, and his estimates bear no relationship to existing national accounting measurements of the non-observed economy component he claims to estimate. It is time to acknowledge that both the conceptual and empirical basis of Schneider’s shadow economy is insubstantial. The repeated use of his flawed MIMIC estimates as dependent variables in subsequent studies is empirically unjustified. These fundamental defects of the MIMIC applications documented by various researchers are increasingly acknowledged and cited by Schneider, but he chooses to ignore the implication of these critiques.”

[8] https://www.theguardian.com/business/2016/nov/04/google-pays-47m-euros-tax-ireland-22bn-euros-revenue

[9] SAP, “Tax Gap Analysis Can Boost Government Revenues Without a Tax Increase”, http://fm.sap.com/data/upload/files/taxgap.pdf

[10] Enkele losse opmerkingen n.a.v. de overige zaken in het AR rapport.

(1) Zoals bij elk rapport van de overheid is er sprake van overmatig wollig taalgebruik om te verhullen dat acties uiterst laat worden opgepakt en het vereiste niet al te close reading (blz 35-36) om te concluderen dat b.v. de aanpak van tien duizenden windhappers een faliekante mislukking werd (blz 36 van 43.499 → 430 → 109). De windhapper werd dus een storm in een glas water, maar ik ben niet overtuigd door de uitkomst als ik om mij heen kijk.

(a) Eerder besteden we al eens aandacht aan de ABVAkabo rapporten [1] en er staan nog een groot aantal vragen open. Dat ligt voornamelijk aan onze parlementariërs, want bijna alle partijen hebben pakjes boter op het hoofd.

(b) De presentatie van de steefproef aanpak (blz 21) is uitermate wollig en laat geen conclusie toe of er daadwekelijk sprake is van intensivering. De getallen overtuigen in elk geval niet echt in relatie tot de gehele massa. De afwerking van aselecte steekproeven is volstrekt onder de maat (blz 28) , waardoor kwantificering, het doel van die steekproeven, anders kun je beter kritische steekproeven nemen, niet mogelijk is. Dat was toch het doel van de zaligmakende bottom-up benadering (blz. 53)? AR: “Op basis van de steekproefresultaten kan de Belastingdienst een schatting maken van de nalevingstekorten”. Dat kan die dienst dus helemaal niet en dat wist de AR ook en toch schrijft de AR die nonsens op.

(c) MKB’ers, die kennelijk een potje maken van hun aangifte (blz 17), moet je natuurlijk beter achter de vodden zitten met gerichte boekencontroles. Met 1,7 miljoen (blz 28) MKB’ers, waarvan ca 1.476.000 zelfstandigen en dus 224.000 vpb’ers, en een bezoek met een frequentie van één keer in de vijf jaar betekent dat 340.000 boekenonderzoeken per jaar en niet slechts 37.100 (10,9%). (blz 28).

(d) En tot slot de vooraf ingevulde aangifte, die bij mij in 2015 voor het eerst werkte, daarvoor werden mijn meeste bankrekeningen vergeten omdat het systeem niet meer dan 10 bankrekeningen aankon. De met veel tam-tam in 2013 ingevoerde introductie van voorafingevulde aangifte zou er anno 2015 toch voor moeten zorgen dat de volgende uitdraai per belastingplichtige mogelijk was:

253_9

Zelfs met een download op mijn PC zou een dergelijk rapport en de analyse van de cijfers met interrogation software een eitje moeten zijn. De AR had dan in zijn rapport kunnen rapporteren hoe groot het gat tussen het totaal van de aangiftes 2015 en download is geweest. Uit het feit dat de AR dit niet rapporteert, moet ik concluderen dat dit nog niet kan. De IT-chaos bij de belastingdienst zal daarvoor nog wel te groot zijn. Uit het wollige taalgebruik kon ik dat echter niet opmaken.

Overigens was in 2013 nog 10% van de voorafingevulde aangiftes fout, hoe groot dat foutenpercentage nu is staat niet in het AR rapport.

De verlate banenmachine van Rutte II

_____________________________________________________________

252_0

In de periode 2008- 2016K3 nam het aantal werknemers en zelfstandigen in totaal met slechts 19.000 toe. In de periode 2014-2016K3 kwamen er in 2,75 jaar 254.000 banen bij.[2] Hiervan vinden 80.000 banen hun oorsprong in 2016. Het is goed om daarbij even naar de definitie van banen te kijken.[1] Die banen werden overigens ingevuld door 218.000 werkzame werknemers en zelfstandigen.[idem 1;3] In diezelfde periode verdwenen 86.000 werkzame personen in de zorg. Die banenmachine heeft voor de zorg dus veel meer weg van een banenshredder en als de regering Rutte II de credit neemt voor de toename van al die werkzame personen, dan is Rutte I/II ook verantwoordelijk voor de 157.000 arbeidsplaatsen die in de jaren 2012-2013 verdwenen.

Het aantal werklozen nam in 2016 t/m oktober met 154.000 af tot 526.000. In de periode 2012-2013 nam het aantal werkelozen met 235.000 toe. (ult. 2013 stand 709.000) Eind september 2008 was het aantal werkelozen slechts 332.000.

Door de verhoging van de AOW leeftijd moeten er eind 2025 540.000 65-67 jarigen aan het werk gehouden worden tot ze eindelijk een AOW-uitkering krijgen. Ook dat is door Rutte II in gang gezet. De echte beleidsmaatregelen om die ex-AOW’ers aan het werk te houden mag een volgend kabinet nemen.

_____________________________________________________________

§1Banenmachine naar SBI-code

De toename 1995-2016K3 van het aantal werkzame personen laat zich als volgt specificeren per SBI-code:

252_1

(1) In de periode 2008- 2016K3 nam het aantal werknemers en zelfstandigen in totaal met slechts 19.000 toe. Dat is het cijfer waar de politiek op moet worden afgerekend als ze claimen dat zij mede verantwoordelijk zijn voor de werkgelegenheid.

(2) Het aantal werkzamen bij de overheid nam in de periode 2013-2016K3 met 105.000 af, waarvan 86.000 mensen in de zorg. Die daling in de zorg zal niet veroorzaakt zijn door automatisering, robotisering of verlegging van de productie naar het buitenland.

(3) Zonder uitsplitsing van de uitzendbureaus naar industrie weet je niet waar die arbeid heengegaan is. De daling in de bouw lijkt mij, gezien de woningtekorten en de lage rente, eerder veroorzaakt door minister Blok.

