Skip to content

Financieeel stabiliteitscomité – aflossingsvrije hypotheek

__________________________________________________________________

Het Financieel stabiliteitscomité (DNB, AFM en MvF) (“comité”) meent op de problematiek van de aflossingsvrije hypotheken te moeten wijzen, daarbij miskennend dat de eigen woning bezitters nog vele jaren door de staat in de watten zal worden gelegd t.o.v. de huurders. [1]

Aan de hand van een casus zullen laten zien dat een extra aflossing momenteel niet echt voor de hand ligt.

__________________________________________________________________

§1 De casus

We gaan uit van de volgende situatie:

(1) Het echtpaar moet nog zien dat zij onder het progresssieve sociale arbeidsklimaat 20 jaar aan het werk blijft. Gezien hun beider inkomen en pensioenopbouw komen ze dan gemiddeld op ca 60% van hun laatstverdiende loon. Volgens de houdbaarheidsstudies van het CPB maken de pensioenfondsen 5% rendement en zal dat dus geen problemen opleveren. Of het CPB het Financieel stabiliteitscomité daarvan ook kan overtuigen is niet geheel duidelijk. Gegeven de door het DNB goedgekeurde herstelplannen pensioenfondsen is er overigens kennelijk geen vuiltje aan de lucht.

(2) De WOZ-waarde is de huidige marktwaarde. Gelukkig loopt de gemeente al jaren achter de feiten aan zodat de werkelijke WOZ-waarde thans slechts € 182.000 is. De werkelijke bijtelling is dus minder.

(3) Uitgaande van 1,7% inflatie en 1% reële stijging per jaar (wonen 4.0) is de WOZ-waarde bij pensionering ca € 443.000. Niet echt iets om dus t.z.t. wakker van te liggen.

De woonlasten laten zich als volgt in kaart brengen:

(1) Gezien een marktconforme huur van 4,5% van de WOZ-waarde of € 11.700 per jaar, woont ons echtpaar uiterst goedkoop tot in lengte van jaren. Daar kun je niet tegenop huren en over die huurlast maakt eigenlijk niemand, behalve de huurder, zich zorgen. De enig zorg is eigenlijk dat ons echtpaar straks door de bank, opgedrongen door de toezichthouders, weer met een aantal stompzinnige vragen wordt lastig gevallen, zoals dat momenteel ook door de private banking afdeling gebeurt over de nieuwe beleggingsrichtlijnen van de AFM.

(2) Door de overgangsregeling zal de hypotheeklast ergens tussen de € 4.436 en € 4.357 inliggen. De commotie over de aanpassing van het  HRA-infuus is dus nergens op gebaseerd.

§2 Spaargeld aanwenden extra aflossing

Stel dat ons echtpaar inmiddels € 100.000 heeft gespaard en zich door het comité laat aanpraten om dit aan te wenden om extra boetevrij af te lossen.

De nieuwe hypotheeklast wordt dan als volgt:

(1) De jaarlijkse last wordt dus € 1.890 lager. Maar daar staat wel de derving van het beleggingsresultaat – zie §3 tegenover.

(2) Het door het comité voorgestane rendement op die € 100.000 is dus ca 1,89%.

§3 Alternatief blijven beleggen

Ons echtpaar kan natuurlijk de € 100.000 ook blijven beleggen. De vraag is dan welk rendement door een goede vermogensbeheerder gemaakt kan worden. Als het rendement van het ABP een yardstick is moet je denken aan een rendement van zo’n 7% over de laatste 20 jaar. Onze Minister van Financiën gaat uit van 5,38%, een percentage dat algemeen door onze parlementariërs wordt overgenomen, en dus wel op realiteit moet berusten, zodat wij wel met 5% mogen rekenen.

Het beleggersalternatief is dus als volgt:

(1) Je moet dus echt op je achterhoofd gevallen zijn om de aanbeveling van het comité op te volgen.

(2) Twintig jaar sparen door de hypotheek te gaan aflossen geeft dus een flinke derving van beleggingsopbrengsten.

§4 De afschaffing van de wet Hillen.

Mensen die hun hypotheek niet aflossen hebben geen last van die maatregel. Gezien de EWF bijtelling van t.z.t. slechts 0,6% van de WOZ-waarde is de bijtelling uiterst gering in vergelijking met de VRH en niet te vergeten de betaalte rente op de hypotheekschuld. Het inkomen eigen woning in de inkomensstatistieken van het CBS is dan ook nog steeds negatief.

Er is dus alle reden dus om de afbouw aanzienlijk te gaan versnellen.

