Skip to content

CPB koopkrachtplaatjes nieuw

___________________________________________________________________________________________________________________________________________

Het CPB heeft de presentatie per inkomensniveau van de koopkrachtramingen aangepast. Omdat deze plaatjes altijd een belangrijke rol spelen bij de verkiezingen hebben we ons voor zover dat met de gebrekkige toelichting mogelijk is, eens nader bekeken. Die plaatjes zijn altijd ex ante statisch, naar de ex post werkelijke uitkomsten mogen we altijd raden. Gezien de gebrekkige en uiterst gedateerde (2014) inkomensstatistieken is dat ook nauwelijks mogelijk. In welke mate die koopkrachtramingen de werkelijkheid afdekken is dan ook een goed bewaard geheim. Bovendien komen die werkelijke gegevens vele jaren later en dan kijkt niemand daar meer naar.

Het nut van de statische koopkrachtraming is gezien de dynamiek op de arbeidsmarkt zeer fragwürdig. Daarnaast geeft de bruto-netto excercitie een incompleet beeld.

___________________________________________________________________________________________________________________________________________

§1 Koopkrachtplaatje

De uitkomsten voor 2018 en 2019, waarbij de nieuwigheid met name zit in de indeling van het inkomensniveau in vijf kwintielen en de zgn. boxplottabel.

We beginnen met een wat inzichtelijkere samenvatting van de uitkomsten [1]:

(click op tabel of Ctrl+ om te vergroten)

Toelichting:

(a) Het gaat om de statische koopkracht, die houdt geen rekening met overgangen zoals promotie, baanverlies, samenwonen, scheiden en gezinsuitbreiding. Ook wordt voor werkenden met het toekennen/intrekken van bonussen geen rekening gehouden. Periodieken vallen ook buiten de boot. Voor de bandbreedte t.o.v. de mediaan raadplege men de grafiek in [1] Tussen 2004 en 2012 is het
verschil tussen statisch en dynamisch gemiddeld 0,7% per jaar volgens onderstaande grafiek [3b, blz 6-7]:

In het licht van de cijfers in bovenstaande tabel en grafiek is dat verschil in normale jaren zo materieel dat die statische koopkrachtraming nutteloos wordt. Dit geldt te meer daar jaarlijks een flink deel van de beroepsbevolking van baan of zelfs beroep wisselt. “In 2017 waren er 937 duizend mensen tussen 15 en 75 jaar met een ander beroep dan het jaar ervoor.” [4]. Gegeven het toenemende belang van het aantal (schijn-) zzp’ers kunnen grote vraagtekens gezet worden bij de relevantie van de statische koopkracht.

(b) Het is goed om eerst kennis te nemen van de CPB aanpak om de koopkracht te bepalen [2;3]

(c) Inkomensniveau – het gaat hierbij om het inkomen uit arbeid of uitkering op huishoudniveau volgens de toelichting.[1] Volgens (a) gaat het om aanzienlijk meer inkomensbronnen. Voor het aanvechtbare bruto-inkomensbegrip zoals dat door het CBS wordt gehanteerd zie de bijdrage – Besteedbaar inkomen 2014. Die gebreken zitten dus ook in de startpositie van het CPB-panel en maken dat het beeld voor met name inkomen uit vermogen onvolledig is.

(d) Bij de inkomensbron gaat het op basis van de hoogste inkomensbron op huishoudniveau, waarbij een huishouden waarvan hoofd of partner winstinkomen heeft bij werkenden wordt ingedeeld. Huishoudens met vroegpensioen  of studiefinanciering als hoogste inkomensbron zijn uitgezonderd.  Dit wijkt af van (b) ook de toerekening van alle componenten in (a) is onduidelijk.

(e) Het CPB gaat de inkomensniveau in het vervolg in kwintielen indelen zodat de ontwikkeling van de top 10% aan het oog wordt onttrokken. Dit heeft met name het voordeel dat de eerste oude groep met een 38% aandeel, een allegaartje, wordt opgesplitst. Niet dat het voor de koopkrachtplaatjes veel uitmaakt: het werkelijke inkomen uit onderneming en het aanmerkelijk belang inkomen is in Nederland toch een goed bewaard geheim, waarvoor je beter bij de Quote 500 te rade kan gaan. Aan het inkomen uit vermogen is ook al een steekje los.

(f) De indeling naar gezinssamenstelling is op basis aanwezigheid kinderen < 18 jaar en exclusief huishoudens van gepensioneerden.

(g) De pensioenuitkeringen, materieel de opname van bruto spaargeld, wordt in de koopkrachtplaatjes tot het inkomen gerekend. De pensioenpremie (jaarlijks ca € 45 mld. dat eigenlijk bruto-inkomen is) zal wel in het kader van het bruto-netto traject verdwijnen, hoewel dat uit de beschijving niet duidelijk is.[2] Het fluctuerende forse rendement op het netto pensioenvermogen (65%) van de deelnemers komt helemaal niet tot uidrukking en is natuurlijjk ook geen besteedbaar inkomen of dat voor de arbeidsinkomensquote wel het geval is, is ook niet duidelijk.

(h) De collectieve lasten (2018 38,7%) geven door de omkeerregel pensioenen ook een vertekend beeld. De belastingclaim op de toename van het pensioenvermogen moet immers in de belastingdruk worden meegenomen. In werkelijkheid is de belastingdruk dus hoger, in een bijzonder jaar (2014) met een toename van het pensioenvermogen van € 233 mld. veel hoger!

(I) Paragraaf 3.5 van de CPB publicatie MIMOSI: Microsimulatiemodel voor belastingen, sociale zekerheid, loonkosten en koopkracht somt een aantal beperkingen in het koopkrachtplaatje op, te veel om hier even op te sommen. [3c]

[j] Huishoudens die van de lucht leven (2%) worden niet meegenomen. [3c, blz. 23]

Het beeld dat het koopkrachtplaatje geeft is dus beperkt en geeft niet weer hoe de huishoudens in 2018 en 2019 zullen boeren. De meeste huishoudens maken een aardig rendement op hun pensioenvermogen waarvan voor de gepensioneerden dankzij het vermaledijde FTK nauwelijk iets in de koopkracht tot uitdrukking komt. Voor de huishoudens met enig vermogen zijn ook de indirecte beleggingsopbrengsten niet te versmaden. De financiën rond het eigen huis spelen voor veel huishoudens een belangrijke rol en die rol is per huishouden substantieel verschillend.

Als een huishouden echt wil weten wat de koopkrachtontwikkeling voor 2018 is kan men beter bij het Nibud te rade gaan. [5] Of nog beter maak een eigen opstelling in een spreadsheetje, ook goed voor de budgetering, en maak voor de lastige bruto-netto berekening gebruik van [6] en voor de toeslagen zo nodig van [7]. Helaas laat de tijdigheid van die toeslagencalculator nogal te wensen over, maar dat bent u van de overheid gewend.

§2 De uitkeringen in het koopkrachtplaatje

In Nederland kennen we een scala aan uitkeringen en sociale voorzieningen. Ook de ontwikkeling van deze uitkeringen zal het CPB in zijn koopkrachtplaatjes moeten meenemen. De complexiteit van een dergelijke excercitie wordt direct duidelijk als we de omvang van deze uitkeringen even in kaart brengen:

(a) Naast een overzicht van de uitkeringen zou ik een vergelijkbaar overzicht van alle belastingsubsidieregelingen kunnen opstellen. Men raadplege daarvoor de miljoenennota 2018. [8] Het is voor mij een raadsel hoe het CPB dat enigzins betrouwbaar kan toerekenen aan  hun 100.000 individuele huishoudens van het panel.

(b) Het afstrepen welke posten wel en niet meelopen in het CPB-koopkrachtplaatje is niet goed mogelijk: we weten van de zorgkosten, eventuele toeslagen, kinderbijslag en de kosten voor kinderopvang. [2] Voor het eigen risico in de zorgverzekering wordt b.v. met gemiddelden gewerkt. [3c, blz. 23] Voor de lagere inkomens zal dat eigen risico, zeker op latere leeftijd, ongetwijfeld gemiddeld hoger uitvallen. Dit is slechts een voorbeeld van wat er zo al onder de motorkap van het CPB-koopkrachtplaatje schuil gaat.

(c) In de toerekening van de kosten per huishouden worden een aantal keuze gemaakt. Zo kun de studiekosten en studiefinanciering toerekenen aan de student of aan de ouders. In het oikos systeem zullen de kosten voor die ouders die het zich kunnen/willen permiteren om hun kind geen studieschuld na te laten heel anders uitpakken. [9]

(d) Omdat Nederland graag de uitvoeringskosten sociale wetten op een hoog niveau houdt worden veel van deze regelingen nog eens per 1 januari en 1 juli van elk jaar aangepast met liefst twee cijfers achter de komma. Deze aanpassingen en de communicatie daarover houden in elk geval een flink aantal ambtenaren van de straat en zorgen voor een flinke brievenbusvervuiling.

§3 Vermogen en het koopkrachtplaatje

We gaven al aan dat het inkomen uit vermogen binnen het koopkrachtplaatje om zijn minst twijfelachtig is – zie ook de bijdrage Inkomen uit vermogen revisited. De vermogensverdeling 1/1/2016 binnen de vijf kwintielen is als volgt:

(a) De eigenwoning bezitter doet op de lange termijn i.t.t. de huurder aan bezitsvorming.  De gebrekkige verantwoording van inkomen uit vermogen zal het koopkrachtplaatje dan ook vertroebelen.

De opbouw van het pensioenvermogen leidt ook tot vermogensvorming in de vorm van premies en rendement op dat pensioenvermogen. We herhalen het plaatje uit de bijdrage pensioenvermogen 2017 dat laat zien in welke mate de inkomensdecielen pensioen opbouwen:

(a) Door de aftopping binnen het Witteveen kader zal voor de topinkomens dit plaatje wat veranderen. Voor de historische opbouw blijft de analyse echter staan.

Bij dit plaatje moet je ook de jaarlijkse rendementen op het pensioenvermogen in aanmerking nemen van b.v. alleen de pensioenfondsen is dat als volgt:

De beleggingsopbrengsten zijn voor de werknemers met een pensioenregeling dus zeer substantieel (voor de staat met zijn niet geboekte belastingclaim van 35% overigens ook). In welke mate deze inkomsten in b.v. de arbeidsinkomensquote (AIQ) tot uitdrukking komen is voor mij een vraag, waarvan het antwoord zich niet zo makkelijk laat opzoeken.

___________________________

Laatst bijgewerkt 18 augustus 2018

[1] CPB , “Toelichting aanpassingen presentatie koopkrachtramingen”,CPB Achtergronddocument, 16 augustus 2018,

https://www.cpb.nl/publicatie/toelichting-aanpassingen-presentatie-koopkrachtramingen-cpb

[2] https://www.cpb.nl/koopkracht

Uit de toelichting (het was handig geweest als dit schema in [1] was opgenomen)

Hoe ramen we de koopkracht?

Voor het berekenen van de verandering van de koopkracht gebruiken we een model. We voeden dit model met de volgende informatie:

  1. Een representatieve steekproef van ongeveer 100.000 huishoudens. Samen vormen zij een betrouwbare afspiegeling van alle huishoudens in Nederland. Het CBS levert de inkomensgegevens en kenmerken van deze huishoudens, wij bewerken ze om ze geschikt te maken voor het model.
  2. Ramingen van de lonen en de inflatie. Deze maakt het CPB zelf. {de afspiegeling slaat niet op de bruto-inkomenscomponenten die geenszins volledig zijn.}
  3. Voorgenomen beleidswijzigingen van het kabinet. Denk hierbij niet alleen aan inkomensbeleid, maar ook aan aanpassingen rond de zorg, de woningmarkt of de arbeidsmarkt.

Als alle cijfers zijn ingevoerd, berekent het model voor elk huishouden de koopkracht. Dat gaat in een aantal stappen, die we samen het bruto-nettotraject noemen:

♦ Startpunt is het bruto inkomen. Dat bestaat uit (een combinatie van) inkomsten uit arbeid, onderneming, uitkering en pensioen en daarnaast inkomsten uit vermogen, aanmerkelijk belang en eventueel ontvangen alimentatie. 

♦ Vervolgens berekent het model het netto inkomen: het bruto inkomen min de sociale premies en belastingen.

♦ Het netto inkomen verrekend met de zorgkosten, eventuele toeslagen, kinderbijslag en de kosten voor kinderopvang, leidt tot het besteedbaar inkomen.

De knoppen in de afbeelding tonen meer details over de berekeningen in het bruto-nettotraject.

