Skip to content

AOW- leeftijd weer naar 65 jaar?

__________________________________________________________

Een tweetal populistische partijen lanceerden recent in hun concept verkiezingsprogramma, waarvan één programma de naam concept ten onrechte draagt door het ontbreken van leden. Daarin kwam het idee naar voren om de AOW-leeftijd weer naar 65 jaar terug te brengen. Daarmee laait een oude discussie weer op [4] en de pers tuimelde over deze partijen heen.

In deze bijdrage verzamelen we wat cijfermateriaal waarmee we aantonen dat de overige partijen net zo populistisch bezig zijn omdat ik voorlopig nog niet zie hoe die ruim 500.000 werkenden boven 65-jarigen in 2025, gegeven de huidige volgens Rutte kennelijk “sterke economie”  aan het werk gehouden kan worden.. Die zgn. sterke economie kent immers in 2017 nog steeds een hoge werkeloosheid van 6,2% of 560.000 werkelozen. (2007: 4% of 314.000)

__________________________________________________________

§1 Het Cijfermateriaal

Grafiek 1 De toename van het aantal levensjaren en de stijging van de AOW leeftijd 2013-2025

238_1

(1) In de periode 2013 – 2025 stijgt de AOW-leeftijd met 2,5 jaar. Een 65-jarige in 2025 heeft 1,5 jaar (m) en 1,1, jaar (v) langer te leven dan een 65-jarige in 2015.

Om even te laten zien wat al die politieke babbelkousen de aankomende pensionado (65 jaar) laat inleveren met die AOW-leeftijdsverhoging is onderstaand staatje illustratief:

238_7

(1) Die politici zijn natuurlijk alleen geïnteresseerd in uw gezonde levensjaren. De ongezonde levensjaren mag u zelf houden en laten ze graag aan staatssecretaris Martin van Rijn (PvdA) over, die zich als politieke pispaal laat gebruiken.

(2) Als de media het weer eens hebben over onze toename levensverwachting is bovenstaand staatje behulpzaam. De media geven die cijfers voor het gemak meestal voor een nuljarige (83,0/79,5). Zo nu kunt u die 2,5 jaar AOW-leeftijdsverhoging ten minste in perspectief plaatsen.

Grafiek 2 Prognose aantal 65-68 jarigen 2015-2025

238_2

Grafiek 3 Prognose aantal boven 65-jarigen die even geen AOW krijgen 2015-2025 (‘000)

238_3

(1) In 2025 zijn er dan volgens het CBS ruim een half miljoen minder in Nederland woonachtige AOW’ers dan onder het oude AOW-regime. [1] De ontwikkeling voor de jaren 2016- t/tm 2025 is in grafiek 3 in kaart gebracht op basis van die cijfers.

Grafiek 4  Ontwikkeling aantal bijstandtrekkers sind 2012 per maand (‘000) [2]

238_4

(1) Als je je statistiek mee laat bewegen met de AOW-leeftijd wordt een eventuele toename van de bijstanduitkering voor de boven 65-jarigen mooi aan het oog onttrokken.[2]

(2) Allochtonen met een AOW-gat zullen ook te maken krijgen met een bijstandsuitkering. Over die toekomstige kosten hoor je niets van de politiek. Over de volledig onlogisch opbouw van AOW-rechten van je 15e ≈ 67e jaar hoor je ook nooit iets.

Grafiek 5  Aantal werkelozen 2012-2016 (‘000) [3]

238_5

(1) De bruikbaarheid van de grafieken 4 en 5 gaat natuurlijk aanzienlijk omhoog als de leeftijdscatergorie 65-70 jarigen wordt verfijnd op jaarlaag. De kardinale vraag is nu hoe je beide grafieken tot 2025 kunt doortrekken. Een beredeneerd antwoord ben ik tot op heden niet tegengekomen en zo dat antwoord er wel is kan dat gegeven de notoir onbetrouwbare economische voorspellingen direct de stortkoker in.

(2) Volgens de mltv 2017-2021 zijn er eind 2021 510.000 werkelozen. Als het CPB zijn werk goed gedaan heeft is dan een substantieel deel van de 426.000 ouder dan 65 jarigen (2021 – grafiek 3) die geen AOW meer genieten nog aan het werk. Ik ben zo vrij om dat cijfer niet serieus te nemen.

(3) De totaal en overige werkelozen aantallen gaan gelijk op door de uiterst vlakke werkeloosheidscijfers voor de 45-65 jarigen.

(4) Zoals bekend is de verlaging van de AOW-leeftijd er destijds door heen gejast zonder adquate adressering van de financiële en arbeidsrechtelijke gevolgen voor de periode 2015- 2025.[4]

Een gotspe daarbij zijn de uitlatingen van Rob Fransman (VVD) van de Argumentenfabriek.[5] Die Argumentenfabriek heeft kennelijk een schreeuwend tekort aan het productiemiddel grijze cellen:

238_6

(1) Als we toch aan het terugdraaien zijn dan kunnen we ook de invoering van achturige werkdag van 11 juli 1919 terugdraaien. Gegeven het slechte onderwijs in Nederland kan ook het kinderwetje van Van Houten (1874) wel op de helling. Ook de vijfdaagse werkweek was economisch gezien kennelijk een grote misstap die snel omzeep geholpen moet worden. De Fransman-banen, niet te verwarren met de Melkert-banen zijn dan niet meer aan te slepen.

(2) Er blijft één klein probleempje over. Als we geen vrije tijd meer hebben, wanneer moeten we dan consumeren om het zuur verdiende geld op te maken en de op vrije ondernemingsgewijze gebaseerde productie (liefst in een ver goedkoop land zonder vakbonden := globalization) te consumeren? Na 20:00 uur in de week op het internet en op de helaas nog vrije zondag in de koopgoot moet wel genoeg zijn, hoewel dat natuurlijk zonde blijft van al die gemiste potentiële Fransman-banen.

(3) Al die 65+’ers met een uitkering zijn uiteraard geheel gratis en die zitten nog niet eens in de cijfers (grafiek 3).

(4) Gelukkig hebben we door de ontkerstening ook niets meer te maken met Timoteüs 5:18, Matteüs 10:10, Lucas 10:17. De loonontwikkeling van het laatste decennia is daarvan dan ook een neerslag. 

P.S. Overigens moet Fransman nog maar eens uitleggen wie al die pensioenrendementen (b.v. 23 jaar tegen 7%) in zijn zak steekt als Opa, na 20 jaar geen indexatie te hebben ontvangen, de pijp uitgaat. Als Opa zijn pensioenpot nu uit zijn pensioenfonds, (incl. historisch rendement) , mocht opnemen, heeft hij niets meer met die belachelijke rekenrente te maken. Zijn geld kan hij dan in een nieuw en wel behoorlijk, niet materieel van overheidswege ( Klijnsma, PvdA) gerund, pensioenfonds storten. Hij kan dan eindelijk echt van zijn welverdiende pensioen genieten. De jongeren gaan dan niet met een deel van zijn achtergehouden pensioengeld schoot.

_______________

Laatst bijgewerkt 29 augustus 2016

[1a] https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2012/29/aow-wet-leidt-tot-ruim-half-miljoen-minder-aow-ers-in-2025

Met tabellen:
• Prognose AOW-leeftijd volgens het wetsvoorstel (maatwerktabel)
• StatLine, Prognose bevolking 65 jaar en ouder
• StatLine, Prognose resterende levensverwachting op 65e verjaardag

[1b] http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=37360NED&D1=3&D2=a&D3=0,66,68&D4=a&HDR=G1,T,G2&STB=G3&VW=T

http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=71885NED&D1=0-1&D2=a&D3=14&D4=a&D5=0&D6=a&HDR=T,G2,G3&STB=G4,G1,G5&VW=T

[2] http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/?DM=SLNL&PA=82015NED

Deze cijferreeks heeft de volgende makke:

“De AOW-leeftijd is de leeftijd waarop het AOW-pensioen ingaat. Tot 2013 was de AOW-leeftijd 65 jaar. Met ingang van 1 januari 2013 gaat deze leeftijd elk jaar met stappen van één of meerdere maanden omhoog.Per 1 januari 2013 is de AOW-leeftijd met één maand verhoogd tot 65 jaar en één maand. In 2014 is de AOW-leeftijd 65 jaar en twee maanden, in 2015 65 jaar en drie maanden.” [CBS]

[3] http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=80479ned&D1=3-5,10&D2=l&D3=0&D4=128,130-141,143-154,156-175&HDR=T&STB=G1,G2,G3&VW=D

Werkloze beroepsbevolking (12-uursgrens):

“Personen die geen betaald werk hebben of voor minder dan twaalf uur per week, recent naar werk voor twaalf uur of meer per week hebben gezocht en daarvoor direct beschikbaar zijn.”

Vroeger zou je iemand met een twaalf uur baan een lanterfanter hebben genoemd.

[4] Harrie Verbon, “Mensen leven langer, maar werk is er niet”, Me Judice, 13 oktober 2014.http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/mensen-leven-langer-maar-werk-is-er-niet

[5] http://www.rtlz.nl/algemeen/politiek/heftig-politiek-programma-50plus-staat-vol-leugens

Natopartner US verklaart EU de belastingoorlog

___________________________________________________________

In een eerdere bijdrage wezen we er al eens op dat de belastingheffing van staten ingegeven wordt door de wetten die Thomas Hobbes al in 1651 in Leviathan formuleerde.  Een recent artikel in de Guardian bevestigt dit nog eens: “And so there’s a tug of war going on between the countries of how you allocate profits.” [1]

De belasting die een US onderneming in het buitenland betaalt, gaat ten koste van de US vennootschapsbelasting van 35% (incl state ca 39%) die de US heft bij dividend van buitenlandse deelnemingen naar de US (worldwide income). De US-ondernemingen  houdt zo USD 2,1 echte biljoenen winst buitengaats en ook Londen wordt wel gekwalificeerd als Monaco-on-Thames [link] We moeten dus de huidige race to the bottom van de vennootschapbelasting in Europa mede zien als een donatie aan de US Treasury. Of anders gezegd de bijdrage van de EU aan de NATO is aanzienlijk hoger dan uit de boeken van de NATO blijkt. De buitensporig hoge boetes die in Amerika worden opgelegd aan EU-ondernemingen is een andere vorm van die subsidie.

Het is dan ook volledig illusoir om te geloven dat belastingontwijking internationaal zal worden aangepakt, De giften van de US- en UK-ondernemingen aan de politieke partijen daar maakt dit ook nog eens onwaarschijnlijker.

De US Treasury secretary “Lew has accused the commission of “targeting US companies disproportionately”.” en dreigt met vergelding (“retaliation”).[1]  De EU-commissie doet er goed aan om voor die US-dreigementen niet te wijken tenslotte hebben we te maken met een binnenlandse aangelegenheid binnen de EU en onze wetstoepassing. Van het met terugwerkende kracht aanpassen van regels is geen sprake. Het laat ook zien wat ons met een aaangenomen TTIP: Trans-Atlantisch Vrijhandels- en Investeringsverdrag nog te wachten staat.

Tot slot de gotspe uit het Treasury document:

“Critically, these investigations also undermine the multilateral progress made towards reducing tax avoidance.” [1b]

P.S. 1

Kalshoven wijst er in een Volkskrantartikel op dat “winst belasten een Europees ding is”, omdat alleen met een Europese aanpak kan worden voorkomen dat “de wedloop onherroepelijk naar nul gaat”. Wen er maar aan dat met EU-bobo’s  als Juncker (Luxleaks) en onze Nederlandese minister van Financiën Dijsselbloem (obstructie achter de schermen) daar voorlopig geen sprake van zal zijn. Als de UK zijn vennootschapsbelastingtarief naar 15% verlaagt zou daar in het kader van de BREXIT-onderhandelingen consequenties aan moeten worden verbonden, maar ziet u dat gebeuren? [3]

P.S. 2

De recent uitgelekte bief van Silicon Valley tax lobby geeft een aardig inkijkje in het Nederlandse belastingparadijs. Als ik mij niet vergis meen ik hier de invisible hand van de Nederlandse tax lobby in te herkennen die zulke warme banden onderhoud met het Ministerie van Financiën (draaideur met de belastingadviseurs) en waarvan mevrouw  Neppérus (VVD) zo’n warme pleibezorgster is. [4]

___________________________________________________________

Laatst bijgewerkt 29 augustus 2016

[1a] Guardian, “US warns Europe over plan to demand millions in unpaid taxes from Apple”,  https://www.theguardian.com/technology/2016/aug/24/apple-taxes-european-commission

[1b] “The european commission’s recent state aid investigations of transfer pricing rulings u.s. department of the treasury white paper”, https://www.treasury.gov/resource-center/tax-policy/treaties/Documents/White-Paper-State-Aid.pdf

[2] Frank Kalshoven, “Winst belasten ia een Europees ding”, VK 30 augustus 2016.

Over het artikel valt het nodig op te merken (met name de passage ‘nultarief fundamenteel bekeken geen probleem’), misschien dat ik daar nog eens een bijdrage aan wijd.

[3] “Tax haven route won’t work for post-Brexit UK, OECD says “,

http://www.reuters.com/article/us-britaineurope-tax-idUSKCN0ZJ0MG

[4] Silicon Valley Tax directors group,

http://vkplusmobilebackend.persgroep.net/rest/content/assets/092faa4c-0827-4d16-b148-f34511e7146c

of gratis

092faa4c-0827-4d16-b148-f34511e7146c

Subsidie eigenwoning 2017

___________________________________________________________

In deze bijdrage laten we de overheidssubsidie aan de eigenwoningbezitter voor het jaar 2017 zien. Tegen contante waarde (CW) bedraagt de subsidie voor een starter uitgaande van belastingtarief in box 1 voor schijf 3 ca 26 % van de koopprijs van de woning onder de vermogensrendementsheffing (VRH) nieuwe stijl. Bij grote vermogens en schijf 4 zal het voordeel voor onze casus ca 36% bedragen.

Een substantieel deel van die subsidie betreft de vrijstelling VRH, welke gemeenlijk door onze overheidsinstanties wordt “vergeten” als ze een overzicht geven van de subsidies eigenwoning. Met het pensioenvermogen is de eigen woning een belangrijke post in de derving vermogensbelasting en daarmee is de belastingopbrengst op vermogen van de huishoudens in Nederland per saldo zelfs negatief. De wetsaanpassing van Wiebes om het forfaitaire rendementspercentage op te trekken maakt zelfs dat de subsidie op de eigenwoning voor de grote vermogens toeneemt.

Voor onze nog te behandelen casus wordt € 240.000 gedurende dertig jaar belastingvrij gespaard en wordt daarnaast een onbelaste vermogenswinst van ca € 325.000 behaalt waarvan ca € 114.000 reëel. Dat vermogenswinst bedrag is met veel onzekerheden omgeven en puur gebaseerd op de aannames van onze nationale rekenmeesters, die zoals algemeen bekend de wijsheid in pacht hebben. Die € 582.000 geïnvesteerd in het eigen huis vormt een aardig aanvullend waardevast netto pensioen in natura en blijft zolang de Wet Hillen van kracht is belastingvrij. Dat “pensioen” is dan toch mooi bijna 90% van de netto AOW voor een echtpaar. [5]

De berekeningen in deze bijdrage zijn gebaseerd op de stand van zaken per heden inclusief de uiterst geringe afbouw van de HRA uit 2015 en Wiebes’ wetsaanpassing om het forfaitair VRH-rendement te differentiëren.[1d]

___________________________________________________________

§1 Inleiding

Zoals bekend staat de hypotheekrenteaftrek, althans volgens de heer Rutte, bij ons als een huis. Dat huis staat echter al jaren op instorten. De huizenbezitter doet er dan ook goed aan zich te oriënteren op de inhoud van het CPB rapport “Kansrijk woonbeleid”.[1b] Zo die voorstellen niet in de verkiezingsprogramma’s 2017-2021 worden opgenomen zullen ze ongetwijfeld opduiken in het regeerakooord 2017 en het is dus zaak om daar in de financiële planning alvast rekening mee te houden. Door de lange overgangstermijn (2048) valt het effect van al die plannen overigens best mee. Zo is het effect van de tariefsaanpassing aftrek hypotheek uit 2015, zoals we nog zullen zien, verwaarloosbaar.

Als er in Nederland een groep echt scheef woont dan zijn dat wel de eigenhuis-“eigenaren” met een flinke hypotheekschuld die bij de overheid aan het infuus liggen. Door de contante waarde van die subsidie te leggen naast de koopprijs van het eigen huis krijgt men een goed inzicht in de hoogte van die overheidssubsidies.

Wie die subsidie uiteindelijk in zijn zak steekt, is overigens een vraag waarnaar u hier tevergeefs naar het antwoord zult zoeken. Projectontwikkelaars, gemeenten (grond) en niet te vergeten de bank kunnen elk een deel van die subsidie opstrijken. In elk geval wordt de huurder in de vrije sector benadeeld door een te hoge WOZ-waarde, die zijn neerslag vindt in een te hoge huur. De huurder kan de rente die het leeuwendeel van de huur uitmaakt immers niet aftrekken van zijn belastingen. Tevens betaalt hij wel vermogensrendementsheffing (VRH) over elke Euro die hij spaart boven zijn vrijstelling.

Omdat in Nederland, mede dankzij misbruik door de Eerste Kamerleden, Prinsjesdag 2016 duurt van 20 september tot en met 31 december 24:00 zal deze bijdrage in de loop van de tijd worden geactualiseerd zodra de plannen voor 2017 geleidelijk bekend worden. We beginnen met de huidige stand van zaken weer te geven.

§2 Huidige stand van zaken

Om de huidige subsidieregeling in kaart te brengen moeten we een aantal uitgangspunten kiezen. Deze kunnen als volgt worden samengevat:

(1) De gemiddelde prijs van een verkochte woning bedraagt voor het 2e kwartaal 2016 € 234.000. In onze casus gaan we uit van € 240.000.

(2) We rekenen met een inflatie van 2% en een reële stijging van de huizenprijzen met 1% conform het CPB. [1b: blz. 44] Het inflatiepercentage lijkt gegeven de kerngegevens 2017 aan de hoge kant, maar je moet dit percentage op de lange termijn bekijken.

(3) Voor de discontovoet hanteren we 3%, dat is aanzienlijk lager dan de discontovoet die het CPB hanteert (3,3% reëel). [1b blz. 35 ; 1c]. Voor de hypotheekrente nemen we het zelfde rentepercentage, hoewel dat voor een 30-jarige lening ca 0,5% hoger ligt. [2]

[4] Het 52% tarief begint bij een belastbaar inkomen van € 66.422. Dat tarief wordt door ca 7% van de belastingplichtigen betaald. Om dat tarief te bereiken moet je immers aanzienlijk meer verdienen dan die luttele € 66.422 omdat je de fiscale aftrekposten ingehouden pensioenpremie, HRA en niet ter vergeten alimentatie eerst moet bijtellen. Tel je pensioenpremie en HRA van een 330.000 hypotheek bij dan kom je op ca € 80.000 bruto-inkomen om op het 52% tarief te komen.

(5) Het voordeel voor de eigenhuisbezitter, van eigendom kan je gegeven de omvang van de hypotheek initieel niet spreken, bedraagt:

♦ de HRA zelf, na aftrek van de bijtelling eigenwoningforfait (EWF) onder vermindering van de Wet Hillen.

♦ de vrijstelling vermogensrendementsheffing, gesplitst in de componenten aflossing (:= sparen) en de waardestijging door inflatie en reële waarde toename. Het gekozen inflatiecijfer en de reële waardestijging van de eigen woning zijn redelijk arbitrair en nauwelijks te onderbouwen.

Samengevat:

235_0

Op grond van deze gegevens laat zich het belastingvoordeel berekenen. Daarbij hanteren we twee scenario’s. Scenario 1: de HRA op basis van 40,4% en 52% over de gehele looptijd en scenario 2: de HRA op basis van de huidige stand van zaken na de HRA-wijzing van 2015 en de VRH nieuwe stijl volgens de wet miv 2017. [1d] Scenario 2 zal worden geactualiseerd op basis van de miljoenennota 2017 en de nasleep daarvan. Traditiegetrouw nemen we een voorbeeld van het calculatieschema in de noten op. [6]

235_1

[1] Het HRA-voordeel sec bedraagt bij een belastingtarief van 40,4% 8,3% van de koopprijs, voor een 52% tarief 10,7%. Na de wijziging in 2015 is dat voordeel respectievelijk ongewijzigd 8,3% [6] en 9,7%. De aanpak van de HRA is dus uiterst marginaal en eerder cosmetisch. In totaal, inclusief voordeel vrijstelling VRH, bedraagt het voordeel oud respectievelijk 27,7% en 30,1% en actueel 26,3% en 36,4%.

Onder de 4% VRH was het VRH-voordeel 19,4% van de koopprijs. De VRH-wijzigingen zoals aangekondigd zijn in het overzicht verwerkt. Door de aanpassing [1d] van de VRH wordt het voordeel respectievelijk 1,4% lager bij 2,9%- 4,2% VRH en 7,3% hoger bij 5,5% VRH. De grote vermogens genieten dus van een hoger voordeel eigenwoning (totaal 36,4% koopprijs bij 5,5% VRH-rendement).

(2) Door de Wet Hillen heeft de starter per 1/1/2017 geen voordeel van de geleidelijke verlaging van het belastingtarief van 40,4% naar 38%: tegen de tijd dat de verlaging effectief wordt, trekt hij per saldo geen rente meer af door de Wet Hillen. Het effect van die verlaging is voorlopig door het verdisconteringseffect sowieso verwaarloosbaar.

(3) Indien de rente volledig tegen 38% (start 1/1/ 2041) van de belastingen wordt afgetrokken dan zal de HRA-subsidie nieuw ca 7,8% versus oud 8,3% respectievelijk oud 9,7% van de koopsom gaan bedragen.

§2 Scenario’s “Kansrijk woonbeleid” CPB

Geheel waardevrij heeft het CPB redelijk onoverzichtelijk een aantal scenario’s uitgewerkt. [1b] Ik ga hier niet in op die scenario’s, maar als echte liberaal ben ik van mening dat de overheid zich, met uitzondering van de sociale woningbouw, niet met de woningmarkt en de keuze van de consument moet bemoeien. Tot slotte heeft de door de overheid met de mond beleden bevordering van de bezitsvorming eigenwoning er alleen maar toegeleid dat van 800.000 huishoudens het eigenhuis nog steeds onder water staat (2014: 1.000.000).[3]

Naarstig was ik dan ook op zoek naar het CPB-scenario waarbij het eigen huis geheel buiten de belastingheffing wordt gehouden. Helaas heb ik dat scenario niet aangetroffen. In dat geval wordt namelijk de hypotheekrente betaald uit het besteedbaar inkomen, zoals de huurder de huur betaalt. Een bijtelling voor eigen woningforfait blijft daarbij ook achterwege. Alleen bij overlijden wordt erfbelasting afgerekend.[4] Door de hoogte van de erfbelasting, zonder vrijstelling, op het eigen huis dusdanig vast te stellen dat de subsidie grotendeels wordt terugehaald wordt het eigenhuizenbezit pas echt fiscaal neutraal.

Het CPB gaat bij de defiscalisering uit van afbouw renteaftrek tot nihil in 2048 en staat daarnaast toe dat de eigen woningschuld in box 3 wordt afgetrokken, zolang daar vermogen tegenover staat, een aardig douceurtje voor de bezittende klasse. De eigen woning is dan een consumptiegoed dat op dezelfde manier wordt behandeld “als een auto of een boot”, aldus het CPB. [1b, blz 63] Dat is een uiterst particularistische misvatting. Bij mijn weten is de fiscale behandeling van een jacht van een ton of vier toch echt anders en ook een tweede huis telt gewoon mee als vermogen in box 3.

____________

Laatst bijgewerkt 22 augustus 2016

[1a] http://www.cpb.nl/sites/default/files/omnidownload/CPB-PBL-Notitie-6juli2016-Doorrekeningen-varianten-SDG-werkgroep-woningmarkt.pdf

[1b] CPB, “Kansrijk woonbeleid”, http://www.cpb.nl/publicatie/kansrijk-woonbeleid

[1c] https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2015/11/13/rapport-werkgroep-discontovoet-2015-bijlage

[1d] https://www.eerstekamer.nl/behandeling/20151118/gewijzigd_voorstel_van_wet

235_3

Bij de toerekening van de vrijstelling VRH wordt ervan uitgegaan dat die vrijstelling is opgebruikt door andere vermogenscomponenten. De eerste € 150.000 wordt belast tegen 2,91% en de rest tegen 4,69%. Voor de grote vermogens wordt marginaal met 5,5% VRH-rendement gerekend.

[2] https://www.hypotheker.nl/actueel/dossiers/rentestanden/historische-rentestanden/

[3] FD, “Aantal woningbezitters met restschuld daalt snel”, http://fd.nl/ondernemen/1163304/aantal-huishoudens-onder-water-neemt-in-rap-tempo-af

[4] Prof. Dr. A.C. Rijkers, Prof. Mr. I.J.F.A. van Vijfeijken, “Fiscaliteit en vermogensvorming in een inkomensbelasting”, blz 254. in:

” Rapport studiecommissie belastingstelsel,http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2010/04/07/rapport-studiecommissie-belastingstelsel.html

“Een en ander voert tot de aanbeveling de eigen woning geheel buiten de inkomensbelasting te plaatsen.”

“Het is echter niet bijzonder problematisch de kostprijs p.m. op de aangifte bij te houden zodat de vermogenswinst bij de erfenis relatief eenvoudig kan worden belast. Afschrijvingen en onderhoud zijn toe te rekenen aan het gebruik tijdens bewoning, verbouwingen verhogen de kostprijs. Bij tussentijdse verkoop wordt de vermogenswinst doorgeschoven naar de nieuwe woning of belast indien geen nieuwe eigen woning wordt betrokken.”

 

[5] AOW echtpaar netto € 15.040 cf SVB, inclusief vakantiegeld. Man met 17 en vrouw met 19 levensjaren op 68-jarige leeftijd. Waardevast (2% inflatie + 1% reëel) en discontovoet 3%. Benodig pensioenvermogen thans voor de AOW voor één echtpaar € 270.700. De waarde van de eigenwoning en het pensioenvermogen voor de AOW renten beide tegen 3% op.

[6] Beknopt calculatieschema voor 40,4% belasting onder het nieuwe regime. De nieuwe VRH-regeling met een progressief rendementspercentage maakt een en ander er niet eenvoudiger op.

(click op tabel of Ctrl+ om te vergroten)

235_4

Die zogenaamde verlaging van de box 1 aftrek valt dus nog reuze mee!

Overheidsbalans 2015

__________________________________________________

Volgens het CBS bedroeg het vermogenssaldo eind 2015 € 257 mld. een afname van € 20 mld. t.o.v. 2014. In werkelijkheid bedroeg het vermogenssaldo inclusief de belastingclaim pensioenvermogen eerder € 733 mld., een afname van € 11 mld. t.o.v. 2014.

De vermogensafname heeft voor € 19 mld. betrekking op winstrechten minerale reserves. We maakten in 2015 weer één zonnejaar aan zonne-energie op, zodat er nog ca 4.999.999.999 zonnejaren overblijven. Ook de wind zal nog wel even blijven waaien. Voor beide energiebronnen is echter geen actief op de overheidsbalans opgenomen.

De AOW-verplichting volgens het CBS het laatst berekende jaar eind 2013 € 1.356 mld. is niet in de balans opgenomen. Op basis van een meer reële benadering (Eurostat), rekening houden met de weer naar de staat terugvloeiende belasting en premies is die verplichting ca € 657 mld. Tegenover die toekomstige verplichting staat echter ook een vordering op de toekomstige generatie in de vorm van AOW-premie.

Zoals bekend houdt de EMU-schuld en het EMU-tekort geen rekening met de mutaties in het vermogenssaldo in een overigens onvolledige balans. Dit maakt dat de eisen van het Stabliteitspact volstrekt onzinnig zijn. Tel daarbij dan ook nog de ontwikkeling van de rente sinds 1992.

__________________________________________________

§1 We zijn rijk

Alvorens de overheidsbalans te behandelen laten we eerst zien hoe rijk het gemiddelde huishouden in Nederland wel niet is op basis van de meest recente gegevens:

230_4

(1) Het gemiddeld vermogen eind 2013 van de 7.481.000 huishoudens is dus geen € 150.000 maar € 376.000 als je iets verder kijkt dan de neus van het CBS lang is. [4] Maar die moet natuurlijk van de regering bestraffend wijzen op de hoge hypotheekschulden {zonder kapitaalverzekeringen (€ 87 mld.) en banksparen} en niet te vergeten de eigenlijk niet bestaande overheidsschuld (2015: actief € 60 mld.). Het pensioenvermogen is alleen vermogen als het zo uitkomt, en meestal komt het het CBS en CPB niet uit.

(2) Nu zou het natuurlijk misleidend zijn, gezien de toename van het pensioenvermogen in 2014, om met deze cijfers te volstaan. Recentere gegevens voor het huishoudvermogen zijn niet bekend, maar we kunnnen natuurlijk de wel bekende gegevens toevoegen en komen dan op ca € 3,1 biljoen vermogen:

230_5

§2 De overheidsbalans

De overheidsbalans, inclusief de belastingclaim op het pensioenvermogen exclusief een belangrijk deel van de derde pensioenpijler (claim ca 77 mld.) is als volgt op te stellen [2];

(click op tabel of ctrl+ om te vergroten)

230_1

[1] De EMU-overheidsschuld eind 2015 bedraagt €440,6 mld. Tegen martkwaarde is die schuld € 495,2 mld., door het agio van € 54,6 mld.

De balansposten worden in het algemeen tegen marktwaarde gewaardeerd. De marktwaarde geeft het bedrag weer waarvoor een activum verkocht kan worden. Indien er geen markt bestaat voor een activum wordt een zo goed mogelijke benadering gegeven van de marktwaarde. Financiële balansposten die niet op de markt verhandeld worden zoals chartaal geld, deposito’s, leningen, handelskredieten en transitoria worden tegen de nominale waarde gewaardeerd.

(2) Winstrecht minerale reserves

“De waardevermindering van 19 miljard euro heeft te maken met de lagere prijzen van deze fossiele brandstoffen. Verder speelt een rol dat de winning van aardgas is verminderd met het oog op het aardbevingsgevaar in Groningen. Hierdoor wordt dezelfde hoeveelheid gas over een langere periode gewonnen. Toekomstige aardgasbaten worden lager gewaardeerd dan huidige.” [¶1]

¶ De disconteringsvoet is niet gegeven. Die kan toch niet al te hoog zijn? Door de rentedaling zou de waarde van de rechten immers juist moeten stijgen.

Met technologische ontwikkelinge die het aardbevingsgevaar aanzienlijk mitigeren wordt geen rekening gehouden. [3]

{Als we in onze energie kunnen voorzien door windenergie en zonne-energie zal het CPB in het kader van de werkgelegenheid wel een studie produceren met als scenario dat de wind wegvalt en de zon niet langer schijnt. In  elk geval is het tamelijk demagogisch dat de afname van de aardgasbel altijd in CPB vergrijzingsstudies wordt meegenomen.}

[3] De uiterst teleurstellende toename van het pensioenvermogen in 2015 maakt dat het vermogen van de overheid nauwelijks toeneemt.