Het totaal aantal werknemers en zelfstandigen laat zich als volgt specificeren per SBI-code

252_2

De uitspliting naar werknemer en zelfstandige is als volgt:

(Click op tabel of Ctrl+ om te vergroten)

252_3

§1 Beroepsbevolking, werkzame beroepsbevolking, werkelozen en niet werkzaam.

252_4

(1) De groep 15-25 jaar is buiten de totaaltelling gehouden.

(2) Pas in 2016 ging de werkeloosheid dalen met 89.000 personen.

(3) De participatiegraad steeg totaal met 1,9% vanaf 1.1.2013. Dat komt overeen met 134.000 personen.

Toename beroepsbevolking, al of niet werkzaam en werkelozen 25 -65 jaar

252_5

Toename beroepsbevolking, al of niet werkzaam en werkelozen 25 -45 jaar

252_6

Toename beroepsbevolking, al of niet werkzaam en werkelozen 25 -45 jaar

252_7

De ontwikkeling van het aantal werkelozen is als volgt:

252_8

(1) Het aantal werklozen nam in 2016 t/m oktober met 154.000 af tot 526.000. In de periode 2012-2013 nam het aantal werkelozen met 235.000 toe. (ult. 2013 stand 709.000) Eind september 2008 was het aantal werkelozen slechts 332.000.

25298

§2 Werknemers

252_200

252_201

§3 Zelfstandigen
252_300

252_301

De zelfstandigen laten zich volgens een ander Statline tabel als volgt uitsplitsen:

252_302

De grafische weergave is als volgt:

252_303

(1) In het jaar 2007 werd de Wet werken aan winst ingevoerd en mochten de andere belastingbetalers het onstane belastinggat aanvullen. [5]

§4 Gewerkte uren

Het is voorwaar een knappe prestatie dat het CBS in staat is het aantal gewerkte uren te verzamelen. [1;3]  Ik denk dat de pakjesbezorgers van TNTpost een hotline met het CBS hebben. Toch wil ik u de grafiekjes niet onthouden:

252_400

Het aantal gewerkte uren per werknemer bedroeg in 2015 1.348 uur en voor een zelfstandige 1.794 uur, voor wat die cijfers waard zijn.

Het verloop van het gemiddeld aantal uren is als volgt:

252_401

(1) Het gaat daarbij om de werkelijk gewerkte uren, verlof en ziekte tellen niet mee. De capaciteit per jaar is 262 dagen, trek daarvan minimaal 20 verlofdagen en 6 ziektedagen af en dan houden we derhalve 236 dagen over of 1.888 uur.

(2) Die gewerkte uren van een zelfstandige zullen vermoedelijk wel met een vork geschreven zijn.

_________________

Laatst bijgewerkt 3 december 2016

[1] Een publicatie die de samenhang tussen diverse statistieke geeft is de volgende:

CBS, “Werknemers en zelfstandigen: overeenkomsten en verschillen tussen CBS-cijfers”,  https://www.cbs.nl/-/media/imported/documents/2016/53/2016st01-werknemers-en-zelfstandigen.pdf

De cijfers laten zich alleen beoordelen met kennis van de definities:

Beroepsbevolking (12-uursgrens) – Personen:

♦ die twaalf uur of meer per week betaald werken (werkzame beroepsbevolking (12-uursgrens)), of

♦ die geen betaald werk hebben of voor minder dan twaalf uur per week, recent naar werk voor twaalf uur of meer per week hebben gezocht en daarvoor direct beschikbaar zijn (werkloze beroepsbevolking (12-uursgrens)).

{Vroeger zou je iemand met een 12-uursbaan (internationale definitie) een lantefanter genoemd hebben.}

Werkzame beroepsbevolking (12-uursgrens)

Personen die twaalf uur of meer per week betaald werken.

Werkloze beroepsbevolking (12-uursgrens)

Personen die geen betaald werk hebben of voor minder dan twaalf uur per week, recent naar werk voor twaalf uur of meer per week hebben gezocht en daarvoor direct beschikbaar zijn.

Werkzame personen

Alle personen die één of meerdere banen hebben als werknemer en/of zelfstandige bij een in Nederland gevestigde economische eenheid (een bedrijf, instelling of particulier huishouden).

Banen

Een expliciete of impliciete overeenkomst tussen een persoon en een in Nederland gevestigde economische eenheid (een bedrijf, instelling of particulier huishouden) om gedurende een bepaalde periode of tot nader order tegen beloning werk te verrichten. De niet-bezette arbeidsplaatsen (vacatures) tellen dus niet mee in het aantal banen. Naast banen van werknemers zijn er ook banen van zelfstandigen. De persoon valt dan (al dan niet met anderen) samen met het bedrijf. Een zelfstandige kan ook meerdere banen hebben, bijvoorbeeld als iemand een autorijschool heeft en daarnaast ook werkzaam is als vertaler.

Gewerkte uren

Het totale aantal uren dat werknemers en/of zelfstandigen gedurende de verslagperiode werkelijk hebben gewerkt. Niet-gewerkte uren wegens verlof of ziekte tellen dus niet mee.

[1] http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=80479ned&D1=0,3-4,7,10,15&D2=a&D3=0&D4=128,130-141,143-154,156-167,169-178&HDR=T&STB=G1,G2,G3&VW=T

[2] https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2016/46/250-duizend-banen-erbij-in-2-5-jaar

[3] http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=82575NED&D1=0%2c2%2c4&D2=a&D3=0&D4=a&HDR=T%2cG1%2cG2&STB=G3&VW=D

[4] http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=82309NED&D1=6-9&D2=0&D3=2-3,7-8&D4=0&D5=3,8,13,18,23,28,33,38,43,48,53,58,63,l&HDR=G1,T,G2,G3&STB=G4&VW=T

[5] W.P.M. Werts, “Fiscale ondernemersfaciliteiten beroven de Nederlandse schatkist” http://arno.uvt.nl/show.cgi?fid=120833

Belasting en premielast 2015 in % bbp

_____________________________________________________________________

In deze bijdrage gaan we nader in op de ontwikkeling van de belasting- en premiedruk zoals die door het CBS wordt gepresenteerd.[2]

Het CBS relateert die druk aan het bbp., maar gezien de ontwikkeling van het bbp sinds 2009 is het maar de vraag of deze maatstaf daar wel zo geschikt voor is.

Op grond van de CBS-Statline cijfers kunenen we concluderen dat het bbp en de belastingen en premies in de periode 1995-2015 beide met 3,7% stegen. De gepresenteerde grafieken spreken veelal voor zichzelf en ik zal er dus nauwelijks commentaar bij leveren.