Tot slot corrigeert het model het besteedbaar inkomen voor volgend jaar voor de inflatie en berekent het de procentuele verandering ten opzichte van het besteedbaar inkomen van dit jaar.

De uitkomst van het model is een bestand met voor alle ingevoerde huishoudens de statische koopkracht, uitgedrukt in een percentage.

[3a] CEP 2018, blz 18. , https://www.cpb.nl/publicatie/centraal-economisch-plan-2018

[3b] CPB, Koopkracht een kwestie van kwartjes, https://www.cpb.nl/publicatie/koopkracht-een-kwestie-van-kwartjes

[3c] CPB Achtergronddocument – MIMOSI: Microsimulatiemodel voor belastingen, sociale zekerheid, loonkosten en koopkracht (geactualiseerde beschrijving 2016)

https://www.cpb.nl/publicatie/mimosi-microsimulatiemodel-voor-belastingen-sociale-zekerheid-loonkosten-en-koopkracht-2016

[4] CBS, ” In 2017 waren er 937 duizend mensen tussen 15 en 75 jaar met een ander beroep dan het jaar ervoor.”

https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2018/11/meer-mensen-wisselen-van-beroep

zie ook:

https://www.tno.nl/media/9541/dynamiek_op_de_nederlandse_arbeidsmarkt.pdf

[5] https://www.nibud.nl/consumenten/koopkrachtberekenaar/

en

https://www.nibud.nl/wp-content/uploads/Nibud-Koopkrachtberekeningen-2018-100-voorbeelden-jan2018.pdf

Voor een toelichting – zie de inleiding in dit pdf document.

[6] https://www.raet.nl/bruto-netto-salaris-berekenen

[7] https://www.belastingdienst.nl/rekenhulpen/toeslagen/

[8] http://www.rijksbegroting.nl/2018/kamerstukken,2017/9/20/kst237146_12.html

http://www.rijksbegroting.nl/2018/voorbereiding/miljoenennota,kst237145_18.html

[9] Het voordeel van de huidige studiefinanciering is dat de studenten als ze aan het werk gaan een stuk meegaander worden tijdens het arbeidsproces. Er moet tenslotte flink gewerkt worden om de studieschuld af te betalen en hogere inkomensverschillen helpen daarbij. Dit in combinatie met het HRA-infuus maakt dat de partijen aan rechter kant van het politieke spectrum voor jaren een permanent kiezersbestand “gekocht” hebben: daar zijn geen subsidies aan politieke partijen voor nodig.

(Dat daarbij een enkele, zich rabiaat links voordoende, hoogleraar aan geheugenstoornis leidt, mag duidelijk zijn: https://www.groene.nl/artikel/enkeltje-luilekkerland)

 

Advertenties

Nagelaten vermogen 2015

______________________________________________________________________________________________________________________________________________

Het CBS liet de publicatie nagelaten vermogen 2015 recent het licht zien.  Deze bijdrage gaat nader in op de door het CBS gepubliceerde cijfers omdat het er natuurlijk niet omgaat om alleen te weten wat er feitelijk gebeurt™ maar ook wat achter de cijfers schuil gaat. Het CBS is echter nog niet te oud voor het spelletje schuilhokkie spelen. Dat geldt met name voor het ontbreken van een analyse van het verschil tussen de erfbelastinggegevens (30% van de sterfgevallen) en de CBS-vermogensstatistieken.

We roepen nog even in herinnering dat 40% van het geërfde vermogen uit overerving komt en dat ca 30% van de erfenis wordt opgestookt. Voor belasting op de erfenis zie ook deze bijdrage.

In 2015 is 3,4% van de erfenissen goed voor 38% van de waarde van de erfenissen; 13,9% van de erfenissen representeert 68% van die waarde. Met een beetje extra inspanning moet je het huidige lek in de belastinginning toch redelijk snel substantieel kunnen dichten.[5] Bij een beetje behoorlijke controle van die aangiftes erfbelasting (if any) zal er toch het echte handwerk aan te pas moeten komen.

______________________________________________________________________________________________________________________________________________

§1 Inleiding

Informatie is in deze jachtige tijd verouderd op het moment dat die gepubliceerd wordt. Dat geldt in het bijzonder voor de vernieuwde CBS statistiek nalatenschappen 2015, we citeren het CBS:

“De doorlooptijd van het invullen en definitief vaststellen van de aangifte successie is lang. Dat is de reden dat de meest recente cijfers betrekking hebben op nalatenschappen over 2015.” (1/8/2018)

Nu moet je de aangifte erfrecht binnen 8 maanden na het overlijden indienen en krijg je de definitieve aanslag theoretisch binnen 3 maanden na indiening. Gezien de perikelen bij de belastingdienst wordt thans gestreefd naar 6 maanden “voordat u bericht krijgt”. [2] Bedoeld zal zijn dat het bij de belastingdienst zo’n klerezooi is (met dank aan de heren De Jager, Weekers en Wiebes) en dat daarom de gegevens bijzonder lang op zich laten wachten.

Het CBS heeft een nieuwe opzet gemaakt van de statistiek nagelaten vermogen. De verschillen met de oude statistiek laten zich als volgt samenvatten:

Tabel 1 nalatenschappen nieuwe en oude stijl 2007-2015 in € mln. [1b;1c]

(a) De nieuwe opzet staat beschreven in [1a]. De wijziging komt primair doordat  het CBS thans integraal beschikt over alle vermogens per persoon dus ook per erflater, zodat de gegevens die niet uit de aangifte erfrecht blijken door het CBS kunnen worden aangevuld. Voor ongeveer dertig procent van de overledenen zijn gegevens over nalatenschappen beschikbaar uit de belastingaangiften successierecht op het moment van overlijden. De rest wordt aangevuld uit het Integraal Inkomens- en Vermogensonderzoek (IIV) van het CBS per 1 januari van het betreffende jaar (grotendeels gebaseerd op de vermogensrendementsheffing gegevens).

(b) In welke mate de gegevens volgens de aangifte erfrecht daadwerkelijk aansluiten met de IIV-gegevens  laat zich raden. In elk geval is de waardering van de activa en passiva in de aangifte erfrecht op basis van marktwaarde en worden er ook correcties gepleegd voor schenkingen in de zes maand periode voor overlijden. Ook komen goodwill en overige stille reserves eindelijk op tafel. In §2 wordt hier nader ingegaan. voorzover die verschillen mij bekend zijn. [1a] Voor zover de aangifte erfbelasting betrekking heeft op boven water gekomen zwart geld zal het geërfde vermogen hoger zijn dan het vermogen volgens de vermogensstatistiek. Tot voor kort werd dat zwarte geld gefaciliteerd met een uiterst coulante inkeerregeling: je moet tenslotte je kiezerscliëntèle te vriend houden.

(c) De oude en nieuwe cijfers voor de erfenissen > € 200.000 zijn in beide ontleend aan de aangifte erfrecht en zouden dus los van meer definitieve gegevens aan elkaar gelijk moeten zijn. Een toelichting op de verschillen gedurende de overgang ontbreekt echter. [1a]

Per 1/1/2016 kan de samenstelling van het vermogen van de huishoudens naar ouderdom hoofdbewoner als volgt worden gespecificeerd:

(a) De boven 74-jarigen nemen dus per 1/1/2016 17,2% van het vermogen voor hun rekening en dat vermogen bedroeg toen € 200 mld. De erfenissen in 2015 bedroegen € 15,5 mld.

De padvinders van het CBS menen de burgers de gegevens van het aanmerkelijk belang voor 75-85-jarigen te moeten onthouden maar door de rest van het totaal af te trekken krijg je dat bedrag toch redelijk snel boven tafel. (€ 11,7 mld.) [4]

(c) De ontwikkeling per jaar is als volgt:

Het aandeel in het vermogen van de boven 74-jarigen nam dus toe van 2006 12,9% naar 17,2% in 2016.

Voor de waardering van de activa geldt dat meestal moet worden uitgegaan van de waarde in het economische verkeer op de dag van overlijden. Dit is de hoogste prijs die u voor iets zou kunnen krijgen als u het op die dag verkocht. Het zal duidelijk zijn dat die waarde in een aantal gevallen zal afwijken van de waarde volgens de vermogensstatistieken. Voor een toelichting van de belastingdienst zie [3]. Daarnaast worden een aantal vermogenscomponenten wel in het erfrecht betrokken die niet in de vermogensstatistieken voorkomen. Het had dan ook voor de hand gelegen dat het CBS enig inzicht zou hebben gegevens in de totale afwijking van de waarde volgens de testamenten en de vermogensstatistiek gegevens voor de overledenen, nu het CBS deze cijfers per persoon integraal heeft verbijzonderd.

De samenstelling van het vermogen, exclusief overige schulden, valt voor het totale vermogen per 1/1/2016, het vermogen van de boven 74-jarigen en de erfenissen nieuwe stijl 2015 als volgt weer te geven:

(a) De schuldquote voor overige schulden in procenten van het vermogen exclusief eigen woning en ondernemingsvermogen bedraagt voor het totaal vermogen, vermogen boven 74-jarigen en erfenissen respectievelijk 18,3%, 8,5% en 10,6%.

(b) Voor overige bezittingen zie § 2.1.5.

(c) Op grond van de grafiek lijkt het dat een aantal vermogenscomponenten voor overlijden worden overgedragen tegen een hopelijk door de fiscus beoordeelde waarde.

§2 Enkele statistieken inzake nalatenschappen [1b]

§2.1 Samenstelling nalatenschap per vermogensgroep 2015

Per jaar is de omvang van de nalatenschappen als volgt:

1.500 erfgenamen nemen dus 23,4% van de waarde van de erfenissen voor hun rekening. De scheefheid van de verdeling blijkt uit de mediaan (midden van de verdeling).

2.1.1 Bank- en spaartegoeden

(a) De bank-en spaartegoeden maakten in 2015 ondanks de lage rente nog steeds 34% van het nagelaten vermogen uit en zelfs 61% van het vermogen exclusief eigen woning en ondernemingsvermogen. De ontwikkeling per jaar is als volgt:

(b) De tabel laat goed zien in welke mate de erflaters (en daarmee de erfgenamen) door de staat der Nederlanden in de afgelopen jaren voor de vermogenspost bank- en spaartegoeden met de vermogensrendementsheffing zijn bestolen. Dat geldt in het bijzonder als je de inflatie (2006 index: 85,82; 2015 index: 100 → inflatie 1,7% p.j.) mede in aanmerking neemt.

2.1.2 Effecten

Als de overledene aandelen of andere rechten had in ondernemingen die niet aan de effectenbeurs genoteerd staan, geldt voor het erfrecht de waarde in het economische verkeer.[3] Een vaststellingsovereenkomst met de belastingdienst is mogelijk omtrent de waarde van aandelen die niet verhandeld worden (incourante aandelen).

2.1.3. Eigen woning 2005 in € mln.

De eigen woning wordt voor de erfbelasting gewaardeerd tegen de WOZ-waarde aan het begin of naar keuze het einde van het jaar van overlijden. [3] Voor zover de erfbelasting niet van toepassing is, gaat het CBS uit van de WOZ-waarde aan het begin van het jaar.

2.1.3 Overig onroerend goed

Voor onroerende zaken in het buitenland, bijvoorbeeld een tweede woning, wordt voor de erfbelasting de waarde in het economisch verkeer aangehouden.[3] Een vaststellingsovereenkomst met de belastingdienst is mogelijk omtrent de waarde van onroerende zaken die niet worden gebruikt als woning en schepen.

2.1.4 Ondernemingsvermogen 2005 in € mln.

In de nalatenschap statistiek worden het ondernemingsvermogen en het aanmerkelijk belang vermogen bij elkaar geteld. De waardering voor het ondernemingsvermogen is  voor de erfbelasting op basis van going concern waarde of liquidatiewaarde., hierbij speelt de bedrijfsopvolging een belangrijke rol als glijbaan naar belastingvrijdom (A.C. Rijkers). Gegeven de zeer ruime vrijstelling in het kader van de bedrijfsopvolging (BOR) is het belang van de fiscus op een uiterst nauwkeurige waardebepaling beperkt. Een dergelijke waardering kent toch al een vrij grote bandbreedte. Onduidelijk is welke waarde het CBS aanhoudt. In elk geval zouden de stille reserves en goodwill naar voren moeten komen en die ontgaan het CBS in de vermogensstatistiek normaliter. Ook de waardering van het aanmerkelijk belang vermogen is niet nader toegelicht. [1a] Voor de volledig fiscaal gedreven  waardering van het aanmerkelijk belang vermogen in de vermogensstatistiek zie [noot 1a2]

Hier had een vergelijking tussen de vermogensstatistiek en de erfbelastinggegevens nadrukkelijk voor de hand gelegen: een gemiste kans van het CBS.