De in [1] gegeven grafiek van het CBS laat zich als volgt uitbreiden:

230_3

(1) Aan de CBS-grafiek [1] is de belastingclaim op het pensioenvermogen, het daaruit resulterende reële vermogenssaldo en de overheidsschuld tegen marktwaarde toegevoegd.

(2) De conclusie van het CBS is

“Het vermogenssaldo was eind 2015 op het niveau van 2002. In 2008 bereikte het saldo een piek. Deze ontwikkeling loopt parallel aan de waardering van de olie- en gasreserves.”

Op grond van de grafiek kan de lezer zelf zijn conclusie trekken.

(3) Tranentrekkend is het niveau van de analyse van het CBS en de toelichting op de overheidsbalans zelf.

______________

Laatst bijgewerkt 20 juli 2016

[1] CBS, “Waardevermindering gasreserve maakt overheid armer”, https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2016/29/waardevermindering-gasreserve-maakt-overheid-armer

[2] http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/?DM=SLNL&PA=82790ned

[3] http://www.gasgenerationgroup.nl/

[4] https://www.cbs.nl/nl-nl/publicatie/2016/26/welvaart-in-nederland-2016%20, blz 90.

Besteedbaar inkomen

____________________________________________

Het CBS concludeerde onlangs dat de lage inkomsten relatief veel indirecte belastingen betalen.[1] Dat hoeft niet te verbazen: Caminada en de Kam kwamen al eerder veel gedetailleerder tot een zelfde conclusie.[2a]

In het CBS artikel op de website werd ook ingegaan op de ontwikkeling van het besteedbaar inkomen en dat ook nog per inkomensdeciel. [1b; 1c]

Aan de hand van een aantal posten zullen we in §3 laten zien dat op het door het CBS bepaalde bruto- en besteedbaar inkomen het nodige valt af te dingen.

De kritiek richt zich met name op het inkomen uit de vermogenscomponenten pensioenen, eigen woning, aanmerkelijk belang vermogen, ondernemingsvermogen en beleggingen, kortom het hele vermogen.

Één blik op onderstaande cijfertabel is voldoende om nattigheid te voelen inzake het door het CBS aangeleverde cijfermateriaal:

228_0

Op grond van §3 wordt het volstrekt onbegrijpelijk waarom de media zoveel waarde hechten aan deze CBS inkomensdeciel cijfers die grotendeels op broddelwerk zijn gebaseerd.

____________________________________________

§ 1 CBS gegevens  [1]

Allereerst geven we een  overzicht van het traject bruto-inkomen – besteedbaar inkomen zoals die door het CBS wordt aangereikt:

Tabel 1 Traject bruto-inkomen – besteedbaar inkomen van door het CBS geselecteerde posten:

228_1

(1) Tabel 1 geeft een selectie uit de posten die het traject bruto-inkomen – besteedbaar inkomen weergeven. Daardoor tellen de rubrieken ook niet door. In §2 wordt een doorlopend overzicht gegeven, dat aan dezelfde Statline tabel is ontleend. De CBS-begrippen bruto-inkomen en besteedbaar inkomen worden in [1b] nader toegelicht.

[3] De indirecte belastingen betreffen de omzetbelasting (BTW), accijnzen, verbruiksbelasting, milieubelasting op energie en water, assurantiebelasting en motorrijtuigenbelasting. [1c]

Het CBS relateert de indirecte belastingen aan het bruto-inkomen. [1] Meer in detail is dat eerder gedaan. [4a; 4b]  Je kunt die posten ook relateren aan het besteedbaar inkomen, dat door herverdeling een tikkeltje gelijkmatiger is verdeeld. [4c] Gegeven de makke in de bruto-inkomen en besteedbaar inkomen cijfers kan ik me daar echter niet zo over opwinden.

§ 2 Traject Bruto-inkomen – besteedbaar inkomen [3]

Onderstaand geven we een completer plaatje van het traject bruto-inkomen naar besteedbaar inkomen.

Tabel 2 Traject bruto-inkomen – besteedbaar inkomen 2006 – 2014. [1b; 1c]

228_1

(1) De toename per jaar is het meetkundig gemiddelde voor de periode 2007 – 2014. De inflatie (CPI) in deze periode bedroeg gemiddeld 1,9% p.j.

(2) Voor het bruto-inkomen is, om aansluiting te houden, de indeling van het CBS aangehouden hoewel b.v. de presentatie van de zorgtoeslag inconsequent is.

Tabel 3 Traject bruto-inkomen – besteedbaar inkomen 2014 per inkomensdeciel.

228_2

(1) CBS [1a]:

” De totale druk van inkomstenbelasting, premies volksverzekeringen, indirecte belastingen, lokale heffingen en premies Zorgverzekeringswet voor alle vijf inkomensgroepen kwam uit op een nagenoeg gelijk niveau van rond de 37 procent in 2013.” [De belastinggegevens voor 2014 zijn nog niet beschikbaar]

(2) Als het CBS de belastingen relateert aan het bruto-inkomen blijkt dat onder dat bruto-inkomen box 1 (tabel), box 2 (25%) en box 3 (30% forfaitair)  maar ook onbelast bruto-inkomen bij elkaar geteld worden. Ook vallen sommige inkomsten nog onder de vennootschapsbelasting die niet begrepen is in de belastingen. Daarnaast is het gehanteerde inkomensbegrip, behalve voor de loonslaaf, nogal fiscaal gedreven. Het daaruit resulterend belastingpercentage zal dan ook niet al te betekenisvol zijn.

[3] In § 3 gaan we nader in op een aantal geselecteerde posten en (2) nader uitgewerkt.

§ 3 Nadere toelichting aantal geselecteerde posten uit de tabellen in §2

3.1  Pensioenen

De pensioenpremie bedraagt volgens het CBS voor 2014 in totaal € 35,8 mld. Dat is een incompleet plaatje omdat een belangrijk deel van de derde pensioenpijler niet wordt meegenomen. Men moet eerder aan een bedrag van ca € 45 mld. denken. Maar dat is natuurlijk niet alles, exclusief de derde pensioenpijler nam het pensioenvermogen in 2014, een bijzonder goed jaar, met € 211,4 mld. toe. Er wordt tenslotte ook rendement gemaakt. In de € 211,4 mld. is de eerder genoemde € 35,8 mld. pensioenpremie begrepen. Alleen de pensioenfondsen maakten in 2014 volgens DNB netto, na aftrek beleggingskosten al een rendement van € 174,5 mld. Van die hele € 211,4 mld. bruto-inkomsten in 2014 (netto tegen t.z.t. gemiddeld 35% belasting € 137 mld.) neemt het CBS in zijn inkomensstatistiek onder besteedbaar inkomen in het geheel niets op. Het besteedbaar inkomen is daarmee substantieel te laag voorgesteld en de belasting ook. Aangezien tot voor kort 41% van de pensioenpremie tegen 52% belasting werd afgetrokken (7-8% huishoudens) heeft dit ook consequenties voor de verdeling over de inkomensdecielen.

[Voor die post-modernisten die dit ook maar een mening vinden zou ik willen zeggen dat ze hun oor eens te luister moeten leggen bij een goed betaalde directeur die zijn afkoopregeling van b.v. € 1,5 mln. gebruikt om zijn forse pensioentekort aan te vullen. Deze directeur zal toch tegen zijn ega zeggen dat hij dit jaar bijzonder goed geboerd heeft, zodat er wel een extra japonnetje vanaf kan. Volgens de CBS-statistiek moest hij het alleen met zijn gebruikelijke jaarlijkse hongerloon doen.

Als ik stevig voor pensioen spaar hoef ik geen vermogen voor de oude dag aan te houden en kan ik dat geld dat er anders voor weggelegd zou moeten worden nu extra besteden. Een nadeel van de omkeerregel pensioenen is wel dat het belastinggeld dat de staat zo mist wel nu extra op tafel moet worden gelegd, terwijl je straks over je pensioenuitkering ook gewoon belasting betaalt.]

3.2 Eigen woning en huur

228_4

(1) Het heffingsvoordeel is ontleend aan (5)

(2) De inkomsten eigen woning en de hypotheekrente komen in tabel 2 voor onder bruto-inkomen en zijn netto afgetrokken van het besteedbaar inkomen. Voor de 4.284.000 huishoudens met een eigen woning wordt een besteedbaar inkomen getoond waar de woonlasten al grotendeels af zijn, de huurder mag de huur nog betalen uit zijn besteedbaar inkomen. De in de huur begrepen rente mag hij niet aftrekken.

(3) De inkomsten uit eigen woning zijn met 1,2% van de WOZ-waarde is duidelijk te laag. Het negatieve netto inkomen van € 18,9 mld. is derhalve volstrekt onjuist in de tabellen 2 en 3 opgenomen. De eigen woning als consumtiegoed dient uit het besteedbaar inkomen betaald te worden.

(4) Overeenkomstig zou je natuurlijk de huurtoeslag ook moeten elimineren of je zou die toeslag moeten meenemen als een correctie op te hoge belastingen en premie volksverzekeringen die de staat incasseert.

3.3 Aanmerkelijk belang

Het 10e vermogensdeciel neemt 98% van het door het CBS geregistreerde aanmerkelijk belang vermogen voor zijn rekening en we zullen ons op die groep concentreren:

228_5

(1) De waardering van het aanmerkelijk belang is beter de beoordelen aan de hand van de Quote 500 en mist elke relatie met de werkelijkheid. Per 1/1/2011 is er sprake van integrale waarneming i.p.v. steekproef.

(2) Het salaris van de grootaandeelhouder is het bedrag dat niet als winst wordt uitkeerd of ingehouden. Hoe hoger het salaris, hoe meer pensioen je kan opbouwen. Bij een ab-belang is er een marginale toetsing door de belastingdienst. Dit inkomen wordt belast in box 1.

(3) Het dividend is er alleen nog als ( 2) niet voldoende is of als er andere aandeelhouders zijn die geld willen. Dit inkomen wordt belast in box 2 tegen gewoonlijk 25%. Een tariefsverlaging (2007/2014) helpt om de ab-houder te verleiden om de uitkering op te krikken. Het inkomen zal eerst belast zijn als vennootschapsbelasting en ik denk niet dat deze post in de belastingen zit die het CBS opvoert. In 2014 werd € 4.302 mln. aan dividend uitgekeerd. Als we uitgaan van gemiddeld 22% vennootschapsbelasting is hierover ca 22% van  4.302/0,78 of € 1.203 mln. vennootschapsbelasting betaald. die ook onder belastingen zou moeten worden opgenomen.

(4) De fluctuaties in de aantallen ab-inkomen genieters missen elke logica. Het verschil in de vermogensverdeling naar vermogen en naar inkomen wordt mede veroorzaakt door het inkomensbegrip. Een gedetaillerde analyse van het verschil (grafiek 3) is het CBS ons, geloof ik, al jaren schuldig ondanks het fraaie schema. [1; 5]

3.4 Ondernemingsvermogen

228_6

(1) In de post belastingen zal ongetwijfeld rekening gehouden zijn met zelfstandigeaftrek en MKB-winstvrijstelling, waarmee de ondernemer t.o.v. de werknemer flink wordt voorgetrokken.

(2) Het inkomen uit onderneming bestaat uit de behaalde winst. Dat is volgens mij de winst uit de aangifte. Dat betekent dat anomalieën in het fiscale winstbegrip klakkeloos overgepend worden. Ook de Fiscale Oudedags Reserve verdwijnt zo uit het beeld. Uiteraard is het fiscaal vermogen behept met dezelfde gebreken, zodat ook een correctie i.v.m. mutatie in de stille reserves niet mogelijk is.

3.5 Belegd vermogen

Tot slot geven we nog even het rendement op het overig vermogen. We volstaan met de cijfers die nauwelijks voor zichzelf spreken.

228_7

(1) Goed om te constateren dat de 2008 bankencrisis geheel aan ons verbijgegaan is, maar misschien mist het CBS het een en ander in zijn cijfermateriaal?

(2) Geld op de bank brengt bijna niets op maar doet nauwelijks onder voor het rendement op het overige vermogen als we het CBS mogen geloven. Nu alleen Wiebes nog even overtuigen.

[3] De dividendbelasting wordt met de inkomstenbelasting verrekend. Over het dividendinkomen is eerst vennootschapsbelasting betaald. [Voor de uiterst “heldere” CBS-toelichting van de post belastingen zie [9])

[4] Om toch een tipje van de sluier op te lichten onderstaande tabel 3.3 van het CPB [7]:

228_8

Kijk, zo snappen we de cijfers ten minste weer een beetje, los van de afwijkingen. Koerswinsten, kun je kennelijk volgens het CBS niet besteden en hoef je niet tot het bruto-inkomen of besteedbaar inkomen te rekenen. Voor de vermogensrendementsheffing zie de CPB studie. [7] Die koers-winsten/verliezen zijn overigens netto, de belasting in box 3 is al betaald.

Als we de bevindingen in §3 samenvatten onstaat het volgende beeld:

228_9

§4 Conclusie

Het zal duidelijk zijn dat, zonder naar volledigheid te willen streven, op grond van § 3, zowel bij het bruto-inkomen en het besteedbaar inkomen van het CBS de nodige kanttekeningen zijn te plaatsen.

Op basis daarvan valt te concluderen dat er door de media onterecht veel waarde wordt toegekend aan de door CBS beschreven inkomensontwikkeling en de decieltoerekening terwijl voor substantiële inkomensrubrieken inzicht in de juiste inkomstenbedragen ontbreekt. Het CBS zou dan ook veel meer voorbehouden moeten maken bij het publiceren van die cijfers of gewoon zijn statistieken beter op orde moeten brengen. Dat kost echter geld en mankracht en dat mag je van Asscher daar niet aan uitgeven.[8] Minister Asscher: “Het kabinet ziet op dit moment dan ook geen indicaties om te veronderstellen dat de vermogensverdeling onevenwichtig is.” [8] De vele aanbiedingen op de tv met de aanbieding twee brillen voor de prijs van één helpen hem mogelijk op weg.

_______________

Laatst bijgewerkt 21 juli 2016

[1] https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2016/26/lage-inkomens-betalen-relatief-veel-indirecte-belasting

[1b] StatLine – Samenstelling inkomen; particuliere huishoudens naar diverse kenmerken

Toelichting

https://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/64336C62-2A10-4477-A339-A2B154B8ED47/0/integraalhuishoudensinkomenmicrodata.pdf

“Het besteedbaar inkomen van het huishouden is gelijk aan het bruto inkomen, minus betaalde inkomensoverdrachten, premies en belasting. Voor alle personen in het huishouden worden de betaalde inkomensoverdrachten, premies en belasting van het bruto inkomen afgetrokken. Vervolgens worden deze inkomens geaggregeerd op huishoudensniveau om zo het besteedbaar inkomen van het huishouden te bepalen. Betaalde inkomensoverdrachten bestaan uit overdrachten tussen huishoudens zoals alimentatie betaald aan de exechtgeno(o)t(e). Premies inkomensverzekeringen betreffen premies betaald voor sociale verzekeringen, volksverzekeringen en particuliere verzekeringen in verband met werkloosheid, arbeidsongeschiktheid en ouderdom en nabestaanden. Premies ziektekostenverzekering betreffen alleen de premies voor de verplichte basisverzekering”

Zonder definitie van bruto-inkomen weet je dan nog niets:

“Het bruto inkomen van het huishouden is gelijk aan het primair inkomen plus het overdrachtsinkomen. Voor alle personen in het huishouden worden het primair inkomen en het overdrachtsinkomen samengeteld. Vervolgens worden deze inkomens geaggregeerd op huishoudensniveau om zo het bruto inkomen van het huishouden te bepalen. Het overdrachtsinkomen bestaat uit uitkeringen inkomensverzekeringen (Werkeloosheidswet Documentatierapport IHI 13 (WW), Ziektewet (ZW), Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), pensioen), uitkeringen sociale voorziening in het kader van de geldende Bijstandswet (Bijstand), Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) etcetera), gebonden uitkeringen (huurtoeslag en dergelijke), en overige ontvangen inkomensoverdrachten om niet (alimentatie).”

Het CBS besteedbaar inkomen is dus niet het netto bedrag dat een huishouden op zijn eigen bankrekening krijgt: de hypotheekrente en de particuliere sociale verzekeringen zijn daar al ten dele vanaf, de bijtelling eigen woning zal je niet op je bankrekening aantreffen. De huurder moet uit het besteedbaar inkomen wel zijn huur (inclusief rente) betalen, maar mag die rente weer niet fiscaal aftrekken.

Onderstaand CBS overzicht maakt dde samenhang duidelijk (Welvaart Nederland 2014:

conceptueel kader

[1c]  StatLine – Indirecte belastingen en bestedingen; kenmerken particuliere huishoudens

Aaanvullende toelichting in spreadsheet:

“De indirecte belastingen op bestedingen zijn geschat met behulp van gegevens over bestedingen uit het Budgetonderzoek. Indien voor een groep huishoudens met specifieke kenmerken minder dan 50 waarnemingen uit het Budgetonderzoek beschikbaar zijn, worden cijfers over bestedingen, indirecte belastingen en druk onvoldoende betrouwbaar geacht en niet getoond.”

[2a] C.A. de Kam en C.L.J. Caminada, “Belastingen als instrument voor inkomenspolitiek”, http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2010/04/07/rapport-studiecommissie-belastingstelsel.html

en ouder:

Rens Trimp, Flip de Kam, “De drukverdeling van collectieve lasten”, ESB, 25 november 2011, http://esb.nu/esb/20010862/de-drukverdeling-van-collectieve-lasten

anders althans voor BTW:

[2b] http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/btwverhoging-treft-hoge-en-lage-inkomens-even-sterk

[3a] http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=70991ned&D1=2&D2=0-15&D3=0&D4=a&HDR=G3,T,G2&STB=G1&VW=T

[3b] http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=70991ned&D1=2&D2=16-125&D3=0&D4=a&HDR=G3,T,G2&STB=G1&VW=T

[4]https://basjacobs.wordpress.com/2014/05/31/pensioenen-worden-gesubsidieerd-met-17-cent-per-gespaarde-euro/

[5] https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2015/43/belastingvoordeel-woningbezit-is-280-euro-per-maand

[6] Wiemer Salverda, “Ongelijkheid in Nederland”, http://www.wbs.nl/system/files/piketty_socialisme_en_democratie_webeditie_18_mei_2014_0_1.pdf

[7] CPB, http://www.cpb.nl/sites/default/files/publicaties/download/cpb-achtergronddocument-16mrt2015-het-financieel-vermogen-box3-verdeling-en-belasting.pdf

[8] Het uiterst informatieve en ontluisterende verslag van de Pikety discussie in de Tweede Kamer:

http://www.mejudice.nl/docs/default-source/bronmaterialen/kamervragen-naar-aanleiding-mj-stuk.pdf, blz. 3 of 7.

[9] De definitie van belastingen [spreadsheet 1b] roept meer vragen op dan die beantwoord:

“Bedrag aan verschuldigde inkomsten- en vermogensbelasting. De inkomstenbelasting betreft de belasting die over het inkomen van het betreffende jaar verschuldigd is. Het bedrag is het saldo van de verschuldigde (bruto) inkomstenbelasting (IB) en het IB-deel van de heffingskorting (vanaf 2001). Indien geen aanslag inkomstenbelasting is opgelegd is de inkomstenbelasting gelijk aan de voorheffingen in de vorm van loonbelasting en dividendbelasting. De vermogensbelasting is gebaseerd op het vermogen op 1 januari van het volgende jaar. Met ingang van 2001 is de vermogensbelasting afgeschaft.”

Netto overheidsschuld 31-3-2016

__________________________________________________

In deze bijdrage gaan we in op de netto overheidsschuld. Dat is de overheidsschuld als we de omkeerregel pensioenen ongedaan maken en de staatsleningen met die opbrengst uit de markt halen. Deze netto schuld wijkt dus substantieel af van de EMU-overheidsschuld, die voor Nederland, door de grote omvang van de belastingclaim op het pensioenvermogen resulteert in een volstrekt onjuiste voorstelling van zaken.

Het pensioenvermogen eind 1e kwartaal 2016 bedraagt € 1.415 mld. Hierop rust een belastingclaim van 35% of € 495 mld. [3] Als we de overheidsschuld afbouwen door die staatsleningen in te kopen moeten we echter ook het agio op deze staatsleningen ad € 63,5 mld. op tafel leggen. Netto is de overheidsschuld eind 1e kwartaal 2016 dus € 10 mld. (1,5% bbp). Hier tegenover staat dat ons een EMU-overheidsschuld van € 441,6 mld. wordt voorgehouden. (64,8% bbp)

De omvang van de derde pensioenpijler is een goed bewaard geheim. In 2012 bedroeg die ca 181 mld. Gaan we anno 2016 uit van ± € 200 mld. (3% p.j. toename) dan wordt de belastingclaim ca € 70 mld. hoger en hebben we dus een actief van € 60 mld.

Danzij de omkeerregel pensioenen raakte de fiscus in de periode 2000-2014 ca € 63 mld. aan belasting kwijt op de gestorte pensioenpremie.

Update: De belastingclaim incl. derde pensioenpijler is eind juni 2016 opgelopen tot € 598 mld., een toename t.o.v. eind december 2015 van € 53 mld.

Overigens ben ik van mening dat de omkeerregel pensioenen moet worden opgedoekt en het huidge pensioenvermogen alsnog moet worden voorbelast.

__________________________________________________

§1 De door de overheid gepretendeerd situtie

Allereerst geven we de misleidende en onvolledige voorstelling van zaken van overheidswege [1]

227_6

Het overzicht is ontleend aan het 15e rapport van de Commissie Begrotingsruimte. Enkele nogal onzinnige citaten uit dat rapport, gezien de werkelijke financiële toestand van Rijks financiën, zijn in [1] opgenomen.

In de navolgende tekst zullen we laten zien dat de overheidsschuld tegen marktwaarde in werkelijkheid eind maart 2016 netto slechts € 10 mld. bedraagt.

§2 Verloop overheidsschuld

Het verloop van de werkelijke overheidsschuld voor de periode 2000 – 2016K1 kan als volgt worden samengevat:

Tabel 1 Verloop overheidsschuld 2000 – 2016K1

(click op tabel of CTR+ om te vergroten) 

227_1

Het cumulatieve verloop laat zich als volgt samenvatten:

Tabel 2 cumulatief verloop overheidsschuld 2000-2016K1 in € mld.

227_2

Toelichting:

(1) Voor de bronnen zie [2]

(2) Cumulatief was het EMU-tekort voor de periode 2000-2016K1 € 185,4 mld. Hier staat een toename van de belastingclaim op het pensioenvermogen van € 333,7 mld. tegenover. Het EMU-tekort is dus van eigen makelij door de omkeerregel pensioenen en inadequaat boekhouden van CBS en CPB, die de vordering ten onrechte niet in hun boeken opnemen.

(3) In 2008 namen de investeringen financiële vast activa met € 84,9 mld. toe en de daarmee ontstane schuld werd daarna echter weer grotendeels afgebouwd.

(5) Indien de rente daalt neemt de marktwaarde van de vastrentende waarden toe. Om die leningen uit de markt te halen moet je dus naast de nominale waarde ook het agio op tafel leggen. Die post is sinds 2008 fors toegenomen en we tellen dit agio bij de overheidsschuld op. Het CBS doet dat ook, zonder kwantificering, bij het opstellen van  de Overheidsbalans. De overheidsschuld is dus 9,3% bbp hoger dan de EMU-schuld aangeeft.

In het uitzonderlijke jaar 2014 nam de belastingclaim op het pensioenvermogen met € 74 mld. toe. De marktwaarde aanpassing overheidsschuld bedroeg € 29,2 mld.

(6) De overheidsschuld is dus materieel in de pensioenfondsen belegd en levert daar een rendement op dat aanzienlijk hoger ligt dan de rente die op de overheidsschuld wordt betaald. Dat rendement is in de mutatie van het pensioenvermogen begrepen. Per saldo verdienen we dus op de overheidsschuld.

(7) Het pensioenvermogen steeg in de periode 2000-2015 met 6,8% per jaar, de EMU-overheidsschuld nam toe met 3,6 % per jaar.

(8) De EMU-overheidsschuld en het EMU-overheidstekort zijn dus nietszeggende grootheden als de belastingclaim op het pensioenvermogen niet in de schuldbepaling  en de omvang van het tekort wordt betrokken.

[9] In de periode 2000-2015 werd € 372 mld. aan pensioenpremie in de pensioenfondsen gestort. De schatkist derfde daarmee dankzij de omkeerregel pensioenen € 63 mld. aan belastingen (17%) die hij nooit meer terug zal zien. [3]

Grafisch is het verloop als volgt weer te geven:

227_3

Het cumulatieve tekort sinds 2000 laat zich als volgt weergeven:

227_4

(1) De EMU-overheidsschuld nam in de periode 2001-2016K1 met 210 mld. toe. In die zelfde periode  bedroeg het cumulatieve EMU-tekort € 194 mld. Daar moet je dan wel even bij vertellen dat de 35% belastingclaim op het pensioenvermogen in die periode met € 324 mld. toenam. Als je het laatste er niet bij vertelt, mag je toch wel van grove misleiding spreken.

§ 3 Interest op overheidsschuld

Onderstaande grafiek laat zien hoe wij op onze overheidsschuld verdienen door het rendement op de belastingclaim op het pensioenvermogen. Dat geld zien we niet terug in de CBS- en CPB-cijfers.

227_5

(1) In werkelijkheid zal het rendement op het pensioenvermogen aanmerkelijk fluctueren van jaar tot jaar. Zo was het rendement in 2014 ≈16% en in 2015 slechts ≈1,75%.

(2) Doordat de overheidsschuld hier inclusief de aanpassing naar marktwaarde wordt opgenomen (€ 63,5 mld.) zal de toekomstig te betalen reële interest op die overheidsschuld verwaarloosbaar zijn.

(3) De rente op de overheidsschuld voor 2016 is inmiddels gezakt tot € 7,2 mld. volgens de voorjaarsnota.

§ 4 Kwartaalmutaties overheidsschuld 2014K4 – 2016K1

Asle je de ontwikkeling van de netto overheidsschuld tegen marktwaarde wilt volgen dan zul je op andere zaken moeten letten dan alleen het EMU-tekort.

De volgende grafiek brengt de ontwikkeling in kaart:

227_7

(1) Zo heeft de stijging van de belastingclaim met € 48,3 mld. in het eerste kwartaal 2015 aanzienlijk meer effect dan het EMU-tekort (€ 772 mln.) in dat kwartaal. Daar staat dan een daling van de belastingclaim in het tweede kwartaal (€ 34,2 mld. tegenover. Ook de fluctuaties in de marktwaarde van de overheidsschuld zijn aanzienlijk door de daling van de rentestand. Het netto-effect valt in de groene kolom af te lezen.

§ 5 Middellange termijn ontwikkeling

De onderstaande tabel vat enkele gegevens uit de CPB middellange termijnverkenning 2017-2021 samen [4]:

(click op tabel om te vergroten)

209_1

(1) We kunnen tot onze vreugde constateren dat als we op onze handen blijven zitten de overheiddschuld in 2021 toch al 54% van ons bbp bedraagt. In 2040 hebben we een klein actief van € 5 mld. en in 2060 zelfs van € 31 mld.

(2) Hoewel ons CPB inzicht heeft in de toekomstige pensioenpremies, uitkeringen en rendementen voor hun MLTV mogen we natuurlijk de ontwikkeling van het pensioenvermogen en de belastingclaim daarop niet weten.  We mochten on eens oom Dagobert gaan voelen en dan komt er van progressieve hervormingen helemaal niets meer terecht. Het CPB rekent zelfs al op een geringe indexatie van de pensioenen met 1,2%.

_________________________

Laatst bijgewerkt 23 juli 2016

[1]”Vijftiende rapport Studiegroep begrotingsruimte Van saldosturing naar stabilisatie”. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2016/07/01/15e-rapport-studiegroep-begrotingsruimte-van-saldosturing-naar-stabilisatie

Enkele citaten:

“In de afgelopen jaren lag de nadruk van het begrotingsbeleid sterk op het gezond maken van de overheidsfinanciën, die een flinke deuk hadden opgelopen als gevolg van de financiële crisis” [blz 7]

“Bij tegenslag verslechtert de Nederlandse begroting dus snel.” [blz 7]

“Het verdient de voorkeur om de eigen begrotingssystematiek te hanteren; een zekere marge tot de Europese grenzen is daarvoor nodig” [blz 8]

“schuldafbouw richting een niveau dat een nieuwe klap kan verdragen.” [blz 8]

“Er is daarmee geen reden om te pleiten voor een netto-intensivering of netto-bezuiniging ten opzichte van de MLT.” [blz 8] ¶

{onderstrepingen toegevoegd}

¶ Door de marktaanpassing van de overheidsschuld met € 63,5 mld. zal de toekomstige rente op de overheidsschuld zo rond de 0.1% liggen. Een praktisch ingestelde econoom die tegen dat percentage geen renderende overheidsinvesteringen kan vinden zou zijn bul per omgaande moeten inleveren. Hij/zij zou natuurlijk alternatief ook bij de overheid kunnen gaan werken. [bijlage 2]

[2a] CBS Statline, Verloop van de EMU-overheidsschuld, http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=82565ned&D1=a&D2=0&D3=0-3,8,13,18,23,28,33,38,43,48,53,58,63,68,73,78,83,88-89&HDR=G1,G2&STB=T&P=T&VW=T

[2b] Het verloop van de belastingclaim op het pensioenvermogen is afgeleid uit de bijdrage Bepaling pensioenvermogen.

[2c] CBS Statline, Marktwaarde overheidsschuld, http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=82567ned&D1=0&D2=0&D3=a&D4=0-3,8,13,18,23,28,33,38,43,48,53,58,63,68,73,78,83,88-89&HDR=G3,G1&STB=T,G2&VW=T

Ik neem aan de het CBS bij het bepalen van de marktwaarde van de overheidsschuld ook de hedgecontracten die door de DSTA zijn afgesloten heeft betrokken. 

http://fd.nl/economie-politiek/1155489/dijsselbloem-incasseert-5-6-mrd-op-lucratieve-rentederivaten

[3]  Bas Jacobs, “Pensioenen worden gesubsidieerd met 17 cent per gespaarde euro”, https://basjacobs.wordpress.com/2014/05/31/pensioenen-worden-gesubsidieerd-met-17-cent-per-gespaarde-euro/

[4] http://www.cpb.nl/publicatie/middellangetermijnverkenning-2018-2021

ABP, PFZW, PMT, PME en bpfBOUW 2015

______________________________________________

Nu het pensioenfonds PME het op 23 juni ook heeft behaagd om zijn jaarcijfers 2015 eindelijk te publiceren kunnen we beginnen met het jaarlijkse overzicht van de vijf grote bedrijfspensioenfondsen die bijna 57% van het pensioenvermogen van alle pensioenfondsen uitmaken.