____________________________________________________________________

1 inleiding

Volgens het CBS nam de belasting- en premiedruk de laatste jaren toe en kwam deze eind 2015 uit op 37,8% bbp. Dat percentage is gebaseerd op de Eurostat systematiek [1] op basis van de CBS-Statline cijfers zelf is dat percentage 37,3% bbp.[2]

De grafiek van het CBS op basis van Eurostat cijfers luidt als volgt:

251_1

De CBS-conclusie luidt:

“De belasting- en premiedruk neemt de laatste jaren toe en kwam in 2015 uit op 37,8 procent van het bbp. (CM: Statline 37,2%) Hoewel de lastendruk niet eerder deze eeuw zo hoog was, ligt deze nog altijd onder het niveau van midden jaren negentig.”  (CM: 1995: Eurostat 38,3%; Statline 37,3%)

De belasting- en premiedruk laat zich natuurlijk alleen goed meten aan de hand van de belastinggrondslag. Bovendien is er sinds 2008 nogal het een en ander met ons bbp gebeurd en dat zorgt erop zich al voor dat de ratio belastingen en premie t.o.v. het bbp mank gaat. [4] Bas Jacobs heeft er op gewezen dat de afname van de groei van het bbp in de periode 2011-2017 ongeveer 5,2% is geweest. Voor zover de belastingen en premies een dergelijk ontwikkeling niet hebben gevolgd zal dat invloed hebben op het belasting- en premiedruk cijfer en moet je dat effect natuurlijk afzonderlijk kwantificeren als je zo’n vergelijking al wil maken.

Het benaderde effect op de geringere stijging van het bbp is als volgt:

251_4

(1) De premielast volgt al jaren de ontwikkeling van het bbp niet meer. Ook de belastinglast geeft voor de jaren 2010 – 2014 een flinke dip.

(2) Het CBS stelt:

“Deze druk nam in 2015 voor het vierde opeenvolgende jaar toe en ligt ruim twee procentpunt hoger dan in 2009. In dat jaar was de lastendruk op het laagste punt in de periode 1995-2015.

Dat de druk in 2015 ruim twee punten hoger ligt dan in 2009 hoeft niet te verbazen.  Als we naar bovenstaande grafiek kijken zijn we een nogal ongewoon dipje in het bbp in 2009.

We kunnen er natuurlijk veel tekst aan wijden, we kunnen ook even een tabelletje geven voor het verloop in het jaar 2009:

251_7

(1) Als we de gegevens in bovenstaande tabel op ons in laten werken, kunnen we de logica, om het jaar 2009 als basisjaar te kiezen om de ontwikkeling van de belasting- en premiedruk t.o.v. 2015 te duiden, toch moeilijk volgen.

We halen we nog even een grafiek uit de kast die meer vertroebelt dan verduidelijkt, maar in elk geval laat zien dat elke relatie met het bbp niet al te zinvol is:

251_6

We kunnen het verloop voor de periode 2008-2015 nog uitvergroten:

251_18

Een vergelijking met het verloop van het bbp is dus as useful as an ashtray on a motorbike. We zullen de belastingdruk als percentage van het bbp verder laten rusten en gaan nog even nader in op enkele belastinggegevens uit Statline. [1b en 1c]

2 Presentatie cijfermateriaal

2.1. Totaal overzicht

We beginnen met een totaaloverzicht voor de periode 1995-2015. Hierbij is een periode-indeling gemaakt op basis van de vereenvoudiging van het belastingstelsel in 2001 en de bankencrisis in 2008:

(click op tabel of Ctrl+ om te vergroten of clicken en even uitprinten in landscape)

251_8

(1) Gegeven de vele wijzigingen in de periode 1995 t/m 2015 is een toelichting op de afwijkingen ondoenlijk. Zowel het ondernemingsinkomen als de vennootschapsbelasting kennen een achterwaartse en voorwaartse verliescompensatie, waarvan het regime vele malen gewijzigd is. [5]

(2) De inkomstenbelasting is veelal negatief door HRA en de pensioenaftrek derde pensioenpijler en fluctueert daarnaast sterk door het ondernemersinkomen.

251_12

(1) In 2007 is de MKB-winstvrijstelling ingevoerd. Naast de zelfstandigenaftrek en de startersaftrek onstond zo een fiscaal Walhalla t.o.v. de werknemer.

Het aandeel van de loonbelasting, inkomstenbelasting en vermogensbelasting in de totale belastingen is als volgt:

251_15

(1) We nemen de oude vermogensbelasting mee omdat de inkomstenbelasting incl. box 3 wordt vermeld. Het aandeel 2015 is dus praktisch gelijk aan het aandeel 1995.

2.2. Loon- en inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, dividendbelasting en vermogensbelasting.

251_9

(1) Vanaf 2001 is de box 3 belasting begrepen in de inkomstenbelasting. De vermogensbelasting voor 2001 is dus bij de rode lijn meegenomen.

(2) Het aandeel van de vennootschapsbelasting in de belastingopbrengst is als volgt:

251_14

2.3 Belasting BTW, accijns, milieu, motor- + BPM, onroerend zaak en overdracht.

251_10

Het aandeel BTW in de totale belasting is als volgt:

251_16

3.4 Bankenbelasting en verhuurdersheffing

251_11

(1) Deze twee belastingen vormden in 2015 met € 2,3 mld. of 1,5 % van de belastingopbrengst. (2014: € 2,7 mld.; 1,8%)

(2) Deze belastingen zijn een vorm van gelegenheidswetgeving. Voor de voorspelbare gevolgen van de verhuurdersheffing zie [5], voor de bezwaren tegen de bankenbelasting, een soort aflaatbrief, zie [6]. De buitenlandse bankenbelasting en de US expropriatie boetes zitten niet in deze cijfers.

3.5 Sociale premies en zorgverzekeringsfonds

251_13

In 2015 bestede de overheid €34,8 mld. aan het zorgverzekeringsfonds (36,1 % van de sociale premies). In 2009 was dat bedrag € 24,9 mld. ( 32,8 %). Het geld hoopt zich onnodig op in de verplichte reserves bij de zorgverzekeringsmaatschappijen omdat de facto sprake is van een omslagstelsel.

3.6 BPM en motorrijtuigenbelasting

251_17

3 Slotopmerkingen

(1) Belastingen moet je natuurlijk aan de belastinggrondslag relateren. Vervolgens moet je het traject dat voor het vaststellen van de belastinggrondslag ligt nader analyseren om te zien wat, gegeven de systematiek, buiten de heffing valt.  Doordat de CBS-statistieken nogal eens de belastinggrondslag volgen, valt die analyse nogal eens niet te maken. Het CBS krijgt overigens vaak onvoldoende middelen om de leemtes in de statistiek snel te dichten en wijzigen in de fiscale systematiek zorgt voor breuken in de datagegevens.