§5 Opheffing van het HRA-infuus

Om de financiële stabiliteit te bevorderen en de druk op de huizenprijzen te verminderen kan, gezien de lage rente, het HRA-infuus natuurlijk ook versneld in b.v. 8 jaar worden opgedoekt, maar daar heeft het comité natuurlijk niet de ballen voor. Het is natuurlijk ook mogelijk dat his masters’ voice een dergelijke conclusie niet opportuun achtte.

§6 Kwaliteit van woning- en vastgoedtaxaties

Het comité meet zich ook een oordeel aan over de kwaliteit van de taxaties. Zoals bekend heeft de markt altijd gelijk, de wetgeving voor taxateurs zal hier helemaal niets aan veranderen. Overheidsbeleid dat de huizenmarkt verruimt zou overigens wel helpen om om te woningprijzen in toom te houden. Daarmee heeft de politiek de afgelopen jaren jammerlijk gefaald, waarbij overcapaciteit door de recessie onbenut bleef en de verhuurdersheffing ook niet echt hielp. Maar wil het comité nu wel of niet dat de huizenprijzen stijgen om de financiële stabiliteit te bevorderen? Dat maakt het niet duidelijk. Het HRA-infuuus is nog steeds goed voor zo’n 15 à 20% onnodig hoge woningprijzen. Daar betaalt de huurder in de vrije sector ook stevig aan mee.

______________

Laatst bijgewerkt 23 november 2017

[1] http://www.financieelstabiliteitscomite.nl/nl/nieuws/nieuwsbericht/45

 

 

 

Advertenties

Dashboard ABP, PFZW,PMT, PME & bpfBOUW Q3 2017

______________________________________________________________________________

Het derde kwartaal 2017 nam het pensioenvermogen van de vijf grote bedrijfspensioenfondsen met € 13,3 mld. toe. De toename had bijna uitsluitend betrekking op de toename van de algemene reserve met € 13,8 mld. Mede dankzij het gebrekkige toezicht van de toezichthouders op de verslaglegging wordt het behaalde rendement in euro’s, m.u.z. van het ABP door de bedrijfspensioenfondsen niet verstrekt. Overigens zijn de kwartaalberichten al vele jaren van een bedroevende kwaliteit gezien het gezamenlijk vermogen van € 754 mld. (103% bbp_2017).

Belangrijke gebeurtenissen in het derde kwartaal waren de geringe stijging van de rekenrente, de waardestijging van de aandelen aan het einde van het kwartaal, het negatieve rendement op de vastrentende waarden en de €/$- valutakoers ontwikkeling.

Ten opzichte van eind 2016 nam het pensioenvermogen van de vijf grote fondsen met € 22,1 mld. toe (3%).

______________________________________________________________________________

§1 Dashboard

Het dashboard kan voor het 3e kwartaal 2017 als volgt worden weergegeven:

Tabel 1 Dashboard pensioenvermogen ABP, PFZW, PMT, PME en bpfBOUW 2017K3

(1) De gecombineerde actuele dekkingsgraad voor de vijf grote fondsen bedraagt 101,3%, dat is 4,2% hoger dan eind 2016.

(2) In het derde kwartaal 2017 nam het pensioenvermogen met € 13,3 mld. toe t.o.v. het 2e kwartaal 2017.  Die toename was € 22,1 mld. (2,9 %) t.o.v. eind 2016.

§2 Relatieve belang van de vijf grote bedrijfspensioenfondsen

Het relatieve belang van de vijf grote fondsen valt als volgt in te zien:

Tabel 2 Relatieve belang bedrijfspensioenfondsen

(1) Het relatieve belang in het totale pensioenvermogen van alle pensioenfondsen is dus ca 57%. Het aandeel in de beleggingsresultaen schommelt aanzienlijk.

(2) Een projectie met een korreltje zout van het totaale pensioenvermogen van alle pensioenfondsen voor het 3e kwartaal 2017 wordt dus € 1. 320 mld. (754,1/57,1%), een geschatte toename van € 35 mld. t.o.v. eind 2016.

§3 Rendement

Het behaalde rendement van de vijf grote fondsen valt als volgt samen te vattten:

(1) Het rendement op de beleggingen laat dus een dalend verloop zien. Gezien het aanzienlijke belang van de vastrentende waarden in de beleggingsportefeuilles hoeft dat niet te verbazen.