We beginnen met een uitgebreide versie van de kerncijfers, zoals die eens per kwartaal op deze site worden opgenomen op basis van de beknopte kwartaalcijfers. (zie hier voor Q2 2016).

De beroerde toestand van de vijf pensioenfondsen komt aan de hand van die cijfers aan de orde. Die stand heeft alles te maken met ons huidige door de overheid opgelegde FTK regels, die volledig zijn losgezongen van de werkelijkheid. Tot slot wordt kort ingegaan op de gebrekkige hervormingsvoorstellen van DNB en AFM.

______________________________________________

§1 Kerncijfers

(click op tabel of CTRL + om te vergroten)

207_1

Commentaar/Toelichting

(e) De actuele dekkingsgraad per 31 mei 2016 geeft de meest actuele stand weer. Bij een dekkingsgraad van 90% komt men dus 10% voorziening tekort om nominale pensioenen te kunnen uitkeren. Wie het overrendement vervolgens in zijn zak steekt, vermeldt de toezichthouder niet. Een goed uitgewerkt herstelplan zou hier inzicht in kunnen geven, maar dat wordt de pensioendeelnemers veelal onthouden. Dat is alleen voor de pensioenbobo’s weggelegd, men mocht immers eens vragen stellen.

(f) De gemiddelde rente is gebaseerd op de door DNB voorgeschreven UFR. Omdat die UFR losgezongen is van de werkelijkheid mogen de fondsen voor hun herstelplan en bij de vaststelling van de (gedempte) pensioenpremie rekening houden met rendementen zoals die door de commissie parameters zijn vastgesteld. Als de actuele dekkingsgraad boven een kritische dekkingsgraad grens ligt kan het fonds in een periode van 10/11 jaar het zgn. reservetekort aanvullen. Omdat de meeste pensioenfondsen dit tot voor kort, althans op uiterst geduldig paper lukte, ligt de lat dus niet al te hoog. (zie de bijdrage It is my money and I need it now!) en §5.

(g) In de jaarrekening 2014 kon door de trage besluitvorming bij DNB niet tijdig rekening worden gehouden met een aanpassing van de UFR. Daarnaast werd de UFR anders bepaald. Het substantiële effect op de beleidsdekkingsgraad per 1/1/ 2015 ziet u hier voor zover dat is vermeld. Het leidde tot onnodige window dressing in de jaarrekening 2014 en zette de ingediende herstelplannen direct op achterstand.

(j) De kritische dekkingsgraad laat zien bij welke dekkingsgraad je geen herstelplan kan fabuleren dat de toets der kritiek van DNB kan doorstaan. Afstempeling van pensioenrechten is dan niet langer te vermijden. Bij het ABP wachten de getallen A en B nog op invulling in het jaarverslag (blz. 16).

(k) De reële beleidsdekkingsgraad zou de reële actuele dekkingsgraad moeten zijn die aangeeft wat de dekkingsgraad is als de verplichtingen tegen voor prijsinflatie opgenomen uitkeringen worden berekend. Omdat de rekenrente dan nog steeds de UFR is, is er verder niets reëel aan. Vroeger werd nog uitgegaan van waardevaste uitkeringen, maar daar zit met de lage rente flink de klad in. Overigens is het verschil door de geringe loonontwikkeling de laatste jaren verwaarloosbaar. (zie regel 01 voor het ABP)

(n) Hoewel de algemene reserve door het CBS, DNB en CPB niet tot het pensioenvermogen wordt gerekend voor het vermogen van de huishoudens doen wij dat lekker toch. In 2015 ging zo 33,5 mld. door het afvoerputje. Normaal wordt het effect van de rekenrente geabsorbeerd door de rendementen. (§7) In 2015 kregen we ook te maken met uiterst lage rendementen – zie c1 in vergelijking met d1.

(r-s) Uit het tekort t.o.v. het minimum vereist eigen vermogen kan men opmaken dat het pensioenfonds voorlopig het geld nodig heeft om uit de tekortsituatie te komen. Daarna moet het nog proberen om op het vereist eigen vermogen te komen in 10 jaar tijd. (zie t)

(y) Als je een kostendekkende pensioenpremie vaststelt op basis van de UFR-rekenrente ligt dat percentage boven de 30% (zie bpfBOUW en ook deze bijdrage voor een welvaartsvast pensioen) Aangezien noch de werkgever noch de pensioendeelnemer een dergelijke premie wil ophoesten, kun je ook de pensioenambitie wel vaarwel zeggen. Daarom mag je van de wetgever (de overheid is ook werkgever en heeft dus twee petten op) de premie dempen door rekening te houden met een “reëler” rendement. Het DNB rapport over de financiële situatie van de pensioenfondsen laat zien hoe die pensioenfondsen dan in de problemen komen. (zie §3)

(a1-c1) Het rendement over 2015 is uiterst laag t.o.v 2014. Dat hoeft niet te verbazen en komt mede doordat pensioenfondsen met vastrentende waarden ( > 50%) zich systematisch rijk rekenen ten koste van toekomstige rendementen als de rentestand daalt (agio).

(e-f) Het gemiddeld meetkundig gemiddeld rendement geeft een beter beeld dan het rekenkundig gemiddelde rendement. Dat zeer behoorlijke rendement verdwijnt al vele jaren in het zwarte gat dat rentetermijnstructuur heet.

(n1) Als de beleidsdekkingsgraad vijf jaar onder de ca 104,2% blijft moet het pensioenfonds verplicht korten. Het mag die korting echter wel over 10 jaar uitsmeren.

(01) De indexatie achterstand is een natuurlijke verbintenis naar de deelnemers die vermoedelijk op basis van het herstelplan nooit tot uitkering zal komen. Informatie daarover op basis van het herstelplan wordt de pensioendeelnemers systematisch onthouden.

§2 Reservetekort 31-12-2015

Pensioenfondsen moeten extra vermogen aanhouden om bepaalde risico’s op te vangen. Het behoort tot de haut finance folklore om elk jaar het reservetekort te bepalen aan de hand van de door het FTK voorgeschreven risico’s. Voor alle risicocategorieën moeten voorgeschreven risicoscenario’s worden doorgerekend bij een betrouwbaarheidsniveau van 97,5% en een horizon van één jaar. Hierbij zijn sommige risico’s dermate gezocht dat er door de pensioenfondsen, onder het toeziend oog van DNB, geen waarde aan wordt toegekend. Deze grootheid is van belang omdat het herstelplan er voor moet zorgen dat dit tekort in 10 jaar wordt ingelopen, rekening houdend met de voorgeschreven rendementen, en een tot het uiterste afgeknepen gedempte pensioenpremie. (zie §3)

Dat tekort ontstaat in elk geval doordat de door de DNB voorgeschreven rekenrente moet worden gehanteerd bij het bepalen van de pensioenverplichting. Voor de vijf grote fondsen is het tekort als volgt:

(click op tabel of CTRL+ om te vergroten) 

207_2

(1) Het gemiddelde reservetekort bedraagt 39,8% van de pensioenverplichtingen. Door een redelijk arbitraire aftrekpost genaamd diversificatie-effect mag je van dat tekort weer gemiddeld 15,5% aftrekken zodat 26,3% reservetekort overblijft (€ 179 mld.). [2] Voor de vijf fondsen is de diversificatie aftrek dus gezamenlijk 38,8 % van het reservetekort.

(2) Aangezien het reservetekort voor alle pensioenfondsen 23% bedraagt nemen de vijf grote fondsen 68,2% van het reservetekort voor hun rekening.

(3) In plaats van het kabbalistisch bepaalde reservetekort, kun je natuurlijk ook een 20% grote buffer aanhouden. Dat scheelt een hoop rekenwerk en tekst.

§3 De beroerde stand van zaken bij bijna alle pensioenfondsen

Aan het rapport van DNB ontlenen we [3]:

221_0

(1) Alleen bpfBOUW zit in categorie **. De overige vier bedrijfspensioenfondsen zitten in de categorie * met een pensioenvermogen kleiner dan het Minimum Vereist Eigen Vermogen. Deze vier fondsen maken 56% van de totale pensioenverplichtingen van alle pensioenfondsen uit.

§4 Historisch rendement

Het historisch rendement laat zich als volgt grafisch weergeven:

207_3

(1) Ondanks de bankencrisis was het meetkundig gemiddeld rendement in de periode 2003-2015 dus zeer aanzienlijk.

§5 Historisch verloop UFR 31 december [4]

207_4

§5 Enkele ruwe scenario’s

In plaats van die onzinnige opstellingen binnen het Financieel ToetsingsKader hadden de pensioenfondsen ook enkele scenario’s kunnen toelichten die wel inzicht geven in de stand van zaken. Voor een twintig jarige pensioenuitkering van nominaal € 10.000 ziet het plaatje bij pensionering er bij verschillende parameters ruwweg als volgt uit:

207_5

(1) Volgens de richtlijnen moet er ca € 184.657 in kas zitten om aan de pensioenverplichting te kunnen voldoen. (eigenlijk 104,2% of € 192.413)

(2) Gaan we uit van 1,9% rente (CPB mltv 2021) en een rendement op zakelijk waarden van 4,9% (risico-opslag 3%), dan wordt bij een mix van 50% het gemiddeld rendement 3,4%. De dekkingsgraad wordt dan bij een nominale uitkering 125%. Bij 1,8% inflatie wordt die dekkingsgraad 107% en na indexatie met een loonstijging van 1% wordt de dekkingsgraad 98%.

(3) Het rendement in scenario 1 is bepaald op de 3,7% van de herstelplannen [3] plus een UFR rekenrente van 1,67%, een inflatie van 0% en een loonstijging van 0%. De dekkingsgraad is dan 145%. Het zal duidelijk zijn dat het schrijven van een herstelplan onder deze omstandigheden een fluitje van een cent is. “DNB beoordeelt in hoeverre het herstelplan voldoet aan de eisen die het nieuwe toetsingskader stelt. Hoewel het nieuwe kader meer tijd en beleidsruimte biedt, moeten pensioenfondsen hun prognose wel goed en reëel onderbouwen.”[5] We moeten dus aannemen dat het percentage rendement van 3,7% bovenop de UFR reëel is. Voor 2015 had DNB in elk geval de schijn al tegen.

(4) In scenario 2 gaan we uit van een pensioenambitie van 2% inflatie en 1% loonstijging met het rendement uit scenario 1. De dekkingsgraad wordt nu 114%.

(5) Tot slot de vuistregel waarbij geldt dat als de (inflatie + loonstijging) = rendement dat dan de CW gelijk is aan de som van de nominale uitkeringen. Bij een rendement van 3% komt men dan € 15.343 tekort.

(4) De werkelijk uitkering is natuurlijk mede afhankelijk van de FTK indexatieregels, zodat de werkelijke uitkomst afwijkt omdat er b.v. teveel geld in de pot blijft zitten of er bij uitkering te veel/ te weinig geld uitgaat. Het herstelplan zou daar inzicht in geven als de pensioenfondsen i.t.t. tot hun lulverhalen in het jaarverslag echt transparant waren.

§6 Verloop pensioenverplichtingen 2008-2015

207_6

(1) in 2015 werd er slechts € 1.080 mln aan rente toegevoegd op een pensioenverplichting van € 636 mld. aan het begin van het jaar. Voor een match met de rendementen zie §7. In feite moeten de pensioenfondsen gewoon de bij de premievaststelling vastgestelde rente toevoegen en is de rest wijziging rentetermijnstructuur.

Per fonds zijn de mutaties als volgt weer te geven:

207_7

(1) Voor de rentedekking en de premiedekkingsgraad zie §3.

§7 Beleggingsresultaten en wijziging rentetermijnstructuur

207_8

(1) De uiterst florissante rendementen zijn praktisch geheel verdwenen in het zwarte gat dat rentetermijnstructuur heet.

Grafisch is de ontwikkeling als volgt:

207_9

§8 Gebeurtenissen na balansdatum

Gegeven de dynamiek van de financiële markten en de wijzigingen in het FTK is de dekkingsgraad na balansdatum fors gedaald. De fondsen ABP (vaststelling 28 april 2016), PFZW (22 april 2016) en hun accountants kenden blijkens de jaarrekening nog geen gebeurtenissen na balansdatum. Het PMT (31 mei 2016) en PME (9 juni 2016) en hun accountant (E&Y) wijzen inmiddels wel op de gebeurtenissen na balansdatum. {voor de tekst zie [6]} Het bpfBOUW (19 mei 2016) en zijn accountant konden nog geen plaats inruimen in de jaarrekening om onder Overige gegevens de gebeurtenissen na balansdatum te adresseren.

PMT en PME wijzen op de gebeurtenissen in respectievelijk de eerste twee maanden en de eerste drie maanden van 2016. [6] Deze gebeurtenissen waren de drie andere fondsen ook genoegzaam bekend bij het opstellen van hun jaarrekening, Het ABP publiceerde dekkingsgraad eind maart 2016 op 21 april met de volgende tekst

“De financiële positie van ABP blijft zorgelijk in het eerste kwartaal van 2016. De actuele dekkingsgraad was eind maart 90,4%. Dat is nét boven de kritische grens van ongeveer 90%, die eind december bepaalt of we de pensioenen moeten verlagen. Bestuursvoorzitter Corien Wortmann-Kool: ‘We verkeren in de gevarenzone en dat betekent dat de kans op een verlaging in 2017 nadrukkelijk aanwezig blijft.’”

en het PFZW op 21 april 2016

Peter Borgdorff, directeur van PFZW: “Het opkoopprogramma van de Europese Centrale Bank is bedoeld om de rente laag te houden. Een lage rente is nadelig voor de financiële positie van pensioenfondsen omdat de verplichtingen daardoor toenemen. En dat leidt ertoe dat we onze ambitie om het pensioen van onze deelnemers te indexeren niet kunnen waarmaken. We maken ons grote zorgen over de gevolgen die de geforceerde lage rente op de langere termijn kan hebben. De economie wordt nu wellicht aangejaagd, maar dit gebeurt op kunstmatige wijze waardoor de zo nodige structurele hervormingen uitblijven.” 

Tot zover de geroemde transparantie van de drie grote pensioenfondsen die in hun jaarrekening zo duidelijk afwezig is.

§9 Deplorabele toestand pensioenfondsen

Zoals we aan de hand van de gegevens hebben kunnen zien is de deplorabele toestand van de pensioenfondsen in belangrijke mate te wijten aan de voorschriften van het FTK. Dat DNB en AFM het huidige pensioenfondsen willen hervormen is toe te juichen. [7] Een goed begin zou zijn om deze toezichtorganen zelf kalt te stellen. Beide toezichtsorganen lopen immers met een grote boog om de echte knelpunten heen:

DNB [7a]

Voor bouwsteen 1 is een allocatie van het persoonlijk pensioenvermogen noodzakelijk en dient de doorsneeproblematiek, een premieverrekeningsmethode tussen de actieve deelnemers, te worden opgelost.

Bouwsteen 2 gaat uit van een individueel leeftijdsafhankelijk beleggingsbeleid met desgewenst een collectieve buffer om rendementsfluctuaties op te vangen.   Met de buffer halen we het generatieconflict weer in andere vorm weer in huis en blijven we met de pensioenbobo’s opgescheept.  

De gotspe en dooddoener in dit vijf na twaalf scenario is:

“Ten slotte is het van belang dat de transitie naar een nieuw stelsel op een evenwichtige wijze plaatsvindt. Dit vergt zorgvuldige analyse en besluitvorming. Het is zaak om hier zo spoedig mogelijk mee te beginnen.”

AFM

“De AFM vindt de volgende drie uitgangspunten van belang bij het toekomstbestendig maken van het pensioenstelsel: een persoonlijke pensioenrekening voor iedere deelnemer, rekening houden met de verschillen tussen deelnemers en een goede balans tussen keuzevrijheid en bescherming van de deelnemer.” [7b]

Het AFM doet in zijn position paper of je de pensioenregeling begint met een schone lei en het loopt met een grote boog om de transitieproblematiek heen.

Algemeen geldt dat

♦ Het Langlevenrisico niet wordt geadresseerd.

♦ De stelling dat het beleggingsbeleid leeftijdsafhankelijk moet worden gemaakt waarbij jongeren meer en voor ouderen minder risicovol kan worden belegd, wordt klakkeloos overgenomen. Wie die beslissing voor de deelnemers neemt, is onduidelijk. De pappagaai-achtige onderbouwing van de stelling, geliefd in pensioenbobo kringen, ontbreekt ook.

♦ Uiteraard wordt de governance ook niet geadresseerd, bij een werkelijk persoonlijke pensioenrekening kunnen we het wel zonder regelneef toezichthouders van het huidige type stellen. De fianciële maffia is echter van alle tijden en de ervaring met 7 miljoen woekerpolissen maakt dat een kritische en waakzame toezichthouder wel op zijn plaats is. Het is daarbij ook van belang dat die toezichthouder over individuele gevallen direct met naam en toenaam mag rapporteren.

_____________

Laatst bijgewerkt 27 juni 2016

[1a] Jaarverslag ABP, https://www.abp.nl/over-abp/financiele-situatie/jaarverslag.aspx

[1b] Jaarverslag PFZW, https://www.pfzw.nl/over-ons/dit-presteren-we/paginas/jaarverslagen.aspx

[1c] Jaarverslag PMT, http://www.bpmt.nl/actueel/pmt-publiceert-jaarverslag-2015#.V3EWPbh96Uk

[1d] Jaarverslag PME. https://www.metalektropensioen.nl/nieuws/jaarverslag-2015-pme-online

[1e] Jaarverslag bpfBOUW, https://www.bpfbouw.nl/over-bpfbouw/ons-beleid/jaarverslagen/

[2] http://www.pensioenfederatie.nl/Document/Nieuws%20archief/Brief_KampTK_Bijlage_BeleidsnotaUitwerking-herziening-berekeningssystematiek.pdf , blz. 5:

“Voor de vaststelling van het totale VEV wordt de impact voor de afzonderlijke risicofactoren geaggregeerd. Hierbij wordt rekening gehouden met diversificatie-effecten. Doordat niet alle risico’s zich op hetzelfde moment zullen manifesteren, is het VEV op geaggregeerd niveau lager dan de som van de afzonderlijke componenten. Gemiddeld genomen valt hierdoor het VEV ruim 30 procent lager uit dan wanneer er geen rekening zou worden gehouden met diversificatie. De relatieve impact van de herziening op het diversificatie-effect is gemiddeld genomen beperkt. Ook daarbij is sprake van verschillen tussen fondsen. Afhankelijk van de beleggingsmix van een fonds neemt het effect van diversificatie tussen verschillende risicoscenario’s toe dan wel af.”

[3] https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2016/05/20/rapport-dnb-over-financiele-positie-pensioenfondsen

[4] http://www.dnb.nl/statistiek/statistieken-dnb/financiele-markten/rentes/index.jsp

[5] http://www.dnb.nl/nieuws/nieuwsoverzicht-en-archief/dnbulletin-2015/dnb325664.jsp

[6] Gebeurtenissen na balansdatum

PMT is een andere mening toegedaan (31 mei 2016) :

“In de eerste twee maanden van 2016 is de dekkingsgraad sterk gedaald door negatieve ontwikkelingen op de financiële markten, met name een sterke rentedaling. Eind februari 2016 bedroeg de dekkingsgraad 89,6%, dat is onder het kritieke niveau van het herstelplan en tot nu toe het laagste niveau dit jaar (zie paragraaf Solvabiliteitsrisico). Hierdoor is de kans op een verlaging van de pensioenafspraken in 2017 sterk toe genomen.”

Ook de accountant drs. J. Niewold RA (E&Y) heeft een andere taakopvatting:

“Wij vestigen de aandacht op het onderdeel ‘Herstelplan en mogelijke pensioenverlaging’ in het bestuursverslag alsmede de gebeurtenissen na balansdatum waarin de mogelijke gevolgen van de ontwikkelingen van de dekkingsgraad in de eerste vier maanden van 2016 zijn beschreven. Deze aangelegenheid doet geen afbreuk aan ons oordeel.”

PME heeft een gelijke taakopvatting (9 juni 2016):

“In de eerste drie maanden van 2016 is de dekkingsgraad sterk gedaald door negatieve ontwikkelingen op de financiële markten, met name door een sterke rentedaling. Eind maart 2016 bedroeg de dekkingsgraad 90,8%. Hierdoor is de kans op een verlaging van de pensioenaanspraken in 2017 toegenomen”

en dezelfde accountant als PMT rapporteert:

“Ontwikkeling van de dekkingsgraad

Wij vestigen de aandacht op de toelichting in de jaarrekening, het bestuursverslag, alsmede de gebeurtenissen na balansdatum waarin een mogelijke pensioenverlaging als gevolg van de ontwikkelingen van de (beleids)dekkingsgraad in de eerste drie maanden van 2016 is beschreven. Deze aangelegenheid doet geen afbreuk aan ons oordeel.

[7a] http://www.dnb.nl/nieuws/nieuwsoverzicht-en-archief/dnbulletin-2016/dnb342808.jsp

[7b] https://www.afm.nl/~/profmedia/files/afm/2016/postion-paper-pensioenstelsel.ashx

It is my money and I need it now! [1]

_______________________________________________

De Rapportage van DNB over de financiële positie pensioenfondsen is voor mij aanleiding om nog eens aantal zaken op een rijtje te zetten.[2] Ik richt mij in het bijzonder op de positie van de gepensioneerden, die worden immers in de herstelperiode het meest getroffen bij de opbouw van deels onnodige buffers, waarvan zij geen cent wijzer worden.

Hans Van Meerten heeft in het Reformatorisch Dagblad in het artikel Pensioenstelsel failliet een warm pleidooi gehouden om met een schone lei te beginnen. De oude fondsen zoals het ABP worden gesloten voor de nieuwe opbouw. Het woord sterfhuisconstructie neemt hij net niet in de mond, maar daar komt het wel op neer. De nieuwe opbouw kan dan in een nieuwe instelling – dus niet verplicht een pensioenfonds – plaatsvinden. Die instelling werkt zonder herverdelingsmechanismen en rekenrentediscussies.[3]

Uiteraard zal de governance van deze instelling dit keer wel goed geregeld moeten worden, waarbij alle zeggenschap uitsluitend bij de deelnemers komt te liggen. Mogelijk is een coöperatie een geschikte rechtsvorm. Het moet dan mogelijk zijn om op verzoek de oude rechten in het nieuwe pensioenlichaam in te fietsen. Onder welke voorwaarden dat gebeurt, is dan het onderwerp van een staatscommissie, die op dit punt nu wel eens op korte termijn knopen doorhakt. De sociale partners en politici worden bedankt voor het jarenlange wanbeleid en zo veel mogelijk weggehouden bij de nieuwe opzet. Omdat sprake is van een defined contribution systeem is voor de werkgevers ook geen rol meer weggelegd. De instelling kan met behulp van diverse beleggingsfondsen de deelnemer laten kiezen voor een beleggingsprofiel dat kan variëren met leeftijd en risicovoorkeur.

De politieke realisatie hiervan zie ik eigenlijk niet zo zitten, tenzij de fittere pensioendeelnemers naar de pitchfork grijpen. [4]

_______________________________________________

§1 Inleiding

De pensioendeelnemer werd veelal een waardevast pensioen beloofd. De pensioenuitkering is dan afhankelijk van de inflatie en de loonontwikkeling. Gezien de lage inflatie en de geringe loonstijging in de afgelopen jaren zou het niet al te moeilijk moeten vallen om die pensioenambitie te realiseren. Dit klemt te meer daar het rendement in de afgelopen 20 jaar bij een vooraanstaand pensioenfonds gemiddeld 7% bedroeg. [5] Inmiddels ligt de indexatie-achterstand (waardevast) bij dat zelfde fonds al op bijna 11,7% en op 9% op basis van een voor inflatie geïndexeerd pensioen. [6] Het geringe verschil in achterstand laat duidelijk zien dat er met de loonontwikkeling in Nederland ook het een en ander mis is.

In deze bijdrage zullen we op basis van grote stappen snel thuis enkele grove berekeningen maken om een inzicht te krijgen in de pensioensituatie van de deelnemer. De deelnemer tast daarbij veelal in het duister. De uitwerking van zijn pensioensituatie op basis van de uiterst geheime ingediende herstelplannen wordt de pensioendeelnemer kennelijk onthouden. Aan zijn jaarlijkse, door het simplistisch AFM-verbond goedgekeurde pensioenopgave ziet hij zo weinig dat deze linea directa de kattenbak in kan. In hoeverre de wet pensioencommunicatie daarin verbetering brengt moet hij maar afwachten.

§2 De deplorabele toestand van de pensioenfondsen

Aan het rapport van DNB ontlenen we de volgende gegevens [2]:

221_0

(1) Voor 97% van de deelnemers geldt dat hun pensioenfonds een herstelplan moet indienen, waarbij het fonds binnen 10 jaar op het Vereist Eigen Vermogen (VEV) moet uitkomen. Dat vereist eigen vermogen is afhankelijk van het risicoprofiel van het fonds en fluctueert ruwweg tussen de 16% en 25% ( zie tabel) o.a. afhankelijk van de beleggingmix en het risico dat het fonds neemt.

(2) 61% van de deelnemers met 66% van de pensioenverplichtingen worden geconfronteerd met een pensioenfonds dat niet aan het minimaal verplicht eigen vermogencriterium (MVEV) met een beleidsdekkingsraad van 104,2% voldoet. Indien deze situatie (< MVEV) vijf jaar voorduurt moet het tekort in minimaal 10 jaar verplicht worden ingelopen.

(3) 36% van de deelnemers met 27% van de pensioenverplichtingen worden worden geconfronteerd met een pensioenfonds dat een vereist eigen vermogen heeft dat tussen het MVEV en het VEV in ligt. Ook die fondsen moeten een herstelplan opstellen dat aangeeft hoe zij binnen 10 jaar op het VEV uitkomen. Elk jaar wordt de situatie echter opnieuw bepaald in het aangepaste herstelplan, zodat de soep niet zo heet wordt gegeten als hij wordt opgediend. Zo zoetjes aan lijkt het er echter op dat aan echte kortingen niet valt te ontkomen. [2]

(4) Slechts voor 3% van de deelnemers met 3 % van de pensioenverplichtingen geldt dat hun pensioenfonds de zaken op orde heeft.

(5) Meetlaat daarbij is de pensioenverplichting die op basis van de UFR wordt gewaardeerd conform de voorschriften van DNB. [7] Tweede meetlat is de voorgeschreven berekening van de rendementen op grond van voorgeschreven parameters.[8] Een derde meetlaat is de vaststelling van de pensioenpremie waarbij ook de voorschriften van DNB en de zgn. premiedemping een rol spelen. [9]

(5a) Hoewel de pensioenuitkering slechts tot de spreekwoordelijke deur gegarandeerd wordt, is de pensioenwereld van mening dat je de verplichting op de risicovrije rente moet waarderen die bepaald wordt door een tamelijk arbitraire UFR-excercitie (” niet volledig objectiveerbare criteria”). Er moest immers een list worden bedacht om het renteverloop na twintig jaar niet gewoon als een rechte lijn door te trekken: de levensverzekeringsmaatschappijen zouden anders de tent direct kunnen sluiten en de pensioenfondsen zonder verplichte deelname ook. De herstelplannen gaan uit van de bestaande situatie, met een te verwachten daling van de UFR doordat oude jaarlagen uitvallen hoeft geen rekening te worden gehouden.[10] Eigenlijk zou DNB dat effect in de vaststelling van de herstelplannen al hebben moeten meenemen.

De UFR daalde van 4,2% naar 3,3%, terwijl internationaal aan 3,7% voor de eurolanden wordt gedacht. [7a; 7c; folklore:9b].

(5b) Het effect van (5a) wordt vergaand gemitigeerd door toe te staan dat bij de herstelplannen mag worden gerekend met DNB-normrendementen die ontleend zijn aan de commissie parameters.[8] Een fonds dat meer risico neemt, mag ook met hogere rendementen rekenen en zo komt Jan Spliter door de winter. Dat geldt alleen niet voor de pensionado’s die met de korte termijn van de herstelperiode te maken hebben, naar hun indexatie kunnen fluiten en met een afstempeling worden bedreigt. De actieve deelnemers lopen mogelijk alleen ten onrechte indexatie mis en gaan bij pensioenoverdracht mede door de doorsneepremie regeling, de boot in.

Eigenlijk is het herstelplan dus een herstelberekening op basis van reëlere uitgangspunten, waarbij [5a] voor grote groepen deelnemers materieel (m.uz. indexatie) buitenwerking wordt gesteld.

(5c) Een kostprijsdekkende pensioenpremie zou onder het regime [5a] natuurlijk te hoog uitvallen en daarom mag je de pensioenpremie “dempen” door met het onder [5b] genoemde, bij voorkeur maximaal toegestane, rendementen te rekenen. Als het kalf verdronken is dempt men de put, is een oude wijsheid die hier ook opgaat. Het effect valt in tabel 1 na te lezen. Er is een opvallende correlatie tussen de hoogte van de pensioenpremie en de miserabele financiële toestand van een pensioenfonds. Alleen de top 3% deelnemers betalen zo te zien, niet geheel toevallig, een kostprijs dekkende premie die correspondeert met de vereiste dekkingsgraad en de pensioenambitie. DNB is kennelijk van mening dat als je dit maar rapporteert [2, blz. 13] je aan je zorgplicht hebt voldaan.

(5d) De rendementen op vastrentende waarde flateren het beleggingsresultaat omdat bij dalende rente een voorschot wordt genomen ten koste van toekomstige rendementen. In de appendix A laten we dit aan de hand van een voorbeeld zien. De actuele dekkingsgraad wordt hiermee dus feitelijk al jaren te hoog voorgesteld.

De effectieve rente op een tienjarige staatslening is momenteel 0,148%. Veelal werd voor rendementen op vastrentende waarden uitgegaan van 2% inflatie en een reële rente van 1,7%. Het CPB gaat in zijn mltv 2017-2021 uit van een lange rente van 1,9% en een inflatie van 1,8 % in 2021, van een reële rente is dus voorlopig geen sprake. Ronden we beide cijfers af op 2% en gaan we uit van een premie op aandelen van 3% dan wordt het gemiddeld rendement bij een 50%/50% mix vastrente waarden /aandelen gemiddeld 3,5%. Het scenario in paragraaf 3.1 van 3% rendement lijkt dus nog steeds haalbaar.

Bij herstelplannen wordt volgens DNB gemiddeld uitgegaan van een overrendement van ca 3,7% boven de UFR. [2, blz. 15]:

221_10

Onder het motto “goedgekeurd door de DNB” zullen we dit percentage maar verder hanteren.

(6) Naast de ALM-toets en de VEV-toets hebben we nu ook die mallotige haalbaarheidstoets. Over het nut van de haalbaarheidstoets (art 143 Pensioenwet) kunnen we kort zijn. Staring en Janssen hebben daar in hun artikel al gehakt van gemaakt. [10a] Daarover communiceren met de deelnemers wordt door de pensioenbobo’s ook niet als nuttig ervaren. [10b] Het DNB is het daar kennelijk ook gloeiend mee eens want in zijn rapport over de financiële positie van de pensioenfondsen [2] wordt er terecht tittel of jota aandacht aan besteed.