Ons belastingstelsel kent een aantal anomalieën, die niet geheel toevallig, hoofdzakelijk op het inkomen uit (bepaalde) vermogenscomponenten betrekking hebben:

(a) De behandeling van het eigen huis  en de pensioenpremie is zeer particularistisch. Het eigen huis wordt fors gesubsidieerd en de belasting op de pensioenpremie wordt vele jaren uitgesteld en later tegen een veelal lager tarief belast, terwijl het inkomen al wel in het bbp zit.  De huidige pensioenuitkeringen zijn geen inkomen maar betreffen het opnemen van geld uit de pensioenspaarpot. Het rendement op die pot zit niet in het inkomen van de burgers en de staat.

(b) Het inkomen uit ondernemingsvermogen en aanmerkelijk belang vermogen wordt bepaald met fiscale ficties die weinig uitstaande hebben met de economische realiteit.

(3) Ook het inkomen uit het box 3 deel van het vermogen is forfaitair. Voor de lage vermogens is dat forfait veel te hoog, voor de hogere vermogens hangt dat van de werkelijke beleggingsmix af. De indirecte beleggingsopbrengsten zijn niet in het inkomen begrepen. Belangrijke vermogenscomponenten vallen geheel of ten dele buiten de box 3 heffing.

Als een belastingdruk, in welke vorm dan ook, berekend wordt dient met deze anomalieën rekening te worden gehouden en in elk geval zou je kanttekeningen moeten plaatsen als je niet als his master’s voice wilt optreden.

___________

[1a] Eurostat – Government finance statistics

“De belasting- en premiedruk is de totale opbrengst van belastingen en sociale premies uitgedrukt als percentage van het bruto binnenlands product (bbp). Bij de sociale premies gaat het om premies wettelijke sociale verzekering. Hieronder worden ook de premies voor de verplichte basiszorgverzekering gerekend, maar niet die voor de aanvullende (vrijwillige) verzekeringen. Om de internationale vergelijking mogelijk te maken, is de belasting- en premiedruk gebaseerd op de cijfers van Eurostat. Door een andere berekeningswijze wijken deze cijfers licht af van de cijfers die CBS normaliter publiceert. De belasting- en premiedruk volgens de definitie van Eurostat ligt, afhankelijk van het jaar, tussen de 0,5 en 1 procentpunt hoger.”

Nu ken ik maar één bedrag voor belasting en sociale premie en wel al het geld dat op de bankrekening van de schatkist bij ING binnenkomt. Wij zullen ons dus tot de cijfers van CBS Statline beperken:

[1b] StatLine – Overheid; ontvangen belastingen

[1c] StatLine – Overheid; ontvangen sociale premies

Toelichting spreadsheet Statline:

“Deze tabel bevat gegevens over de ontvangsten van sociale premies door de sector socialezekerheidsfondsen. Dit is een subsector van de sector overheid. De gebruikte begrippen sluiten aan bij de Nationale rekeningen. De Nationale rekeningen zijn gebaseerd op de internationale definities van het Europees Systeem van Rekeningen (ESR 2010). Om de toegankelijkheid van de tabel te verhogen, worden in sommige gevallen gangbare omschrijvingen van inkomsten- en uitgavencategorieën gebruikt in plaats van de termen uit de Nationale rekeningen. De betreffende Nationale rekeningen-term wordt dan in de toelichting vermeld. De gepresenteerde gegevens sluiten aan bij de publicaties over de Nationale rekeningen.”

De gegevens zijn hier opgenomen om aansluiting te houden met de CBS publicatie [2]. De fondsen hebben deels een artificieel karakter door de wijze waarop heffingskorting en arbeidskorting in de statistieken worden verantwoord. Volgens mijn opvatting zijn die kortingen gewoon tax credits en feitelijk zijn de volksverzekeringen ook gewoon belastingen, zeker na het gesjoemel met de AOW.

[2] CBS, “Belasting- en premiedruk neemt toe”, https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2016/47/belasting-en-premiedruk-neemt-toe

[3] https://basjacobs.wordpress.com/2016/09/17/ing-heeft-gelijk-overheidsbeleid-in-de-periode-2011-2017-kostte-volgens-het-cpb-ongeveer-365-000-banen/

[4] Op basis van een regressie berekening is het verband tussen belasting- en premielast (y) en bbp (x)  als volgt: y = 3,47358+ 0,353845x. Als we de uitkomsten van deze vergelijking naast de werkelijke uitkomsten leggen dan krijgen we het volgende verloop van de residuwaarden in % bbp:

251_3

 [5] http://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/belastingdienst/zakelijk/winst/vennootschapsbelasting/verrekenen_van_verliezen/

http://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/belastingdienst/zakelijk/winst/inkomstenbelasting/inkomstenbelasting_voor_ondernemers/verlies_uit_onderneming

[5] https://www.woonbond.nl/nieuws/forse-kritiek-tijdens-hoorzitting-tweede-kamer-verhuurderheffing

[6] https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2016/03/23/bijlage-verslag-evaluatie-bankenbelasting/bijlage-verslag-evaluatie-bankenbelasting.pdf

J.A.G. van der Geld, “Bankenbelasting, de foute oplossing voor een echt probleem”, https://books.google.nl/books/about/Rijkers_bundel.html?id=EG9AoAEACAAJ&redir_esc=y

EU-bijdrage Nederland

_________________________________________________

De Nederlandse bruto-bijdrage aan de EU zal voor 2017 ca € 7.760 mln. (1,1 % bbp) bedragen. In 2015 bedroeg deze bruto-bijdrage € 7.409 mln. en ontvingen we € 2.359 mln. terug, zodat Nederland netto € 5.050 mln. betaalde.

Door de Brexit ontvangen de overige 27 EU-landen op basis van de 2017 cijfers netto ca € 10.520 mln. minder inkomsten. Het Nederlandse aandeel daarin zal op basis van constante arrangementen ca € 635 mln. bedragen.