2.1.5 Overige bezittingen

Het gaat hierbij om zaken als [3]:
♦ een aandeel in een erfenis die nog niet is verdeeld
♦ lopende polissen
Dit zijn polissen die nog niet uitkeren. Hieronder vallen ook spaarbrieven en beleggingspolissen. U kunt de waarde van deze polissen op de datum van overlijden opvragen bij de instellingen waarbij de overledene de polissen heeft afgesloten. (voor de kapitaalverzekering gaat het in 2018 om een bedrag van ca € 135 mld. dat niet in de boeken van het CBS staat)
♦ rechten van vergunningen, octrooien, auteursrechten

♦  Een vaststellingsovereenkomst met de belastingdienst is mogelijk omtrent roerende zaken waarvan de waarde moeilijk is vast te stellen, zoals kunstvoorwerpen, antiek, machines en verzamelingen

Het zal duidelijk zijn dat deze posten niet in de vermogensstatistieken van het CBS voorkomen. In totaal gaat het voor de nalatenschappen om een bedrag van € 944,3 mln. aan overige bezittingen. Welk bedrag voor de vermogensstatistiek voor deze groep wordt aangehouden is niet bekend. Uiteraard valt de post relatief hoger uit in de erfenissen – zie grafiek inleiding.

§3 De nalatenschappen per vermogensklasse

Het geërfde vermogen per vermogensklasse voor 2015 en 2007 kan als volgt worden weergegeven:

(click op tabel of Ctrl+ om te vergroten)

(a) De mediaan (middelste waarde) begin pas bij een vermogen groter dan € 1 mln. substantieel van het gemiddelde vermogen af te wijken. De stijging van het vermogen boven de € 1 mln. valt op en is gezien het belang van ondernemingsvermogen en aanmerkelijk belang vermogen vermoedelijk nog veel hoger. Overigens is een stijging van het gemiddeld vermogen groter dan € 1 mln. van 0,5% per jaar nog steeds verwaarloosbaar, mede gezien de inflatie van 1,7% per jaar.

(b) Het belang van de eigen woning blijkt uit de volgende tabel:

(c) Het belang van het ondernemingsvermogen 2015 is als volgt inclusief leemten in statistieken:

De gebruikelijke padvinderij van het CBS blijkt uit de lege CBS-velden.

(d) De erfenissen exclusief eigen woning en ondernemingsvermogen zijn dan voor 2015 als volgt:

______________________________

Laatst bijgewerkt 10 augustus 2018

Bronnen

[1a] Onderzoeks beschrijving van de opnieuw opgezette statistiek over het nagelaten vermogen van overledenen in Nederland. Publicatiedatum statlinetabel: 24 juli 2017. Periode: 2007-2015.

https://www.cbs.nl/nl-nl/onze-diensten/methoden/onderzoeksomschrijvingen/aanvullende%20onderzoeksbeschrijvingen/nalatenschappen

Deze paper houdt zich met name bezig met het optellen en rubriceren van de cijfertjes en besteed geen aandacht aan de afwijkende waardering en definiëring van de bezittingen onder het erfbelasting regime. Het niet nader toelichten van de verschillen tussen de waarde voor de erfbelasting en de vermogensstatistiek is een gemiste kans. Dat geldt in het bijzonder voor ondernemingsvermogen, aanmerkelijk belang, incourante aandelen en overige bezittingen (w.o. kunstvoorwerpen).

[1b] https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/84242NED/table?ts=1533138060006

[1c] Oude statistiek: http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=81086NED&D1=a&D2=0&D3=0&D4=a&D5=l&HDR=G4,G1,G2,T&STB=G3&VW=T

[1d] https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/83834NED/table?ts=1518009496921

[2] https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/belastingdienst/prive/relatie_familie_en_gezondheid/erven/erfenis_krijgen/aangifte_erfbelasting_doen/aangifte_op_tijd_terugsturen

[3] https://download.belastingdienst.nl/belastingdienst/docs/toe_aangifte_erf_2017_suc0611t71fd.pdf

b.v. roerende zaken

Roerende zaken zijn bijvoorbeeld auto’s, boten, verzamelingen, inboedels, sieraden, kunst en antiek.
Vul hiervoor de waarde in het economische verkeer in.

 “Vindt u het moeilijk om deze waarde te bepalen? Kijk dan eens naar:
– catalogi van veilinghuizen

– verkoopsites als marktplaats.nl, ebay.nl of ebay.com

– waardevaststellingen door organisaties, zoals de ANWB/Bovag koerslijst voor auto’s

– verzekeringen die de overledene had voor waardevolle bezittingen, zoals kunst- of antiekverzamelingen. Bij dit soort verzekeringen zijn de bedragen waarvoor de
bezittingen zijn verzekerd, meestal een richtlijn om de werkelijke waarde te bepalen.

U kunt deze roerende zaken ook laten taxeren. In sommige gevallen kunt u de belastingdienst om een vaststellingsovereenkomst vragen.”

[4] Aanmerkelijk belang 75-85 jarigen:

Het aanmerkelijk belang bedrag is echter € 11,7 mld, met een gemiddeld ab-vermogen van € 4.043,5 mln.

Wat daar geheim aan is met 2.900 huishoudens moet het CBS nog maar eens uitleggen.

[5] https://www.businessinsider.nl/erfbelasting-aangifte-vrijstelling/

Dashboard ABP, PFZW,PMT, PME & bpfBOUW Q2 2018

___________________________________________________________________________________________________________________________

Laatst bijgewerkt 20 juli 2018

Het tweede kwartaal 2018 bracht voor de vijf grote bedrijfspensioenfondsen weinig soelaas, eerst moesten de verliezen van het 1e kwartaal 2018 worden weggewerkt:

De algemene reserves liepen zelfs iets terug en het pensioenvermogen steeg met 1,7% t.o.v. eind 2017. Aangezien deze vijf fondsen ca 57% van het pensioenvermogen van alle pensioenfondsen uitmaken (zie §4) zal dat ook wel voor alle pensioenfondsen gaan gelden.

De beleidsdekkingsgraad van deze fondsen, m.u.z. bpfBOUW ligt al enkele jaren onder de 104,3% zodat het steeds waarschijnlijker wordt dat in 2020 tot een verlaging van de pensioenen moet worden overgegaan.

Gaan we uit van een gemiddeld laag rendement van 5%, zoals het CPB sinds 2010 in zijn houdbaarheidsstudies doet, dan hadden de vijf grote fondsen samen t/m 30-6-2018 € 19,5 mld. rendement moeten maken. Dankzij het voortreffelijke gebrek aan toezicht van DNB en de AFM op de kwartaalberichten kunnen we niet zeggen welk rendement de grote fondsen t/m het 2e kwartaal 2018 werkelijk maakten. Wat dat toezicht van DNB en AFM dan ook voorstelt mag Joost weten.

Door indexatie-achterstanden hebben de vijf grote bedrijfspensioenfondsen in de periode 2009-2017 een bedrag van ca 10,7 mld. aan pensioenen niet uitgekeerd waarmee ook € 3,7 mld. belastingheffing langdurig wordt uitgesteld. Voor alle pensioenfondsen gezamenlijk kan het belastinguitstel op ca  € 6,5 mld. worden gesteld en de niet verleende indexatie op ca € 18,4 mld. Dat belastinggeld moest wel door alle burgers worden opgebracht zodat de hele Nederlandse bevolking te lijden heeft van het onzinnige FTK-stelsel en dat hebben we het nog niet eens over de gederfde indirecte belastingen. Waarom horen we hier nooit iets over van onze politici of de media?

_________________________________________________________________________________________________________________________

§1. Dashboard 2e kwartaal 2018
§2. Korting pensioenen

Indien de beleidsdekkingsraad in vijf opeenvolgende jaren < 104,3 moet het pensioenfonds overgaan tot korting. In het dashboard is te zien in welke mate het pensioenfonds er kritisch voorstaat.[2]

De cumulatieve indexatie-achterstanden zijn als volgt [3]:

Gezien de indexatieachterstanden is het effect van het nalaten van indexatie voor de jaren 2008-2017 substantieel en ook de schatkist draagt daarbij zijn steentje bij. (35%) De omvang van de voorwaardelijke verplichting uit hoofde van na-indexatie, die overigens meer het karakter van een natuurlijke verbintenis krijgt, wordt helaas niet in de jaarrekeningen vermeld.

Als de pensioenuitkeringen van de vijf grote fondsen wel voor de inflatie waren geïndexeerd hadden de gepensioneerden in de periode 2009-2017 grofweg € 10,7 mld. meer aan bruto pensioenuitkering ontvangen. [4] De schatkist was er althans op CBS/DNB/CPB-papier ook € 3,7 mld. (35%) beter van geworden. Materieel maakt het natuurlijk niet uit want die € 3,7 mld. zit nu verscholen in de belastingclaim op het pensioenvermogen (31/3/2018: € 600 mld.) en de actieve pensioendeelnemers ontvangen hun deel t.z.t. misschien nog wel. Alleen hebben de nabestaanden van de gepensioneerden, die in de periode 2009-2017 “de groep verlieten” (Hoekstra), nog geen bedankbriefje van de jongeren gehad.

§3. Relatieve belang vijf grote bedrijfspensioenfondsen

§4. Historisch rendement vijf grote pensioenfondsen

(a) Het rendement per jaar is het meetkundig gemiddelde 2003-2017. Voor APB is dat meetkundig gemiddelde over de laatste 25 jaar 7,34%, inclusief de jaren 1994, 2002 en 2008 met respectievelijk een rendement van -1,0%, -7,2% en -20,2%. De grafiek van het ABP-rendement 1993-2017 is als volgt:

Die 4% was historisch gezien dus zo gek nog niet.

(b) Gelukkig is het pensioenvermogen kennelijk niet risicovrij belegd, anders hadden de pensioenfondsen al veel eerder tot afstempeling van de pensioenrechten moeten overgaan.

(c) Zoals bekend staan de beste stuurlui altijd aan wal. Het is dan ook usance op het internet om te katten op de pensioenfondsbesturen over de performance van de pensioenfondsen. Bovenstaand staatje laat zien dat daar weinig aanleiding toe is. Veel van die katters zijn overigens jongere waardevrije wetenschappers die vooral heel goed aan hun eigen portemonnaie denken. Katten op de politiek is meer op zijn plaats, zeker gezien het door die politici opgelegde krankzinnige FTK onder toezicht door DNB.

______________

Disclosure: Mijn echtgenote noch ik “genieten”  materieel van een pensioen en ik ben dus geen belanghebbende. 

[1] Bronnen

Kwartaalberichten, te raadplegen op de sites.

[2] DNB, https://www.dnbpensioenfonds.nl/uitleg-dekkingsgraad

De minimaal vereiste dekkingsgraad geeft de minimaal benodigde buffer weer. Als de beleidsdekkingsgraad hieronder komt, is er sprake van een dekkingstekort. Het fonds heeft dan te weinig vermogen om de pensioenen in de toekomst uit te kunnen betalen. Indien de beleidsdekkingsgraad gedurende 5 jaar onder de minimaal vereiste dekkingsgraad blijft, moet het pensioenfonds de opgebouwde pensioenaanspraken verminderen (korten). Na het korten moet de beleidsdekkingsgraad gelijk zijn aan de minimaal vereiste dekkingsgraad.

[3a] ABP

https://www.abp.nl/over-abp/financiele-situatie/indexatie.aspx

Op basis van de eigen tekst had het ABP moeten vermelden gemiddelde stijging van de lonen voor de jaren 2008-2015 en inflatie voor de jaren 2016 en 2017. De indexatie ambitie is een volstrekt raadsel en kennelijk legt men de lat “gewoon” wat lager. De 13,46% laat zich dan ook niet narekenen op basis van de door ABP verstrekt informatie.

[3b] PFZW

https://www.pfzw.nl/over-ons/over-ons/indexering-van-het-pensioen/Paginas/default.aspx

[3c] PMT

Jaarverslag 2016:

[3d] PME

https://www.metalektropensioen.nl/ik-ontvang-een-uitkering/pensioen?sqr=indexatie#!step:3825d16137

[3e] bpfBouw

BpfBOUW verhoogt pensioenen

Het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid (bpfBOUW) maakt bekend dat het de pensioenen gedeeltelijk verhoogt. Per 1 januari krijgen gepensioneerden en (gewezen) deelnemers er 0,59% bij.

Deze verhoging is mogelijk omdat de financiële gezondheid van bpfBOUW in 2017 verder is verbeterd. De dekkingsgraad, op basis waarvan het bestuur deze beslissing neemt, is 115,1%. Dat betekent dat voor elke euro aan pensioenverplichtingen ruim 1,15 euro in kas zit. Dat is voldoende om de pensioenen gedeeltelijk te verhogen. De maximaal wettelijk toegestane verhoging is 0,59%.