§3 De casus

We gaan voor een 71-jarige pensioendeelnemer na hoe zijn pensioen zich verder ontwikkeld. Daarbij gaan we er vanuit dat hij naar het zich laat aanzien nog 11 uitkeringen van nominaal € 10.000 tegoed heeft.

§3.1 De emissieprospectus

Een aantal jaren geleden werd onze pensionado koeien met gouden hoorns beloofd. zoals uit onderstaande opstelling blijkt:

221_3

(1) De aannames zijn dat inflatie + loonstijging gelijk is aan een conservatief rendement van 3%. Onder die omstandigheden is tabel 1 eenvoudig samen te stellen. Ook wordt geen rekening gehouden met overlijden tijdens de opbouw of arbeidsongeschiktheid. Onder die omstandigheden is de opbouw voor bv modaal van 42 x € 8.000 gelijk aan de uitbetaling 20 x € 16.800. Voor een nadere toelichting zie [11] en de bijdrage “Hervorming pensioenopbouw“. Je moet dan wel ongedempt 33,3% pensioenpremie betalen en daar hebben de sociale partners natuurlijk geen zin in.

[2] Uit de opstelling blijkt de invloed van inflatie en loonstijging op de hoogte van het pensioen. Dat de AOW deze ontwikkeling volgt, staat overigens nog te bezien, de historie wijst immers anders uit.

§3.2 De stand van zaken

221_4

(1) De pensioenvoorziening staat in de boeken van het pensioenfonds voor € 109.840, nominaal is de verplichting nauwelijks meer en bedraagt € 110.000. Over de logica van de eerst paar jaren zullen we ons hoofd maar niet breken. [11]

(2) Onder de huidige omstandigheden kun je dus voor de middellange termijn net zo goed met nominale waarden rekenen en is het rente-effect te verwaarlozen. Dat wordt er voorlopig ook niet beter op.[12]

(2) De dekkingsgraad bedraagt 90%, zodat het maar zeer de vraag is of de nominale bedragen wel kunnen worden uitgekeerd.

§3.3 De “werkelijke” afwikkeling onder het oude regime

221_5

[1] We gaan uit van de rendementen in het herstelplan. [2] De “individuele dekkingsgraad” aan het begin is 90% en de algemene reserve bedraagt dus € – 10.984.

[2[ Ondank het feit dat het pensioenfonds met deze pensioenpolis binnenloopt, moet indien de dekkingsgraad gedurende vijf jaar lager dan 104,2 bedraagt verplicht tot korting worden overgegaan. Dat kan in één keer of mag maximaal over 10 jaar worden uitgesmeerd, de keuze is aan het pensioenfonds. De post is daarom p.m. in de tabel opgenomen.

[2] Indexering mag indien de beleidsdekkingsgraad > 110 bedraagt en het fonds die indexatie ook in de toekomst kan uitkeren. In een pensioenfonds ben je daarbij afhankelijke van de collectieve dekkingsgraad die door premiedemping, VUT-uitkeringen, langleven risico, etc. waarvoor geen premie is betaald fors kan afwijken van de individuele polissituatie. Ook de afwikkeling van de doorsneepremie problematiek kan nog roet in het eten gooien als die niet uitsluitend wordt verrekend onder de actieve deelnemers. Aan de hand van het herstelplan zou het fonds deze informatie natuurlijk wel aan de pensioendeelnemer kunnen verstrekken en het verloop volgens tabel completeren in het jaarlijkse overzicht. Vooralsnog is daar geen kijk op.

§3.4 De liquidatie

Pensioenoverdracht mag pas bij een voldoende dekkingsgraad plaats vinden. [13] Veelal wordt 100% genoemd, terwijl 104,2% (MVEV) eerder voor de hand zou liggen of nog logischer de dekkingsgraad van het nieuwe pensioenfonds als uitgangspunt zou moeten worden genomen.

Afstempelen, het verlies nemen en vervolgens naar een fonds gaan met persoonlijke vermogenrekeningen lijkt een aantrekkelijk alternatief om nog iets van die € 9.642 binnen te halen.

221_6

(1) Onze pensionado kan dus toch nog een pensioen van € 10.688 genieten. Dat moet dus snel geregeld worden cf de titel van deze bijdrage.

(2) Onze pensionado draagt zijn pensioen over op basis van de geldende regels. Hij zou natuurlijk ook eens kunnen kijken wat zijn pensioeninleg tegen de werkelijke gemaakte rendemententen de afgelopen tientallen jaren wel had opgebracht. [14] Dat is nu een mooie excercitie voor een in te stellen dit keer doorpakkende staatscommissie.

Appendix A Vastrentende waarden.

Als voorbeeld nemen we de Obligatie NL 5.50% 2028/01/15:

221_1

(1) De waarde van nominaal € 100.000 obligaties steeg van 2011 tot 2014 van € 138.880 naar € 156.040. Maar what goes up must come down, in elk geval is het op 15/1/2028 zover omdat dan de nominale waarde tot uitkering komt. Bij het aanhouden van de obligaties leidt de koersontwikkeling dus alleen maar tot een andere verdeling van de rendementen in de tijd en rekenen pensioenfondsen zich bij de huidige lage rente rijk.

(2) Pensioenfondsen slaan zich graag op de borst over het rendement in 2014 van 28% dat ten koste gaat van het rendement in volgende jaren en klagen ondertussen wel over de lage rekenrente. De marktrentestijging in 2015 maakte dat het rendement voor 2015 slechts 0,6% bedroeg.

(3) Bij een gelijkblijvende marktrente van eind 2015 1,348% is het rendement voor 2016 en 2017 slechts ≈ 1,97 respectievelijk 1,94% i.p.v. 5,5%. Dat agio moet je immers tot 2018 verschmerzen. 

(4) Een groot voordeel van de pensioenregeling is dat de pensioendeelnemer geen vermogensrendementsheffing betaalt. In 2015 zou hij anders 30% van 4% van € 151.135 aan VRH hebben betaalt, terwijl hij in werkelijkheid slechts 0,6% rendement maakt. Net als het pensioenfonds rekent de fiscus het agio graag mee bij het vermogen.

(5) Het aandeel vastrentende waarde van de pensioenfondsen nam in de loop van het eerste kwartaal 2015 (QE ECB) dan ook toe naar rond de 58%. [7a] De rendementen op vastrentende waarden in vreemde valuta nam door de de rentedaling en de daarmee samenhangende appreciatie van vreemde valuta ook nog eens toe.[7a] Uiteraard wordt bij indekking (rente en/of valuta) van posities een deel van deze winsten ongedaan gemaakt.

 ____________________

Laatst bijgewerkt 18 juni 2016

[1] Reclamespotje: https://www.youtube.com/watch?v=HX0fIi3H-es

[2] https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2016/05/20/rapport-dnb-over-financiele-positie-pensioenfondsen

[3] Niet op zondag: Hans van Meerten, “Pensioenstelsel failliet”, http://www.refdag.nl/opinie/pensioenstelsel_failliet_1_993661

[4] TED, Nick Hanauer, “Beware fellow plutocrats, the pitchforks are coming”, https://www.ted.com/talks/nick_hanauer_beware_fellow_plutocrats_the_pitchforks_are_coming

[5] https://www.abp.nl/over-abp/beleggen/resultaten.aspx

[6] https://www.abp.nl/over-abp/financiele-situatie/indexatie.aspx

[7a] http://www.dnb.nl/nieuws/nieuwsoverzicht-en-archief/dnbulletin-2015/dnb324317.jsp

[7b] https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2013/10/11/advies-commissie-ufr

[7c[ Met kritiek op [7b] :

https://eiopa.europa.eu/Publications/Consultations/RFR%20CP%20on%20methodology%20to%20derive%20the%20UFR%20(after%20BoS).pdf#search=ufr

[8] https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2014/03/21/advies-commissie-parameters

[9a] http://www.toezicht.dnb.nl/3/50-233170.jsp

[9b] http://www.gepensioneerden.nl/uploads/files/Werkgroepen/Werkgroep_Communicatie/Position_paper_Van_Praag.pdf

[10a] https://www.pggm.nl/wat-vinden-we/Documents/Vormgeving-haalbaarheidstoets-dient-het-doel-niet.pdf

[10b] http://www.pensioenfederatie.nl/actueel/nieuws/Pages/Hoe_moet_een_pensioenfonds_communiceren_over_de_haalbaarheidstoets_1088.aspx

[11] http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/de-noodzaak-van-een-alternatief–pensioenakkoord

[12] http://www.mercer.nl/onze-deskundigheid/rentes-op-rentetermijnstructuur-negatief.html

[12] http://www.aon.com/netherlands/persberichten/2016/herstelplannen-pensioenfondsen.jsp

[13] https://www.fnv.nl/themas/pensioen/waardeoverdracht-pensioen/

[14] http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/de-pensioenmythe-doorgeprikt

 

 

Opdoeken die omkeerregel pensioenen!

_____________________________________________________

Deze bijdrage vervangt drie eerdere bijdragen en is daarmee wat lang uitgevallen.

Alle pensioenbobo’s zijn warm voorstander van de omkeerregel pensioenen als smeermiddel voor de pensioenplicht.[1] Wie zou er immers anders thans nog vrijwillig geld in een nauwelijks renderende pensioenpot stoppen? In deze bijdrage zullen we uiteenzetten waarom we deze belastingfaciliteit zo snel mogelijk moeten opdoeken.

Opheffing van de omkeerregel pensioenen heeft de volgende significante voordelen:

♦ Met de inning van de belastingclaim wordt € 560 mld. binnengehaald, waarvan € 442 mld. wordt gebuikt om de overheidsschuld af te lossen en de rest € 118 mld. na incassering ter vrije beschikking staat. (§1; zie ook §3.4) Omdat de overheidsschuld tegen marktwaarde moet worden ingekocht zullen we een groot deel van die € 118 mld. nodig hebben. Vlotte inning van een substantieel deel van de belastingclaim is een eitje. (§3.8)

♦ De vrijgekomen interest van € 7,8 mld. en de hogere belastingopbrengst in box 1 van € 10,4 mld. levert de schatkist in totaal jaarlijks € 18,2 mld. op.(§3.11)

CaptureHet Stability and Growth Pact (SGP) kan de papiervernipperaar in. (§3.14)

CaptureDe overheid kan van die meeropbrengst een forse belastingverlaging in box 1 doorvoeren (€ 18,2 mld. op loon- en inkomensheffing (miljoenennota 2016) van € 90,9 mld. = 20%), waarmee het besteedbaar inkomen flink toeneemt.

♦ Als daarnaast een vermogensrendementsheffing (VRH) op het pensioenvermogen wordt ingevoerd levert dat nog eens ruim € 10 mld. op. Hiervan moet nog wel een aanzienlijk verhoogde VRH-vrijstelling vanaf. (§ 3.6) De opbrengst kan alleen worden gerealiseerd en ingeboekt als het pensioenvermogen eindelijk per deelnemer is toegerekend.

________________________________________________________

§1 Cijfermateriaal

Zonder cijfers ben je nergens, dus we beginnen met het bij elkaar gesprokkelde cijfermateriaal:

217_2

(a) Twee gegevens zijn daarbij uiterst relevant: de pensioenpremie incl. derde pensioenpijler na aanpassing Witteveen kader (het paarse lijntje) van ca € 45 mld. [5] en de wel betaalde interest (rode lijn) op de niet bestaande overheidsschuld voor 2016 € 7,8 mld.

(b) De pensioenpremie bedrijven zal in 2021 volgens de CPB middellange termijnverkenning ca € 36,3 mld. bedragen. Het 2014 cijfer van € 32,7 mld. is blijkens navraag bij het CPB inclusief rechtsreekse pensioenpremie aan verzekeringsmaatschappijen. De overheid betaalde via het ABP en PFZW gezamenlijk € 12,1 mld. pensioenpremie in 2014, zodat de pensioenpremies bedrijven en overheid samen al op € 44,8 mld. uitkomen. Voor rest van de derde pijler pensioenpremies blijft dan niets over.

(c) Met die € 45 mld. pensioenpremie ziet de overheid initieeel af van 52% (€ 23,4 mld.) heffing belastingen (46%) en sociale lasten (6%).[3;5] Bij de pensioenuitkering wordt alsnog, veelal vele jaren later, 35% (€ 15,8 mld.) geïncasseerd. De overheid derft dus 17% (€ 7,6 mld.) om de pensioenregeling te faciliteren.[3] In de tussentijd wordt op die € 15,8 door de staat wel rendement gemaakt als onderdeel van het pensioenvermogen.

(d) De overheidsschuld bedraagt eind 2015 € 442,7 mld. Daar staat tegenover dat het pensioenvermogen, inclusief derde pensioenpijler, ca € 1.600 mld. bedraagt. Hierop heeft de staat een (latente) belastingclaim van 35% of € 560 mld. Uiteraard moet je dit pensioenvermogen cijfer ook zelf bij elkaar harken. De overheid heeft er immers volstrekt geen belang bij met deze cijfers te koop te lopen: structurele hervormingen, een eufemisme voor “progressieve” afbraak van de verzorgingsstaat, kan je immers zonder kennis van deze cijfers veel gemakkelijker afdwingen. Onze media helpen daar graag bij.

§2 Inleiding

De omkeerregel pensioen houdt in dat pensioenpremies zonder belastingheffing en heffing volksverzekeringen/sociale premies aan een pensioenlichaam kunnen worden afgedragen binnen het zogenaamde fiscale Witteveen kader. Er is een scala aan mogelijkheden om pensioen op te bouwen naast AOW (1e pijler) en de voor veel werknemers verplichte deelname aan een pensioenregeling bij een pensioenfonds of verzekeringsmaatschappij (tweede pijler) kennen we ook de derde pensioenpijler. Ondernemers kunnen een pensioen reserveren met de Fiscale OudedagsVoorziening (FOR-faciliteit) of een pensioen opbouwen in eigen beheer. Daarnaast kan men nog een lijfrente afsluiten binnen het fiscale kader. De omvang van het onbekende deel van de derde pijler is statistisch gezien een black box, maar niet onbelangrijk: eind 2012 bedroeg die ca € 181 mld. (30% bbp_2012).[2] Aan die derde pensioenpijler hebben we ook de door de financiële maffia, onder het wakend oog van de toezichthouders, ontwikkelde 7 miljoen woekerpolissen te danken.

De staat maakte jaarlijks een rendement op de belastingclaim (2000 – 2014 6,38%) die de rente op de overheidsschuld overtreft. Het pensioenvermogen, en daarmee de belastingclaim, groeide de afgelopen 20 jaar met 7,8% per jaar (CPB: fiftyfifty premie en beleggingsresultaat) exclusief de derde pensioenpijler. Het ABP maakte de laatste 23 jaar een meetkundig gemiddeld rendement van 7,3%, en toch blijft men op het internet mekkeren over de slechte performance.

Materieel is de overheidsschuld belegd in het pensioenvermogen. De staat heeft nauwelijks iets te zeggen over het beleggingsbeleid en loopt een aanzienlijk oncontroleerbaar risico over dat vermogen. Daarnaast is er een mismatch tussen de looptijd van de staatsleningen en de realisatie van de belastingclaim op de pensioenuitkeringen en wordt er dus renterisico en rendementsrisico gelopen. Dat risico is dus substantieel anders en hoger dan Dijsselbloem met zijn adviseurs ons en de Tweede Kamer voorschotelden. [7]

Bij storting van de pensioenpremie ziet de staat af van gemiddeld ca 52% belasting en sociale premies, de pensioenuitkering wordt t.z.t. tegen ca 35% belast. De staat derft dus ca 17% opbrengsten op elke gestorte euro premie (werknemers en “werkgevers”- deel). Werkgever staat hier tussen aanhalingstekens, want zijn premie wordt natuurlijk betaald uit de loonruimte van de werknemer. Die gederfde belasting en sociale lasten moet toch worden opgebracht en de huidige generatie betaalt dus twee keer belasting: één keer om de belastingderving nù op te vangen en één keer bij de pensioenuitkering. Het enige dat dus feitelijk wordt omgekeerd is de portemonnee van de belastingbetaler.

Een uitzondering op de laatste regel is de vrijstelling van het pensioenvermogen van de vermogensrendementsheffing (VRH). Geheel los van de omkeerregel moet als het pensioenvermogen eens naar pensioendeelnemer verbijzonderd is een vermogensbelasting op dat pensioenvermogen geheven worden, uiteraard met een nader te bepalen vrijstelling. Ook dat brengt minsten enkele miljarden in het laatje van de staat. Complicatie daarbij is dit de pensioenuitkeringen verlaagt en dus ook de 35% belastingopbrengst op de uitkeringen.[1e] Ook zullen pensioengerechtigden bij de huidige dekkingsgraad, waarbij de nominale pensioenen niet eens gewaarborgd zijn, niet blij zijn met een vermindering van hun pensioen. De politieke moed zal dan ook wel ontbreken.

Bij de verdere uitwerking gaan we ervan uit dat de huidige pensioenregeling van kracht blijft. Er is echter geen enkele reden om de huidige voorschriften met een opbouwpercentage van b.v. 1,875% per jaar over de pensioengrondslag te handhaven en zo in 40 jaar 75% van het gemiddeld salaris na aftrek van de AOW-franchise van b.v. nu € 12.500 op te bouwen. Een verplicht pensioen tot b.v. maximaal netto € 20.000 boven de AOW zou ook volstaan. Daarboven mag men het dan lekker geheel zelf uitzoeken. Men zou zelfs kunnen stellen dat een verplicht pensioen nu dat van een rekenrente van 1,2% uitgaat bij een inflatie van 1,8% in 2021 in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het EVRM.

§3 Argumenten voor afschaffing omkeerregel pensioenen

(1) De overheid heeft zich niet paternalistisch te bemoeien met de wijze waarop de burgers sparen en de belastingheffing met economisch neutraal opereren, waardoor de burger zelf een optimale spaarmix (eigen huis, pensioen, beleggingen, kapitaalverzekeringen, lijfrenten en overige spaarvormen) kan kiezen. Om een na ons de zonsvloed mentaliteit te adresseren kan een sociaal minimum pensioen verplicht worden gesteld (ook voor zzp’ers) te financieren uit het netto beschikbaar inkomen.

(2) Bij de belastingheffing dient de overheid uit te gaan van het matching principle: inkomen wordt belast als het verdiend is en de prestatie wordt geleverd. Het werkgevers- en werknemersdeel van de pensioenpremie is verdiend loon dat direct in de belastingheffing moet worden betrokken tegen het progressieve tarief in box 1.

(3) Het argument dat het uitstellen van de belastingheffing in de toekomst tot hogere belastinginkomsten zal leiden om de zorgkosten te betalen snijdt geen hout. In de toekomst wordt immers ook weer pensioenpremie afgetrokken die berekend wordt over een hopelijk hoger loon. Per saldo zal het pensioenvermogen alleen maar oplopen en daarmee ook de belastingclaim, geld dat de overheid laat liggen.[4] De contante waarde van een belastingclaim die je eigenlijk nooit in handen krijgt, is bedrijfseconomisch gezien nihil. Eigenlijk is dus sprake van een gigantische kapitaalvernietiging. De pensioenpot is een zwart gat, waaraan het belastingeld, net als het licht, nooit ontsnapt. In (8) zullen we aangeven hoe de overheid dit bedrag toch redelijk snel in handen kan krijgen.

(4) In de periode 2000-2015 betaalde het Nederlandse volk volstrekt onnodig ca € 170 mld. van de totaal € 203 mld. aan rente over de materieel niet bestaande of veel geringere overheidsschuld. Dat geld verdween in feite in de pensioenpot als onderdeel van het rendement op de belastingclaim die met € 318 mld. tot € 479 mld. toenam, exclusief derde pijler. Ook hebben we de afgelopen jaren deels onnodig bezuinigingen (een eufemisme voor een belastingverhoging als daar geringere overheidsdiensten tegenover staan) doorgevoerd. Het besteedbaar inkomen heeft daarmee onnodig onder druk gestaan met uiteraard consequenties voor de binnenlandse vraag en de groei. Zonder de omkeerregel pensioenen was dat niet nodig geweest. In 2014 nam de belastingclaim op het pensioenvermogen met € 77 mld. toe en in 2012 met € 47 mld., maar dat waren bijzonder goede jaren.

Stelling: Van het geld dat overblijft na aflossing van de overheidsschuld (ca € 118 mld.) zou de huidige generatie met name moeten profiteren gezien de in het verleden ten onrechte te veel betaalde rente op de overheidsschuld. De jongere generatie wordt al genoeg gematst doordat geen overheidsschuld wordt nagelaten.

(5) De omkeerregel pensioenen zou nodig zijn om de begrotingsdiscipline te handhaven.(DNB) Zonder omkeerregel hadden we zelfs op EMU-papier noch een overheidsschuld noch een overheidstekort. Uiteraard kun je na aflossing als overheid de burger niet meer voorliegen en bang maken om structurele hervormingen af te dwingen. Omdat ik een integere overheid voorsta, is dit nog een reden om die regel af te schaffen.

(6) Het pensioen kan netto gespaard worden en hoort net als andere vermogenscomponenten onder de vermogensbelasting te vallen. [9] Het Witteveen kader kan vervallen. De vrijstelling vermogensrendementsheffing moet dan wel aanzienlijk omhoog, zeker als we en passant de eigen woning ook in de VRH betrekken.

De vermogensheffing is van toepassing op 65% van het pensioenvermogen, die andere 35% is immers al van de staat. De vraag is welk rendementspercentage moet worden toegepast. Onze golden wonderboy Wiebes zal ongetwijfeld kunnen aantonen dat gezien de omvang van het vermogen en de expertise van de beleggingsspecialisten een rendementspercentage van 5,5% te rechtvaardigen valt. De staat mist dan 1,65% van ruwweg € 1.000 mld. of € 16,5 mld., zonder aanpassing van de VRH-vrijstelling. Daar moet je dan wel 35% VRH-derving box 1 van aftrekken zodat 10,7 mld. netto VRH overblijft. [6] Overigens zou ik de heer Wiebes willen vragen of hij dat rendementspercentage nog wel even aan mevrouw Kleinsma en al die pensioenfondsbestuurders kan komen uitleggen. Die kunnen er dan mooi hun voordeel mee doen.

Het laat zich berekenen dat een net ingegaan pensioen zelfs bij een VRH van 1,2% bruto al zo’n 13% lager uitvalt. Als je de opbouwfase meeneemt is het gat nog groter. Er moet dus een flinke vrijstelling komen wil je van een klein pensioen nog wat overhouden. Ten onrechte gaat Jacobs aan de pensioenverlaging voorbij en laat hij de vrijstelling vermogensbelasting, geheel waardevrij, maar wel onpraktisch, aan de politiek over.[11, blz 41] Laat ik maar een voorzet geven: belasting van vermogen tegen werkelijk rendement met een vrijstelling van totaal € 350.000 per huishouden lijkt mij een reëel uitgangspunt. Die € 350.000 is opgebouwd uit € 150.000 pensioen, € 150.000 eigen woning en € 50.000 overig. De samenstelling van het vrijgestelde vermogen is aan de belastingplichtige zelf. De vrijstelling wordt dan bij 4% rendement € 4.200 met een veel ruimere grondslag tegen nu € 586. Een huurder met € 20.000 spaargeld kan € 330.000 vrijstelling voor zijn pensioenvermogen aanwenden. (op 67-jarige leeftijd met de huidige lage rente een levenslang pensioen van slechts € 19.200 – economen beschikken altijd makkelijk over een andermans portemonnee)

(7) De omkeerregel pensioenen verlaagt het belastbaar inkomen en daarmee het toetsingsinkomen voor de toeslagen. Die regeling moet dus worden aangepast. Het kan geen kwaad om daarbij ook de ondernemersfaciliteiten en de HRA te betrekken die met de pensioenpremie geheel ten onrechte dat toetsingsinkomen substantieel drukken. Huurders en werknemers worden zo benadeeld.

Door de afschaffing van de omkeerregel gaat de staat ook meer premies volksverzekeringen en Zvw innen. Thans is sprake van een vermindering van die premieopbrengsten (zie ook “Fiscalisering AOW”) en kan de staat mooi weer spelen met de suppletie in de sociale fondsen.

(8) Omdat de pensioenvermogens niet per deelnemer verbijzonderd zijn, zou het opheffen van de omkeerregel uiterst problematisch zijn en moeten we die regel wel handhaven is een vaak gehanteerde redenering pour les besoins de la cause. We zullen een oplossing aan de hand doen om dit probleem tijdelijk op te lossen tot het pensioenvermogen per deelnemer verbijzonderd is. Als het aan de politiek ligt is dat overigens met sint-juttemis. Daarbij blijft de progressieve belasting in box 1 van de uitkering in tact.

Interim oplossing:

(a) Alle pensioenvermogens bij de pensioenlichamen worden eenmalig belast met 30% voorbelasting, vergelijkbaar met de dividendbelasting;

(b) Op gestorte pensioenpremies wordt door het pensioenlichaam 30% voorbelasting ingehouden;

(c) Rendementen worden door vermogensvergelijking voorbelast tegen 30%.

(d) bij de pensioenuitkering wordt de 30% voorbelasting verrekend, voor de lage uitkeringen kan dat betekenen dat de staat de te veel ingehouden belasting moet aanvullen. De progressie blijft dus gehandhaafd.

(e) Op deze wijze worden alle mutaties in het pensioenvermogen voorbelast. Per saldo ontvangt de overheid nog gemiddeld 5% bij de pensioenuitkering.

Uitgaande van € 1,6 biljoen pensioenvermogen levert dat direct € 480 mld. belasting op, waarmee de overheidsschuld kan worden afgebouwd en geen rente meer verschuldigd is. We moeten er daarbij wel rekening meehouden dat de leningen tegen marktwaarde moeten worden ingekocht. Uiteraard moet die € 480 mld. geleidelijk worden geïnd om de pensioenfondsen in staat te stellen hun beleggingen gefaseerd af te bouwen. De staat kan dan rente/rendement ontvangen over zijn vordering.

Tot het pensioenvermogen verbijzonderd is kan deze regeling gehandhaafd blijven. Na de toerekening kan het toekomstige pensioen belastingvrij gespaard worden. Er worden dan twee rekeningen bij het pensioenfonds aangehouden: één voor de oude regeling en één waarbij de pensioenpremie netto wordt afgestort. Bij een eventuele belastinghervorming kunnen de twee regelingen op termijn worden samengevoegd.

(9) De staat loopt geen risico meer over de belastingclaim. Zo verloor Dijsselbloem in 2015 € 37 mld. aan belastinggeld door afname van het pensioenvermogen na het eerste kwartaal 2015.

(10) Bij elke procent (toekomstige) belastingverlaging wordt door onze politici – als de spreekwoordelijke kip zonder kop – ook 1% van het pensioenvermogen of € 16 mld. aan belasting weggesmeten. Zo raakten we in 2016 1,6% belasting kwijt in twee belastingschijven die bij continuering de belastingclaim onmiddellijk verlagen.[1g]

(11) Het wordt nu tijd om, zo goed en zo kwaad als dat gaat, de rekening op te maken. We hoeven geen rente op de overheidsschuld meer te betalen, dat scheelt € 7,8 mld. aan rente per jaar. Het rendement op het overschot (€ 118 mld.) van belastingclaim minus schuld mag de staat tijdelijk houden tot het overschot geïnd wordt. De staat int het progressievoordeel van 17% op de pensioenpremie van € 45 mld. of € 7,6 mld. De staat int ook 35% van de pensioenpremie door afschaffing van de omkeerregel. Hier staat tegenover dat belastingopbrengst op de uitkeringen wegvalt. De ratio pensioenpremie/uitkeringen was in 2014 voor de pensioenfondsen alleen 100/86 (zie grafiek), zodat de staat schattenderwijs bij € 45 mld. pensioenpremie de belasting over ca € 38,5 mld. uitkeringen misloopt. De staat ontvangt nog extra 35% van € 6,5 mld. of € 2,8 mld.

Tellen we de meeropbrengst voor de staat bij elkaar dan komen we op € 18,2 mld. per jaar door afschaffing van de omkeerregel. Daaruit moeten nog wel de EMU-tekorten van 2017 en 2018 van totaal € 11,3 mld. nog bestreden worden, maar dan is het geld beschikbaar voor een tariefsverlaging in box 1 met zo’n 4,3 %.[12]

P.M. wijzen we nog even op de VRH onder (6) van € 10,7 mld. voor aftrek vrijstelling. Het geld klotst over de plinten.

(12) We moeten ons wel realiseren dat de staat het rendement op de belastingclaim op het pensioenvermogen kwijt raakt. Dat bedrag is aanzienlijk hoger dan de betaalde rente op de overheidsschuld. Dat rendement werd overigens nooit geboekt en onttrok zich, mede dankzij het CPB en CBS, ook volledig aan onze waarneming. We zullen het derhalve niet echt missen.

(13) Volgens de CPB mltv 2017-2021 hebben we eind 2040 een overheidsschuld van € -5 mld., bij ongewijzigd reeds ingezet beleid. We bouwen in de periode 2015-2040 € 442 mld. schuld af en houden nog € 5 mld. over. De vraag dringt zich op wat we met al dat geld gaan doen, als we die schuld niet meer hebben. Maar eerst moet het CPB de gewijzigde situatie maar eens doorrekenen en nagaan hoe het wegvallen van de belastingopbrengst op de uitkeringen en de interestlast en het belasten van de pensioenpremie doorwerken op basis van ordentelijk boekhouden. Wij willen dan ook de geprognotiseerde ontwikkeling van het pensioenvermogen ook weten, zodat wij e.e.a. in perspectief kunnen plaatsen. De politiek zal daar toch snel een antwoord op moeten geven. Met de huidige politici gaat dat, getuige de pensioenproblematiek, echt niet lukken.

(14) Zo lang we EU-bobo’s hebben die nodig een elementaire basiscursus balanslezen moeten volgen (zou bij Griekenland ook handig zijn geweest) en een regering die te incompetent is om de werkelijk uiterst gezonde toestand van Rijks’ financiën diplomatiek over het voetlicht te brengen, is het zaak onze schuld af te bouwen en de omkeerregel met de grootst mogelijke spoed af te schaffen. Nu we een EMU-tekort onder de 3% hebben, wordt het zgn. structurele begrotingstekort, een arbitraire rekenexercitie, uit de kast gehaald en wordt Nederland indien niet verder wordt bezuinigd een boete opgelegd.[8]

Weg omkeerregel! := Weg schuld! := Weg rente := Weg stabiliteitspact! is daarop het enig juiste antwoord desnoods met een pitchfork.[10]

§4 Slot

We hebben na opheffing van de omkeerregel ook op officieel EMU-papier geen schuld en overheidstekort meer en dat moeten we vooral zo houden. Een dynamische econoom, die van wanten weet, zou natuurlijk wel overheidsinvesteringen kunnen vinden die bij 0,361% rente (10 jaars staatslening) uitstekend renderen. Maar dat kan je van een historicus en een landbouweconoom eigenlijk niet verwachten.

Als de meeropbrengst als belastingverlaging wordt teruggegeven, zal dit een aanzienlijke bestedingsimpuls geven en helpen de lack of growth in a time of plenty voor Nederland aan te pakken.