_________________________________________________

§1 Inleiding

Het is al weer enige jaren geleden dat we hier voor het laatst de EU-bijdrage van de grote EU-landen onder de loep namen. Door de op handen zijnde Brexit wordt het echter tijd om er nu verder op in te gaan. De ervaring toen nodigde niet echt uit om de cijfers uit de krochten van de EU-verantwoording, opgesteld door juristen en stoffige boekhouders, te peuren zodat ik actualisatie zo lang mogelijk heb uitgesteld.[1] Gelukkig kunnen we ook gebruik maken van de site van de Rekenkamer die wel overzichtelijke cijfers voor de jaren 2005 – 2014 verstrekt.[2]

Je zou verwachten dat in de Miljoenenenota uitgebreid aandacht zal worden besteed aan het effect op de netto EU-baten en EU-lasten. Onze EU-bijdrage is tenslotte hoger dan de rentelast op onze niet bestaande overheidsschuld. Helaas mag de burger dit zelf uitzoeken.

§2 Het cijfermateriaal

De begroting van inkomsten van de EU  voor 2017 kan als volgt worden samengevat:

Tabel 1 Begroting 2017 – ontvangsten

(click op tabel of CTRL+ om te vergroten)

250_1

(1) Als we Nederland als voorbeeld nemen dan is de bijdrage 1% van het bruto nationaal inkomen. Dat percentage valt relatief hoog uit doordat we 12% van de douanerechten voor onze rekening nemen. We doen daarentegen maar voor 1,4% mee aan de bijdrage voor de UK-korting van € 4.859 mln. Voor de boete van € 1.000 mln. zie aanvullend budget [1e].

(2) Bij de douanerechten moet de functie van Rotterdam als Europoort in aanmerking worden genomen. De bijdrage, inclusief en exclusief douanerechten, in percentage van het BNI kan als volgt worden weergeven:

Grafiek 1 Bijdragen EU geselecteerde landen in % BNI incl. en excl. douanerechten

250_2

Als we daarnaast de begroting 2016 en de werkelijke cijfers voor 2015 meenemen dan krijgen we onderstaande tabel:

Tabel 2 EU-bijdragen begroting 2016 en 2017 met actueel 2015

250_3

De rekenkamer verstrekt op zijn site de volgende gegevens voor 2005 – 2014 [2]:

Tabel 4 EU-bijdragen en EU-ontvangsten Nederland 2005 -2014

(click op tabel of CTRL+ om te vergroten)

250_4

Uit de tabel kunnen we de volgende grafiek destilleren voor de nettobetalers en de netto-ontvangers:

250_5

Als we voor de betalers de nettobijdrage in % BNI met het aandeel in de totale bijdrage van de netto betalers vergelijken onstaat de volgende grafiek:

250_6

(1) Van de nettobetalers neemt Duitsland 32,1% van het totaal voor zijn rekening, terwijl het aandeel in het bbp_2017 21,4% bedraagt.

In tabelvorm kan het aandeel van de nettobetalers en netto-ontvangers als volgt worden weergegeven:

250_8

(1) De vragen over de landen in het rechterlijstje kunt u zelf formuleren. Voor het gemak heb ik er twee geel gemarkeerd.

(2) Overigens moet je hierbij ook nog rekening houden met de schaduweconomie in met name de knoflooklanden als je bedragen aan het officiële BNI wilt relateren.

(3) Voor de drie grootste landen en Nederland kan de ratio kosten/bijdragen voor de jaren 2005-2015 als volgt worden weergegeven:

250_9

(1) Nederland

(a) Voor 2014 is het rekenkamer cijfer aangehouden [2], hoewel de EU-tool [1d] voor Nederland in 2014 als bijdrage € 6.391 geeft.

(b) De herrekening van het bbp (ca 6% hoger) vanaf 1995 heeft, zoals de regering en CPB tijdig hadden kunnen weten, ook invloed gehad op de EU-bijdrage.

(c) We vermelden elke keer braaf dat Nederland door de Europortfunctie van Rotterdam relatief veel invoerrechten heft. De vraag blijft natuurlijk wel hoeveel invoerrechten Nederland zelf zou kunnen heffen als het geen lid van de EEG was. Dat is het relevante bedrag dat je moet meenemen om de Nederlandse bijdrage te normaliseren.

Een vraag is ook in welke mate Nederland verdient aan die 25% invoerrechten (2017 € 799 mln.). die het mag houden, als je de infrastucturele kosten meerekend.

(d) Ik vermoed dat de Nederlandse diplomaten die de Stabiliteitspact onderhandelingen doen ook over de Nederlandse EU-bijdrage onderhandelingen gaan.

(2) Met de Brexit-onderhandelingen kunnen we misschien de EU-bijdragen ook weer eens onder handen worden genomen. In Frankrijk komen de fascisten toch al bijna aan de macht en we hoeven die regering dus niet langer de hand boven het hoofd te houden.

§3 Brexit en EU-bijdragen

De gevolgen van de Brexit voor het inkomens- en uitgavenpatroon laat zich als volgt benaderen:

(click op tabel of CTRL+ om te vergroten)

250_7

(1) Globaal gaat het dus om een potentiële verhoging van € 635 mld. bij een ongewijzigd uitgavebeleid. De extra kosten door het Brexit en de kosten van de vertraging van de Europese integratie heb ik dan niet meegerekend. Hoeveel de UK moet gaan betalen om een vorm van toegang tot de EU te houden is ook niet duidelijk.

(2) De uitgaven UK 2017 zijn gesteld op het aandeel in de uitgaven in 2015 van 5,1%.

(3) De NOS noemde een veel geciteerd bedrag van € 750 mln. als gat in de bijdragen.[3] :

“Uiteindelijk kan de rekening zelfs nog hoger uitpakken. Er ontstaat niet alleen een gat in de Europese begroting na een brexit, zegt Matthijs (CM: Gentse hoogleraar Herman Matthijs).De Britten dragen ook bij aan het Europees ontwikkelingsfonds en de Europese investeringsbank. De Bank of England heeft ook nog zo’n 13 procent van de aandelen van de ECB. Die bedragen staan niet in de Europese begroting, maar vallen wel weg.” [3]

{Een deel van die investeringen geven natuurlijk ook rendement. }

[4] Er wordt weer ontzettend stoer gedaan in de Tweede Kamer, Griekenland revisited, maar ik heb nog niet gehoord waarop die Tweede Kamerleden gaan bezuinigen [4]:

De VVD denkt niet dat Nederland daadwerkelijk dieper in de buidel moet tasten. De partij wijst erop dat Groot-Brittannië wel toegang wil houden tot de markt in Europa. Daarvoor zal het land een bijdrage moeten leveren, net zoals Noorwegen en Zwitserland nu al doen. Als er dan nog een tekort overblijft moet de EU maar gaan bezuinigen, vindt de VVD.

D66-Kamerlid Kees Verhoeven: ,,Een kleinere EU betekent een kleiner budget. Dat zou nooit mogen betekenen dat andere lidstaten ineens meer gaan betalen.”