We streven naar volledige toeslagverlening van de pensioenen in de toekomst. Daarvoor is nog verder herstel van de financiële positie nodig. Mieke van Veldhuizen, bestuursvoorzitter van bpfBOUW: “We zijn blij dat we de pensioenen van onze deelnemers per 1 januari kunnen verhogen. Ook in 2018 en daarna zullen wij blijven bouwen aan een goed en betaalbaar pensioen voor al onze deelnemers.”

Daarnaast voor indexatie achterstand:

https://www.bpfbouw.nl/images/factsheet-bpfbouw-q4.pdf

[4] Door de uitkeringen 2009-2006 te indexeren voor inflatie, minus de verleende indexatie, en het totaal bedrag te vergelijken met de werkelijke uitbetalingen kan je dit effect berekenen. Dit effect is puur inflatie (schoon 13,8%) er wordt geen rekening gehouden met loonstijgingen.

Overheidsschuld

_________________________________________________________________________________________________________________________

Laatst bijgewerkt 27 juli 2018.

In Nederland kennen we een pensioenstelsel waarbij de overheid dankzij de zogenaamde omkeerregel pensioenen, waarbij de pensioenpremie van het belastbaar inkomen wordt afgetrokken (inclusief werkgeversdeel) en de pensioenuitkering t.z.t. wordt belast, flink wat geld misloopt en nog meer belastingopbrengsten langdurig uitstelt. Het gevolg is dat de overheid een niet in zijn boeken verantwoorde belastingclaim opbouwt die eind maart 2018 € 600 mld. bedraagt. (35% van € 1.717 mld.). Aangezien de EMU-overheidsschuld op die datum € 410 mld. bedroeg hadden we dus feitelijk helemaal geen schuld maar een fors actief van € 190 mld. Jaarlijks verantwoordt de staat wel de betaalde rente op de staatsschuld, die volledig in het pensioenvermogen is belegd. Het rendement op die belastingclaim wordt niet in de boeken verantwoord en geruisloos opgepot. Deze bijdrage geeft, zo goed en zo kwaad als dit gaat met het beschikbare cijfermateriaal, inzicht in het historische verloop (vanaf 1995) en de stand van de overheidsschuld eind maart 2018 doorlopend tot 2019.

Al die jaren zijn we dus door Balkenende en Rutte I & II c.s. op het verkeerde been gezet en hebben we volstrekt onnodig de broekriem moeten aanhalen. [1] Ook de non compliance van het Stabiliteits- en Groeipact (SGP) volgens “onze” EU-bobo’s komt hiermee in een volkomen ander daglicht te staan en moet eerder worden toegeschreven aan de vergaande incompetentie van onze politici. De media spelen daarbij een misleidende rol door klakkeloos de framing van de overheid over te nemen.

______________________________________________________________________________________________________________________________

§1 Overheids-“schuld”

Onderstaande grafiek geeft het verloop van onze overheids-“schuld” weer:

Grafiek 1 Overheids-“schuld” 1997-2018K1 in % bbp

(a) Alleen door de investering in financiële activa van € 85 mld. kwam onze werkelijke overheidsschuld sinds 2006 in 2008 even in het rood. We moesten dus alleen de broekriem aanhalen om dit bedrag te kunnen ophoesten, terwijl we dit bedrag natuurlijk gewoon weer bij de banken terughaalden. Kijk dat bedoel ik nu, anders dan mevrouw Laura van Geest van het CPB, met knowing the Past.[4a] Het CPB sloeg eerder ook anderzins de plank volledig mis inzake onze staatsschuld. [4b] Ook moet je kennelijk niet bij het CBS zijn voor wat er feitelijk gebeurt™.

In tabelvorm ziet het verloop van de overheidsschuld 1995-2019 er als volgt uit:

Tabel 1 Verloop Overheidsschuld 1995-1992 in € mld.

(click op tabel of Ctrl+ om te vergroten)

(a) Dit lijstje haal ik altijd te voorschijn als iemand weer eens begint te zaniken over onze overheidsschuld. Het plaatst ook de schuldencrisis die we geen bankencrisis mogen noemen (zie gele markering) in perspectief. In elk geval heeft onze overheidsschuld en het SGP er helemaal niets mee van doen.

Het pensioenvermogen en daarmee de belastingclaim nam in de periode 2006-2017, dus inclusief 2008,  met 6,8% per jaar toe. De overheidsschuld nam met 4,4% toe en het bbp zelfs met slechts 2,1% per jaar.  Die – deels beleidsmatige- lage bbp-toename had natuurlijk ook nog budgettaire consequenties. [7]

De toename van het pensioenvermogen voor de periode 2018-2019 schatten wij op 5% per jaar, gelijk aan het door het CPB aangehouden rendement op dat pensioenvermogen in hun houdbaarheidsstudies. Als die toenames van schuld en claim goed zijn ingeschat bedraagt het overheidsactief eind 2019 ca € 256 mld.

(b) De toename financiële vaste activa 2008 – 2017 bedroeg netto € 12,2 mld., zodat  de in 2008 ontstane schuld door de bankencrisis grotendeels is afgelost.

(c) Door de lage rente bedraagt de marktwaarde van de overheidsschuld eind 2017 € 469 mld., dat is € 53 mld. hoger dan de EMU-overheidsschuld. Deze grootheid is alleen relevant als de schuld uit de markt gehaald wordt, maar is natuurlijk wel bruikbaar om het overheidsvermogen in de overheidsbalans te drukken [1b]:

Tabel 2 Staatsvermogen in € mld.

Het CBS heeft dan in zijn balans nog geen rekening gehouden met de AOW-verplichting die natuurlijk ook een vordering is op de toekomstige belastingbetaler. Die berekening van een reële AOW-verplichting van de staat kun je overigens ook niet aan het CBS overlaten. Daar staat tegenover dat de ambtenaren-pensioenen i.t.t. veel EU-landen wel zijn afgefinancierd. (§4)

§2 Overheids-“tekort”

De gegevens in tabel 1 kunnen we voor de periode 1996-2019 als volgt samenvatten:

Tabel 3 Samenvatting mutaties overheidsschuld 1996-2019 in € mld.

Als we de ontwikkeling van het bbp, de EMU-overheidsschuld en het pensioenvermogen met de belastingclaim daarop, in één grafiek uiteenzetten krijgen we het volgende beeld:

Grafiek 2 Kerngrootheden 1995-2017 in € mld.

Dat de ontregeling van de overheidsfinanciën niet veroorzaakt werd door het door de overheid zelf gecreërde overheidstekort maar met name door de omkeerregel pensioenen maken we in deze paragraaf duidelijk. Door storting van pensioenpremies wordt 52% van de pensioenpremie als belasting aan de belastingheffing onttrokken, terwijl de pensioenuitkering t.z.t. slechts 35% aan belasting opbrengt, zoals Bas Jacobs in afstemming met het CPB heeft vastgesteld. Daarnaast is het rendement op het pensioenvermogen vrijgesteld van vermogensrendementsheffing voor het deelnemersdeel. Daar staat echter tegenover dat het rendement begrepen in de pensioenuitkering te zijner tijd tegen 35% wordt belast. De 35% belasting op het behaalde opgepotte rendement op het pensioenvermogen is al wel begrepen in de belastingclaim. [voor een nadere toelichting zie de bijdrage Opdoeken die omkeeregel pensioenen!]

Als we uitgaan van een pensioenpremie inclusief derde pensioenpijler van zo’n € 45 mld. [5] gaat het om een jaarlijkse belastingderving van € 7,7 mld. (17%) meer dan de huidige rente op onze EMU-staatsschuld en een uitstel van € 15,8 mld. (35%). Met het indirecte belastingen effect (ca 8%) is dan geen rekening gehouden. Het rendement begrepen in de uitkering wordt t.z.t. belast tegen ca 35%. Materieel is de pensioenuitkering het opnemen van spaargeld. Dat spaargeld is op het moment van de premiestorting verdiend op grond van de dan verrichte prestatie (begrepen in bbp) en zou dan moeten worden belast.

Het geneuzel van die macro-economen over het EU-structurele begrotingssaldo (CPB en EMU-versie) is dus volstrekt irrelevant. Dezelfde economen die de 2008 crisis niet zagen aankomen zouden wel in staat zijn om deze grootheid met liefst één decimaal achter de komma te berekenen?

Het Ministerie van Financiën had zijn Overheidsfinanciën 2018 in beeld ook kunnen opvrolijken met de volgende grafiek:

§3 De dreigende ondragelijke interestlast op onze overheids-“schuld” bij een rentestijging

In de miljoenennota 2018 stond de volgende passage:

“Het houdbaarheidsoverschot van nu betekent dat de huidige collectieve voorzieningen betaalbaar blijven, zonder dat het nodig is om de belastingen te verhogen of de rekening door te schuiven naar volgende generaties via een hogere overheidsschuld. Dat is belangrijk, want als de staatsschuld blijft stijgen, rijzen de rentelasten van de overheid op een gegeven moment de pan uit. Dan riskeert de overheid een opwaartse spiraal van hogere uitgaven en een nog hogere staatsschuld.”

Deze stelling wordt vaak verkondigd door de heer Rutte als hij wijst op het risico van een rentestijging en ook de Koning [3] mocht het Nederlandse volk op gezag van een habitueel liegende Rutte [1] op een dwaalspoor zetten, zo niet voorjokken.

Het probleem van de rentelast is overigens niet zo groot, anders zou het niet de grootst mogelijke moeite kosten om een betrouwbare cijferreeks van de rentelast op onze staatsschuld boven tafel te krijgen. In de volgende grafiek laten we drie versies de revue passeren:

Grafiek 3 Kiest u maar – de interestlast op de staatsschuld 1995-2020 in € mld.

(a) We kunnen de rentelast aan de overheidsschuld relateren. In dat geval lijkt CBS’ “D41 Rente conform nationale rekeningen” een goede keuze (blauwe lijn in de grafiek). [2a1] Ook het CPB heeft zijn eigen opvattingen over de rentelast (rode lijn in de grafiek). [2b]

(b) We kunnen natuurlijk ook de rente-inkomsten [2a2] van de rentelast [2a1] aftrekken, tenslotte is die spliting van eigen makelei door de staat en willekeurig te sturen. Het gaat natuurlijk om de netto rentelast. (Groene lijn in de grafiek)

(c) Het Ministerie van Financiën heeft in antwoord op kamervragen in 2016 een specificatie van de rentelast op de EMU-overheidsschuld opgeleverd voor de jaren 2000-2020 (paarse lijn in de grafiek). [2c] Het heeft er de schijn van, hoewel niet toegelicht, dat het ministerie ook met netto interestcijfers werkt.

In 1995 bedroeg de bruto rentelast € 16,7 mld. of 5,1% bbp. Zouden we in 2017 dat zelfde percentage bbp aan interest hebben betaald dan was de interestlast in 2017 € 37,4 mld. geweest in plaats van werkelijk bruto € 7,3 mld.  (MvF gegoochel infograph: MN 2017: € 6,5 mld.; MN 2018 € 6 mld.) In 1995 betaalden we die interest onder Zalm fluitend, onze politieke watjes anno 2018 kunnen ons hier alleen maar bang mee maken.

De wedervraag zou natuurlijk ook kunnen luiden: wat gebeurt er met het rendement op de belastingclaim op het pensioenvermogen als de rente stijgt?  Maar die vraag wordt natuurlijk nooit gesteld door de media. De volgende tabel laat de importantie van die vraag zien:

Tabel 4 Benadering rendement belastingclaim

(a) Het rendement op het pensioenvermogen 2006-2016 is dus benaderd ca 728 mld., het aandeel van de staat bedraagt ca € 255 mld. De toename van de belastingclaim op het pensioenvermogen bedraagt 327 mld. De netto rentelast bedraagt € 85 mld. De door de overheid gepresenteerde cijfers over de overheidsfinanciën zijn dus primair volstrekt misleidend en subsidiair leugenachtig.

(b) Het rendement op het pensioenvermogen van de derde pensioenpijler en verzekeringsmaatschappijen is geschat op basis van 4%. De rente EMU-schuld is netto na aftrek D41 renteinkomsten. [2a2] Bruto was die rente op de overheidsschuld in de periode 2006-2016 totaal € 121,2 mld. De pensioenpremie is gebaseerd op de CBS besteedbaar inkomen statistiek en derhalve onvolledig en te laag. Momenteel bedraagt de pensioenpremie incl. derde pensioenpijler rond de € 45 mld. [5]

(c) Het zal op basis van deze tabel duidelijk zijn dat het rendement op het pensioenvermogen, dat voor 86% in het buitenland is belegd, een grote rol speelt bij een gezonde ontwikkeling van de overheidsfinanciën. Zolang de pensioenrechten niet worden afgestempeld blijft de belastingclaim in tact.