We hebben natuurlijk wel te maken met een notoir onbetrouwbare overheid (zie het motto van deze site) dus het blijft de vraag of de staat in de toekomst met zijn handen van de netto pensioenen kan afblijven, getuige de pensioenroof in de jaren tachtig, zal dat moeilijk vallen. [1d]

We hebben in elk geval niets meer met het Stabiliteitspact te maken. Misschien kan iemand aan die EU-bobo’s vragen waarom ze meenden ons steeds ad nauseam te moeten lastig vallen met ons zogenaamde EMU-begrotingstekort? Konden Juncker en Rehn soms ook geen balans lezen?

________________

Laatst bijgewerkt 4 julie 2016

Disclosure: Ik heb gelukkig materieel geen pensioen en ben dus geen belanghebbende in de pensioendiscussie. Ik hecht wel aan een evenwichtige belasting op het vermogen.

In deze bijdrage wordt veelvuldig gebruik gemaakt van de gegevens in de bijdragen Pensioenvermogen 31-12-2015, Overheidsschuld, De luchtfietserij van het CPB , waarnaar in deze tekst dus niet telkens naar wordt verwezen.

Bronnen:

[1a] DNB, De vermogensopbouw van huishoudens: is het beleid in balans?,http://www.dnb.nl/binaries/De%20vermogensopbouw%20van%20huishoudens%20is%20het%20beleid%20in%20balans_tcm46-319011.pdf

[1b] ] https://www.ser.nl/nl/publicaties/adviezen/2010-2019/2015/toekomst-pensioenstelsel.aspx

[1c] http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2010/04/07/rapport-studiecommissie-belastingstelsel.html

[1d] http://www.cpb.nl/publicatie/fiscale-behandeling-van-pensioenbesparingen-discussie

“Wel is het de vraag of het afzien van heffen op pensioenuitkeringen geloofwaardig is. Dit geldt met name wanneer de pensioenfondsen onverwacht hoge rendementen boeken of wanneer de overheid er bij het schrappen van de omkeerregel onvoldoende in slaagt om haar besparingen voldoende te verhogen om zich in te dekken tegen het wegvallen van de belastingopbrengsten op uitkeringen.”

[1e]http://edwesterhout.nl/index.php/omkeerregel-weg-ermee/

“Initieel is de pensioenpremie 17,5%, maar effectief, dat wil zeggen rekening houdend met de belastingkorting vanwege de aftrekbaarheid voor de IB, is de premie 8,7%. Afschaffing van de omkeerregel doet de effectieve pensioenpremie stijgen van 8,7 naar 18,6%, meer dan een verdubbeling dus.”

Hij sluit af met:

“No brainer
Van een meer dan verdubbeling van de pensioenpremie gaat niemand dood. En het is wellicht niet het belangrijkste effect van afschaffing van de omkeerregel. Maar het laat zien dat afschaffing van de omkeerregel beslist geen no brainer is.”

Kijk, die eerste alinea zou ik nu een echte no brainer willen noemen, maar dan wel om een heel andere reden. De heer Westerhoud doceert aan de Faculteit Economie en Bedrijfskunde – Sectie Macro & Internationale Economie aan de UvA en dan nog wel vergrijzing, pensioenen en economie. Het valt voor de studenten te hopen dat hij daar dergelijke onzin niet debiteert.

We kunnen de effecten van het omkeerregel regime eenvoudig aan de hand van een lijfrente laten zien. Als een ondernemer van zijn ruim uitgevallen FOR van € 400.000 een lijfrente koopt van € 82.400 voor 5 jaar, dan ontvangt hij onder de omkeerregel bruto € 82.400 lijfrente en netto na belasting en Zvw-premie, met daarnaast alleen AOW, ca € 44.400 (46,1 % belasting en sociale premies). Zonder omkeerregel moet hij 52% belasting over € 400.000 betalen en ontvangt netto € 192.000. Daarvoor kan hij een netto lijfrente van € 39.552 kopen. Merk op dat het belastingtarief bij uitbetaling dan geen rol meer speelt. Er is dus wel een verschil maar bij lange na geen twee keer. Onder de omkeerregel krijgt hij door het tariefverschil € 4.848 gedurende 5 jaar meer. Maar hij kan met dat geld (€ 192.000) ook zijn hypotheek aflossen en dat brengt, na HRA, meer geld op dan de 1% rendement die zijn verzekeringsmaatschappij geeft. Zie ook punt (11) boven voor een eventuele belastingverlaging.

Uiteraard kun je het progressie-effect nog verhogen door een levenslange lijfrente te nemen van € 23.600. Onder de omkeerregel krijg je dan een levenslang pensioen van bruto € 23.600 per jaar of netto € 16.410. (30,5% belasting en sociale premies) Zonder omkeerregel is het netto pensioen € 11.328. Dat geldt voor een 67-jarige en dat voor ca 16,7 jaar. Dus nog steeds “meer dan een verdubbeling dus”?, no way.

Het box 1 tarief voor belastingen en premies van een AOW’er is voor 2016 als volgt:

217_1

Hierbij moet je uiteraard eerst nog met de ontvangen AOW rekening houden. Ik begrijp eigenlijk niet waarom bij een  schijventabel altijd alleen de groene rijen worden gepresenteerd.

[1f] http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2010/04/07/rapport-studiecommissie-belastingstelsel.html, blz 147.

[1g] https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2012/10/16/interimrapport-commissie-inkomstenbelasting-en-toeslagen, blz 6 – te mooi om niet te citeren:

“Inzake de pensioenen, die voor ca. veertien miljard euro gefacilieerd worden, is de commissie van oordeel dat de zogenoemde omkeerregel een groot goed vormt in ons pensioenstelsel. Die omkeerregel leidt er toe dat over afdrachten voor een later pensioen nu geen belasting hoeft te worden betaald maar dat dat pas gebeurt over de uitgekeerde pensioenen. In zijn algemeenheid adviseert de commissie die regel dan ook te handhaven. Daarmee worden belastingopbrengsten ook in de toekomst veilig gesteld.”

Opmerking:

Dat moet dus zijn 17% van € 45 mld. of € 7,6 mld. Toen het belastingtarief in box 1 voor twee schijven voor AOW’ers in 2016 met 1,6% daalde van respectievelijk 24,1% en 42% naar 22,5% en 40,4%, heb ik van een “veiligstelling van belastingopbrengsten ook in toekomst,” niets gemerkt. Ook het CPB bleef akelig stil over het effect bij continuering op de belastingclaim op het pensioenvermogen.

[2] Zie de bijdrage Mogen we de echte pensioenreserve-cijfers weten?

[3] Bas Jacobs, “Pensioenen worden gesubsidieerd met 17 cent per gespaarde euro”, https://basjacobs.wordpress.com/2014/05/31/pensioenen-worden-gesubsidieerd-met-17-cent-per-gespaarde-euro/

[4] Uiteraard zou ik dit graag met cijfers onderbouwen. Helaas krijg je die cijfers als burger niet boven tafel.

Het ABP heeft in het kader van de discussie rond de lege pensioenpotten een prognose gemaakt van ontwikkeling van zijn pensioenpot in de komende 20 jaar (basis 2012) die we als volgt kunnen weergeven:

136 table 1

Bron ABP Nieuwsbrief 14 december 2012. (Het brondocument is niet meer te vinden, door te Googlen vind u deze cijfers wel terug)

Het CPB zou deze cijfers, die het i.v.m. zijn mltv 2017-2021 beschikbaar heeft (pensioenpremies, pensioenuitkeringen en rendementen) beschikbaar kunnen stellen, maar doet dat lekker niet. We weten in elk geval dat de overheidsschuld eind 2040 € – 5 mld. zal bedragen en eind 2060 € -31 mld. , daar hoeven we dus niet meer voor te sparen.

[5] “Het bedrag aan pensioenpremies in de tweede en derde pijler loopt volgens het CPB op van 43,4 miljard euro in 2013 naar 48,3 miljard euro in 2017. De budgettaire derving die optreedt als gevolg van deze premies loopt op van 20,0 miljard euro in 2013 naar 21,8 miljard euro in 2017. Uiteraard betreft het hier een partieel budgettair effect: tegenover de kosten van aftrek van pensioenpremies in 2013-2017 staan de belastingopbrengsten over de pensioenuitkeringen. Circa 41 procent van de pensioenpremies wordt afgetrokken tegen een tarief van 52 procent. “

Antwoorden op Kamervragen Miljoenennota 2013, http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2012/09/28/beantwoording-schriftelijke-vragen-miljoenennota-2013.html

N.B. deze cijfers zijn voor de wetswijziging met aftopping maximum pensioen en aanpassing opbouwpercentages in het aangepaste Witteveen kader. In de grafiek in de inleiding zijn die correcties meegenomen. Het belastingpercentage waartegen de pensioenpremie wordt afgetrokken is 46%, dit laat 6% voor de sociale lasten om op de 52% van het CPB uit te komen.

[6] Studiecommissie herziening belastingstelsel, pg 34 : “Voor 2010 ontstaat hierdoor een belastingderving van € 11,6 mld. als wordt uitgegaan van het belasten van de aangroei van het pensioenvermogen in box 3. ” Rapport studiecommissie belastingstelsel,http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2010/04/07/rapport-studiecommissie-belastingstelsel.html

De commissie ging kennelijk uit van 11,6/1,2% of € 967 mld. pensioenvermogen en elimineerde het aandeel van de staat in dat vermogen kennelijk niet. Eind 2009 was het pensioenvermogen zonder derde pijler € 790 mld. De commissie repte niet over het feit dat de VRH die aan het pensioenvermogen wordt onttrokken ook de 35% box 1 belasting kost en dat daarmee uiteraard ook de pensioenuitkeringen naar beneden gaan. Aan een mogelijk noodzakelijk verhoging van de vrijstelling VRH ging de commissie, zo te zien, ook voorbij.

[7] http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2015/06/19/kamerbrief-beleidsdoorlichting-risicomanagement-staatsschuld.html

[8] Björn Giesbergen, Maartje Wijffelaars, “Gebrekkige begrotingsregels dwingen Nederland tot bezuinigingen”, Me Judice, 10 mei 2016, http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/gebrekkige-begrotingsregels-dwingen-nederland-tot-bezuinigingen

[9] Daarvoor zijn o.a. de volgende redenen aan te wijzen:

(a) Uit het rapport van de commissie Van Weeghel [6]

“De commissie meent echter wel dat er op dit moment sprake is van een bovenmatige pensioenopbouw die zou moeten worden afgetopt. De pensioenopbouw is in voorkomende gevallen zodanig groot dat deze niet meer als hoofddoel het bieden van een oudedagsvoorziening heeft, maar er veel meer sprake is van vermogensopbouw.”

(b) “Circa 41 procent van de pensioenpremies wordt afgetrokken tegen een tarief van 52 procent.”[5] Dat 52% tarief is van toepassing op 7%/8% van de bevolking, die van de VRH-vrijstelling pensioenvermogen bovenmatig profiteren.

(c) Door de VRH-vrijstelling pensioenvermogen te blijven faciliteren worden de bovenmatige pensioenopbouwers, om VRH te ontgaan, blijvend beloond.

[10]TED, Nick Hanauer, “Beware fellow plutocrats, the pitchforks are coming”,https://www.ted.com/talks/nick_hanauer_beware_fellow_plutocrats_the_pitchforks_are_coming

[11] Jacobs, Bas (2015), “Belastingen op Kapitaalinkomen in Nederland”, Tijdschrift voor Openbare Financiën, 47, (1), 24-48, http://wimdreesstichting.nl/page/downloads/TvOF__jaargang_47_2015-nummer_1-3.pdf, blz 41.

[12] Koen Caminada, “De tragiek van gefaalde ambities en gemiste kansen rond belastinghervorming”, Me Judice, 23 september 2015., http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/de-tragiek-van-gefaalde-ambities-en-gemiste-kansen-rond-belastinghervorming

Caminada komt op een aanpassing 1ste, 2de, 3de schijf tot 30,2% voor € 42,4 mld. en voor de 4e schijf tot 40,2% voor € 7,7 mld. samen € 50 mld. → dat 18,2 mld. belastingen ongeveer overeenkomt met zo’n 11,8/50 x 11,8% of 4,3%

Bepaling pensioenvermogen

_____________________________________________

In deze bijdrage benaderen we het pensioenvermogen voor de periode 1995 -2015. Het pensioenvermogen bestaat uit de pensioenverplichtingen voor zover uit de statistieken te herleiden valt en indien beschikbaar de algemene reserve van de pensioenfondsen. De benadering is zo goed of eerder zo kwaad als dat gaat, herleid uit de onvolledige en daarmee gebrekkige statistische gegevens van het CBS en DNB. [1]

Het pensioenvermogen eind 1e kwartaal 2016 bedraagt ca € 1.415 mld., als je de zgn. derde pensioenpijler meeneemt komt het zelfs rond de € 1,6 bln. [2] De staat heeft hierop een latente belastingclaim van ca 35% of € 495 mld. exclusief derde pensioenpijler. Daarmee heeft de staat dus geen overheidsschuld ( € 442 mld.). [3] Ook het zgn. overheidstekort is een fictie gezien het jaarlijkse forse rendement dat op de belastingclaim wordt gemaakt. Voor de samenhang tussen de omvang van het pensioenvermogen en de overheidsschuld en het verloop verwijs ik naar de bijdrage Overheidsschuld waarvoor deze bijdrage in feite is opgesteld.

_____________________________________________

Tabel 1 Benadering pensioenvermogen 1995-2015

(click op tabel of CTrl + om te vergroten)

222_1

Toelichting tabel 1

Het pensioenvermogen 2008-2015 is bepaald aan de hand van de statistieken DNB Monetaire en financiële statistieken Nederland – financiële instellingen pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen. [1] Voor de overige jaren is op basis van de beschikbare statistieken het pensioenvermogen zo goed mogelijk benaderd aan de hand van de CBS-Statistieken. [1] Voor zover sprake is van herverzekering van de pensioenfondsen bij de verzekeringsmaatschappijen leidt dit tot een kleine verwaarloosbare dubbeltelling. (zie noot [2])

Kolom A geeft de benadering van het pensioenvermogen weer. De celkleur geeft aan uit welke kolom in het rechter deel van de tabel het bedrag aan pensioenvermogen is ontleend. Het eigen vermogen van het pensioenfonds wordt i.t.t. het gebruik van DNB en CBS wel meegeteld.

Kolom B: De pensioenverplichtingen van de zogenaamde derde pensioenpijler, (fiscaal gefaciliteerd) vrijwillig pensioen, behoren tot het pensioenvermogen. Het bestaat o.a. uit pensioenen in eigen beheer, Fiscale OudedagsReserves, lijfrenteverzekeringen, lijfrentespaarrekeningen en lijfrentebeleggingsrechten en banksparen voor pensioen. De omvang van de derde pensioenpijler is een goed bewaard geheim. In de tabel is het door Knot genoemde bedrag van 212% bbp_2012 opgenomen. Dat gegeven is voor de volgende jaren doorgetrokken in relatie tot het pensioenvermogen.

Kolom H: In de vermogensstatistiek huishoudens van DNB die t/m 2015 werd bijgehouden is ook het pensioenvermogen opgenomen. Dat vermogen is echter exclusief eigen vermogen pensioenfondsen en er wordt een correctie toegepast voor dubbeltellingen tussen pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen. Zie ook de bijdrage pensioenen.

Kolom I := kolom H + kolom D minus Kolom A. Het verschil in 2006 en 2007 wordt met name veroorzaakt door het ontbreken van de gegevens in kolom G (pensioenverplichting verzekeringsmaatschappijen) – zie Noot [2].

Kolom K: Pro memorie is ook het bedrag aan levensverzekeringen opgenomen. Daarnaast hebben de huishoudens ook nog kapitaalverzekeringen welke voor 2012 ca € 80 mld. bedragen en die tot 2018 oplopen naar € 135 mld. Ook deze bedragen komen niet in de CBS vermogensstatistieken voor.

Grafisch kan het verloop van het aldus bepaalde pensioenvermogen als volgt worden weergegeven:

221_2

(1) Het effect van de internetcrisis en de bankencrisis op het pensioenvermogen blijkt duidelijk.

(2)  In de periode 1996-2015 nam het pensioenvermogen, en daarmee de belastingclaim op dat vermogen van de staat, met 7,8% per jaar toe. Voor de periode 2010-2015 was die toename 9,5%, Dat is exclusief 2009, met een herstel t.o.v. het rampjaar 2008, maar inclusief het uitzonderlijke goede jaar 2014 door o.a. het agio op vastrentende waarden.

(3) Gezien het belang van het pensioenvermogen voor de financiële stand van Rijk’s financiën zou een completere statistiek van het pensioenvermogen inclusief derde pijler op zijn plaats zijn. We weten dan ook welk risico de staat over zijn belastingclaim loopt.

Het aldus bepaalde pensioenvermogen laat zich voor de periode 2006-2016Q1 als volgt weergeven:

(click op tabel of Ctrl + om te vergroten)

222_3

Het recente verloop van het pensioenvermogen en de belastingclaim daarop is als volgt:

222_4

(1) De relevantie van het EMU-overheidstekort is dus beperkt. Veel relevanter is het om de ontwikkeling van de belastingclaim op het pensioenvermogen te volgen. (vergelijk b.v 2015K1 met 2015K3)

__________________

Laatst bijgewerkt 15 juni 2016

[1] Bronnen:

http://www.dnb.nl/statistiek/statistieken-dnb/ :

[1a] DNB, https://www.statistics.dnb.nl/financieele-instellingen/pensioenfondsen/macro-economische-statistiek-pensioenfondsen/index.jsp

[1b] DNB, Verzekeringsmaatschappijen, “Balans van verzekeringsinstellingen” , T7.1 Jaar/Kwartaal (XLS), https://www.statistics.dnb.nl/financieele-instellingen/verzekeraars/macro-economische-statistiek-verzekeraars/index.jsp

[1c]DNB, Statistiek vermogens huishoudens, die inmiddels na 31/12/2015 niet meer wordt bijgewerkt,http://www.dnb.nl/statistiek/statistieken-dnb/huishoudens/index.jsp

[1d] http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=82594NED&D1=26,40,44-45&D2=0-3,8,13,18,23,28,33,38,43,48,53,58,63,68,73,78,83,l&HDR=G1&STB=T&VW=T

[1e] http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=7118shfo&D1=0-2,6-16&D2=0&D3=a&HDR=G2&STB=G1,T&VW=T

[2] Het verschil in kolom J laat zich als volgt specificeren – in € mln:

222_2

Bij de bepaling van het pensioenvermogen door DNB “is gecorrigeerd voor dubbeltellingen die ontstaan door herverzekering van pensioenvoorzieningen door pensioenfondsen”.

Omdat die dubbeltelling relatief gezien niet al te groot is en en we de derde pijler pensioenen niet meetellen wordt uitgegaan van de gegevens zoals die uit de toezichtgegevens [1a & 1b] blijken. Vanaf 1/1/2016 is de DNB- huishoudvermogensstatistiek sowieso niet meer beschikbaar.

De algemene reserve pensioenfondsen hoort natuurlijk tot het pensioenvermogen, hoewel de reserve formeel juridisch eigendom is van het pensioenfonds. Mede gezien het verloop van die algemene reserve zou het niet meenemen van de algemene reserve tot onjuiste uitkomsten leiden.  Overigens is slechts ca 65% van het pensioenvermogen van de huishoudens, de rest komt de staat toe.

[3] https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-financien/documenten/jaarverslagen/2016/05/18/financieel-jaarverslag-rijk-2015 , blz 25.

We worden dus weer flink voorgelogen door J.R.V.A. Dijsselbloem.

Afbeelding

Pensioenvermogen 2015

______________________________________________________

In de bijdrage bepaling pensioenvermogen [“BP”) hebben we omstandig aangegeven hoe we aan de pensioensioen vermogencijfers komen. Deze bijdrage geeft alleen de meest actuele pensioencijfers.

Het pensioenvermogen bedraagt eind 2015  € 1.369 mld. (202% bbp).Hiervan is € 479 mld. (35%) van de staat en € 890 mld. (65%) van de huishoudens. De overheidsschuld eind 2015 bedraagt € 441,7 mld. bedragen.

Eind maart 2015 bedroeg de belastingclaim van de staat nog € 516 mld. zodat gedurende 2015 € 37 mld. aan belastingen in het afvoerputje is verdwenen door de slechte rendementen van de pensioenfondsen. Dat is 2,9 keer het EMU-tekort 2015. Ik geloof niet dat ik daarvan iets van het CBS of CPB over heb vernomen noch in de kwaliteitsmedia over heb kunnen lezen.  Politici maken zich altijd zo druk over het EMU-tekort en de rente op de overheidsschuld, misschien dat ze zich ook eens over het risico dat de staat loopt over de belastingclaim pensioenen kunnen buigen.

Nemen we de derde pensioenpijler mee dan bedraagt het pensioenvermogen eind 2015 grofweg € 1.600 mld. en de latente belastingclaim ca € 560 mld. Als de overheid (mvF, CBS en CPB) zijn gegevens wel op orde had, zouden we die bedragen wel precies kennen, het gaat ten slotte maar om de postzegelkas.

Eerder schatten we het pensioenvermogen van de pensioenfondsen eind 2015 op € 1.184 mld. aan de hand van de vijf grote pensioenfondsen.  Dit lijkt dus een redelijke benadering, het is alleen jammer dat die grote fondsen deze informatie alleen per kwartaal publiceren.

In de periode 2006-2015 nam het pensioenvermogen met  605 mld. (6,7% p.j.) toe, terwijl het bbp in diezelfde periode met 1,8% per jaar steeg. Het aandeel van de burgers daarin is  € 393 mld. en van de staat € 212 mld. als niet in de boeken verantwoorde 35% latente belastingclaim op dat pensioenvermogen. In diezelfde periode steeg de overheidsschuld, incl. mutatie financiele vaste activa met € 192,6 mld. Meer dan de helft van het pensioenvermogen is “in handen” van de gepensioneerden die dit geld dus gaan uitgeven en daarover belasting (ook indirecte belasting ca 4% bruto-inkomen [6]) gaan betalen.[7] “Dat iedereen spaart voor consumptie over 10 jaar, niemand wil nu consumeren” [Teulings 5] , is dus een vergaande versimpeling. Ongeveer de helft van die vermogenstoename wordt overigens maar actief gespaard (gestorte pensioenpremie), de rest is rendement op het in grotendeels verplicht aangehouden pensioenvermogen.(CPB) Dat rendement wordt ook nog in niet onbelangrijke mate uit het buitenland gehaald.

______________________________________________________

§1 Het Pensioenvermogen

Tabel 1.1 Pensioenvermogen 2006 – 2015

(click op tabel of Ctrl + om te vergroten)

P03_1

(a) Zolang de dekkingsgraad > 100% en er niet hoeft te worden afgestempeld, zijn de algemene reserve en de pensioenverplichtingen van de pensioenfondsen communicerende vaten. Met name in het jaar 2008 werd de algemene reserve opgesoupeerd door de uiterst negatieve beleggingsopbrengsten. Overigens werd dit effect in 2009 al weer grotendeels ongedaan gemaakt door de positieve rendementen.

(b) Het pensioenvermogen zonder een belangrijk deel van de derde pijler pensioenvermogen bedraagt eind 2015 € 1.369 mld. of wel 202% bbp. In 2012 schatte Knot DNB de omvang op ca € 181 mld.

(c) De DNB statistiek huishoudens wordt vanaf 24-3-2016 gediscontinueerd. De reden is “dat het CBS een meer compleet beeld van het vermogen en de schulden van de Nederlandse huishoudens kan geven”. We worden dan door DNB het bos ingestuurd met deze volstrekt nutteloze statistiek als surrogaat vervanging. [9]

(d) In de CBS-publicatie Nederland (blz 31) in 2015 wordt de pensioenrechten en “overige aanspraken” voor 2015 gesteld op € 1.311 mld. (2014: € 1.211 mld.) Daarnaast wordt een bedrag van € 166 mld.  aan levensverzekeringen (DNB € 135 mld.) en lijfrenterechten genoemd. (2014 : € 179 mld. ; levensverzekeringen DNB € 147 mld. ). Volgens het CBS steeg het huishoud pensioenvermogen flink door de lage rente (blz 32), volgens mij door de behaalde rendementen en premies.

Het verloop in 2015 is als volgt:

P03_6

(c) Voor een toelichting op de aansluiting met de DNB-huishoudstatistiek zie BP. In werkelijkheid is het pensioenvermogen ca 16% hoger omdat hier nog de derde pensioenpijler bijgeteld moet worden. Zo bedraagt het vermogen uit hoofde van levensverzekeringen ook nog € 134,6 mld.  Een eventuele (gedeeltelijke) belastingclaim hierop is niet meegenomen.

(d) Indicatief is ook de dekkingsgraad opgenomen die hoort bij de gepretendeerde pensioenambitie. Die dekkingsgraad houden de meeste pensioenfondsen graag onder de pet.

Tabel 1.1 Dekkingsgraad  31-12-2015 pensioenfondsen

P03_2

(1) Tabel 1.1  geeft de benaderde reële dekkingsgraad van alle pensioenfondsen gezamenlijk.

(2) Dat de doorsneeproblematiek door de politiek en/of sociale partners op korte termijn zal worden opgelost kan de pensioendeelnemer wel vergeten. Derhalve hebben we het tekort maar opgevoerd. De pensioenfondsen gaan er vanuit dat het € 100 mld. tekort door toekomstige pensioenpremies binnenkomt. Het is overigens een probleem dat alleen de actieve deelnemers en de slapers onderling  regardeert. Hier is in tabel 1.1 geen rekening mee gehouden.

(3) Uitgaande van een gewenste dekkingsraad van ≈ 120% (inflatiebestendig) of ≈ 135% (waardevast) valt dan de reële gemiddelde dekkingsgraad globaal te berekenen. Uiteraard is die ook afhankelijk van de rekenrente.

Het verloop van de dekkingsgraad 2006-2015 ziet er als volgt uit:

P03_7

(a) Alleen de alternatieve vakbond van Pikaart en Mei Li Vos was in het jaar 2007 – alleen virtueel – voor een forse pensioenpremieverhoging. Dit verklaart waarom die vakbond ook altijd zo klein gebleven is.

(b) Een waardevast pensioen (≈ 135%), ook het niveau voor volledige indexatie, hebben we in de grafiek i.v.m. het academische karakter maar weggelaten.

Tabel 1.2 Ontwikkeling pensioenvermogen in % bbp 2006-2015

P03_3

(a) Toegevoegd is voor 2012 het additionele pensioenvermogen van de derde pensioenpijler volgens Klaas Knot van € 181 mld.  Zou voor 2015 hetzelfde oplagpercentage gelden dan hebben we het over € 227 mld. of een additionele belastingclaim van € 80 mld.

(b) The sky is the limit, als dit zo doorgaat. Maar het verstand komt met de jaren, dus dat kan niet zo doorgaan, eens zal de oudedagsvoorziening wel slimmer en flexibeler worden opgezet. We “weten” natuurlijk dat de overheid voor de toekomstige AOW en de stijgende zorgkosten spaart, maar wanneer komt die belastingclaim op dat pensioenvermogen eigenlijk ooit tot uitkering? Dat de pensioenpotten leeg zouden raken valt immers eenvoudig te weerleggen , die blijven volgens een ABP simulatie gewoon toenemen.

§2 Pensioenpremie en overige mutaties

Grafiek 2.1. De pensioenpremie in percentage van het bbp 1997-2014. 

P03_4

(1) In de periode 1997-2014 steeg de pensioenpremie pensioenfondsen met 9,3% per jaar, terwijl ons bbp slechts met 3,6% per jaar steeg. De stijging van de pensioenpremie met € 24,7 van € 7,0 mld. (1997) naar € 31,7 mld. (2014) legde dus een flink extra beslag op het besteedbaar inkomen van de werknemers en op de overheidsfinancien met € 11,1 mld. (€ 24,7 tegen 45% belasting of 1,7% bbp_2014).

(3) De Ministerie van Financiën cijfers zijn inclusief derde pijler.[2] De pensioenlast 2015 als percentage bbp is dan 6,7% bbp, dus nog forser. De pensioenpremie pensioenfondsen 2013 bedraagt € 34,3 mld. en het Ministerie van Financiën gebruikt als cijfer voor dat jaar € 43,4 mld., zodat de omvang van de derde pijler € 9,1 mld. is of ca 26 % van de pensioenpremie pensioenfondsen.

(4) Voor de gehele periode 1997-2014 waren de inkomsten pensioenpremie € 396 mld. en de beleggingsopbrengsten € 776 mld. Van deze inkomsten verdween 823 mld. in de voorziening voor pensioenverplichtingen, in belangrijke mate door de rekenrentedaling. Voor dat effect bij de vijf grote bedrijfspensioenfondsen zie deze bijdrage. In totaal werd in deze periode € 331 mld. uitgekeerd. Het netto effect van deze mutaties en de overige mutaties was dat de algemene reserve pensioenfondsen toch nog met € 72 mld. toenam.

§3 Het pensioenvermogen in internationaal perspectief

De Nederlandse pensioensituatie laat zich, op basis van de 2015 OECD-gegevens, voor de pensioenfondsen als volgt met andere landen (min- of meer) vergelijken [3]:

P03 oecd 2015

(1) De aan de hand van de OECD-gegevens opgestelde grafiek laat alleen het pensioenvermogen 2013 van de pensioenfondsen zien en is dus verre van volledig.De EU28 met 94,3% bbp is uit de grafiek weggelaten omdat dit cijfer duidelijk niet juist kan zijn.

(2) Ook voor het buitenland geldt dat er sprake kan zijn van een latente belastingclaim op het pensioenvermogen. Dat is b.v. het geval voor Denemarken waar de pensioenuitkeringen onder de inkomstenbelasting vallen. De beleggingsopbrengsen over pensioenvermogens worden in Denemarken daarnaast nog belast tegen 15,3%. [4, blz. 16]. Voor Zweden geldt dat de pensioenpremies aftrekbaar zijn en dat de uitkeringen èn beleggingsopbrengsten worden belast tegen 15%. [4, blz 25]

(3) “Op Denemarken na heeft Nederland het beste pensioenstelsel ter wereld, volgens de jaarlijkse ranglijst van adviseur Mercer”, kauwt onze slijpsteen van de geest vandaag Mercer weer na. [8] In het licht van bovenstaande grafiek en (2) komt mij dat voor Denemarken uiterst onwaarschijnlijk voor. Voor Nederland weten we inmiddels dat het pensioenstelsel al lang op de helling had gemoeten en dat de politiek hier tergend langzaam werk van maakt.

(4) “De meeste rijke landen zijn druk aan het sparen voor het pensioen van de naoorlogse geboortegolf.”, aldus Coen Teulings in de NRC.[5] Ik heb mijn blik nog eens over bovenstaande grafiek laten dwalen, ziet u met hem, wat ik niet zie?