Kamerlid Marit Maij (PvdA) is duidelijk: ,,Wij gaan de rekening niet betalen.”

[5]  Noorwegen en Zwitserland maken deel uit van de Europese Economische Ruimte (EER). [5] De bijdrage aan de EER voor Noorwegen bedraagt € 391 mln., als je de EU-projectkosten meeneemt € 869 mln. (0,25% bbp_2015) [6] Zwitserland draagt bij aan een groot aantal projecten, een helder beeld van de jaarkosten heb ik niet boven tafel kunnen krijgen. [7]

[6] Ons CPB kwam niet verder dan:

“De EU verliest een nettobetaler aan de EU-begroting, wat opgevuld moet worden door iets hogere bijdragen van andere staten of minder uitgaven. De EU verliest ook een voorstander van strakke begrotingsregels.” [8]

Zoals we zagen ging het in 2017 voor de 27 resterende landen om netto € 10,5 mld.

_____________

Laatst bijgewerkt 22 november 2016

[1a] http://ec.europa.eu/budget/biblio/documents/index_en.cfm

[1b] http://ec.europa.eu/budget/library/biblio/documents/2014/Internet%20tables%202000-2014.xls

[1c] http://ec.europa.eu/budget/library/biblio/documents/2015/internet-tables-2000-2015.xls

[1d] http://ec.europa.eu/budget/figures/interactive/index_en.cfm

[1e] http://eur-lex.europa.eu/budget/data/LR/2017/nl/LR01.pdf

[2] http://www.eu-verantwoording.nl/lidstaten, click op datatabellen.

[3] http://nos.nl/artikel/2129415-brexit-dreigt-nederland-750-miljoen-euro-extra-eu-bijdrage-te-kosten.html

[4] http://www.destentor.nl/algemeen/binnenland/kamer-geen-extra-geld-naar-eu-na-brexit-1.6329455

[5] http://www.europarl.europa.eu/atyourservice/nl/displayFtu.html?ftuId=FTU_6.5.3.html

[6] http://www.eu-norway.org/eu/Financial-contribution/#.WDQa8_krKUm

[7] http://europa.eu/rapid/press-release_IP-06-234_en.htm

https://www.erweiterungsbeitrag.admin.ch/erweiterungsbeitrag/en/home.htm

[8] https://www.cpb.nl/sites/default/files/omnidownload/CPB-Policy-Brief-2016-07-Nederlandse-kosten-Brexit-door-minder-handel.pdf

Calculatieschema hypotheekrenteaftrek 2017

________________________________________________

Traditiegetrouw geven we in deze bijdrage weer een geactualiseerd calculatieschema om het totale voordeel van het HRA-infuus uit te rekenen.

Recent heeft het CPB een pleidooi gehouden om zelfs een subsidie te introduceren in het vrije huursegment. [4] Het is alleen niet duidelijk wie die vrijstelling van de verhuurdersheffing in zijn zak gaat steken en we komen natuurlijk met dat voorstel van de regen in de drup door nog meer verworven rechten te creëren. We vergelijken de netto woonlasten eigen woning met een schatting van de “markconforme” huur.

Het calculatieschema voor de groep met een belastingtarief van 40,4% en een vermogensrendementsheffing van 2,9%/4,69% wordt in deze bijdrage verstrekt, waarbij ervan wordt uitgegaan dat de vrijstelling VRH al benut is.  Ook laten we zien hoe de top-inkomens en vermogens extra profiteren nu het toprendement in de VRH verhoogt is naar 5,5%.

De subsidie van een woning van € 250.000 bedraagt totaal tegen contante waarde ca € 72.123 of 28,8% van de koopprijs. Gaan we naar het topsegment dan komen we op 35,4% van de koopprijs. Hiervan heeft een substantieel deel van respectievelijk 67% en 73% betrekking op de vaak vergeten subsidie vrijstelling VRH, als we even van het EWF afzien. Gaan we uit van een realistischer VRH tarief van 3,2% voor de woning dan is de totale subsidie in beide gevallen gelijk aan ca 25% van de koopprijs.

Eind 2046 heeft de eigenwoningbezitter in onze casus € 589.388 gespaard. De vergelijkbare huur is dan € 21.457, toch een aardig waardevast aanvullend netto pensioen zonder DNB FTK-gezijk. Dat gaat er dan wel vanuit dat de Wet Hillen blijft bestaan, hetgeen zeer de vraag is. Ook gaat daar dan nog wel de jaarlijkse onderhoudskosten, die tegen die tijd wel ca. € 6.200 zullen bedragen vanaf.

Het wordt hoog tijd om in een studie de woonsubsidies eens integraal in kaart te brengen inclusief de effecten van marktverstoringen (bouwvergunningen, grondprijzen, rente banken, prijsopdrijving e.d.). Om ze vervolgens m.u.z. van de echt sociale woningbouw met de grootst mogelijk spoed af te breken en in de vorm van een belastingverlaging aan de burgers door te geven. Gezien het clientèlisme van de meeste middenpartijen hoeft u hier echter voorlopig niets van te verwachten: het HRA-infuus is immers een uitstekende klantenbinder.

Als de European Systemic Risk Board er op wijst er dat de schulden van huishoudens in Nederland tot de hoogste van Europa behoren dan zou toch minimaal de contante waarde van die woonsubsidies in mindering moeten worden gebracht op die schuld. De ESRB zou ook eens naar de pensioenpot kunnen kijken. Voorzover die oudjes nog een schuld hebben, kan die mooi daaruit worden afgelost en voor de jongeren geldt dat de contante waarde van de erfenis ook helpt.

________________________________________________

§1 De casus

De gegevens voor onze casus kunnen als volgt worden samengevat:

249_1

(1) De hypotheekrente is op basis van een 30-jarige 3,2% annuïteitenlening.

(2) De huur is bepaald op basis van schatting marktconforme jaarhuur (h), die volgens het CPB in het WOZ-waarde interval € 77.000 – € 644.000 als volgt kan worden bepaald h = 6.126 + 1,9% WOZ-waarde. [2] Door de constante € 6.126 met de inflatie op te hogen en uit te gaan van een WOZ-waardestijging van 1,9% inflatie plus 1% reële waardestijging kunnen we dan de huurontwikkeling in de vrije sector uiterst globaal inschatten over de looptijd van de hypotheek. [zie 2]. De huur stijgt volgens deze methodiek dan meetkundig met 2,4% per jaar in de periode 2017-2046, voor wat die cijfers waard zijn.