(d) Het blijft vreemd dat de staat materieel niets te vertellen heeft over het beleggingsbeleid inzake zijn belastingclaim van zo’n € 600 mld.: een democratisch deficit van de eerste orde.

(d) Het Ministerie van Financiën rekent intern juni 2017 in de appreciatie VNO-NCW vestigingsklimaat notitie met een pensioenvermogen van € 1.500 mld. en een belastingclaim van € 450 mld. (30%). [6] Dit bedrag is aanmerkelijk te laag, zoals we in tabel 1 zagen, voor zowel het pensioenvermogen als het gemiddelde belastingtarief.

(e) Grafisch valt het rendement op de belastingclaim en de netto rentelast op de staatsschuld als volgt weer te geven:

(a) Toch jammer dat het rendement door de staat nooit geboekt wordt: heel veel wakkere ochtendkrant- en Elsevierlezertjes zouden een stuk rustiger slapen.

Overigens kan die rente op de overheidsschuld best weer wat stijgen zonder dat de overheidsfinanciën in de knel komen zoals uit het historisch verloop van de rentelast in % bbp blijkt:

Grafiek 5 Rentelast in % bbp en rentepercentage staatsschuld 1815-2017 

Maar ja, de meeste mensen klagen altijd over hun geheugen en niet over hun verstand.

§4 Stabiliteits- en Groeipact (SGP)

Zoals bekend zijn de onzinnige SGP-eisen een overheidstekort van maximaal 3% bbp en een overheidsschuld van maximaal 60% bbp. Laten we eerst kijken naar de historische relevantie van die 60%-eis aan de hand van de volgende grafiek van de Nederlandse overheidsschuld in % bbp [1d]:

(Click op grafiek of Ctrl+ om te vergroten)

Grafiek 6 Overheidsschuld in % bbp 1814-2017 vs 60%-norm

Omdat Nederland slechts in 43 van de 204 jaar aan de 60% SGP norm voldeed mogen we wel van een door de EU invented tradition ( Eric John Ernest Hobsbawm & Terence Ranger) spreken. Het ligt dus niet zo voor hand om Nederland de 60%-norm op te leggen: er werd in het verleden ook nauwelijks aan voldaan. Het zal op basis van het voorgaande duidelijk zijn dat Nederland thans ruim aan die norm voldoet (netto een actief) als je tenminste ordentelijk boekhoudt (matching principle) en dat vermogen hebben macro-economen kennelijk niet van huis uit meegekregen.

Daarnaast heeft Nederland ook het pensioen van zijn overheidsdienaren volledig af gefinancierd. Het gaat hierbij om een netto bedrag van ca € 391 mld. eind maart 2018:

Tabel 5 Pensioenvermogen ABP en PFZW in € mld.

(a) Uiteraard hebben we onze belastingclaim op dat pensioenvermogen dan al in mindering gebracht om dubbeltellingen te voorkomen.

(b) Vraag aan de EU-commissie: kunt u één land in de EU aanwijzen wiens overheidsfinanciën er zo goed voor staan en waarom legde u eigenlijk Nederland de excessive deficit procedure indertijd op? Dat MP Rutte en de heren de Jager/ Dijsselbloem het niet goed konden uitleggen is natuurlijk geen geldige reden.

§5 Enkele misverstanden over de belastingclaim pensioenvermogen

Regelmatig worden mij in de discussie een aantal tegenwerpingen gemaakt die ik hier even kort behandel.

§5.1 Belastingclaim is nodig om toekomstige AOW- en zorgkosten te kunnen betalen

Om deze stelling op zijn waarde te kunnen inschatten moeten we natuurlijk eerst de ontwikkeling van die belastingclaim in de toekomst kennen. Die wordt ons door de politiek onthouden en moeten we dus zelf even zo goed en zo kwaad als dat gaat reconstrueren. Het verwachte verloop – met veel slagen om de arm – van die belastingclaim luidt als volgt:

Tabel 6 Het volgens het MvF verwachte pensioenvermogen tot 2060 in € mld.

De belastingclaim is dus gevangen in het zwarte gat dat pensioenvermogen heet en die claim loopt alleen maar op, netto komt dat geld dus niet uit de pensioenpot en kan derhalve ook niet bijdragen aan de opvang van de vergrijzingskosten. De toekomstige generatie stort immers ook pensioenpremie over een hopelijk hoger inkomen. De zorgkosten stijgen overigens niet alleen door de vergrijzing maar ook door technologische ontwikkelingen en ook de jongeren zorgen voor een aardige kostenstijging. [Zie bijdrage Grijsgedraaide grammofoonplaat].

§5.2 Geen schuld nalaten aan volgende generatie?

De vraag die eerst beantwoord moet worden is welke generatie eerder zo gek was om ons geen schuld na te laten. De grafiek in §4 gaf daarop al het antwoord.

Uitgaande van een genormaliseerde overheidsschuld van 40% bbp, kunnen we eind 2017 dus € 475 mld. potverteren en de toekomstige generatie nog steeds, historisch gezien, een uiterst florissante overheidshuishouding nalaten. Het actief eind 2017 groot € 180 mld. kan zonder meer direct aan de huidige belastingbetalers worden teruggegeven. We laten dan geen schuld na en daarmee is de toekomstige generatie wel genoeg gematst.

§6 Conclusie

We hebben al vele jaren geen overheidsschuld en zullen door het rendement op de belastingclaim op het pensioenvermogen voorlopig ook wel in werkelijkheid een positief overheidssaldo hebben. De huidige belastingen zijn daarnaast onnodig hoog omdat de belastingderving (17%)  en het belastinguitstel (35%) veroorzaakt door de omkeerregel pensioenen moet worden opgevangen. Opdoeken die omkeerregel pensioenen!, die de overheidsfinanciën- althans op papier – volledig uit het lood slaat, blijft dus het motto.

Bovenstaand cijfermateriaal is in een aantal gevallen noodzakelijkerwijs gebaseerd op grove schattingen die ongetwijfeld onvolkomenheden zullen bevatten. Maar als je als burger door de overheid systematisch wordt voorgelogen, zal je wat moeten. Het wordt dan ook hoog tijd dat de overheid wel de juiste cijfers ophoest. De vraag alleen is wie dat moet doen: het CPB en CBS hebben zich immers voor deze taak, gezien hun past performance, volstrekt gediskwalificeerd. De politiek, onze grootste bron van nepnieuws, kun je dit kennelijk ook niet toevertrouwen. Over “onze” media doen we er maar verder het zwijgen toe.

_________________

Noten

[1] Het leugenachtige karakter van Teflon Rutte blijkt uit onderstaande video die we op grond van de cijfers in 2008 moeten dateren. Eind 2008 was de officiële staatschuld 350 mld. In werkelijkheid was die schuld slechts 76 mld. Dat kwam dan alleen nog omdat de Nederlandse staat € 85 mld. in de banken had moeten stoppen aangezien het particulier initiatief zijn zaken weer eens niet op orde had. De Telderstichting, hoe kan het ook anders, schoof de schuld volledig in de schoenen van de toezichthouder en de overheid. Dat geld kwam overigens grotendeel terug zoals we in tabel 1 kunnen zien. Ook het rendement op het pensioenvermogen viel in 2008 wat tegen, maar dat grote verlies werd in 2009 al weer grotendeels goed gemaakt.

De VVD-staatsschuldmeter is dan ook op wonderbaarlijke wijze verdwenen, zoals dat ook om duidelijke reden met de VVD-poster Hypotheekrente staat als een huis het geval is. Bedoeld zal overigens zijn een huis in Groningen. Over het chronische geheugenverlies van de heer Rutte tijdens de dividenbelasting perikelen hebben we het dan maar even niet. Maar dit NRC-commentaar is te mooi om niet even te citeren:

“Zo nu en dan wordt in Den Haag het verhaal verteld over de ambtenaar die van zijn nerveuze minister de vraag kreeg wat deze moest antwoorden over een netelige kwestie. „Als u het eens probeert met de waarheid”, antwoordde de man. Wellicht is dit een idee voor premier Rutte.”

https://www.nrc.nl/nieuws/2018/04/26/dividendbelasting-probeer-het-eens-een-keer-met-de-waarheid-premier-rutte-a1600953

zie ook: https://fd.nl/economie-politiek/1241805/rutte-liegen-is-geen-doodzonde

Voor de kwalijke rol van de media zie de bijdrage Onze staatsschuld – Mea Culpa?

[2] Bronnen

Algemeen – revisie

https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2018/21/revisie-nationale-rekeningen

“Op 22 juni [2018] zijn de gereviseerde cijfers van de Nederlandse nationale rekeningen gepubliceerd voor 1995 tot en met 2015, inclusief nieuwe cijfers voor de jaren 2016 en 2017 die op de reeks na revisie aansluiten. De cijfers tot en met 2015 zijn gewijzigd als gevolg van de revisie, voor 2016 en verder zijn de cijfers ook aangepast door nieuwere brongegevens. De nationale rekeningen zijn onder andere de bron van veelgebruikte macro-economische variabelen als het bbp, het handels(export)saldo en ook het overheidstekort en de overheidsschuld. “

Omdat opendata de layout i.t.t. Statline niet vasthoudt in de link, heb ik voor een aantal gevallen de schermprint van de instellingen opgenomen.

[1a] Overheidsschuld mutaties 1995-2017 – sector overheid

https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/82565NED/table?ts=1520271585649

[1b] Overheidsschuld tegen marktwaarde

https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/82567NED/table?ts=1521490101162

[1c] CPB data 1814-2018

https://www.cpb.nl/cijfer/lange-tijdreeksen-overheidsfinancien

[1d] CPB juniraming 2018

https://www.cpb.nl/persbericht/groei-houdt-aan-politieke-risicos-toegenomen

[2] Bronnenmateriaal interestlast overheidsschuld:

De staat der Nederlanden strooit regelmatig andere cijferreeksen over onze interestlast rond en het valt niet mee om de “juiste” cijfers op tafel te krijgen. Het CPB helpt daarbij ook niet echt, want die doet hetzelfde met zijn lange termijnreeksen. Hopelijk is het ons toch gelukt.

Onderstaande publicatie laat zien dat het CBS de brutocijfers gebruikt. De cijfers zijn inmiddels weer achterhaald zie [2a]:

https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2014/20/historisch-lage-rentelasten-voor-overheid-in-2013

[2a] CBS Rente-uitgaven

https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/84116NED/table?ts=1531514013579

[2b] CBS Rente-inkomen

https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/84115NED/table?ts=1531513557810

De splitsing tussen D41 inkomsten en D41 uitgaven valt natuurlijk te sturen en daarom zou het logisch zijn om de rentelast per saldo netto te nemen. In tabel 4 is dat nettor bedrag aangehouden.

[2b] CPB jaren 1814-2018

https://www.cpb.nl/cijfer/lange-tijdreeksen-overheidsfinancien

[2c] Het Ministerie van Financiën (toch ambtenaren zat) heeft noch een boodschap aan de cijfers van het CBS noch aan die van het CPB en geeft weer een eigen cijferreeks om de Tweede Kamer te informeren.

Antwoord vraag 32 door MvF – zie daarvoor vraag 24:

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2016/09/30/bijlage-1-antwoorden-kamervragen-miljoenennota-2017

[3] Onze Koning op voorspraak van Rutte en Dijsselbloem:

“Momenteel betalen alle Nederlanders samen – zelfs bij de huidige lage rentestand – 11 miljard euro per jaar aan rente over de overheidsschuld. Als de schuld groeit en de rente stijgt, gaat die rentelast steeds zwaarder drukken op economische groei, op betaalbaarheid van voorzieningen en op de inkomens van mensen.” {troonrede 2013}

De Koning had natuurlijk, geadviseerd door de Raad van State, even nagelaten om te vragen bij de heren Rutte en Dijsselbloem wat er eigenlijk zou gebeuren met het rendement op het pensioenvermogen onder die omstandigheden. Zelfs ons CPB had aan die vraag een hele kluif gehad gezien de wereldwijde spreiding van de beleggingen van die pensioenfondsen (86% in het buitenland belegd).

[4a]Laura van Geest , “Sound Public Finances Experience with Fiscal Institutions in the Netherlands “,

https://www.imf.org/external/np/seminars/eng/2015/capdr/pdf/lvangeest.pdf

Ik doel hierbij in het bijzonder op slide 7, een typisch voorbeeld van geschiedvervalsing.