(5) In een internationale vermogensvergelijking van pensioenreserves moet je natuurlijk ook nog even 65% van het pensioenvermogen, na aftrek belastingclaim, van ABP en PFZW meetellen. In het buitenland wordt immers veelal het omslagstelsel voor ambtenaren gehanteerd. Het bedrag van € 340 mld. is niet onaanzienlijk:

P03_5

(5) Vele jaren worden we al door de EU-bobo’s en onze politici lasting gevallen met de 3%- en 60%-norm in het Stabiliteitspact dat voor Nederland nergens opslaat omdat de heren kennelijk de basis cursus balans lezen niet gevolgd hebben. Materieel heeft Nederland geen overheidsschuld noch een overheidstekort.

_______________________

Laatst bewerkt 8 april 2016

[1] Bronnen

[1a DNB, https://www.statistics.dnb.nl/financieele-instellingen/pensioenfondsen/macro-economische-statistiek-pensioenfondsen/index.jsp

[1b] DNB, Verzekeringsmaatschappijen, “Balans van verzekeringsinstellingen” , T7.1 Jaar/Kwartaal (XLS), https://www.statistics.dnb.nl/financieele-instellingen/verzekeraars/macro-economische-statistiek-verzekeraars/index.jsp

[1c] DNB, PPI, https://www.statistics.dnb.nl/financieele-instellingen/verzekeraars/rechtstreekse-pensioenregelingen/index.jsp

[1d]http://www.dnb.nl/statistiek/statistieken-dnb/huishoudens/index.jsp

[2] De DNB statistiek pensioenfondsen geeft voor 2013 de cijfers dotatie pensioenen € 34,3 mld en aan uitkeringen € 26,5 mld. voor alleen de pensioenfondsen. De dotaties liggen echter aanzienlijk hoger als je de derde pijler meeneemt:

“Het bedrag aan pensioenpremies in de tweede en derde pijler loopt volgens het CPB op van 43,4 miljard euro in 2013 naar 48,3 miljard euro in 2017. De budgettaire derving die optreedt als gevolg van deze premies loopt op van 20,0 miljard euro in 2013 naar 21,8 miljard euro in 2017. Uiteraard betreft het hier een partieel budgettair effect: tegenover de kosten van aftrek van pensioenpremies in 2013-2017 staan de belastingopbrengsten over de pensioenuitkeringen. Circa 41 procent van de pensioenpremies wordt afgetrokken tegen een tarief van 52 procent. “

Antwoorden op Kamervragen Miljoenennota 2013, http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2012/09/28/beantwoording-schriftelijke-vragen-miljoenennota-2013.html

We kunnen dit kamerstuk natuurlijk niet zo maar laten passeren:

(a) Tegenover de derving staat niet de belastingopbrengsten van de pensioenuitkeringen. De pensioenuitkeringen worden gedaan uit het pensioenvermogen per 31-12-2014: als de omkeerregel 1-1-2015 wordt afgeschaft ontvangen we nog steeds de belastingen over de uitkering, pas in de verre toekomst neemt de belastingopbrengst af. Maar in die verre toekomt wordt bij afschaffing ook gewoon belasting over het inkomen dat voor pensioen wordt aangewend belasting betaald. Er is dus sprake van een redenering pour les besoins de la cause.

Het verloop van de pensioenpremies en het belastingeffect kan dus voor de jaren 2013 – 2017 als volgt worden benaderd:

138A BELASTING DERVING

(1) De cijfers voor 2013 en 2017 zijn “bekend”, voor de tussenliggende jaren zijn de cijfers door meetkundige interpolatie bepaald.

(2) Kwijtgescholden belasting is het verschil tussen het belastingtarief bij dotatie (zie tabel) en het belastingtarief bij uitkering (gemiddeld 35%).

[3] http://www.oecd.org/publications/oecd-pensions-at-a-glance-19991363.htm, blz 191

[4] CPB, “Internationale vergelijking van pensioenstelsels: Denemarken, Zweden, Chili en Australië”, http://www.cpb.nl/publicatie/internationale-vergelijking-van-pensioenstelsels-denemarken-zweden-chili-en-australie

[5] http://www.nrc.nl/handelsblad/2016/03/16/japan-leert-ons-les-over-verhoging-staatschuld-1598608 , instemmend getwitterd door Jacobs.

[6] http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/btwverhoging-treft-hoge-en-lage-inkomens-even-sterk

[7[ Jan B. Kuné, “Hoezo, een robuust pensioensysteem?”, Tijdschrift voor pensioenvraagstukken 2009, 5. http://dare.uva.nl/document/221634

[8] NRC, “Als we geen pensioen beloven, hoeven we nooit meer te korten”, http://digitaleeditie.nrc.nl/digitaleeditie/NH/2016/2/20160317___/NH-1599393/article.html

Komisch is ook de volgende passage in het artikel:

“De pijn is alleen niet zo groot als veel mensen denken. Het gaat mogelijk om tienden van procenten tot misschien enkele procenten. Die kortingen mogen de fondsen uitsmeren over tien jaar.”

Als de actuele dekkingsraad 87% blijft, ben ik 13% van mijn pensioen kwijt. Hoe je dat in de tijd verdeelt, is interessanter voor een 82-jarige dan voor een 66-jarige. De laatste is echt op termijn meer dan 13% van zijn pensioen kwijt, omdat de echte oudjes door het uitsmeren over 10 jaar ook nog eens te veel pensioen gaan ontvangen. Over de jongeren heb ik het maar helemaal niet, die gooien hun nominale premie in een sinking fund.

[9] http://statline.cbs.nl/Statweb/selection/?DM=SLNL&PA=82594NED&VW=T

Vermogensongelijkheid volgens het CPB

_________________________________________________

Er is nogal wat kritiek op het CPB. [3] We zullen in deze bijdrage bekijken of het CPB met de publicatie Vermogensongelijkheid in Nederland, 2006-2013 (= 2012) zijn leven onder de bezielende leiding van Laura van Geest aan het beteren is. Vooralsnog heeft het er de schijn van dat dit niet het geval is.

Regelmatig zal hierbij naar eerdere bijdragen op deze site worden verwezen om niet al te veel in herhalingen te vervallen.

We zullen hier aantonen dat het onderliggende cijfermateriaal zoals dat door het CPB gebruikt wordt volstrekt onvoldoende is en zelfs substantieel onjuist. Conclusies over de ontwikkeling in de verdeling van het huishoudvermogen in de periode 2006-2012 laten zich dan ook op basis van het CPB-cijfermateriaal niet trekken.

Het CPB heeft dus weer een kans voorbij laten gaan om zijn reputatie te verbeteren.

_________________________________________________

§1 vermogensstatistieken CBS

De vermogensstatistieken van het CBS zijn sterk voor verbetering vatbaar. Door de gebrekkige financiering van het CBS ontbreken geld en mankracht om deze statistieken op korte termijn te verbeteren. In hoeverre hierbij sprake is van voorwaardelijke opzet van de staat valt te bezien.

De vermogenscijfers van het CBS kunnen als volgt worden samengevat [2]:

Tabel 1 Vermogen huishoudens volgens CBS Statline

196_1

(1) In 2010 is door het CBS overgegaan van een panelonderzoek naar integrale waarneming. Het vermogen steeg daarmee met € 22,8 mld. Hiervan kwam 19,5 mld.  toe aan het 10e vermogensdeciel waarvan weer € 18,2 mld. voor de vermogens > 1 miljoen. In het CPB document zult u ter vergeefs naar deze aanpassing zoeken, terwijl ze toch voor een historische vergelijking voor het 10e vermogensdeciel niet onaanzienlijk is.  De waarde van een panelonderzoek waarbij men op zoek is naar de ontwikkeling van de top vermogens is beperkt. Zo is de kans dat Goldschmeding ∧  Wessels ∧  De Mol, samen goed voor zo’n € 10,2 mld., in zo’n steekproef vallen praktisch nihil (2,4 * 10^-22) om over de overige 497 Quote 500 gelukkigen, met zijn allen in 2014 goed voor € 83,3 mld. vermogen (2006: € 121,5 mld. !!!), maar te zwijgen.

(2) De ontwikkeling van het aandeel in het vermogen van het 10e vermogensdeciel voor de componenten eigen woning, ondernemings- en aanmerkelijk belang (AB) vermogen en het overige vermogen laat zich uit de tabel aflezen. De eerste twee componenten laten zich als volgt specificeren [2]:

Tabel 2 Specificatie vermogen eigen woning

196_2

(1) De ontwikkeling van de waarde van het eigen huis is volstrekt oninteressant als je het eigen huis als een consumptiegoed beschouwt. De woonlasten zijn immers door de lage rente alleen als maar lager geworden en het huis-onder-water probleem doet zich alleen voor als je het huis gedwongen moet verkopen. Als de eigen woning als een speculatieobject werd beschouwd, waarbij de waardestijging werd aangewend om, gefaciliteerd door het HRA-infuus, de consumptie te verhogen is de situatie natuurlijk volstrekt anders.

Tabel 3 Specificatie ondernemingsvermogen en aanmerkelijk belang vermogen

196_3

(1) De ontwikkeling van het ondernemingsvermogen geeft geen juist beeld omdat goodwill en stille reserves niet in de waardering tot uitdrukking komen. Dat geldt evenzo voor het fiscaal ingegeven aanmerkelijk belang vermogen. Toch vergroot de toename volgens de statistieken kennelijk de vermogensongelijkheid (zie grafiek 1). In totaal is 96% is in handen van de top 10% vermogens.

Persoonlijk zou ik kijken naar de ontwikkeling van het gemiddeld vermogen exclusief eigen huis en ondernemingsvermogen. Dat beeld ziet er als volgt uit:

Grafiek 1 Index gemiddeld vermogen exclusief eigen woning

196_6

§2 De vermogenscijfers volgens het CPB

In tegenstelling tot het CBS houdt het CPB terecht wel rekening met de pensioencijfers, zij het bruto zonder ten onrechte geen rekening te houden met de belastingclaim, terwijl ook de kapitaalverzekeringen verband houdend met de eigen woning financiering worden meegenomen.

Het CBS rekent het pensioenvermogen niet tot het vermogen omdat het pensioenvermogen volgens zijn jezuïtische redenering niet “op korte of middellange termijn omgezet kan worden in consumptieve bestedingen of ook niet leiden tot inkomsten die deel uitmaken van het inkomensbegrip besteedbaar inkomen.” Daarnaast is dat pensioenvermogen niet overdraagbaar bij overlijden. Sommige economen en de pensioenlobby nemen deze zienswijze graag over: je hoeft dan natuurlijk de rendementen op het pensioenvermogen ook niet te belasten.

In gelul kan je niet wonen volgens een Jordanese  banketbakker, dus het eigen huis is ook geen vermogen volgens deze definitie. Het pensioenvermogen van de (bijna) gepensioneerden komt natuurlijk wel binnen afzienbare tijd tot uitkering. Een pensioendeelnemer die voortijdig overlijdt laat zijn pensioenvermogen bezit na aan de overige deelnemers en mocht hij dat pensioenvermogen in eigen beheer hebben, dan gaat dit spaarpotje zelfs gewoon over naar zijn erfgenamen. Leeft hij langer dan de actuaris heeft berekend dan strijkt hij het geld op van de eerder overleden deelnemers. Er is dus alle reden om het pensioenvermogen tot het huishoudvermogen te rekenen. Er is daarbij echter één probleem: het “beste” Nederlandse pensioenstelsel heeft er een zootje van gemaakt zodat het pensioenvermogen niet naar deelnemer te verbijzonderen valt.

Tabel 4 Aanpassingen CPB op CBS cijfers

196_4

Toelichting:

(a) De gegevens van statline zijn in aanzienlijke mate gebaseerd op de fiscale gegevens met dien ten gevolge alle makke die aan deze fiscale gegevens, die overigens uitsluitend ten behoeve van een uiterst coulante belastingheffing van de Upper Middle Class (UMC) geregistreerd worden, kleven.

(b) Bij het pensioenvermogen rekent DNB de algemene reserve van de pensioenfondsen niet mee. Voor de bankencrisis stelde de algemene reserve door de hoge dekkingsgraad nog wat voor. In de vermogensontwikkeling had het CPB dat effect dus mee moeten nemen, dat vermogen is immers voor ca 65% (na belastingen) materieel bezit van de pensioendeelnemers.

De omvang van de derde pensioenpijler is niet bekend. De heer Knot heeft daar in 2012 een gooi naar gedaan en kwam op een totaal pensioenvermogen van ca € 1.271 mld. inclusief derde pijler. Het verschil nemen we netto in §3 mee.

Zowel het CBS, DNB en het CPB rekenen het bruto pensioenvermogen toe aan de huishoudens. Op dit vermogen rust echter nog een belastingclaim van ca 35% (CPB-cijfer), zodat het vermogen van de huishoudens systematisch veel te hoog wordt voorgesteld en het overheidsvermogen overeenkomstig veel te laag. In §3 corrigeren we hier voor.

Omdat 41% van de pensioenpremie wordt afgetrokken tegen 52% belasting door ca 7%-8% van de bevolking zal het pensioenvermogen redelijk ongelijk zijn verdeeld. In welke mate dit in de CPB cijfers tot uitdrukking komt, laat zich raden. Pensioenen in eigen beheer, zeer populair bij de topinkomens, komt immers in het cijfermateriaal dat het CPB gebruikt niet voor.

(c) In welke mate een belastingclaim rust op de levensverzekeringen is onduidelijk. Hiermee is in de opstelling geen rekening gehouden.

(d) Het bedrag aan kapitaalverzekeringen is bij het CBS niet bekend. Blijkens een studie kan dat bedrag voor 2012 gesteld worden op ca € 80 mld. oplopend naar 135 mld. in 2018. Dat is dus aanzienlijk meer dan het CPB hier toerekend.

§3 De (bekende) aanpassingen van de CPB cijfers

Tabel 5 Aanpassingen op CPB-vermogen

196_5

Een aantal posten zijn reeds in §2 toegelicht onder de letters a – d.

(f) Voor de bepaling van het kapitaalverzekering vermogen 2012- 2015 zie noot 4 in de bijdrage Belastingen op kapitaalinkomen volgens Jacobs. Het totale bedrag is dus hoger dan het CPB hanteert.

(g) De correctie van het pensioenvermogen derde pijler is in deze bijdrage nader toegelicht. Het bedrag van 2012 is voor de latere jaren aangehouden.

(h) Het ondernemingsvermogen en het AB-vermogen zouden natuurlijk op de waarde in het economisch verkeer moeten worden gewaardeerd. Veelal wordt daarvoor de contante waarde van de toekomstige cashflow in aanmerking genomen. Het inkomen uit aanmerkelijk belang is afhankelijk van de wens van de ab-houder om dividend uit te keren en fluctueert nogal in de loop der tijd, net zo als het aantal ab-aandeelhouders (?). Het zal duidelijk zijn dat de waarde van het ondernemingsvermogen en ab-belang voor het CBS niet reëel valt te berekenen. Die waardering  is daarmee irrelevant. Van het CPB zou je verwachten dat hier aandacht aan zou worden besteed maar die moest natuurlijk van Asscher bewijzen dat de vermogensontwikkeling geen reden tot zorg is (zie verslag Piketty discussie in parlement). Voor een nadere discussie zie ook de bijdrage Aandeel Quote 500.

De conclusies van het CPB zijn dus van beperkte waarde daar het gebruikte cijfermateriaal uiterst gebrekkig is. In elk geval is het onderliggende cijfermateriaal volstrekt onvoldoende om een conclusie te kunnen trekken over de ontwikkeling van de verdeling van het huishoudvermogen in de periode 2006-2013.

Appendix Cijferanalyse op panelonderzoek

Het CPB maakt gebruik van een representatieve steekproef uit het integrale vermogensbestand (IVB). Naar wij aannemen betreft het een postensteekproef van 2,3 miljoen huishoudens. Daarnaast wordt een steekproef getrokken van uitsluitend huishoudens die zowel in 2006 als in 2013 (lees 2012) in het IVB bestand voorkomen. Deze laatste steekproef is niet resprestatief omdat zowel jongeren als ouderen door discontinuïteit uitvallen. Toch worden op basis van deze niet representatieve steekproef vergaande conclusies getrokken over de ontwikkeling van het vermogen.  Het gemiddeld vermogen voor deze balanced panel groep is substantieel hoger.

Op basis van tabel 2.2 [1] valt de volgend analyse te maken. Hierbij is het jaar conform de bestendige gedragslijn in deze bijdrage per 31-12 van enig jaar weergegeven.

Tabel 6 Netto gemiddeld vermogen (€ ‘000) en corresponderende totalen in € mld. 2005-2012 

196_7

(1) De CPB-cijfers gaan van het 10e deciel uit na aanpassing in 2010. In hoeverre dat nog effect heeft op de vergelijking met voorgaande jaren (b.v. 31-12-2006) is onduidelijk.

(2) Helaas moet de lezer deze gevens zelf uit de tabel destilleren. Het gemiddeld balance panel vermogen is dus niet representatief. Onderstaande grafiek maakt het verloop 2006- 2012 duidelijker:

196_10

(i) Met name de afwijking gedurende de grote recessie is duidelijk.

(2) In het achtergronddocument wordt het gemiddeld vermogen na de CPB aanpassing voor pensioenaanspraken en kapitaalverzekering niet op de voorgrond geplaatst. De gegevens ontbreken zelfs geheel.

(a) Het CPB maakt bij de toerekening van het pensioenvermogen gebruik van het Pensioenaansprakenbestand en het Integraal Persoonlijk Inkomen (IPI) voor de berekening van het pensioenvermogen. In hoeverre de toerekening in totaal van het actieve deelnemersbestand en gepensioneerden bestand ook maar in buurt aansluit op de DNB-statistiek pensioenvermogen gegevens laat zich raden. Ik houd het er maar op dat een dergelijke aansluiting op zuiver toeval zou berusten, gezien de toleranties en de gehanteerde rekenmethodes. Bij een deugdelijke wetenschappelijke publicatie was deze informatie wel verstrekt of kwamen de uitkomsten niet zo goed uit?

(b) De hanky panky excercise van de allocatie van de kapitaalverzekeringen maakt dat we deze allocatie ook maar op de blauwe ogen van het CPB moeten geloven.

__________

Laatst bijgewerkt 25 januari 2016

[1] CPB, http://www.cpb.nl/publicatie/vermogensongelijkheid-in-nederland-2006-2013

en

Mejudice, Arjan Lejour, Thomas Kooiman, “Toegenomen vermogensongelijkheid heeft alle schijn van tijdelijk fenomeen”, 19 januari 2016, http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/toegenomen-vermogensongelijkheid-heeft-alle-schijn-van-tijdelijk-fenomeen

[2] http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=80056NED&D1=0%2c2&D2=0&D3=0%2c3-12%2c14-15&D4=1%2c4-6%2cl&HDR=G1%2cT&STB=G2%2cG3&VW=D

[3] Die kritiek richtte zich met name op de doorrekeningen van de verkiezingsprogramma’s van het CPB.

NRC, “Politieke partijen verliezen vertrouwen in modellen planbureau”, 21 januari 2016, http://digitaleeditie.nrc.nl/losseverkoop/NH/2016/0/20160122___/1_02/index.html#page2

Eerder wezen we in eerdere bijdragen, zonder te streven naar volledigheid, al op:

(1) Een model dat simplistisch uitgaat van de relatie lonen  , werkgelegenheid ⇑. Het vergt zeker twee jaar lagere school om een dergelijk model te ontwikkelen. Werkgelegenheid is daarbij een containerbegrip. De politiek maakt van dat model dankbaar misbruik om hun “progressieve uiterst sociale hervormingsprogramma’s” te laten doorrekenen. De uitkomst laat zich raden en de berekening zou ook op de achterkant van een sigarendoosje kunnen worden verricht. 

(2) De doorrekening van de verkiezingsprogramma’s, waarbij b.v. bij de VVD de verkoop van 1,2 mld. sociale woningen geen effect had op de overheidsfinanciën. (Toch ca 20% HRA-infuus op € 150.000 * 1.2000.000 woningen of € 36 mld. belastingderving)

(3) Het klakkeloos aanlopen achter het trio Reinhart, Reinhart en Rogoff inzake overheidsfinancien, met voor Nederland de laagste werkelijke staatsschuld in Europa (nihil). Dat Laura van Geest dit niet op het netvlies had en haar gehoor misinformeerde (= voorloog) over de historische ontwikkeling van deze schuld vermelden we al eerder. Dat bij een dergelijke lage overheidsschuld de banen niet aan te slepen zouden moeten zijn, kan het CPB dan weer niet verklaren.

(4) De motivering van het toptarief in de belastingen met gebruikmaking van een volstrekt ontoereikend panelonderzoek. De conclusies van dat onderzoek onderbouwde overigens bij close reading het huidige toptarief, dat door de uiterst royale HRA en omkeerregel pensioenen (spaarpot voor de UMC met pensioenen in eigen heheer) toch al zelden betaald werd/wordt.

Kwartaalmonitor overheidsfinanciën

___________________________________________________

Apetrots is het CBS een nieuwe publicatie gestart waarbij het nu per kwartaal de burgers misinformeert over de staat van de overheidsfinanciën. In deze bijdrage nemen we de juistere cijfers op, gebruik makend van dezelfde Statline gegevens en de stand van het pensioenvermogen, waarop de staat nog een belastingclaim heeft van zo’n 35%. Daarnaast laat de integrale doorrekening van de mutaties in de overheidsschuld beter zien welke factoren de overheidsschuld beïnvloeden.

Gegeven het motto van deze site hoeft de voorstelling van de stand van zaken van de overheidsfinanciën door het CBS ons niet te verbazen. Het CBS heeft nog wat huiswerk te doen om hun kwartaalmonitor echt inzicht te laten geven in de overheidsfinanciën. Ook het CPB gaf bij monde van mevrouw Van Geest, directeur van het CPB, in een recente lezing over de overheidsschuld en het overheidstekort een onvolledige en daarmee misleidende voorstelling van zaken, waarbij de historie grof geweld werd aangedaan.

Overigens zijn wij van mening dat de staat een onaanvaardbaar risico loopt op de belastingclaim op het pensioenvermogen van eind 2015K3 € 472,6 mld. Dit pleit ervoor de omkeerregel pensioenen met onmiddelijke ingang af te schaffen.

Update: ook mijn bank, de Rabobank,  kan niet rekenen en laat zich in de lure leggen door de foute EU-regeltjes van de EU-bureaucraten. [3]

___________________________________________________

De CBS-kwartaalmonitor houdt ons het volgende beeld voor [1]:

Tabel 1 CBS Kwartaalmonitor kerncijfers

195_1

De overheidsinkomsten slaan echter door de omkeerregel pensioenen danig uit het lood en hier zal men dus terdege rekening moeten houden. De pensioenpremie bedraagt voor 2015 ca € 44 mld. Hierop laat de overheid 52% belasting en premies liggen of € 23 mld. Wel rust hierop nog een 35% belastingclaim van € 15 mld. op de toekomstige pensioenuitkeringen, die niet in de boeken van de staat worden ingeboekt (kasstelsel). De staat geeft dus direct zo’n € 8 mld. aan belasting en premies weg en dat geld komt nauwelijks aan de lage inkomens ten goede. Tevens maakt de staat rendement op zijn pensioenvermogen van ruim 4% van € 473 mld. of ca € 19 mld., ook dit bedrag zult u niet in de boeken van de staat aantreffen. Ons zogenaamde EMU-“tekort” bestaat dus in feite niet en is een gevolg van onordentelijk boekhouden. Door die bedragen niet in te boeken kan het volk flink bang gemaakt worden met een niet bestaand overheidstekort en overheidsschuld en wordt hiermee de weg vrijgemaakt om bezuinigingen en lastenverzwaringen af de dwingen. Voorzover die bezuinigingen betrekking hebben op minder dienstverlening is dat in feite ook een lastenverzwaring als dat voordeel niet aan de burger wordt doorgegeven en is het onderscheid semantiek.

Daarnaast hebben we ook nog te maken met de vrijstelling vermogensrendementsheffing die, zonder rekening te houden met een vrijstelling, jaarlijks op zo’n 1,2% * 65% (aandeel burgers) van het pensioenvermogen groot € 1.350 (2015K3) of € 10,5 mld. komt. De belastingfaciliteiten pensioenen is dus de grote bleeder voor onze schatkist. Door deze faciliteiten betalen de huidige belastingbetalers te veel belastingen: één keer om het ontstane tekort (ten dele) op te vangen en één keer als pensioendeelnemer bij de pensioenuitbetaling.

Op de CBS-tabel valt dus het nodige af te dingen zodat we maar direct onze aangepaste versie komen:

Tabel 2 Reëlere kwartaalmonitor kerncijfers

195_2

(a) Een integrale doorrekening van het verloop van de overheidsschuld is informatiever dan enkel het EMU-tekort te monitoren. Zo zorgde de mutatie financiële vaste activa in 2015 K2 & K3 voor een daling van de overheidsschuld met € 21,5 mld.

(b) De officiële overheidsschuld nam in de periode 2014K2 – 2015K3 dus met € 7,1 mld. toe, waarvan € 24,9 mld. voor rekening komt van het EMU-tekort.

(c) Uiteraard dient de de belastingclaim van ca 35% op en de mutatie in het pensioenvermogen in de beschouwing te worden betrokken. Die claim nam, ondanks de slechte resultaten in 2015, in de periode 2006-2015K3 met € 63,3 mld. toe.

(i) De echte overheidsschuld eind K3 2015 bedroeg dus € – 25,4 mld. (actief) i.p.v. de € 447,2 mld. die het CBS ons voorhoudt. Door de daling van het pensioenvermogen met € 127,1 mld. nam dat actief in 2015 K2 & K3 met € 44,5 mld. af,

(ii) Tegenover het cumulatieve tekort in de periode 2014 k2 – 2015 k3 van € 7,1 mld staat een toename van de belastingclaim op het pensioenvermogen van € 63,3 mld., zodat de reële overheidsschuld met € 56,2 mld. daalde.

(iii) Bij het jaarlijkse overheidstekort moet je natuurlijk de mutatie in de belastingclaim op het pensioenvermogen in aanmerking nemen. In normale jaren stijgt dat pensioenvermogen met ca 7-8% per jaar, waarvan de helft veroorzaakt wordt door gestorte pensioenpremies en de rest door rendementen.

(iv) In de CBS kwartaalmonitor zult u tevergeefs naar deze cijfers zoeken.

Grafisch kan een en ander als volgt worden samengevat:

195_3

(a) De groene lijnen geven dus werkelijke situatie weer. Het effect van de daling van de belastingclaim op het pensioenvermogen in 2015 K2 en K3 (€ – 44,4 mld.) en daar tegenover de vermindering van de financiële vaste activa (€ -21,5 mld. – blauw rechts) komen duidelijk in de grafiek tot uitdrukking.

(c) De rechter grafiek met het overheidstekort wordt nog inzichtelijker als we het cumulatieve verloop van het overheidstekort weergeven:

195_4

(i) De eindtotalen vinden we ook in tabel 2 kolom totaal mutaties terug.

Het CBS heeft dus nog wat huiswerk te doen om hun kwartaalmonitor echt inzicht te laten geven in de overheidsfinanciën.

Je moet zo’n kwartaaloverzicht natuurlijk ook op de langere termijn bezien. De mutaties in de financiële vaste activa van K2 en K3 2015 komen ten slotte niet uit de lucht vallen. Een lesje geschiedenis van onze overheidsschuld kan daarom geen kwaad. Het verloop van de overheidsschuld voor de periode 2006-2016 kan als volgt worden weergegeven:

195_5

(a) In 2008 nam de netto overheidsschuld met € 121 mld. toe. Daarvan is € 88 mld. een toename van de overheidsschuld en € 33 mld. een daling van de belastingclaim op het pensioenvermogen. Van die € 88 mld. toename had € 85 mld. betrekking op een toename van de financiële vaste activa.

(b) Zolang de dekkingsgraad van de pensioenfondsen > 100% is geldt dat de pensioenverplichting en algemene reserve van de pensioenfondsen communicerende vaten zijn. De rekenrente heeft dan geen effect op de belastingclaim op dat pensioenvermogen.

(c) Zonder een goed begrip van de mutaties in de overheidsschuld is elke bewering over onze ondragelijke hoge overheidsschuld en onze interestlast op die schuld onzinnig. Op die belastingclaim werd immers een fors rendement gemaakt dat de dalende rente op de overheidsschuld verre overtrof. In feite is onze overheidsschuld belegd in het pensioenvermogen, met alle risico’s van dien.

__________________

Laatstelijk bewerkt 6 januari 2016

Bronnen:

[1]CBS, “Kwartaalmonitor Overheidsfinancien“, http://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/8C7A35B8-AE8F-4F31-A216-5E16AB0B7336/0/KwartaalmonitorOverheidsfinancien2015_k3.pdf

[2] CBS Statline , http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=82565ned&D1=0,3-9,11-12&D2=0&D3=76-77,79-82,84-86&HDR=G1,G2&STB=T&VW=T

Deze tabel geeft meer relevante informatie dan de door het CBS aangegeven tabel.

en DNB statistieken zie de bijdrage pensioenen.

[3] http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/nederlandse-begroting-na-het-jubeljaar-2016-dreigen-zure-bezuinigingen-in-2017

 

 

 

 

 

Vermogen Nederlandse burgers

_____________________________________________________

Het vermogens van de Nederlandse burgers bestaat uit het Vermogen huishoudens en het overheidsvermogen zoals dat blijkt uit de Overheidsbalans 2014. Deze bijdrage voegt de gegevens samen. Kerngegevens zijn daarbij ook nog de hoogte van het pensioenvermogen, de overheidsschuld en de pensioenverplichting van de overheid uit hoofde van de AOW.

Het totale vermogen van de burgers bedroeg eind 2013 € 2,810 mld. een stijging van € 43 mld. (1.6%) t.o.v. 2012.

De meest actuele stand van het vermogen van de onderscheiden componenten vindt u in de onderliggende bijdragen aan.[1] Als actuelere gegevens bekend worden, zal deze bijdrage worden bijgewerkt.

_____________________________________________________

Onze media en de politici, die altijd jeremiëren over onze staatsschuld, zouden toch zo zoetjes aan moeten weten dat Nederland ondanks de Excessive Deficit Procedures van het EU-Stabiliteitspact, tot de Oom Dagoberts van de EU behoort. Ook aan de hypotheekschuld wordt onevenredig aandacht besteed, omdat het geld dat gespaard wordt in de vorm van kapitaalverzekeringen en banksparen nooit wordt meegerekend. De toch al lage rente en de hypotheekrenteaftrek maken dat je erg goedkoop geld kunt lenen. De volgende tabel  geeft inzicht in het totale vermogen:

P01_1

(a) Bij het 2013 vermogen van de burgers volgens het CBS groot € 1.119 mld. moet je het netto pensioenvermogen groot € 732 en het bedrag aan kapitaal- en levensverzekeringen van € 229 mld. tellen zodat het werkelijk vermogen 186% hoger uitkomt op € 2.079 mld.

(b) Bij het 2013 staatsvermogen volgens het CBS groot € 337 mld. moet je de latente belastingclaim van 35% van het pensioenvermogen tellen groot € 394 mld. zodat je 217% hoger uitkomt op € 731 mld.