(3) Door de VRH-wijziging per 1/1 2017 hebben we te maken met een oplopend VRH-tarief. De huurder betaalt wel VRH over elke gespaarde euro en de vrijstelling van de eigen woning van VRH is dus als een forse subsidie aan te merken voor de componenten aflossing, inflatie (1,9%) en de reële waardestijging (1%).  Eind 2046 heeft de eigenwoningbezitter € 589.388 gespaard.

(4) De vergelijkbare huur is dan € 21.457, toch een aardig netto waardevast aanvullend pensioen zonder DNB FTK-gezijk, waarbij je natuurlijk nog wel rekening moet houden met het onderhoud (2046 ca € 6.200).

(5) Als we willen zien hoeveel subsidie er door het HRA-infuus vloeit moeten we de subsidiestromen contant maken. Als we dan de contante waarde van de subsidies afzetten tegen de aankoopwaarde van de eigen woning kunnen we zien wat de omvang van die subsidies is.

§1 De uitwerking

Het resultaat uit ons calculatiemodel kan als volgt worden weergegeven [3]:

249_2

(1) De rentesubsidie bedraagt 16,8% van de koopprijs en de gedeeltelijke vrijstelling van vermogenswinsten geeft nog eens een subsidie van 12,1 % van de koopprijs. In totaal is de subsidie dus 28,8% van de koopprijs. De 19,5% vrijstelling VRH wordt vaak “vergeten” als men het over de subsidies eigenwoning heeft.

(2) Nominaal belastbaar VRH is teruggerekend aan de hand van het tarief (30%) uit belastbaar inkomen.

(3) De VRH op basis van 2,91/4,67% is in feite natuurlijk niet reëel en zou eerde in de buurt van de hypotheekrente 3,2% moeten liggen voor de eigen woning. Voor het effect zie §2.

We kunnen het nominale verloop van de woonlasten als volgt weergeven:

249_4

(1) Het onderhoud van de woning is gesteld op € 3.600 per jaar conform Vereniging Eigenhuis geïndexeerd voor inflatie.

(2) Het verschil tussen huur en koop is dus niet zo eenvoudig te overbruggen als het CPB voorstelt. [4]

§2 Hoog inkomen en vermogen

Dankzij de wijziging van de VRH rendementstarieven neemt de subsidie door VRH vrijstelling substantieel toe zoals het volgende rekenvoorbeeld laat zien:

249_10

De uitkomst is dan als volgt:

249_11

(1) Bij het veel hogere EWF is aangenomen dat de topgrens van € 1.080.000 (2017) met 2,9% per jaar wordt geïndexeerd. Door het veel hogere EWF is de uitkomst in box 1 in percentage van de koopprijs praktisch gelijk.

(2) Het effect van de hogere VRH-tariefvrijstelling verklaart dus grotendeels het verschil van 6,6 % van de koopprijs met de casusuitwerking in §2.

(3) Nu is Wiebes’ aanname van een 5,5% forfaitaire vermogenswinst natuurlijk voor de eigen woning bovenmatig, een bijtelling ter hoogte van 3,2% van de WOZ-waarde, de hypotheekrente, ligt meer voor de hand. Het totale CW-voordeel komt dan op:

249_14

Een gelijke redenering gaat natuurlijk voor de casus in §2 op, die dan als volgt kan worden weergegeven:

249_15

We kunnen voor dit voorbeeld dus concluderen dat het 52% box 1 tarief grotendeels gecompenseerd wordt door het veel hogere EWF en dat het reëlere voordeel afgerond 25% van de koopprijs bedraagt.

________________

Laatst bijgewerkt 17 november 2016

[1] Diverse gegevens:

[1a] Tarief VRH

249_0

Noch de samenstelling van het vermogen noch de rendementspercentages hebben iets uitstaande met de werkelijkheid.

[1b] Box 1 tarief.

Naar ik aanneem verloopt het tarief als volgt:

249_01

Zo niet dan is 2037 nog zeer ver weg en er kan er dus van alles gebeuren.

[1c] EWF:

249_02

http://financieel.infonu.nl/belasting/176603-eigenwoningforfait-2017.html

[2a] CPB, “Schatting marktconforme huur”, https://www.cpb.nl/publicatie/schatting-marktconforme-huur

Het CPB komt dan fragwürdig op € 6.126 + 1,9% WOZ-waarde. (blz. 5)

Uiteraard is hier sprake van een benadering. Uit het rapport Companen 2015: gemiddelde WOZ-waarde 2015 voor institutionele beleggers € 198.000; huur € 11.400. p.j. Hantering van CPB-formule geeft echter: € 6.126 + € 3.762 of slechts € 9.888 p.j., een lagere huur van € 1.512 of 15%.

bron:

http://www.woningwet2015.nl/sites/www.woningwet2015.nl/files/documenten/rapportage-analyse-huurbeleid-verhuurders-2015-definitief.pdf ,blz. 8.

Niet uit te sluiten is dat die institutionele beleggers iets beter kunnen rekenen dan het CPB, er moet tenslotte ook nog winst gemaakt worden. Onderstaande grafiek uit het ING/Nyenrode rapport maakt dat ook aannemelijk:

249_12

http://ingrealestate.com/media/1511734/het-financieringsbeleid-nl-part-vastgoedbeleggers-2015_online.pdf

Ook de 2016K2 cijfers van het Achmea Dutch Residential Fund maken het CPB model niet aannemelijk:

249_13

http://www.achmeavastgoed.nl/Documents/factsheets-en/2016/Q2/EN%202016.Q2%20Factsheets%20Q2%202016%20Achmea%20Dutch%20Residential%20Property%20Fund.pdf

[3] Rekenmodel

(click op tabel of CTRL+ om te vergroten)

249_3

[4]https://www.cpb.nl/publicatie/de-positie-van-de-middeninkomens-op-de-woningmarkt

Vermogen Quote 500 vs CBS huishoudvermogen

_________________________________________________

In deze bijdrage behandelen we de nieuwe Quote 500 en hun aandeel in het CBS huishoudvermogens. Daarbij kijken we voornamelijk naar de 10% en 0,1% topvermogens.

Voor 2016 bedraagt het Quote 500 vermogen € 91,9 mld. een stijging van € 8,6 mld. t.o.v. 2015 (10,3%) net iets boven het niveau in 2003 (€ 90,3 mld.)