[4b] De uitgebreide aandacht van het CPB voor Reinhart en Rogoff in het CEP 2009 (13 x) en de CPB-evaluatie 4 jaar later mag op zijn minst opmerkelijk genoemd worden in het licht van de uiterst rooskleurige stand van ’s Rijk financiën (tabel 1). De “reële” overheidsschuld van het CPB tijdens de “top”en het “dal” krijgt dan ook zijn eigen dimensie:

https://www.cpb.nl/sites/default/files/cep2013_kader_pag11.pdf

De graduate student Thomas Herndon haalde de heren Carmen Reinhart and Kenneth Rogoff onderuit en toonde aan dat er aan het peer review van het blad American Economic Review een steekje los zat:

http://www.peri.umass.edu/fileadmin/pdf/working_papers/working_papers_301-350/WP322.pdf

[5] https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33400-4.pdf

“Het bedrag aan pensioenpremies in de tweede en derde pijler loopt volgens het CPB op van 43,4 miljard euro in 2013 naar 48,3 miljard euro in 2017. De budgettaire derving die optreedt als gevolg van deze premies loopt op van 20,0 miljard euro in 2013 naar 21,8 miljard euro in 2017. Uiteraard betreft het hier een partieel budgettair effect: tegenover de
kosten van aftrek van pensioenpremies in 2013–2017 staan de belastingopbrengsten
over de pensioenuitkeringen. Circa 41 procent van de pensioenpremies wordt afgetrokken tegen een tarief van 52 procent.”

Uiteraard betreft het hier een partieel budgettair effect want die pensioenpremies die ten grondslag liggen aan de pensioenuitkeringen zijn in een eerder stadium al eens door die belastbetalers opgebracht. Uiteraard zwijgt het ministerie over de 17% belastingderving. Over de vermogensrendementsheffing beweert het MvF ook de grootst mogelijke onzin: het rendement begrepen in de pensioenuitkering wordt namenlijk gewoon belast tegen 35%.

[6] Notities 1-4 bij brief over dividendbelasting

In de onsamenhangende en renundante in elkaar geflanste informatieset pagina 73

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2018/04/24/notities-1-m-4-bij-brief-over-dividendbelating

Mijn commentaar op de notitie van het Ministerie van Financiën is dat zij intern juni 2017 bij het ministerie kennelijk rekenen met € 1.500 mld. aan pensioenvermogen en een belastingtarief van 30%. Daar klopt geen hout van – zie tabel 1.

[7] Dankzij Rutte I & II was Nederland door de lage groei naar de stand 2016 ook nog eens € 56 mld. aan bbp kwijt. Tegen een percentage van 37,5% valt er dan door de staat € 21 mld. per jaar minder te besteden.

Zie ook

Bas Jacobs, https://basjacobs.wordpress.com/2016/09/19/de-rekening-van-rutte/

De slakkengang van het OM

______________________________________________________________________________________________________________________________________

In het verleden hebben we hier geen aandacht besteed aan de Henry Keizer affaire omdat Rutte ons in slaap had gewiegd met de geruststellende mededeling dat Keizer “zeker een integere man is”. [3] Bovendien schoot de tuchtklacht tegen de accountant bij de Accountantskamer ook niet echt op. De journalisten van Follow The Money Eric Smit en Kim van Keken deden uitstekend werk om aan de hand van door hun overlegde stukken de kwalijke praktijken van Keizer c.s. aan de orde te stellen en werden eerst overigens nauwelijks serieus genomen door het overige journaille (m.u.z. FD en Nieuwsuur). De prijs is dan ook welverdiend. [4;5]

Het OM is kennelijk ook uit een diepe winterslaap ontwaakt en is recent tot actie overgegaan. In deze bijdrage hebben het op basis van het tijdschema even over “ons” OM dat zoals bekend momenteel alleen tijd heeft voor affaires die de roddelbladen niet zouden misstaan en daarom nauwelijks aan tijdige vervolging toekomt.

______________________________________________________________________________________________________________________________________

De artikelen verschenen in Follow the money m.i.v. 22 april 2017.  We slaan wat trajecten over en Lakeman, die in tegenstelling tot veel van zijn collega’s wel uitstekend balans kan lezen, dient op 16 mei 2017 aangifte wegens oplichting in tegen 9 bestuurders van de Facultatieve en de beheersmaatschappij. [6] De accountantskamer moddert verder en de NBA ziet kennelijk geen reden om verder eigen actie te plegen.  Op 22 mei 2018, een jaar na de aangifte van Lakeman legt het OM beslag onder verdenking van oplichting en valsheid in geschrifte.

Het FD vermeldt ook nog:

“De fiscale opsporingsdienst Fiod heeft eind mei (CM 2018 en niet 2017) doorzoekingen gedaan in vier woningen en een bedrijfspand. Bij dat laatste gaat het volgens bronnen van het FD om het Haagse hoofdkantoor van uitvaartbedrijf De Facultatieve. Tijdens de doorzoekingen is administratie in beslag genomen. Er zijn geen aanhoudingen verricht.

Het strafonderzoek staat onder leiding van het in fraudebestrijding gespecialiseerde Functioneel Parket van het OM, meldt een woordvoerder desgevraagd. Zij wil niet nader op de zaak ingaan. Aanleiding voor het strafonderzoek is volgens haar ‘een aangifte’.”

Noot: Uit de opmerking van woordvoerder Charles Huijskens valt op te maken dat het hier om de aangifte van Lakeman moet gaan. (Het OM, te druk met vozen, leest geen kranten en doet dus nooit eigen onderzoek)

Het Functioneel Parket van het OM heeft kennelijk een jaar op zijn krent/derrière gezeten. Een blind paard, dus zelfs het OM, kon immers aan de hand van de door FTM opgedoken stukken al vaststellen wat er gebeurd was en anders had een gesprekje met Lakeman voldoende details opgeleverd voor doorzoeking en beslagname van de administratie. Nu dit niet het geval is heeft het OM zijn plicht verzaakt door daar een jaar mee te wachten.

Lakeman had het over 9 bestuurders, kennelijk is nu alleen nog sprake van de verdachten K. en de B. In het toeziend oog van de VVD’ers: oud-minister Loek Hermans en senator Anne-Wil Duthler zat kennelijk ook een vuiltje waardoor het zicht aanmerkelijk werd vertroebeld en zij hun functie niet naar behoren konden uitoefenen.

We konden klaarblijkelijk toch afgaan op een “oppervlakkig onderzoek van een journalist” (Jorritsma) [7] en we kunnen weer een turfje zetten op de lijst met VVD-schandalen. [8] De lucky buy valt uiteindelijk misschien toch wat ongelukkig uit en levert badwill op voor onze Teflon MP.

__________________

Laatst bijgewerkt 3 juli 2018

[1] FD, Gaby de Groot, Vasco van der Boon, “OM verdenkt ex-VVD-partijvoorzitter Keizer van oplichting en valsheid in geschrifte”

https://fd.nl/economie-politiek/1260678/om-verdenkt-ex-vvd-partijvoorzitter-keizer-van-oplichting-en-valsheid-in-geschrifte?_sp=885c38c8-e044-4eca-af14-e4f3f13310fc.1530641560157

[2] VK, Maaike Vos, “Justitie verdenkt voormalig VVD-voorzitter Henry Keizer van oplichting en valsheid in geschrifte”,

https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/justitie-verdenkt-voormalig-vvd-voorzitter-henry-keizer-van-oplichting-en-valsheid-in-geschrifte~b3bf45d1/

[3] https://nos.nl/artikel/2170684-rutte-henry-keizer-is-integer-en-alle-feiten-liggen-op-tafel.html

[4] https://www.annevondelingprijs.nl/winnaars/juryrapport-anne-vondelingprijs-2017/

https://nos.nl/artikel/2216026-follow-the-money-wint-prijs-voor-artikelen-over-ex-vvd-voorzitter.html

[5] https://nos.nl/nieuwsuur/artikel/2170642-keizer-stuurt-iedereen-met-een-kluitje-in-het-riet.html?title=keizer-stuurt-iedereen-met-een-kluitje-in-het-riet

[6] “Aangifte van oplichting tegen bestuurders Facultatieve en Henry Keizer c.s.”

https://www.sobi.nl/aangifte-van-oplichting-tegen-bestuurders-facultatieve-en-henry-keizer-c-s/

[7] Jorritsma: ‘Niet afgaan op oppervlakkig onderzoek van journalist’

https://www.bnr.nl/nieuws/politiek/10322402/jorritsma-zaak-keizer-schadelijk-voor-vvd

[8] https://www.vn.nl/integriteits-index-6/

Things as certain as death and taxes (Defoe)

__________________________________________________________________________________________________________________________________________________

In een eerdere bijdrage lieten we al eens zien dat er een aantal anomalieën in het erfrecht waren. Het boek “Voor wie is de erfenis? – over vrijheid, gelijkheid en familiegevoel” is voor mij aanleiding daar nog eens op terug te komen.[1]

De conclusie die uit het boek voor mij opduikt is dat eerst de belasting op inkomen uit vermogen maar eens fundamenteel moet worden aangepakt. Daarna kan bekeken worden wat in de toekomst een meer rechtvaardig belastingsysteem is om de erfenis te belasten zo er dan nog aanleiding toe bestaat. De auteurs stellen dat het animo om de erfbelasting aan te pakken bij politici niet erg groot is getuige de parlementaire behandeling van wetswijziging in 2009, waarbij het tarief door de Jager flink werd verlaagd. (1, hfdst. 12] De populist Rutte noemde de erfbelasting de meest onrechtvaardige belasting die er bestaat en bij een VVD’er moet dat dus wel buitengewoon onrechtvaardig zijn. [1, blz. 217] Het animo om de belasting op inkomen uit vermogen aan te pakken is zo mogelijk nog geringer. De dividendbelasting hassle is daarvan slechts een voorproefje.

__________________________________________________________________________________________________________________________________________________

§ Inleiding

Het erfbelasting tarief voor 2018 kan als volgt worden samengevat (m.u.z. ondernemingsvermogen):

♦ Het zal duidelijk zijn dat de vrijstellingen voor de kinderen van een calvinistische krenterigheid zijn. Aangezien deze tarieven ook gelden bij schenking zal die belasting op grote schaal worden ontdoken en daar vraagt de wetgever dan ook zelf om.

Ongeveer 40% van alle particuliere vermogens is afkomstig van erfenissen.[1, blz. 9] Dat deel van het vermogen is dus al eens met erfbelasting belast geweest en in die zin is voor dat deel sowieso sprake van dubbele belasting. Het geërfde vermogen is in het Nederlandse belastingstelsel zeer gebrekkig onderhevig geweest aan belasting op inkomen uit dat vermogen en er is dus alle reden om bij vererving daar een correctie op toe te passen. De kans dat die erfbelasting leidt tot een vermindering van de contante waarde van de toekomstige belastingopbrengsten op het weg belaste geërfde vermogen is in Nederland dan ook vrij gering. Toch levert een vermogensrendementsheffing op basis van 5,38% rendement op een erfenis die wordt aangehouden van € 100.000 al tegen een discontovoet van 3% voor 30 jaar zo’n 13% van dat vermogen aan belasting op. De erfbelasting moet dan hoger zijn dan dat percentage om meer belasting op te brengen. Zo niet dan is sprake van kapitaalvernietiging door de overheid.

Daarnaast belast de erfbelasting de draagkrachttoename, voor zover die niet door een rechtvaardige belasting op het inkomen uit vermogen wordt afgedekt. Mocht dit wel het geval zijn dan is sprake van een dubbele belasting op dat inkomen. We zullen in deze bijdrage nader ingaan op de erfbelasting vanuit het oogpunt van de erflater (boedelbelasting) en de erfgename (verkrijgingsbelasting).

Als 30% van de erfenis direct wordt uitgegeven [ 1, blz. 17] zal daar veelal indirecte belastingen (veelal 21% BTW) over worden betaald. In die zin is dan ook sprake van een dubbele belasting.

Bij de erfbelasting wordt al het vermogen over een kam geschoren ( m.u.z. van het familie ondernemingsvermogen) er bestaat echter alle aanleiding om een onderscheid te maken per vermogenscomponent gegeven ons belastingstelsel dat grote gelijkenis vertoont met een Emmentaler.

§ 2 Potentiële vermogens die in aanmerking komen voor erfbelasting

In de bijdrage erfbelasting gingen we al eens uitgebreid in op het cijfermateriaal. Omdat dat cijfermateriaal nog steeds actueel is volstaan we met onderstaand overzicht:

Tabel 1 Totaal en gemiddeld vermogen 65 jaar en ouder

♦ De 26,3 % huishoudens met een hoofdbewoner ouder dan 64 nemen  42,2% van het vermogen voor hun rekening.