(c) In totaal kom je dus € 1.355 mld. ( 193%) hoger uit dan het CBS de burgers wil doen geloven.Het vermogen van de burgers bedraagt dus eerder € 377.000 per huishouden waarvan € 98.000 overheidsvermogen. Dat is te vergelijken met de € 195.000 die het CBS ons voorschotelt:

P01_3

(d) Het staatsvermogen is ontleend aan de Overheidsbalans 2014.

(e) De AOW-verplichting is toegelicht in de bijdrage CBS totale pensioenaanspraken (AOW). Deze is p.m. opgenomen omdat daar een vordering uit hoofde van toekomstige AOW-premie tegenoverstaat. Zoals daar toegelicht is de verplichting berekend volgens de Eurostat methode na 30% aftrek van de toekomstige inhoudingen op die AOW-uitkering.

(f) Het belang van het pensioenvermogen voor de burgers en staat wordt uit bovenstaande opstelling duidelijk.  In 2014 steeg dat vermogen aanzienlijk met € 212 mld. De ontwikkelingen in 2015 zijn uitermate teleurstellend.  De gebruikelijke jaarlijkse groei van zo’n 7-8% van het pensioenvermogen is goed voor een toename van het vermogen van de burgers en de staat van ca € 95-108 mld p.j., waarvan grofweg de helft met pensioenpremies uit het inkomen wordt gespaard. Het zal duidelijk zijn dat deze forse pensioenpremies het besteedbaar inkomen van de burgers en de belastinginkomsten van de overheid drukken, door de verfoeide omkeerregel pensioenen.  Het belastingtarief is daardoor voor de huidige burgers ook te hoog.

Het pensioenvermogen, en daarmee de belastingclaim, wordt hier nog te laag voorgesteld doordat het bedrag van de derde pensioenpijler niet bekend is. Voor 2012 bedroeg dit ca € 181 mld. (belastingclaim € 83 mld.)

(g) Uit de tabel wordt duidelijk dat het zogenaamde EMU-tekort uitsluitend veroorzaakt waordt door de omkeerregel pensioenen. Per saldo neemt jaarlijks de overheidsschuld af, voor de periode 2010-2015 is dat met ca € 68 mld. Ik kan mij niet herinneren dat ik dat in de media ergens heb gezien. De rente op de overheidsschuld (2016 € 7,8 mld.) wordt meer dan goedgemaakt door het rendement op de belastingclaim op het pensioenvermogen.

(h) In vergelijking met het buitenland moeten we dan ook nog de afgefinancierde pensioenverplichtingen van ambtenaren en semi-ambtenaren bij het ABP en PFZW meenemen. Na aftrek van de 35% belastingclaim gaat het eind 2013 om €285 mld. (2014: 329 mld)

De samenstelling van het vermogen eind 2013 valt als volgt weer te geven:

P07_2

(a) Staat-overig en eigen woning- netto is na aftrek van respectievelijk de overheidsschuld en de hypotheek.

(b) Het ondernemingsvermogen bestaat uit ondernemingsvermogen en de aanmerkelijk belang aandelen. De reële waarde van dit vermogen in het economisch verkeer zal sterk afwijken van de waarde in de boeken van het CBS. Het 9e en 10e vermogensdeciel bezit  samen 96,4% van het ondernemingsvermogen en 99,2% van het aanmerkelijk belang vermogen en toch menen velen een gefundeerd oordeel te kunnen geven over de vermogensontwikkeling van de hoge vermogens. [4]

Conclusies

(1) We worden jaarlijks door regering, politici en media in het ootje genomen over de hoge Nederlandse overheidsschuld en het overheidstekort: beide bestaan in feite niet, er is zelfs sprake van een overschot.

(2) De burgers zijn in feite armer dan het CBS, CPB en DNB soms voorstellen als ze in een onbewaakt ogenblik ( = bijna altijd [2]) het pensioenvermogen wel bruto meerekenen hoewel van dat pensioenvermogen nog een belastingclaim afmoet. Maar als je die correctie wel zou aanbrengen hebben we ineens geen overheidsschuld en -tekort meer en hoe moet je dan al die “hervormingen”, lees belastingverhogingen en bezuinigingen, nog verdedigen? Zou het soms opzet zijn om dat pensioenvermogen bruto te blijven presenteren?

(3) Door de omkeerregel pensioenen af te schaffen kunnen we in feite de overheidsschuld  geheel aflossen, waardoor ook de rente op de overheidsschuld vervalt. Het netto saldo van de rente en de gederfde belasting op pensioenpremie (52%) gesaldeerd met het wegvallen van de belasting op de lagere pensioenuitkering (ca 35%) kan worden aangewend om het EMU-tekort weg te werken. Het restant kan worden gebruikt voor een belastinghervorming.

(4) De staat loopt, net als pensioendeelnemers, een aanzienlijk risico over het pensioenvermogen. De staat heeft net als de pensioendeelnemers niets te zeggen over het beleggingsbeleid van het pensioenfonds. Gegeven het daarmee gemoeide bedrag voor de staat is dat risisco buitenproportioneel (Q3 2015 € 473 mld.). In het 2e en 3e kwartaal ging 132 mld. pensioenvermogen van de pensioenfondsen in rook op. Hiermee verloor de staat dus een belastingclaim van € 46 mld. of bijna drie keer het begrotingstekort 2014. Heeft u daarvan iets in de media gezien? De staat kan dat risico tot nihil terugbrengen door (3) snel te effectueren.

(5) Overigens zijn wij van mening dat we door de gebrekkige vermogensstatistieken maar een beperkt inzicht hebben in de hoogte en verdeling van dat huishoudvermogen. Dat komt met name omdat het CBS budgettair door de regering de nodige middelen en mankracht wordt onthouden (Kamp, Asscher en voorgangers) om een volledig vermogensplaatje op te leveren. Asscher stelde immers recent nog bij de Pikety discussie:

“Het kabinet ziet op dit moment dan ook geen indicaties om te veronderstellen dat de vermogensverdeling onevenwichtig is.”

Als je het CBS onvoldoende geld beschikbaar stelt kun je ook moeilijk tegenbewijs leveren en dat is uiteraard de onuitgesproken opzet.

(6) Het Nederlandse belastingstelsel maak dat de bezitters van de grotere vermogens in vergelijking met overige belastingbetalers in de watten gelegd worden.[3] De bijdragen Belasting op kapitaalinkomen volgens Jacobs , Erfbelasting en Inkomensbeperkende regelingen geven hiervan duidelijke voorbeelden.

___________________

Laatst bijgewerkt 15 december 2015

[1] Bronnen:

♦  Vermogen huishoudens 31-12-2013 (“2014”)

♦  Overheidsbalans 2014

♦   Overheidsschuld

♦  Pensioenen on 17 augustus 2015

♦  CBS Totale pensioenaanspraken (AOW)

♦  Pensioenfondsen ABP, PFZW, PMT, PME en bpfBouw 2014

[2] Voorbeelden foute bruto presentatie:

[a] DNB: http://www.dnb.nl/statistiek/statistieken-dnb/huishoudens/index.jsp

Het DNB neemt daarnaast de algemene reserves van de pensioenfondsen niet mee.

[b] CBS, http://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/911988A7-1223-49D7-BEEC-1C3927924FD1/0/2014Nederlandin2013pub.pdf , blz 20.

en

http://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/24A2FF31-D3EC-49E4-9EC1-84E8AA437A23/0/pb13n022.pdf

{c] CPB, Frank van Es, Henk Kranendonk, Vermogensschokken en consumptie in Nederland, CPB achtergrond document 18 maart 2014,http://www.cpb.nl/publicatie/vermogensschokken-en-consumptie-nederland , blz 23.

[3] Arie C. Rijkers, “Een inkomensbegrip voor de 21e eeuw”, https://www.tilburguniversity.edu/upload/6dfcaed5-d0de-4c63-9527-efd6d16ca07c_130562_oratie_A_Rijkers.pdf

[4] CBS, “CBS: Vermogensongelijkheid in 2014 niet verder toegenomen”

http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/inkomen-bestedingen/publicaties/artikelen/archief/2015/vermogensongelijkheid-in-2014-niet-verder-toegenomen.htm

“De ongelijkheid in vermogen nam in 2014 niet verder toe. Daarmee is een eind gekomen aan de voortdurende stijging van de ongelijkheid sinds het begin van de economische crisis. Het inkomen is veel minder ongelijk verdeeld. De inkomensongelijkheid bleef tijdens de crisis zo goed als stabiel. Dat meldt CBS.”

Bedoeld zal zijn 2013, het CPB werkt immers met 1/1/2014 cijfers en loopt daarbij bijna twee jaar achter de feiten aan. Gegeven de waarderingsgrondslag van de vermogenscomponenten moet aan het (voor)-oordeel van het CBS geen enkele waarde worden toegekend, al zullen de trainees bij de media het wel weer klakkeloos overpennen.

Vermogen huishoudens 31-12-2013 (“2014”)

______________________________________________________

Deze bijdrage geeft de vermogenspositie eind 2013 weer op basis van de gegevens van CBS statline. De bijdrage is t.o.v. van voorgaand jaar aanzienlijk ingekort. Voor het totale vermogensplaatje, inclusief het staatsvermogen zie de bijdrage Vermogen Nederlandse burgers 31-12-2013 .

Als we alleen op de gegevens van het CBS zouden afgaan ontstaat een redelijk misleidende voorstelling van zaken waarbij ca de helft van het vermogen van de huishoudens niet wordt meegenomen. Of “het vermogen van huishoudens niet langer daalt”, valt in zijn algemeenheid dus op basis van de CBS-cijfers niet te zeggen. Er valt eigenlijk nauwelijks een uitspraak te doen op basis van deze cijfers.

In elk geval stijgt het netto pensioenvermogen jaarlijks met zo’n 7-8% en dat vermogen vormt ca 75% van het CBS-vermogen exclusief pensioenvermogen. Voor het jaar 2013 was die netto stijging voor de burgers € 23 mld. en voor 2014 zelfs € 140 mld.

Het 10e vermogensdeciel heeft per 1/1/2014 een aandeel van 73% van het totale vermogen exclusief eigen huis. Van de vermogenstoename exclusief eigen huis van  totaal € 5 mld  in de periode 2011-2014 neemt volgens de CBS-cijfers het 10e deciel  € 71,1 mld. voor zijn rekening. Aandeel percentages zijn in een dergelijke situatie niet zo zinvol. Het gemiddeld netto vermogen van de Nederlandse burger inclusief zijn aandeel in het staatsvermogen bedraagt inmiddels ca € 376.000. Dat is different cookies t.o.v. het CBS-cijfer van € 195.000.

______________________________________________________

Tabel 1 Vermogens huishoudens volgens CBS Statline

(click op tabel om te vergroten)

P06_1

(a) Voor 1/1/2011 (2010) is het CBS overgegaan op integrale waarneming i.p.v. een panelonderzoek. Daarmee steeg het vermogen met € 22,8 mld, waarvan € 19,5 mld. alleen al voor het 10e vermogensdeciel. Bij een vergelijking met de cijfers voor 2010 moet deze correctie dus mede in aanmerking worden genomen. De correctie voor de jaren voor 2010 kan jaarlijks natuurlijk anders uitpakken, maar het licht in de rede dat het top 10e deciel systematisch ondervertegenwoordigd zal zijn.

(b) In aanvulling op het CBS [1] wijs ik toch nog maar even op de geel gemarkeerde cellen in de tabel. Het aandeel van het 10e vermogensdeciel voor 1/1/2014 in de aanmerkelijk belang aandelen bedraagt 97% en van het ondernemingsvermogen 87%. De uitkomsten van tabel 2 hoeven dus niet te verbazen. In totaal had het 9e plus 10e deciel 1/1/2014 85,8% van het CBS-vermogen “in handen” (1/1/2013: 85,6%).

(c) Het CBS meldt nog dat het aantal miljonairs is toegenomen in 2013 met 6.000 tot 157.000. Een doorsnee miljonairs huishouden had 1/1/2014 een vermogen van € 1,6 mln. [1]

Statline geeft de volgende aanvullende informatie, die een stuk nuttiger is:

Tabel 2 Vermogen miljonairs 2013 vs 2012

P06_2

Ik zou daaraan kunnen toevoegen dat het aandeel in de totale stijging van het vermogen van € 33,6 voor de miljonairs 94% bedraagt (€ 31,5 mld.), maar dat is al te demagogisch omdat de samenstelling veranderd kan zijn en er 6.000 miljonairs meer zijn. Het CBS zou hierover natuurlijk uiterst nuttige dingen kunnen zeggen.

(d) Het  werkelijk vermogen van de huishoudens is ruwweg twee keer zo hoog als het CBS opgeeft en laat zich als volgt benaderen:

Tabel 3 Een alternatieve benadering van het huishoudvermogen

P06_3

(a) De blauwe regel is overgenomen uit tabel 1. De cijfers zijn nu per 31 december van enig jaar weergegeven.

(b) Het pensioenvermogen is ontleend aan de bijdrage Pensioenen.  Hier moet je dan wel de belastingclaim op dat pensioenvermogen van ca 35% aftrekken omdat dit deel aan de staat toebehoort. DNB, CPB en CBS laten dit altijd na als zij het over het pensioenvermogen van de huishoudens hebben. Het bedrag van de derde pijler pensioenen is niet meegenomen.

Ook het CBS realiseerde zich onlangs dat je pensioenvermogen misschien toch wel moet meetellen om de vermogens internationaal zinvol te kunnen vergelijken. Het heeft derhalve een poging gewaagd om het pensioenvermogen naar inkomensgroep toe te rekenen. Zoals in de bijdrage  Evenwichtere vermogensverdeling door pensioenvermogen? behandeld, kan deze poging minder geslaagd genoemd worden. Het is in het Nederlandse pensioen-“stelsel” immers volstrekt onmogelijk het netto pensioenvermogen naar pensioendeelnemer te verbijzonderen.

(c) De levensverzekeringen zijn ontleend aan de DNB statistiek huishoudvermogens. [3b]

(d) De kapitaalverzekeringen zijn gebaseerd op een studie van Laura Oudman. Dit bedrag loopt op van € 80 mld. in 2012 naar € 135 mld. in 2018.

(e) De gegevens voor het ondernemingsvermogen en aanmerkelijk belang aandelen zijn door het CBS ontleend aan de fiscale gegevens. Uiteraard is de waardering op fiscale basis te laag en geeft daarmee niet de waarde in het economisch verkeer weer. Indicatief kan voor de top 500 van Quote al een bedrag van € 75 mld. worden bijgeteld. Hoewel dit getal natuurlijk eerder als Spielerei kan worden aangemerkt, geeft het toch een eerste indicatie voor de omvang van de totale correctie als je voor al het ondernemings- en AB-vermogen gaat corrigeren.

(f) In de CBS publicatie Nederland in 2015 wordt door het CBS een alternatieve opstelling van financiële bezitten en schulden gegeven (10; blz 31)

P04_100

De aansluiting met de Statline gegevens laat ik, met het CBS, aan de lezer over. Pensioenen worden nu, zij het bruto zonder aftrek belastingclaim, ineens wel tot de bezittingen gerekend. De toename van de pensioenrechten verklaart het CBS door de lage rente omdat het vanuit die rechten redeneert. Zelf verklaar ik die door de gestorte pensioenpremies en de behaalde rendementen.

De top twee vermogensdecielen bezitten 85,8% van het CBS-vermogen, de top twee inkomensdecielen 47,7%. De top twee vermogensdecielen bezitten hiermee € 426,1 mld. meer vermogen dan de top 2 inkomensdecielen. Dit valt als volgt te specificeren:

Tabel 4 Aandeel top twee vermogens- en inkomensdecielen

P06_4

(a) De kanttekeningen bij tabel 3 zijn ook hier van toepassing en maken dat de tabel maar beperkt inzicht geeft in de werkelijke vermogensverschillen.

(b) Voor het pensioenvermogen valt nog op te merken dat tot voor kort 41% van de pensioenpremie werd afgetrokken van het belastbaar inkomen tegen 52% door ca 7% van de bevolking. Over de pensioenuitkeringen moet t.z.t. wel weer belasting betaald worden. De vermogensverdeling van het pensioenvermogen zal voor de vermogensdecielen fors afwijken van de inkomensdecielen.

(c) Het inkomensbegrip maakt dat het inkomen uit vermogen maar beperkt in de inkomensstatistieken naar voren komt. Zie ook de bijdragen inkomensbeperkende maatregelen en Belasting op kapitaalinkomen volgens Jacobs.

De vermogensverdeling naar vermogen en inkomen vallen ook per vermogenscomponent weer te geven:

P06 grafiek 1

(a) Ondernemingsvermogen, effecten en overige vermogen (overig vast actief) zijn dus het scheefst verdeeld.

P06 grafiek 2

(a) De relatief gelijke verdeling van ondernemingsvermogen heeft veel – zo niet alles – te maken met de gehanteerde waarderingsgrondslag door het CBS.

Het gemiddeld vermogen per huishouden per vermogens- en inkomensdeciel is als volgt:

P06 grafiek 3

Voor zover de vermogensstatistieken van het CBS dat toestaan kunnen we de vermogensontwikkeling vanaf 1/1/2006 volgen. Daarbij hebben we, zoals eerder vermeld nog te maken met de overgang om integrale waarneming per 1/12011, die vooral het 10e vermogensdeciel regardeert.. Onderstaande tabel is aan de tabellen in noot [4] ontleend:

Tabel 5 ontwikkeling van het totaalvermogen en het vermogen van 10e deciel 2006 -2013

(click op tabel om te vergroten)

P06_6

(a) De inflatie bedroeg in de periode 1/1/2006 – 1/1/2014 2% p.j.

(b) Overig vermogen heeft in belangrijke mate betrekking op overig onroerend goed en overige schulden.

(c) Voor meer details raadplege men noot [4]

(d) Het 10e vermogensdeciel (748,1 dzd huishoudens) heeft dus per 1/1/2014 een aandeel van 73% van het totale vermogen exclusief eigen huis. Van de vermogenstoename exclusief eigen huis van  totaal € 5 mld in de periode 2011-2014 neemt het 10e deciel  € 71,1 mld. voor zijn rekening. Percentages zijn in een dergelijke situatie niet zo zinvol, conclusies over de vermogenstoename kunnen niet getroffen worden. [9]

De toename komt in belangrijke mate voort uit de toename van het  ondernemingsvermogen- en aanmerkelijk  belang vermogen met € 62,7 mld. Hoe groot dit bedrag in werkelijkheid is, laat zich slechts raden – zie ook de bijdrage Aandeel Quote 500. In de periode 2006-2014 steeg het Quote 500 vermogen eerst van € 110,3 mld. eind 2005 tot € 145 eind 2008 om vervolgens schommelend, groeiend als een koeienstaart, te dalen tot € 113,1 mld. eind 2013. Dat Quote vermogen heeft dan ook een uiterst merkwaardig verloop:

P06_7

(a) De ratio (vermogen Quote 500)/ (officiële 10e vermogensdeciel CBS) kan niet anders dan een beperkte waarde hebben gegeven het natte vinger karakter van de teller en het onvolledige en ook nog onjuiste data van het CBS in de noemer.

(b) Het ligt voor de hand dat het Quote aandeel na integrale waarneming per 1/1/2011 gering afneemt maar dat effect is slechts 0,5% (zie grafiek).

(c) In 2014 (1 augustus 2015) daalde het Quote 500 vermogen nog eens met € 29,8 mld. t.o.v. 2013 of met 26,4% tot € 83,3 mld.

(d) De “kwaliteits”-media citeren jaarlijks klakkeloos, zonder enige zichtbare toetsing, de Quote 500 cijfers. Ook de wetenschap komt niet veel verder.[5]

 

_____________

Laatste bijgewerkt 15 december 2015 met uitzondering tabel 3 (f) Nederland in 2015.

[1] CBS: Vermogen van huishoudens daalt niet langer

http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/inkomen-bestedingen/publicaties/artikelen/archief/2015/vermogen-van-huishoudens-daalt-niet-langer.htm

[2] CBS “Samenstelling vermogen; particuliere huishoudens naar kenmerken”,

http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=80056NED&D1=2&D2=0&D3=a&D4=a&HDR=G1,T&STB=G2,G3&VW=T

[3] DNB

[3a] http://www.dnb.nl/binaries/t8.1nk_tcm46-330813.xls?2015120214

[3b] http://www.dnb.nl/statistiek/statistieken-dnb/huishoudens/index.jsp

[4] Tabellen ter onderbouwing van tabel 5

P06 noot 4 tabel 1

Vanaf 1/1/2011 zijn de vermogenstatstistiken gebaseerd op integrale waarneming i.p.v. panels. Dit had tot gevolg dat het vermogen per 1/1/2011 met € 22,8 mld. werd opgekrikt, waarvan € 19,3 mld. het 10e vermogensdeciel ten goede kwam. Derhalve wordt ook een vergelijking gemaakt voor de periode 1/1/2011 – 1/1/2014. Wat de correctie op het vermogen 1/1/2006 zou zijn geweest weten we immers niet.

P06 noot 4 tabel 2

[5] Bas van Bavel , “Vermogensongelijkheid in nederland de vergeten dimensie”,

http://www.wrr.nl/fileadmin/nl/publicaties/PDF-verkenningen/V28_Hoe_ongelijk_is_NL_hfdst04.pdf [blz 2]

“Het gebruik van deze cijfers (CM: Quote 500 of het Dutch Wealth Report), bijvoorbeeld ook de cijfers die worden gepubliceerd door Forbes Magazine of Fortune in de vs, of the Sunday Times in het Verenigd Koninkrijk (vk), wordt internationaal steeds meer geaccepteerd in het onderzoek naar vermogensverdeling (Atkinson 2008), ook ondanks mogelijke tekortkomingen van die cijfers. Indien de gegevens van Quote 500 en het Dutch Wealth Report globaal juist zijn, dan zou de Gini-coëfficiënt in Nederland zelfs de 0,9 benaderen”

Je mag toch hopen dat de WRR een betere toegang heeft tot de CBS-gegevens dan uit de WRR-publicatie blijkt. Het hoogste vermogen is geheim, maar dat zou voor het totaal van de grootste 500 toch niet het geval hoeven zijn?

http://www.uu.nl/nieuws/bas-van-bavel-reageert-in-diverse-kranten-op-pikettys-ideeen

[9] CBS, “CBS: Vermogensongelijkheid in 2014 niet verder toegenomen”

http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/inkomen-bestedingen/publicaties/artikelen/archief/2015/vermogensongelijkheid-in-2014-niet-verder-toegenomen.htm

“De ongelijkheid in vermogen nam in 2014 niet verder toe. Daarmee is een eind gekomen aan de voortdurende stijging van de ongelijkheid sinds het begin van de economische crisis. Het inkomen is veel minder ongelijk verdeeld. De inkomensongelijkheid bleef tijdens de crisis zo goed als stabiel. Dat meldt CBS.”

“Tussen 2009 en 2013 is de vermogensongelijkheid tussen huishoudens echter toegenomen”, heet het dan verderop. Dit lijkt mij onjuist want het vermogen is nog steeds per 1/1/2014. De kop had dus moeten luiden de ongelijkheid in vermogen nam in 2013 niet verder toe en de tweede tekst tussen 2009 en 2012 is de vermogensongelijkheid tussen huishoudens echter toegenomen. Het CBS loopt dus 15/12/2015 in feite bijna twee jaar achter de feiten aan.

Het CBS goochelt immers altijd met de jaren want het vermogen wordt fiscaal en dus voor de CBS vermogensstatistiek per 1 januari van enig jaar bepaald.  In het maatschappelijk verkeer hebben we het dan over het vermogen per 31 december van het jaar daarvoor. Uiteraard kalken de media dit altijd klakkeloos over.

Zoals boven aangegeven neemt het CBS voor eind 2013 € 1.355 mld. vermogen niet mee in de vergelijking en is daarnaast de waardebepaling van enkele vermogenscomponenten gebaseerd op drijfzand.

(10) https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2016/12/cbs-presenteert-overzicht-economische-ontwikkelingen-2015

Evenwichtigere vermogensverdeling door pensioenvermogen?

____________________________________________________________________

Volgens Asscher en Wiebes daalt het aandeel van het 10e vermogensdeciel in het totaalvermogen door de toerekening van het pensioenvermogen van 61,1% naar 51,1% als we de antwoorden op Kamervragen mogen geloven. Dat wekt de nodige verbazing, want sinds wanneer kunnen we in Nederland binnen ons krakkemikkige pensioensysteem het bruto pensioenvermogen individueel aan de pensioendeelnemer toerekenen? Om van een netto pensioentoedeling na aftrek van de daarop nog drukkende belasting maar helemaal te zwijgen.

In deze bijdrage zullen we dan ook aantonen dat de heren maar wat uit hun duim zuigen en dat over de vermogensverdeling van het totale vermogen per deciel nauwelijk iets zinnigs valt te zeggen, laat staan over de ontwikkeling van dat vermogen in de tijd.

Vroeger leerde je op de lagere school dat je appels en peren niet mocht optellen. Zowel het MvF als het CBS telt vermogenscomponenten waarop geen belastingclaim rust en pensioenrechten met nog een forse belastingclaim van gemiddeld 35%. maar materieel binnen de inkomens- en vermogensdecielen fluctuerend van 19% tot 52%, rustig bij elkaar. Op die krakkemikkige basis slaat men dan onzinnig aan het rekenen.

De staat wordt door het CBS en het MvF natuurlijk buiten de verdeling van het pensioenvermogen gehouden en die heeft toch echt een belastingclaim van ca 35% van het pensioenvermogen. Zou je dat wel doen dan heeft de staat ineens geen overheidsschuld en overheidstekort meer, en dat kan het CBS echt niet gebruiken als his masters voice op het gebied van overheidspropaganda.

De inkomens- en vermogensstatistieken zouden overigens ook aanzienlijk verbeteren als de belastinghervormingen eens systematisch zouden worden aangepakt. De erfbelasting, mede een correctie op in het verleden onbelast genoten inkomen en vermogenstoename, speelt daarbij een belangrijke rol, omdat deze belasting ook nog eens economisch nauwelijks verstorend werkt.

____________________________________________________________________

Om bepaalde clientèle van het Ministerie van Financiën (MvF) bij de belastingheffing een genoegen te doen hanteert dit ministerie zowel een wazig particularistisch inkomens- [2] als vermogensbegrip [3]. Ons armzalig toegeruste CBS bepaalt aan de hand van die gegevens de inkomens- en vermogensstatistieken die daarmee nogal wat leemtes vertonen. [4] “Het brede gebruik van deze cijfers in academische kringen”, maakt echter dat deze cijfers “geenszins suggestief” zijn, volgens staatssecretaris Wiebes en Minister Asscher.[1a] Hoewel ik niet tot die academische kringen behoor, meen ik toch dat er op deze cijfers het nodige valt af te dingen. We hopen dit in deze bijdrage nogmaals duidelijk te maken. In een een eerdere bijdrage gingen we hier voor het 10e vermogensdeciel al uitgebreid op in.

In het antwoord op vraag 30 [1a] wordt aangegeven dat de verdeling van het vermogen na pensioenrechten gelijkmatiger is dan de verdeling voor pensioenrechten. Hierbij kan het staatje van de staatssecretaris, na bewerking, onder aanvulling van de daarmee gemoeide bedragen, als volgt worden weergegeven [1a]:

Tabel 1 De allocatie van de pensioenrechten naar vermogensdeciel 

(click op tabel om te vergroten)

194_1

(a) De paarse cellen zijn ontleend aan het antwoord van de staatssecretaris. Het is zowel bij het CBS als bij het MvF te doen gebruikelijk om van het vermogen per 1/1 van enig jaar uit te gaan. Bij de uitwerking zijn we uitgegaan van het private vermogen per 1/1/2012 (“2012”) maar voor het pensioenvermogen eind 2010 (“2010”). Alleen de percentages worden door de staatssecretaris gegeven en we hebben er de bedragen even bijgezocht aan de hand van CBS Statline. De totale pensioenrechten laten zich dan hieruit berekenen op € 472,3 mld. als we ons op de 50,1% aandeel van het tiende vermogensdeciel concentreren

(b) Voor de volledigheid hebben we ook de vermogensverdeling volgens de inkomensdecielen voor 1/1/2012 opgenomen. Zoals u ziet wijkt die nogal af van de vermogensdecielindeling. Daarnaast hebben we vermogenscomponenten die het CBS wegens onbekendheid of anderzins laat zitten even pro memorie in de tabel opgenomen.[1e] Dit alleen al om te laten zien dat de beweringen van Asscher en Wiebes over de evenwichtige vermogensverdeling met een flinke korrel zout moet worden genomen: we weten het gewoon niet.

(c) De pensioenrechten zijn berekend op actuariële basis. [1b] Op welke wijze rekening is gehouden met de daarop drukkende belastingclaim bij uitkering laat de staatssecretaris in nevelen gehuld. Het is usance bij het DNB, CBS en CPB om het pensioenvermogen bruto weer te geven. Raadpleging van het artikel van Knoef en Caminada geeft enige duidelijkheid over de gehanteerde systematiek. [5] Op grond daarvan moet de conclusie getrokken worden dat de voorstelling van zaken door de minister en staatsecretaris geheel in lijn is met het motto van deze site, immers het artikel licht toe dat de pensioenrechten bruto zijn opgenomen:

“Alle bedragen zijn bruto berekend. Zowel op privaat vermogen als op aanvullende pensioenrechten rust een belastingclaim, zij het in verschillende mate (mede afhankelijk van de precieze samenstelling van het private vermogen). Het is niet op voorhand duidelijk welk effect (uitgestelde) belastingheffing zou kunnen hebben op de mate van scheefheid van de vermogensverdeling.”

Op grond hiervan kunnen de volgende conclusies worden getrokken:

(1) Het bruto pensioenvermogen voor 2012 bedraagt, inclusief derde pijler ca € 1,271 mld. Omdat slechts bruto ca € 472,3 mld. is verbijzonderd in tabel 1 is dus bruto € 799 mld. pensioenvermogen buiten de boot gevallen. Dat het pensioenvermogen niet valt te verbijzonderen naar deelnemer hoeft niet te verbazen, gezien ons pensioenstelsel, met een € 100 mld. doorsneepremieproblematiek, indexatieachterstanden, dekkingstekorten en garantie tot de deur van de pensioenrechten. Je moet dan ook het netto pensioenvermogen verdelen over de deelnemers – meer valt er immers niet te verdelen.

(2) Het gemiddelde belastingtarief bij pensioenuitkering is ca 35%, maar aangezien 41% van de pensioenpremie tot voor kort werd afgetrokken tegen 52% door ca 7% van de bevolking ligt dat percentage voor de hoge inkomens bij uitkering ook rond de 52%. Er is ook een substantieel verschil tussen de vermogensverdeling op grond van vermogen en de vermogensverdeling op grond van inkomen, mede door de gehanteerde inkomens- en vermogensbegrippen, naast de eigen woning en het sparen voor de oude dag. Uiteraard heeft dat ook effect op het effectieve belastingpercentage. Kortom inzicht in het belastingpercentage bij uitkering per vermogensdeciel is niet beschikbaar.