Eind 2013 (meest recent) had het 10e vermogensdeciel € 754,3 mld. aan huishoudvermogen volgens het CBS. Voor 2012 was dat € 723,9 mld,, waarvan het o,1% aandeel vermogen € 110,1 mld. bedroeg voor 7.458 huishoudens. Het Quote 500 cijfer voor dat jaar was € 106,6 mld. Ten overvloede dat is voor 500 huishoudens, die overige 7.958 huishoudens moeten dus op een houtje bijten.

_________________________________________________

§1 Quote 500

Het verloop van het Quote 500 vermogen voor de periode 1997_2016 kan als volgt grafisch worden weergegeven:

248_1

(1) Over het verloop valt op basis van de Quote publicatie eigenlijk niets zinnigs te vertellen. In de periode 1997-2016 steeg het totale vermogen met 5,1% per jaar dat is 170% van de stijging van de msci world index in de vergelijkbare periode.

(2) De rode lijn geeft het huishoudvermogen van 0,1% van de huishoudens. Dat vermogen is voor de jaren 2010-2012 als volgt samengesteld [1a;1b]:

248_2

(1) In de tabel is zowel het vermogen van de Quote 500 als het topvermogen van 0,1% van de huishoudens vermeld. Dat laatste aantal huishoudens minus 500 moet de rest van het vermogen delen. Het zal duidelijk zijn dat deze uitkomst volstrekt onzinnig is. Dat kan liggen aan de Quote cijfers maar ligt in elk geval aan de CBS cijfers dat de topvermogen systematisch te laag voorstelt.

Voor de makke aan de CBS vermogensstatistiek verwijs ik naar de bijdrage Vermogens huishoudens 31-12-2013. Daarbij spelen in de eerste plaats de waardering van het aanmerkelijk belang vermogen en het ondernemingsvermogen een belangrijke rol naast het pensioenvermogen en de kapitaalverzekeringen.

Het vermogen in  Quote is als volgt bepaald:

“De Quote 500 reconstrueert het bezit van de rijksten via de gegevens die zijn vastgelegd door het kadaster, de Kamers van Koophandel, jaarverslagen, zijn vastgesteld via aandelenkoersen en prijzen van onroerend goed, of zijn verschaft via vragenlijsten, soms door de vermogensbezitter zelf. Deze gegevens bieden een mogelijkheid om de overzichtsstatistieken, waarin de zeer vermogenden afwezig of sterk ondervertegenwoordigd zijn, aan te vullen.” [2]

De stand is per 1 augustus 2016. Kunst, boten en vliegtuigen tellen wel mee.  “Sinds twee jaar zijn we (Quote) overgestapt op gezond verstand.”, geeft te denken. Voor multipliers, bronnen e.d. moet u de Quote zelf maar raadplegen. { Die jongens moeten tenslotte aan die monnikenklus ook nog wat geld verdienen }

Welk deel van het pensioenvermogen (€ 1.700 mld.) aan de Quote 500 moet worden toegerekend is onbekend. In elk geval weten we recent van Wiebes dat met pensioenen in eigen beheer in 2009 (sic) een bedrag van bruto € 31 mld. was gemoeid. [3] Dit is een uiterst gedateerd gegeven, maar staatssecretaris had niets beters in de aanbieding. [3]

Het cumulatieve aandeel in het Quote 500 vermogen 2016 van de top 150 vermogens is als volgt:

248_3

(1) De top 150 Quote-vermogens nemen dus 70,7% van het quote 500 vermogen voor hun rekening. Van de Quote 1000 vermogens is dat aandeel 60%.  De top 53 nemen 50,2% van het hele Quote 500 vermogen voor hun rekening en 42 % van de Quote 1000.

§2 CBS topvermogens

De gegevens van de top 10% vermogens kunnen als volgt worden samengevat [1c]:

(click op tabel of Ctrl+ om te vergroten)

248_4

We kunnen ook uitgaan van de vermogtens van de miljonairs dat als volgt is samengesteld [1c]:

248_4a

(1) Het verschil tussen de echte rijken en het plebs dat ook enkele miljoenen heeft wordt hiermee direct duidelijk. De impact van ondernemingsvermogen en vooral aanmerkelijk belang vermogen ook.

Tot slot kunnen we het nut van de CBS statistiek, als de Quote 500 cijfers naar enigszins in de buurt van de werkelijkheid komen helemaal belachelijk maken door van de 0,1% topvermogensstatistiek uit te gaan [1b]:

248_4b

Het gaat qua aantallen voor het top 75e – 100e percentiel om ca 1.851 – 1.870 huishoudens. De totaalcijfers in de tabel in §1 (2) uit Statline wijken licht af omdat zij iets actueler zijn en deze cijfers als maatwerk afzonderlijk door het CBS zijn verstrekt.

Verder verwijs ik naar de bijdrage Vermogens huishoudens 31-12-2013 (“2014”) voor een uitgebreidere behandeling. Als de vermogenscijfers voor 31-12-2014 (“2015”) gepubliceerd worden zal die bijdrage worden geactualiseerd. De presentatie van Caminada is zeer informatief als achtergrondinformatie, hoewel te veel waarde wordt toegekend aan de uiterst gebrekkige statistiekgegevens. [4]

________________

Laatst bijgewerkt 7 november 2016 (vervangt de 2015 versie)

[1a] Quote 500. twintigste editie.

[1b] CBS, https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2015/04/vermogen-van-particuliere-huishoudens-per-1-procentgroep-van-het-vermogen-per-1-januari-2006-2013-

[1c] http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=80056NED&D1=0,2-7&D2=l&D3=0-15&D4=a&HDR=G1,T&STB=G2,G3&VW=T

[1d] https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2015/04/vermogen-van-particuliere-huishoudens-per-1-procentgroep-van-het-vermogen-per-1-januari-2006-2013-

[2] Bas Van Bavel , “vermogensongelijkheid in Nederland de vergeten dimensie” http://www.wrr.nl/fileadmin/nl/publicaties/PDF-verkenningen/V28_Hoe_ongelijk_is_NL_hfdst04.pdf

[3] https://www.rijksoverheid.nl/regering/inhoud/bewindspersonen/eric-wiebes/documenten/brieven/2016/10/25/nota-naar-aanleiding-van-het-verslag

“Berekeningen met betrekking tot het PEB (pensioen in eigen beheer) zijn gebaseerd op gegevens over 2009 omdat met ingang van 2010 de gegevens over PEB niet meer als zelfstandige post op de aangifte staan. Meer recente gegevens zijn dan ook niet beschikbaar.”

Daar is dus weer goed over nagedacht in innige samenwerking van de belastingdienst met het CBS.

[4] http://media.leidenuniv.nl/legacy/1-inkomens-en-vermogensverdeling.pdf