(2) De pensioenbobo’s werden het derde kwartaal gematst door de opleving in de aandelenmarkt en de valutaresultaten. De volgende grafiek laat voor het derde kwartaal het effect zien van de €/$- koers  en de MSCI-index ( 2017K2=100)

Zowel de staat als de pensioendeelnemers kunnen een relatief gering rendement bijschrijven. Bij de CPB-houdbaarheidssommetjes wordt door het CPB uitgegaan van een rendement van 5% p.j.  Op € 741 mld. zou dat voor het 3e kwartaal een rendement van € 9,3 mld. zijn geweest.

(3) Aangezien het ABP het enige fonds is dat behoorlijke rendementscijfers geeft laten we ook nog even het rendement van het ABP voor de jaren 2014 – 2017Q3 per beleggingscategorie zien:

(1) De relevantie van de FTK risicovrije rekenrente valt direct uit de tabel af te lezen: het cumulatieve rendement op de vastrentende waarde is 15% van het totale rendement terwijl die vastrentende waarde ca 37% van de beleggingen uitmaken.

(2) Het belang van aandelen en onroerend goed in de beleggingen is ca 46% en het cumulatieve aandeel in het rendement  70%. De de pensionado’s moeten dankzij het stompzinnige FTK, waar onze politci de volle verantwoordelijkheid voor dragen, maar op een houtje bijten. (geen belanghebbende)

_____________________

Laatst bijgewerkt 17 november 2017

[1] Het vinden van de kwartaalberichten van PMT, PME en bpfBOUW is elk kwartaal weer een zoektocht. Bronnen zijn het eenvoudigst te vinden via de SER publicatie Themabrief pensioenen en AOW, die verder ook nuttige informatie bevat:

http://yourzine.tripolis.com/public/preview?KB2VNgKCf1jPt7UZMjTyy0mB92nq5kGj1Zzg3dQ6PpJyyUEBKujUbvh7H*_mfqVR

 

 

 

Kippige Tweede Kamerleden

____________________________________________________________________

Dit keer een uiterst korte bijdrage voor kippige Tweede kamerleden.

Heel Nederland is zo zoetjes aan bedolven onder de brillen en onze media zijn vergeven van de brillenreclames (het zijn er altijd twee). [1] Dat hebben we kennelijk te danken aan ons fiscale klimaat en onze sovjeteconomie in de zorg met die kostenbeheersende maatregelen van onze zorgverzekeraars. Die markt moet immers zijn werking doen, maar kan dat helemaal niet.[3]

Heel bont maakt de waardevrije wetenschapper  fiscaal jurist Jan Vleggeert van de Universiteit Leiden het die

“begrijpt dat zelfstandige opticiens zo een concurrentienadeel hebben. „Maar grote internationaal opererende bedrijven hebben wel vaker voordelen ten opzichte van de lokale ondernemer. Multinationals kunnen gebruikmaken van de verschillende wetgeving in de verschillende landen. Daar is niet per se iets bijzonders aan de hand. Of dat ook wenselijk is, is een politieke vraag.” [1]

De heer Jan Vleggeert [2] leidt dan ook beroepsgenoten op tot een van de oudste beroepen ter wereld. De draaideur voor belastingadviseurs die belastingdienst heet, zou natuurlijk ook gewoon de belastingwetten kunnen handhaven. Zelfs informateur Zalm denkt, ongevraagd, met het bedrijfsleven mee.

De politieke vraag is natuurlijk een heel andere en wel deze: heeft “ons” parlement nog wel controle over de belastingdienst of is dit een service instituut  van het bedrijfsleven geworden? Dit natuurlijk onder de bezielende leiding van diverse kneuzen van VVD-staatssecretarissen op Financiën. [4]

Het beleid van Rutte III wordt als volgt;

“We willen een eind maken aan de situatie dat firma’s zich alleen op papier in Nederland vestigen om belastingvrij miljoenen te kunnen rondpompen. Wij gaan bij hen belasting heffen, net als bij ieder ander bedrijf. Internationaal zetten wij ons ervoor in dat belastingparadijzen worden aangepakt. Zelf gaan we het goede voorbeeld geven via een bronheffing op rente en royalty’s op uitgaande stromen naar landen met zeer lage belastingen (low tax jurisdictions).”

Daar kan Dijsselbloem een puntje aan zuigen. Rutte III gaat zeker het decennia lange fiscale beleid van de topambtenaren van het Ministerie van Financiën ongedaan maken?  Ook Inspecteurs omscholen die mede om werkgelegenheid te creëren of te behouden met de ondernemers meedenken?  Dan moet die trap van bovenaf wel erg schoon geveegd worden.  Gelooft u dat?