(3) Een substantieel deel van het vermogen valt niet te verbijzonderen naar vermogens- noch inkomensdeciel of is zelfs niet bekend.(4) Onder in de tabel is te zien dat belangrijke vermogenscomponenten überhaupt buiten de statistieken van het CBS vallen. De stelling van Knoef en Caminada dat

het lastig is om iets te zeggen over de al dan niet groeiende vermogensongelijkheid in Nederland vanwege gebrek aan data.

heeft dus, ook na hun artikel, niets van zijn actualiteit verloren.[5]

[4]In de bijdrage Aandeel Quote 500 lieten we al zien dat het CBS het vermogen van de top 0,1% systematisch onderschat wordt met name door de onderwaardering van het ondernemings- en aanmerkelijk belang vermogen. Ruwweg kunnen we op grond hiervan zo al € 75 mld. bijtellen voor het 10e deciel en dat is maar een begin.

(5) Met moet aannemen dat deze feiten bij het MvF genoegzaam bekend zijn. Waarom levert men dan toch zo’n onzintabel op?

Nu we de onjuiste voorstelling van zaken van het MvF behandeld hebben, kunnen we ook de recente CBS publicatie nog even onder de loep nemen voor zover die over het zelfde onderwerp gaat. [1d]

Het CBS richt de verdeling van de pensioenaanspraken op de inkomensverdeling. Daarbij komt het tot de conclusie dat de toedeling het verschil tussen Q5/Q1 vermogensratio stijgt van 6,4 naar 7,8. Dat betekent dat het het totale vermogen van de rijkste 20% huishoudeninkomens 7,8 keer zo groot als het vermogen van de armste 20% huishoudeninkomens als je de pensioenrechten meerekent. Zoals door het CBS vermeld wijkt dit af van Knoef en Caminada die de verdeling op basis van de vermogensverdeling naar vermogen hebben uitgewerkt. Overigens kleeft aan de CBS-methodiek dezelfde makke: de pensioenaanspraken worden bruto meegerekend. Dit heeft tot gevolg dat de topinkomens een hoge pensioenaanspraak krijgen toegerekend terwijl hier nog wel 52% belasting afgaat. Het is dus niet zo’n wonder dat de ongelijkheid met pensioentoedeling volgens de CBS-“methode” licht stijgt.

194_2

De toelichting is deels aan de CBS-spreadsheet ontleend [1d]:

(1) Pensioenrechten omvatten financiële aanspraken van huidige en voormalige werknemers op: a) hun werkgevers, b) een pensioenfonds, c) een levensverzekeraar (collectieve contracten).

Naast deze pensioenrechten hebben we natuurlijk ook nog te maken met lijfrenten, pensioenen in eigen beheer, Fiscale OudedagReserves (FOR), etc., die kunnen worden omgezet in pensioenrechten. Volgens het CBS zijn “de pensioenrechten tussen 2005 – 2012 sterk gestegen als gevolg van de gedaalde rente”.[1d] Er bestaat echter ook nog een algemene reserve pensioenfondsen die mede dankzij de bankcrisis fors daalde. In 2008 bedroeg die nog € 203 mld.. De rentestand heeft bij een dekkingsgraad > 100 alleen effect op de verdeling tussen pensioenverplichtingen/algemene reserves, die immers communicerende vaten zijn.  Het CPB concludeerde vrij recent dat het pensioenvermogen sinds 1990 met 8% per jaar was toegenomen, de helft door premiestortingen en de andere helft door rendementen.

(2)Woningen: gebouwen die geheel of hoofdzakelijk zijn bestemd voor bewoning.

(3) Niet-financiële activa bestaan uit vaste activa, voorraden, grond, olie- en gasreserves en duurzame consumptiegoederen.

Aan de hand van [1d] valt de volgende vergelijking te maken met de bijdrage Vermogen huishoudens 31-12-2012 “2013”:

194_3

(a) We blijken nu ineens in 2012 ca € 484 mld. meer vermogen te hebben waarvan de bron niet hoeft te worden vermeld door het CBS. Ik kwam niet verder dan

“Ondanks dat het vermogensconcept in de nationale rekeningen omvangrijker is dan in de meeste microstudies, is het niet alomvattend.”

Zou het niet handig zijn geweest als die € 484 mld. , toch 41% van het oude CBS-Statline huishoudvermogen wel was toegelicht door het CBS?

Tot slot:

Als de belastingwetgeving wat evenwichtiger was en een ieder naar vermogen belasting betaalde zou er niet zoveel reden zijn om aandacht te besteden aan de inkomens- en vermogensverdeling.  Een van de redenen van de scheve vermogensverdeling is de vrijstelling van erfbelasting van het  geërfd bedrijfsvermogen van 87%. De staatssecretaris  motiveerde dit met:

“De vrijstelling heeft tot doel te voorkomen dat de heffing van schenk- of erfbelasting een belemmering vormt voor de voortzetting van een gezonde onderneming in opvolgingssituaties.” [1a; vraag 46]

Ale je je onderneming verkoopt aan een Venture Capitalist kan de koper de overnameprijs financieren door de overgenomen onderneming een lening te laten opnemen en mag die onderneming de rente ook nog eens aftrekken van de belastingen. Daardoor kan de verkoper ook nog een hogere verkoopprijs bedingen. Als er 20% erfbelasting betaald moet worden, een fractie van de koopprijs, is deze constructie ineens niet mogelijk en moet de ondernemer worden ontzien omdat anders de continuïteit in gevaar komt. Doelredeneringen zijn in de politiek voor de bezittende klasse altijd ruim voor handen en ze worden onbeschroomd geventileerd, ook als de PvdA in de regering zit. {zie ook [2]}

________________

Laatst bijgewerkt 30 november 2015

[1] Bronnen

[1a] “Kamerbrief met antwoorden op de vragen van de vaste commissie voor Financiën over de Nederlandse vermogensverdeling”,

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/brieven/2015/01/09/antwoorden-op-de-vragen-over-de-nederlandse-vermogensverdeling

[1b] https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2014/11/17/kamerbrief-antwoorden-op-vragen-over-vermogensverdeling/kamerbrief-antwoorden-op-vragen-over-vermogensverdeling.pdf

[1c] https://www.eerstekamer.nl/bijlage/20150206/verslag_van_een_nader_schriftelijk/document3/f=/vjr7h0a8z5s5.pdf

[1d] CBS, “Ongelijkheid tussen huishoudens vanuit verschillende concepten”, http://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/34DD12FC-7E6B-43EF-80F6-E392091D2BF1/0/2015DNE05ongelijkheidtussenhuishoudensvanuitverschillendeconcepten03.pdf

[1e] Bronnen: Pensioenen en Vermogen Huishoudens.

[1f] Koen Caminada, “Verdeling van (top)inkomens en vermogen in Nederland.”

http://media.leidenuniv.nl/legacy/1-inkomens-en-vermogensverdeling.pdf

[2] Arie C. Rijkers, “Een inkomensbegrip voor de 21e eeuw”, https://www.tilburguniversity.edu/upload/6dfcaed5-d0de-4c63-9527-efd6d16ca07c_130562_oratie_A_Rijkers.pdf

Rijkers heeft het over “In alle gevallen vormt, dankzij ons huidige wazige inkomensbegrip, een ruimhartig toegepast instrumentalisme de glijbaan naar de belastingvrijdom. ” [blz. 29]

[3] Slechts 21% van het vermogen (exclusief ondernemingsvermogen en ab-vermogen) wordt immers maar belast onder de vermogensrendmentsheffing. (€ 374 mld. van totaal € 1.784 mld.). Het EWF van het eigen huis is een schijntje, zeker met de Wet Hillen, en pensioenvermogen is geheel vrijgesteld. Voor een overzicht van de gatenkaas die de belastingheffing op het vermogen voorstelt zie de  bijdrage Belasting op kapitaalinkomen volgens Jacobs.

[4] Dat het CBS systematisch geld en mankracht wordt onthouden om zijn statistieken op orde te brengen, blijkt uit de antwoorden op kamervragen [1a], [1b] en [1c]. Uit die antwoorden blijkt ook dat fractiespecialisten van de Eerste en Tweede Kamer, die de regering horen te controleren, meer weg heeft van een kleuterklasje, gezien de kwaliteit van de vraagstelling. Hadden de Eerste Kamerleden hun leesbril wel bij zich? Asscher ventileerde dan ook de mening: “Het kabinet ziet op dit moment dan ook geen indicaties om te veronderstellen dat de vermogensverdeling onevenwichtig is.”, waarvan acte. “Ik zie niets”, zei de struisvogel en stak zijn kop nog dieper in het zand.

De makke in de CBS-vermogensstatistiekcijfers zijn door het CBS op verzoek van de staatssecretaris nader uiteengezet in [1c]. In publicaties van het CBS zelf moet je die forse kanttekeningen met een lantaarntje zoeken en veelal ontbreken die in de rapporten, een toch een fors voorbehoud op de juistheid en volledigheid van de cijfers. [b.v. 1d] Die makken zijn o.a.:

Reactie CBS:

In de beschikbare reeksen van de vermogensstatistiek zijn zowel aan de onder- als bovenkant van de vermogensverdeling bepaalde posten beperkt opgenomen:

Aan de bezittingenkant is tot 2012 alleen een deel van de kleine tegoeden opgenomen. Weliswaar wordt/werd steeds het contant geld (boven de fiscale vrijstelling van jaarlijks ongeveer 500 euro) regulier ingeteld maar konden tot 2012 de kleine «bank- en spaartegoeden» en «effecten» vanwege onvolledigheden in de onderliggende fiscale databronnen alleen deels worden opgenomen. Vanaf 2012 worden deze posten volledig waargenomen en dienovereenkomstig ook volledig ingeteld.

♦ Ook kleine schulden zijn alleen gedeeltelijk in de vermogensstatistiek opgenomen. Sinds kort beschikt het CBS over informatie van hypothecaire geldleningen, persoonlijke leningen en consumptief krediet. Deze nieuwe informatie zal vanaf 2016 deel uitmaken van de reguliere vermogensstatistiek.

♦ Het CBS kan sinds kort ook beschikken over informatie over studieschulden waardoor in 2016 ook op dit vlak een verbeterslag in de schuldenspecificatie van de vermogensstatistiek gerealiseerd zal worden.

♦ In de huidige vermogensstatistiek wordt het aantal directeuren en grootaandeelhouders (DGA’s) onderschat en daarmee ook hun aanmerkelijk belang in vennootschappen. Daardoor is er misclassificatie in de hoogte van het vermogen dat door ondernemers in een onderneming is opgebouwd. Dit heeft een versluierende weerslag op (vooral) de bovenkant van de vermogensverdeling. Inmiddels zijn werkzaamheden opgestart voor de ontwikkeling van een nieuwe, zogeheten, DGA-datasatelliet waarin DGA’s en hun aanmerkelijk belang in vennootschappen correct en met teruglegging tot 2007 zijn vastgelegd. Aldus zal eind 2016 een op dit vlak verbeterde reeks vermogensstatistieken beschikbaar komen. Om deze verbeteringen mogelijk te maken heeft het CBS een financiële bijdrage gekregen van het Ministerie van Economische Zaken.

♦ Verder is het opgebouwde vermogen in spaar- en beleggingshypotheken niet bekend waardoor de netto hypotheekschulden volgens de huidige vermogensstatistiek worden overschat. Het CBS heeft nog geen toegang kunnen krijgen tot de noodzakelijke brongegevens om deze informatie beschikbaar te krijgen. {Dit bedrag is recent bepaald op ca € 80 mld. in 2012 oplopend tot 135 mld. in 2018}

Aanvullend valt hieraan toe te voegen:

♦ Pensioenaanspraken maken geen deel uit van de vermogensstatistiek omdat zij niet overdraagbaar, overerfbaar en beschikbaar zijn. Dat is in elk geval niet het geval voor pensioenen in eigen beheer voor een directeur/eigenaar in een BV, noch voor de FOR van een ondernemer, waarover vrij kan worden beschikt bij liquidatie of vererving, uiteraard na belastingheffing. Bovendien geldt volgens de commissie Van Weeghel dat de pensioenopbouw is in voorkomende gevallen zodanig groot is dat deze niet meer als hoofddoel het bieden van een oudedagsvoorziening heeft, maar er veel meer sprake is van vermogensopbouw. Tot voor kort werd immers 41% van de pensioenpremie tegen 52% afgetrokken en dat geld hoopt zich op in het pensioenvermogen. Tot het pensioenvermogen horen niet alleen de aanspraken maar ook de potjes (b.v. algemene reserve pensioenfondsen) die worden aangehouden.

♦ De waarde van het ondernemingsvermogen en de aanmerkelijk belangaandelen wordt overgepend uit de belastingaangifte. Uiteraard berust deze waardering op goed koopmansgebruik en heeft derhalve geen enkele relatie met de waarde in het economisch verkeer. Alleen al voor de Quote 500 kwamen we grofweg, met uiteraard veel slagen om de arm, op een hogere waardering van € 75 mld.

♦ In Nederland is het not done om informatie te verzamelen over de schaduweconomie. De inefficiëntie van onze belastingdienst zou dan immers ook aan de orde moeten worden gesteld en ” je wilt natuurlijk niet dat achter elke boom een belastinginspecteur staat” (Weekers). Toch gaat het om ca 9,1% van het bbp (Zwitserland 7,1%) en er zullen dus ook de nodige schaduwvermogens zijn. De opvolging van de uitkomsten van inkeerregelingen en de erfbelasting moeten toch een aardig inzicht geven, hoeveel geld het CBS met zijn vermogensstatistieken laat liggen. Ook hiervoor zal de overheid het CBS wel geen geld beschikbaar stellen, het desfunctioneren van de overheid wordt dan wel erg transparant.

[5] Koen Caminada, Kees Goudswaard, Marike Knoef, “Vermogen in Nederland gelijker verdeeld sinds eind negentiende eeuw”,Me Judice, 27 juni 2014.

http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/vermogen-in-nederland-gelijker-verdeeld-sinds-eind-negentiende-eeuw

BBP 1950 – 2017

__________________________________________________

In deze bijdrage de geactualiseerde bbp-cijfers t/m 2017 [1;2]:

♦ §1 Actuele cijfers 1996-2017

♦ §2 Enkele grafieken met bbp groei en inflatie

♦ §3 Aanpassing bbp 1995

♦ §4 Historisch verloop bbp 1950-2012 bbp oude stijl

♦ §5 bbp geselecteerde eu-landen 2004-2015

De ontwikkeling van het bbp  per decennia geeft het volgende beeld:

234_7

Het zal duidelijk zijn dat de eisen van het Stabliteitspact voor wat betreft EMU-tekort (3% bbp) en EMU-overheidschuld (60%) in de loop ter tijd een geheel andere dimensie krijgen. Niet dat die eisen voor Nederland ooit enige relevantie hebben gehad.

Voor een analyse van de historische ontwikkeling van het bbp in de US in met name 1870-1970 zie [4] Daarin valt te lezen dat de reële  groei van het bbp te laag wordt voorgesteld omdat de inflatiecomponent van die groei te hoog wordt voorgesteld. Dat komt doordat bij de prijsontwikkeling geen rekening wordt gehouden met het effect van innovatie (schoksgewijs en sluipend).

__________________________________________________

§1 Actuele bbp-cijfers 1996 – 2017

234_1

(1) De bbp-cijfers is de cijferreeks na 1/1/1996 toen het bbp met 6,6% werd opgehoogd. [2a en §3] Voor de historische reeks 1950 – 2012 zie §4. Door de ophoging van het bbp viel de EMU-overheidsschuld b.v. in 2012 5,1% lager uit.

[2] De toename vanaf 1/1/1996 t/m 2017 zal totaal € 389 mld. (3,8% p.j.) bedragen, waarvan € 200 mld. groei en € 189 mld. inflatie.  In de periode 2010 – 2017 zal het bbp met € 97 mld. toenemen (2,1 % p.j.).

(3) Het is redelijk arbitrair om te bepalen hoeveel bbp we zijn kwijt geraakt door de 2008 bankencrisis. Onderstaande grafiek geeft slechts een ruwe indicatie [zie noot 3 voor meer details]:

234_3

(a) Op basis van de groene lijn zijn we cumulatief t/m 2017 € 61 mld. bbp kwijt (groei 2,6% per jaar) en mist de overheid direct ca € 24 mld. aan belastinginkomen en premies. In werkelijkheid was de groei maar 1,5% per jaar.

(b) Ter vergelijking moet je echter ook naar het buitenland kijken en daar valt Nederland ook uit de toon. In §5 laten we zien dat de groei voor Nederland voor de periode 2008-2015  laag uitpakt, geflateerd door de hoge groei in de periode 2004 t/m 2007 (huizenbubble).

(4) Vergelijking van de groei en inflatie in de jaren negentig van de vorige eeuw met de jaren tien laat zien dat de Stabiliteitspact parameters volledig achterhaald zijn.

§2 Enige grafieken
2.1. Grafiek toename bbp – groei en inflatie  1996-2017

234_4

2.2. Grafiek toename bbp – groei 1949 – 2017

234_6

2.2. Grafiek toename bbp – inflatie 1949 – 2017
 234_8
§3 Historisch overzicht aanpassing bbp-cijfers 1995

234_2

(1) Voor de achtergrond van de aanpassing zie [1a]. Uiteraard geldt die aanpassing niet voor de 60% en 3% norm uit het Stabiliteitspact.

§4 bbp 1950-2012

Het historisch verloop van het bbp voor de jaren 1950-2012 kan als volgt worden weergegeven:

234_9

(1) Voor de periode 1949-2012 is het aandeel van de volumegroei 55% en de inflatie 44%.

§5 bbp geselecteerde EU-landen 2004-2015

234_10

(1) Door de groei in de periode 2004 t/m 2007 met de groei daarna te vergelijken blijkt de impact van de bankencrisis.

(2) Om valuta-effecten te elimineren geven we voor enkele landen ook de cijfers in originele valuta.[2d]

(3) Dat Nederland het slechtste jongetje van de klas is naast de knoflooklanden valt te zien aan de volgende grafiek:

234_11

__________________

Laatst bijgewerkt 4 augustus 2016

[1] Berekeningswijze inflatie:

Het inflatiepercentage i (t) is in afwijking van eerdere bijdragen als volgt berekend:

toename bbp door inflatie = i(t) * { bbp(t-1) + groei (t)}

[2] Statistieken

[2a] CBS, bbp nieuw, http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=82262NED&D1=21%2c65%2c87&D2=a&HDR=G1&STB=T&VW=D

http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/macro-economie/publicaties/artikelen/archief/2014/2014-802-pb.htm

[2b] bbp oud t/m 2012: http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=7343NR&D1=0-1&D2=0-2&D3=45-112&HDR=G1,T&STB=G2&VW=T

[2c[ http://www.cpb.nl/cijfer/kortetermijnraming-juni-2016

[2d] Bronnen bbp in vreemde valuta

http://www.statistikbanken.dk/statbank5a/SelectVarVal/saveselections.asp

https://www.ons.gov.uk/economy/grossdomesticproductgdp/timeseries/ybha/bb

http://www.bfs.admin.ch/bfs/portal/de/index/themen/04/02/01/key/bip_gemaess_produktionsansatz.html

[3[ https://basjacobs.wordpress.com/2015/11/26/overheid-heeft-met-falend-begrotingsbeleid-een-derde-van-de-grote-recessie-veroorzaakt-kosten-tientallen-miljarden-euros-per-jaar-en-honderdduizenden-banen/

[4]William D. Nordhaus,, “Why Growth Will Fall”, http://www.nybooks.com/articles/2016/08/18/why-economic-growth-will-fall/  in diens boekspreking van

Robert J. Gordon , The Rise and Fall of American Growth: The US Standard of Living Since the Civil War, Princeton University Press, 762 pp.

De daar genoemde groeicijfers laten zich overigens in het geheel niet vergelijken met de cijfers in de tabel in de inleiding, al is de tendens gelijk.

Dashboard APB etc. Q2 2016

____________________________________________________

In deze bijdrage geven we de cijfers uit de kwartaalberichten 2e kwartaal 2016 van de vijf grote bedrijfspensioenfondsen ABP, PFZW, PMT, PME en bpfBOUW. Deze cijfers gebruiken we ook om de cijfers van de overige pensioenfondsen en daarmee het totale pensioenvermogen eind juni 2016 te schatten. Om een lang verhaal kort te maken geven we direct de uitkomsten in tabelvorm weer:

233_0

Het pensioenvermogen nam het eerste half jaar met € 150 mld. toe. Er is dus helemaal geen reden om in de stress te schieten. De som van gestorte pensioenpremies (ca  32 mld.) en behaalde rendement is nog steeds zeer aanzienlijk. Ook de staat pikte met € 53 mld. een aardig vorkje mee, waarmee we dus een flink overheidsoverschot hebben en zeker geen tekort zoals het CPB ons altijd voorschoteld.

Overigens ben ik van mening dat de omkeerregel pensioenen moet worden opgedoekt en het huidge pensioenvermogen alsnog moet worden voorbelast.

____________________________________________________

§1 Dashboard

Traditiegetrouw geven we weer het dashboard voor de vijf grote bedrijfspensioenfondsen voor het tweede kwartaal 2016. Ook tradiegetrouw is de informatievoorziening in die kwartaalberichten weer allerbelabberst.

233_1

(1) De actuele dekkingsraad ligt onder de beleidsdekkingsraad. Dit betekend dat indien de actuele dekkingsraad stabiel blijft de beleidsdekkingsgraad zal dalen naar de actuele dekkingsgraad. Zo zal voor het ABP de beleidsdekkingsgraad eind 2016 onder die conditie 90,6% bedragen. net boven de kritische grens van 90%. Er hoeft dus maar niet dàt te gebeuren en het wordt afstempelen.

(2) Zelfs als de informatieverschaffing in het kwartaalbericht wel uitgebreider zou zijn is die informatie volstrekt nutteloos. Die informatie wordt namelijk verstrekt binnen het zgn van overheidswege verplichte Financiel Toetsingskader en is daarmee, gegeven de belachelijke rekenrente en de niet kostprijsdekkende pensioenpremies, allebehalve relevant. Daarvoor is kennisname van het herstelplan noodzakelijk dat immers moet aangeven hoe het fonds binnen 10 jaar op een dekkingsgraad van zo’n 125% moet uitkomen om het reservetekort aan te vullen. De rekenparameters in het herstelplan moeten dan de financiële ravage die onder het toeziend oog van de actuaris en de accountant en niet de vergeten DNB is aangericht corrigeren om weer op redelijke uitgangspunten uit te komen. In de tussenliggende periode kunnen de pensioendeelnemers naar hun reëlere pensioenuitkering / indexatie pensioenaanspraken fluiten.

(3) Het CBS schreef in Welvaart in Nederland 2015 [3]:

“De pensioenrechten zijn erg gevoelig voor de rentestand. Doordat de rente de laatste jaren sterk daalde, zijn de vooruitzichten van pensioenfondsen om een hoog rendement te behalen slechter geworden. Ze hebben daarom meer geld in kas nodig om toch aan al hun verplichtingen te kunnen voldoen. Dit vertaalt zich in hogere aanspraken van huishoudens.”

Vooralsnog valt dat best mee:

233_3

Voor het tweede kwartaal 2016 zie projectie §2.

Het pensioenvermogen van de vijf grote fondsen steeg in de periode 2007 -2016K2 met 7,5% per jaar door premiestortingen en rendement. Voor alle pensioenfondsen was de stijging 7,8 % per jaar. Het verschil in percentage zit hem met name in de herstart na de bankencrisis in 2008.

Virtueel stijgen de pensioenaanspraken bij een lagere rekenrente. Materieel moet je door het storten van pensioenpremies en vooral door het maken van rendement het pensioenvermogen opkrikken om die aanspraken te kunnen waarmaken. Merk op dat de groei afvlakt na 2014. Voor de rol die de vastrentende waarden bij de bepaling van het rendement spelen zie.

(4) Voor uitgebreidere informatie eind 2015 zie dashboard 31-12-2015.

§2 Projectie pensioenvermogen 30-6-2016

233_2

(1) De tweede kwartaalcijfers voor alle pensioenfondsen van DNB komen de eerste helft van september beschikbaar.[2] Extrapolatie van de gegevens van de vijf grote pensioenfondsen gaf in het verleden een redelijk betrouwbare inschatting van het totale pensioenvermogen.

(2) Het pensioenvermogen komt dus eind juni 2016 op ca 1.509 mld., exclusief derde pijler van ca € 200 mld. In totaal kunnen we dus uitgaan van ca € 1.700 mld. pensioenvermogen en een belastingclaim op het pensioenvermogen van bijna € 600 mld.

_____________________

Laatste bijgewerkt 27 juli 2016

Bronnen

1 Kwartaalberichten

[1a] https://www.abp.nl/images/kwartaalbericht-2016-ABP-Q2.pdf

[1b] https://www.pfzw.nl/over-ons/dit-presteren-we/paginas/kwartaalberichten.aspx

[1c] http://www.bpmt.nl/client/bpmt/upload/downloads/PMT%20Kwartaalbericht%20Q2_2016_vdhkfh348r5.pdf

[1d] https://www.metalektropensioen.nl/nieuws

[1e] https://www.bpfbouw.nl/over-bpfbouw/nieuws/nieuwsberichten/2016/dekkingsgraad-tweede-kwartaal-daalt.aspx

[2] http://www.dnb.nl/statistiek/statistieken-dnb/financiele-instellingen/pensioenfondsen/macro-economische-statistiek-verzekeraars/index.jsp

[3] https://www.cbs.nl/nl-nl/publicatie/2016/11/nederland-in-2015, blz 32.

Pensioenvermogen 31 maart 2016

_____________________________________________

Traditiegetrouw werken we de bijdrage pensioenen weer bij. DNB is gestopt met de vermogensstatistiek voor huishoudens [1c] en verwijst naar het CBS voor de cijfers [1d], die overigens maar gering van de DNB-cijfers afwijken. Vooralsnog handhaven we de oude systematiek om het pensioenvermogen te bepalen.

Het pensioenvermogen, exclusief de derde pensioenpijler, bedraagt eind maart 2016 € 1.415 mld. Inclusief derde pensioenpijler is een ruwe schatting van het pensioenvermogen ruim € 1.600 mld.

Overigens ben ik van mening dat de omkeerregel pensioenen moet worden opgedoekt en het huidge pensioenvermogen alsnog moet worden voorbelast.

_____________________________________________

§1. Stand van zaken 31-3-2016

231_1

(1) Het pensioenvermogen is inclusief de algemene reserve pensioenfondsen, die nogal eens wordt vergeten. Ook die reserve is immers collectief van de pensioendeelnemers. Een belangrijk deel van die reserves verdween met de bankencrisis 2008.

(2) De uitschieters in de jaarlijkse mutatie pensioenvermogen  worden in belangrijke mate veroorzaakt door sterke fluctuaties in de marktrente. Het pensioenvermogen steeg niet door het dalen van die rente [2], maar door de storting van de pensioenpremies en het forse rendement op het pensioenvermogen. Dat rendement was overigens geflateerd door de stijging van de marktwaarde van vastrentende beleggingen, waarmee een verschot op de toekomst werd genomen. (zie grafiek 2.2) Van die stijging van het pensioenvermogen prikt de overheid overigens een aardig vorkje mee.

(3) In het vervolg zullen we “onze” pensioencijfers vergelijken met de CBS cijfers. Deze cijfers wijken licht af van de DNB huishoudstatistiek cijfers. Ook het CBS telt kennelijk ten onrechte de algemene reserve pensioenfondsen niet mee. De algemene reserve en de pensioenverplichtingen zijn deels communicerende vaten, waarbij tekorten uit de algemene reserve worden bestreden.

(4) Uit de door Knot in 2012 geciteerde cijfers valt af te leiden dat het derde pijler pensioen ca € 181 mld. bedroeg. Als we dit cijfer ophogen met 3% p.j. komen we eind maart 2016 op € 205 mld. Het totale pensioenvermogen is dan eind maart 2016 ruim € 1.600 mld. De belastingclaim van de overheid € 560 mld.

§2 Enkele grafieken

Grafiek 2.1. Actuele dekkingsgraad 2006 – 2016K1

231_3

Grafiek 2.2 Directe en indirecte beleggingsopbrengsten 2007 -2014 [1e]

231_4

(1) Indien de indirecte beleggingsopbrengst op vastrentende waarden door de lagere rente fors toeneemt zal dat ten koste gaan van toekomstige indirecte beleggingsopbrengsten omdat de agio dan weer verschmertzt moet worden

Grafiek 2.3 Pensioenpremie pensioenfondsen 1997 -2004 [1e]

231_5

(1) Het bbp na 2008 is niet meer wat het geweest is. De kostendekkende premie in de jaren negentig was niet wat die had moeten zijn. (Nu trouwens nog niet)

Tabel 2.4 Beleggingsopbrengsten pensioenfondsen 2007-2014

231_7

(1) De afhankelijkheid van de indirecte beleggingsopbrengsten van de rentestand blijkt hier duidelijk uit.

Tabel 2.5 Mutatie pensioenvermogen pensioenfondsen 2007- 2014

231_6

(1) In totaal bedroeg het aandeel pensioenpremie op het totaal van pensioenpremie en rendement dus 35,2%. Een kostendekkende premie is derhalve uitermate gewenst.

§3 Pensioenen in internationaal perspectief [3]

oecd 2015

(1) Op basis van deze OECD-cijfers kunnen we dus concluderen dat Nederland relatief een van de grootste pensioenreserves heeft. Het is alleen jammer dat deze cijfers bij de toetsing aan het Europese Stabliteitspact onder tafel verdwijnen. Dit klemt te meer daar we ook nog de ambtenarenpensioenen hebben afgefinancierd, daar moet je in het buitenland eens om komen:

231_2

____________

[1] Bronnen

[1a DNB, https://www.statistics.dnb.nl/financieele-instellingen/pensioenfondsen/macro-economische-statistiek-pensioenfondsen/index.jsp

[1b] DNB, Verzekeringsmaatschappijen, “Balans van verzekeringsinstellingen” , T7.1 Jaar/Kwartaal (XLS), https://www.statistics.dnb.nl/financieele-instellingen/verzekeraars/macro-economische-statistiek-verzekeraars/index.jsp

[1c]http://www.dnb.nl/statistiek/statistieken-dnb/huishoudens/index.jsp

[1d] http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=82594NED&D1=44-45&D2=0-3,8,13,18,23,28,33,38,43,48,53,58,63,68,73,78,83,88-89&HDR=G1&STB=T&VW=T

[1e] DNB, http://www.dnb.nl/statistiek/statistieken-dnb/financiele-instellingen/pensioenfondsen/toezichtgegevens-pensioenfondsen/index.jsp, T8.4

[2] CBS, Nederland in 2015, , blz 30.

De tekst van het CBS luidt: “Vooral de pensioenaanspraken stegen flink als gevolg van de lage rentestand”

Maar die aanspraken hebben alleen waarde als de contante waarde van de aanspraken (tegen welk onzinnige rekenrente ook) gedekt worden door het aanwezige pensioenvermogen, anders wordt het toch echt afstempelen.

[3] http://www.oecd.org/publications/oecd-pensions-at-a-glance-19991363.htm, blz 191