♦ De hypotheekschuld loopt dus op voor de boven 64-jarige door wanbeleid van de staat. Als homo economicus kun je daarnaast in de vrije sector niet economisch verantwoord huren.

♦ Naast het particuliere vermogen laat de erflater natuurlijk ook zijn aandeel in het staatsvermogen na. Door de belastingclaim op het pensioenvermogen van ca € 600 mld. is dat een substantieel bedrag. Voor het eerst laat een generatie eindelijk eens geen staatsschuld na.

♦Recente data voor de erfbelasting zijn niet beschikbaar omdat de belastingheffing erfbelasting volledig in de soep is gedraaid.[8]

§ 3 Erfbelasting vanuit de verkrijger

Volgens onze economen kan een onderscheid gemaakt worden tussen een beoogde en een onbedoelde nalatenschap. Aangezien ca 25% niet beoogd is kun je dat deel tegen 100% wegbelasten. Je komt dan op een gemiddeld tarief van 25%. De Kam komt ook op een tarief van 25%, een verhoging van 227% t.o.v. het huidige tarief van gemiddeld 11%. [1, blz. 85], net als Jacobs. [3]

§3.1 Banktegoeden en vastrentende waarden.

Uitgaande van een inflatie van 1,7% en een interestpercentage van 0,3% banktegoeden en 0,53% (10 jarige obligaties) bedraagt het effectieve rendement tussen de -1,9% en -3,0%:

♦ Onze erflater is de laatste jaren dus aardig bestolen door de staat der Nederlanden en de erfgenamen hebben derhalve nog een flinke vordering op die staat waarover ze dan wel weer erfbelasting moeten afdragen. [4] Van “bescherming van het vermogen door de overheid” [1, blz. 48] is voor deze groep volstrekt niets terecht gekomen, de staat heeft eerder de Robin Hood taak overgenomen en pleegt dus wanprestatie. Naast een habituele leugenaar (zie het motto van deze site) kun je de staat ook terecht van diefstal beschuldigen en daarmee eigenlijk als criminele organisatie aanmerken.

♦ Alleen de banksaldi maken 24% van het vermogen van de boven 64-jarigen uit. Daar komen de vastrentende waarden nog bij.

♦ Het dividendinkomen uit aandelen (geen aanmerkelijk belang) wordt forfaitair belast. Voor zover dat rendement hoger dan het VRH-rendement is (maximaal 5,38%), wordt te weinig belasting geheven. Bij een lager rendement wordt te veel belasting geheven. Belasting op basis van werkelijk rendement is een eitje, behalve voor ons incompetente Ministerie van Financiën (cf CPB). [4]

§3.2 De eigen woning.

Caminada stelde, geciteerd in de Volkskrant dat

De Leidse hoogleraar Koen Caminada, die vindt dat het met de Nederlandse vermogensongelijkheid wel meevalt, steunt het pleidooi voor hogere erfbelasting. Caminada, niet betrokken bij het boek, voert nog een extra argument aan voor erfbelasting: de hypotheekrenteaftrek. Drie op de tien erflaters laten een huis na, goed voor 40 procent van de waarde van erfenissen. ‘Dat huis van opa en oma, bijna altijd vrij van hypotheek, gaat dan naar de kinderen, terwijl het deels uit de schatkist is betaald via de hypotheekrenteaftrek. Dan is het niet zo raar dat daar via de erfbelasting een correctie op plaatsvindt.’

Ook Asscher stelde namens het kabinet Rutte II dat “Het kabinet ziet op dit moment dan ook geen indicaties om te veronderstellen dat de vermogensverdeling onevenwichtig is”.

♦ Ten eerste valt het met de vermogensongelijkheid in Nederland helemaal niet mee. [5]. Ook het pensioenvermogen is immers zeer ongelijk verdeeld. De volgende grafiek met de cumulatieve vermogensverdeling per vermogens- en inkomensdeciel maakt dat duidelijk:

♦ Ten tweede kan gesteld worden dat opa en oma, als zij een beetje vermogen achterlieten die hypotheekrenteaftrek ten dele zelf betaald zullen hebben omdat zij meer belasting in box I moesten betalen om dat HRA-infuus op te brengen. Free lunches bestaan nu eenmaal niet. (idem pensioenpremieaftrek) Met een erfbelastingtarief van 25% wordt het hele HRA-infuus overigens dik terugbetaald. Dat “bijna altijd vrij van hypotheek” valt tegenwoordig ook nogal tegen (tabel 1). De eigen woning die onder water staat is een buitenkansje voor de staat: de HRA-vervalt. Wel zal de bank het boekverlies ten laste van zijn belastbare winst brengen.

♦ De € 100.000 vrijstelling schenkbelasting ter bevordering eigen woning bezit leidt enerzijds tot een derving van schenk- en/of erfbelasting,  anderzijds mogelijk tot een vermindering van het HRA-infuus door de overheid, zodat die twee elkaar redelijk compenseren. Schrappen levert dus aanzienlijk minder op dan De Kam voorstelt. [1, blz. 100]

♦ De erfenis eigen woning wordt sowieso bijna twintig procent te hoog voorgesteld omdat de huizenprijzen worden opgedreven door het HRA-infuus (Conijn) en daarenboven de grondpolitiek van de staat (= dus twee keer vangen).

§3.3 Voortzetting geërfde onderneming (bedrijfsopvolgingsregeling)

Een erflater die de geërfde onderneming voortzet kan een vrijstelling genieten ter groote van € 1.071.987 en 83% vrijstelling over de goingconcernwaarde boven € 1.071.987. Aan e.e.a. zijn een aantal voorwaarden verbonden, waarbij de aanslag in 10 jaar kan worden voldaan met invorderingsrente. [6] Als het bedrijf verkocht wordt, kan de financiering meestal eenvoudig geregeld worden, maar bij een erfenis moet natuurlijk het grootste deel van het familiekapitaal zeker gesteld worden. Dit is fundamenteel in strijd met het gelijkheidsbeginsel. [1, blz 92]. Maar ja, daar kennen we met de zelfstandigenaftrek en met name met de mkb-winstvrijstelling van 14% wel andere staaltjes van: de werknemer mag met zijn loonheffing het verschil aanzuiveren.

§3.4 Dubbele belasting

We wezen er al op dat 40% van het vermogen zijn oorsprong vond in een vorige erfenis.  Na drie generaties is er dus 51% van de oorspronkelijke erfenis over (20% erfbelasting) als het rendement wordt besteed aan consumptie en de vermogensbelasting. Ook wordt 30% van de erfenis direct uitgegeven en kunnen we de erfbelasting over dit deel van de erfenis ook aanmerken als een dubbele belasting omdat daar al indirecte belastingen over zal worden betaald.

§ 4 Erfbelasting vanuit de verkrijger.

In §3 zagen we dat de erflater eerst nog wat voorwaardelijke verplichtingen jegens de fiscus moest voldoen alvorens zijn vermogen beschikbaar kwam voor de erfgenaam. Voor zover de erflater niet van de gesignaleerde fiscale voordelen heeft geprofiteerd en de fiscus toch vangt is, sprake van regelrechte diefstal (art. 10 recht op eigendom EU).

Hier kunnen we de erfbelasting aanmerken als een up front aanbetaling op de belastingvoordelen die een vermogensbezitter zoal geniet binnen het Nederlandse belastingstelsel dat veel weg heeft van een glijbaan naar belastingvrijdom. [7] Realisatie van die voordelen is, gezien de politieke samenstelling van de Tweede Kamer, redelijk zeker hoewel de overheid natuurlijk habitueel graag naar zich toerekent, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de voorstellen om de AOW-premie achteraf te fiscaliseren en de VRH voor de lagere vermogens, die al zijn afgeroomd door belasting in box 1. (§3.1)  Een eenmalige heffing bij een toekomstige bankencrisis is ook niet uit te sluiten, tenslotte is er na de vorige crisis eigenlijk nog niets opgelost.

§ 5 Overige opmerkingen

♦ Van de in 2009 beloofde aanpak van de belastingontduiking (wetsvoorstel erfbelasting) is het voornemen thans in de regeringsverklaring Rutte III opgenomen. Zonder Trouw en het FD was daar tot voor kort weinig van terechtgekomen. De mankracht zal voorlopig wel ontbreken: ons belastingsysteem wordt immers met touwtjes bij elkaar gehouden.

♦ Op één van de constructies om de erfbelastingen te matigen wees ik al eens. Ongetwijfeld zijn er veel meer met buitenlandse trust e.d. De inkeerregeling laat zien dat er ook genoeg niet legale mogelijkheden zijn met uiterst lankmoedige sancties: je moet tenslotte je frauderende kiezersachterban tegemoet komen.

_________________________

Laatst bijgewerkt 26 juni 2018

[1] Paul de Beer, Jelle van der Meer, Janneke PLantenga & Wiemer Salverda (red.), Voor wie is de erfenis? – Over vrijheid, gelijkheid en familiegevoel, Amsterdam, juni 2018,

[2] VK, “Erfbelasting is helemaal niet doodzonde en ‘past bij het liberale idee van gelijke startkansen’”,

https://www.volkskrant.nl/economie/erfbelasting-is-helemaal-niet-doodzonde-en-past-bij-het-liberale-idee-van-gelijke-startkansen-~bf56a45b/

https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/economen-pleiten-voor-hogere-erfbelasting-en-lagere-belasting-op-arbeid~bb6a6555/

[3] Bas Jacobs, “Fundamentele herziening van belastingen op kapitaalinkomen”,

https://personal.eur.nl/bjacobs/ESB_Jacobs_Prinsjesdag2017.pdf

Dat tarief kan volgens Jacobs ook fluctueren van 20-50% al naar gelang de politieke voorkeur in een ander artikel.

[4] De opeenvolgende staatssecretarissen de Jager, Weekers en Wiebes misten de noodzakelijke intelligentie c.q. politieke wil om deze vermogenscomponenten tegen werkelijk behaald rendement te belasten. Ook het CPB is van mening dat dit redelijk eenvoudig te implementeren valt.

[5] Wiemer Salverda, “Vermogensongelijkheid op recordhoogte”, Me Judice, 13 april 2015.

http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/vermogensongelijkheid-op-recordhoogte

[6] https://download.belastingdienst.nl/belastingdienst/docs/erf_schenkbel_bedropvolgingsreg_2018_suc0351z81fd.pdf

[7] Arie C. Rijkers, “Een inkomensbegrip voor de 21e eeuw”,

https://www.tilburguniversity.edu/upload/6dfcaed5-d0de-4c63-9527-efd6d16ca07c_130562_oratie_A_Rijkers.pdf

[8] https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31066-393.html

Dashboard ABP, PFZW,PMT, PME & bpfBOUW 2017

____________________________________________________________________________________________________________________________________________

Deze bijdrage is een actualisering van de 4e kwartaal 2017 gegevens van de vijf grote bedrijfspensioenfonden aan de hand van de jaarverslagen 2017 en de pensioencijfers 2017 van de pensioenfondsen, voorzover thans beschikbaar.

____________________________________________________________________________________________________________________________________________

§1 Geactualiseerd dashboard eind 2017

Tabel 1 Dashboard

♦ Omdat al het cijfermateriaal FTK driven is, kan men beter eerst even kennisnemen van een aantal kritische opmerkingen over de wijze waarop dit cijfermateriaal wordt bepaald. Gezien de beknoptheid van de papers van Frijns en De jong ga ik hier hun punten niet herkauwen maar verwijs naar hun papers voor de evaluatie van het FTK door de Tweede Kamer. [8]

♦ Inmiddels wordt wel algemeen erkend dat de beleidsdekkingsgraad een volstrekt onbetekende grootheid is. Ook de reële dekkingsgraad is een stukje folklore zolang reëel niet eenduidig gedefinieerd wordt en van indexatie voor vier van de grote bedrijfspensioenfondsen een verre stip (∞) op de horizon is.

♦ Doordat het FTK geen voorschrift meer kent ten aanzien van een minimale
premiedekkingsgraad gaat nieuwe opbouw ten laste van met name gepensioneerden en de oudere actieve deelnemers. Nieuwe opbouw werkt daardoor vertragend op het herstel. In elk geval valt op dat de hoogte van premiedekkingsgraad bij de overheid van 69% een godgeklaagd schandaal is. Maar ja als de jongeren daarover gaan zeuren moeten ze natuurlijk wel meer belasting gaan betalen.

♦ “Sinds de inwerkingtreding van het nFTK in 2015 hebben de ingelegde premies gemiddeld genomen de kostprijs van het pensioen niet gedekt. De financiering van de nieuwe pensioenopbouw is daarmee ten koste gegaan van de financiële positie van de pensioenfondsen. In 2015-2017 werd op deze wijze in totaal voor € 15,9 miljard aan nieuwe pensioenopbouw gesubsidieerd uit het vermogen van de pensioenfondsen. Tegelijkertijd werden pensioenen, ondanks dat er tekorten waren,meerdere jaren achter elkaar volledig uitgekeerd. In 2015-2017 werd op deze wijze een totaal van € 1,9 miljard uitgekeerd ten laste van het fondsvermogen.”[7] In totaal gaat het dus om € 17,8 mld., waarvan minstens € 10,2 mld. valt toe te rekenen aan de vijf grote bedrijfspensioenfondsen. De jongeren hoor je hier ook nooit over.

§1.1 Relatieve belang van de vijf grote fondsen

Tabel 2 Relatieve belang bedrijfspensioenfondsen

♦ Het verloop van de algemene reserves van de grote vijf t.o.v. de totale algemene reserve geeft aan hoe “goed” deze vijf grote fondsen het doen en is een graadmeter voor de de actuele en op termijn de beleids-dekkingsgraad.

§2 Aantallen

Tabel 3 Aantallen bedrijfspensioenfondsen

♦ Door de grote aantallen gewezen deelnemers met vaak kleine flutpensioentjes zijn deze aantallen in totaal nietszeggend.

§3 Herstelplannen

De beoordeling van de herstelplannen door DNB gaat niet veel verder dan dat het geheel is nagerekend aan de hand van een invultemplate, waarbij voor de beleggingsparameters door de pensioenfondsen systematisch de bovenkant van de range wordt gekozen. De “bovenkant” is overigens acceptabeler dan DNB vagelijk suggereert. [8 de Jong] De samenvatting voor alle fondsen is als volgt [2]:

Tabel 4 samenvatting herstelplannen alle pensioenfondsen en grote vijf

♦ DNB vermeldt daarbij “hoe groot de beleggingen in zakelijke waarden waren, in welke mate het renterisico is afgedekt en hoe hoog de premiedekkingsgraad is, oftewel, hoe hoog de premie is die wordt geheven.”. Naar in aanneem slaat het renterisicio op het renterisico op de beleggingen en niet op de hanky panky rekenexcercitie van DNB om de UFR te bepalen. [3] De suggestie die DNB hier lijkt te doen is dat de herstelplannen niet het papier waard zijn waarop ze geschreven zijn. Waarbij en wannneer hebben we een dergelijke houding van DNB eerder gezien? (hint 2008) Het indekken van  renterisico’s creëert overigens ook een risico en alleen veehouders mogen een koe in zijn kont kijken. Zoals uit tabel 5 blijkt, kun je bij elk herstelplan wel een leuterverhaal schrijven over het behaalde rendement in enig jaar t.o.v. de projectie: de hele financiële wereld leeft ervan.

♦ Indien de pensioenfondsen met een reële rekenrente mochten rekenen, kunnen de herstelplannen de stortkoker in en kan het geld dat de pensioenfondsen daaraan besteden aan de pensioendeelnemers worden uitgekeerd. DNB concludeerde immers:

“DNB heeft onlangs de beoordeling van de herstelplannen van 157 pensioenfondsen afgerond. Daaruit komt naar voren dat, net als in 2015 en 2016, pensioenfondsen dit jaar verwachten te herstellen door hoge verwachte beleggingsresultaten in hun herstelplannen op te nemen. In de herstelplannen draagt de premie over het algemeen negatief bij aan het herstel. Dat komt omdat veel fondsen de premie dempen, waardoor ze een lagere premie heffen dan voor de inkoop van de pensioentoezegging nodig is.”

♦ De misleidende DNB-grafiek “Verwachting 2015 vs werkelijkheid” herhalen we hier maar niet: zou DNB vergeten zijn wat de rendementen op de vastrentende waarden  zijn geweest in 2014 en de consequenties voor volgende jaren? [2]  We stellen daar onze grafiek van de vijf grote fondsen tegenover:

Grafiek 1 5 jaars gemiddeld rendement grote bedrijfspensioenfondsen

♦ Het ontstane gat in 2008 was in 2009-2010 al grotendeels hersteld. Die goeie ouwe 4% was kennelijk zo gek nog niet.

of in tabelvorm per jaar:

Tabel 5 Rendement vijf grote bedrijfspensioenfondsen

♦ De tabel kunt u als volgt lezen:

Een 67-jarige ABP’er die 1/1/2003 met pensioen zou zijn gegaan met nog ≈ 15 levensjaren te gaan had gedurende de hele looptijd (2018K1) van zijn pensioen een rendement van 7,7% gemaakt. Een deel was nodig om de lage premiedekkingsgraad op te vangen maar de vraag die hij nog wel aan zijn pensioenfonds moet stellen voor hij echt de pijp uitgaat is wie er met het overige overrendement vandoor is gegaan en hoeveel geld hij hiervan zelf heeft gevangen?

♦ Het is toch volstrekt logisch dat deze vijf grote fondsen gezien de “slechte” rendementen op het strafbankje van DNB terecht zijn gekomen. We zullen zien wat er gebeurt als Draghi zijn handeltje opdoekt en de rente eindelijk gaat stijgen [ ? 5] en hoe slim het uiteindelijk was om het renterisico in grote mate in te “dekken”.

♦ Om de “pure misleiding van DNB-gehalte” van de heer Kortekaas even te adresseren (zie zijn reactie). Die 3,4% slaat alleen op een doorrekening van de samengestelde rente met de rekenrente van dat ogenblik. Die rekenrente heeft natuurlijk betrekking op de toekomstige rente. DNB pretendeert in zijn wijsheid de risicovrije rente voor de komende 100 jaar te kunnen voorzien door de risicovrije rente te extrapoleren [3]. Die UFR-grafiek ziet er dan voor de jaren 2005-2018K1 als volgt uit [4]:

Grafiek 2 UFR 2005-2018K1

♦ U begrijpt het natuurlijk al: inmiddels is het eind maart 2118 en de rente is dan opgelopen tot wel  2,2%, uiteraard risicovrij. Het rendement op basis van de UFR bedraagt de eerstkomende 5 jaar gemiddeld 0,03%. Het is maar goed dat het rendement op pensioenvermogen is vrijgesteld van vermogensrendementsheffing (VRH). Het Ministerie van Financiën heeft voor de vaststelling van die forfaitaire rendementspercentages nieuwe stijl een diepgaande studie verricht en komt tot de conclusie dat de grotere vermogens fluitend 5,38% rendement kunnen halen. Zei Zalm niet bij de introductie van de VRH in 2001 : “Elke sukkel haalt meer dan 4% rendement”. De pensioenfondsen bewijzen dat dit, althans voor een profesionele vermogensbeheerder, nog steeds het geval is. Alleen DNB is, met instemming van een meerderheid van onze parlementariërs, een andere mening toegedaan.

♦ De rendementen van de grote vijf zijn overigens niet uitzonderlijk zoals ik in § 3 van de bijdrage Fransman’s politieke compromis al eens uiteenzette.

♦ Teulings heeft er in ESB terecht opgewezen dat de pemsioenlobby particuliere belangen heeft die in hun voorstellen tot uitdrukking komen. Dit is b.v. het geval met de aan te houden buffers, die niet negatief mogen zijn, en daarom per definitie alleen de toekomstige generatie ten goede kunnen komen, zo dit geld ooit aan de pensioenpot ontsnapt. Laat het FTK-stelsel weinig attractief blijven en de publieke opinie wordt rijp gemaakt om de vrije markt ruim baan te geven. Die 7 miljoen woekerpolissen is men allang vergeten, hoewel die lang nog niet allemaal al zijn afgewikkeld.

♦ “Pensioenfondsen hebben tegenvallers altijd deels doorgeschoven naar toekomstige generaties.”. aldus Teulings. [6] Me dunkt dat de huidige pensioengeneratie daarop een uitzondering vormt door een groot deel van de overrendementen door te schuiven naar de toekomstige generatie. (– zie ook)

____________________

Laatste bijgewerkt 18 juni 2018

Disclosure: geen belanghebbende, want ik heb geen noemenswaardig pensioen.

[1] Bronnen

[1a] Jaarverslag ABP, http://jaarverslag.abp.nl/docs/ABP_JV_2017/pdfs/ABP_JV_2017_00_Totaal.pdf

[1b] Jaarverslag PFZW, https://www.pfzw.nl/Documents/Over-ons/jaarberichten-en-jaarverslagen/PFZW_jaarverslag_2017.pdf

Voor de indexatie-achterstand (niet bij)

https://www.pfzw.nl/over-ons/over-ons/indexering-van-het-pensioen/Paginas/default.aspx

[1c] Jaarverslag PMT,

https://www.bpmt.nl/client/bpmt/upload/downloads/182083%20PMT%20JV2017%20DIGI.pdf

[1d] Jaarverslag PME,

https://www.metalektropensioen.nl/client/pme/upload/downloads/Downloadspagina/Jaarverslagen/PME_jaarverslag_2017_incl_MVB.pdf

Voor de indexatie-achterstanden

https://www.metalektropensioen.nl/client/pme/upload/downloads/Downloadspagina/Formulieren/RET435-1_2017.pdf

[1e] Jaarverslag bpfBOUW, https://www.bpfbouw.nl/images/Jaarverslag_2017.pdf

[2] DNB, “DNBulletin: Herstel pensioenfondsen: perspectief op indexatie verbeterd “,

https://www.dnb.nl/nieuws/nieuwsoverzicht-en-archief/DNBulletin2018/dnb376714.jsp

[3] https://www.tweedekamer.nl/downloads/document?id=1f71f990-7a8c-43ad-b768-7de419cb7de2&title=Position%20paper%20J.%20Frijns%20t.b.v.%20hoorzitting%2Frondetafelgesprek%20Evaluatie%20Financieel%20Toetsingskader%20%28FTK%29%20d.d.%2017%20mei%202018.docx

[4] DNB,”Nominale rentetermijnstructuur pensioenfondsen (zero coupon)”,

https://statistiek.dnb.nl/downloads/index.aspx#/details/nominale-rentetermijnstructuur-pensioenfondsen-zero-coupon/dataset/8abd7ed2-8d45-47c7-91f8-b799d6202617/resource/2ea627aa-7f73-4be0-bc7c-4918cd8ba4b9

[5] FAZ, “Die Zinsen bleiben niedrig”,

http://www.faz.net/aktuell/wirtschaft/eurokrise/ezb-kommentar-die-zinsen-bleiben-niedrig-15640352.html

[6] C Teulings, Position paper,

https://www.tweedekamer.nl/downloads/document?id=88be027f-ebe7-4ad1-84a0-8bea88ad3c02&title=Position%20paper%20C.%20Teulings%20t.b.v.%20hoorzitting%2Frondetafelgesprek%20Evaluatie%20Financieel%20Toetsingskader%20%28FTK%29%20d.d.%2017%20mei%202018.pdf

[7] DNB, Met het nFTK nog niet in balans,

https://www.tweedekamer.nl/downloads/document?id=f8538506-3bb9-4f0b-8756-cb1badf776fa&title=Position%20paper%20DNB%20t.b.v.%20hoorzitting%2Frondetafelgesprek%20Evaluatie%20Financieel%20Toetsingskader%20%28FTK%29%20d.d.%2017%20mei%202018.pdf

[8] ] In het bijzonder:

Inbreng Jean Frijns, versie 7 mei

https://www.tweedekamer.nl/downloads/document?id=1f71f990-7a8c-43ad-b768-7de419cb7de2&title=Position%20paper%20J.%20Frijns%20t.b.v.%20hoorzitting%2Frondetafelgesprek%20Evaluatie%20Financieel%20Toetsingskader%20%28FTK%29%20d.d.%2017%20mei%202018.docx

Position Paper Han de Jong

https://www.tweedekamer.nl/downloads/document?id=c60512d1-94f0-4f6a-8ea9-6c6e96c4b37b&title=Position%20paper%20H.%20de%20Jong%20t.b.v.%20hoorzitting%2Frondetafelgesprek%20Evaluatie%20Financieel%20Toetsingskader%20%28FTK%29%20d.d.%2017%20mei%202018.pdf

Alle papers:

https://www.tweedekamer.nl/debat_en_vergadering/commissievergaderingen/details?id=2018A01210

Het evaluatierapport zelf, van Willis Towers Watson vindt u hier:

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/rapporten/2018/03/08/evaluatie-wet-aanpassing-financieel-toetsingskader/rapport+WTW+-+Rapport+evaluatie+FTK+def.pdf