Ik kan dan ook niet wachten op een parlementaire enquête.

________________________________________________________________

Bijgewerkt 21 oktober 2017

[1] NRC, “Felle concurrentiestrijd brillenketens”, https://www.nrc.nl/nieuws/2017/10/20/felle-concurrentiestrijd-brillenketens-13600129-a1578144

Een “politiek” steeds minder correct voorbeeld:

[2] https://www.universiteitleiden.nl/medewerkers/jan-vleggeert#tab-2

[3] Kenneth J. Arrow, “Uncertainty the welfare economics of health care”, The American Economic Review, Bulletin of the World Health Organization,  http://www.who.int/bulletin/volumes/82/2/PHCBP.pdf

[4] Het gebrek aan beleid van die kneuzen werd in diverse bijdragen op deze site behandeld:

De Tax Gap en de Algemene Rekenkamer on 5 december 2016

♦ Panama papers on 11 april 2016

♦ Sinterklaas bestaat getuige ASML on 16 april 2015

♦ De schaamte voorbij (belastingontwijking) on 11 april 2015

♦ Het datamijnenveld bij de belastingdienst on 25 april 2013

♦ De belastingdienst is een bordeel on 29 maart 2015

Houdbaarheidssaldo, EMU-saldo en -schuld onder Rutte III

__________________________________________________________________

Het houdbaarheidssaldo en het structurele EMU-saldo zoals voorgeschreven door “onze” EU-bobo’s zijn tegenwoordig de heilige koeien  van onze macro-economen. [2]

De eerste fluctueert tegenwoordig , onder constante arrangementen per maand en de tweede slaat voor Nederland, gezien de stand van de overheidsfinanciën  met de afgelopen decennia forse rendementen op de belastingclaim op het pensioenvermogen, al helemaal nergens op.

_________________________________________________________________

Door de beleidsvoornemens van Rutte III daalt het houdbaarheidssaldo met 0,6% bbp. of zo’n € 5 mld. volgens onderstaande CPB-opstelling [1 tabel 9.1] :

Tabel 1 beleidspakket Rutte III en houdbaarheidssaldo

Traditiegetrouw vindt je in geen enkel bbp-cijfer in de CPB publicatie Analyse economische en budgettaire effecten van de financiële bijlage van het Regeerakkoord. We zullen dus eerst even zelf aan de slag moeten.

In de bijdrage Bruto binnenlands product (bbp) 1814 – heden kwamen we tot de volgende opstelling voor het bbp 2016- 2021.

Tabel 2 Benaderd bbp bij gebrek aan beter

(1) Op de lagere school leerde je al dat je appels en peren niet bij elkaar mag tellen, in de houdbaarheidssommetjes doet het CPB dat usantieel. (zie tabel 1 voor het percentage bbp)

(2) Bij het bbp onder Rutte III gaan we uit van een 0,2% hogere stijging van de groei van het bbp. De hogere bbp prijzen [1a, blz. 10], die wel de uitvoer remmen [1a, blz. 8] kunnen we helaas niet kwantificeren omdat het CPB dat gegeven heeft weggelaten. Het berekende bbp is dus te laag.

(3) Het EMU saldo (verslechtering van 1,5% bbp_Rutte II naar 0,5% bbp_Rutte III en de EMU-schuld van 45% bbp_Rutte II naar 45,8% bbp_Rutte III laten zich derhalve niet berekenen. Als we uitgaan van een bbp eind 2021 van  € 853 mld. en een schuld percentage van 45,8% bedraagt de EMU-schuld eind 2021 € 391 mld.

(4) Het was natuurlijk handig geweest als het CPB ook even had aangegeven wat het pensioenvermogen eind 2021, en daarmee die belastingclaim op dat vermogen, zal zijn. Ook handig om de mutatie daarin te kunnen vergelijken met de ontwikkeling van het houdbaarheidssaldo. Zonder CPB-tje te gaan spelen kunnen we toch wel stellen dat de belastingclaim op het pensioenvermogen eind 2021 zo’n € 718 zal bedragen. [3] Het netto 0verheidsactief is dan € 329 mld.

Het geschatte verloop van de netto overheids-“schuld” 2017-2021 onder Rutte III is dan als volgt:

Het surplus verbetert in 2021 t.o.v. 31-12-2017 met € 157 mld. of 18,5 % bbp_2021_Rutte III. Daar steekt de ontwikkeling van het houdbaarheidssaldo toch wel erg schril tegen af.

(5) In elk geval weten we dat de schatkist geplunderd wordt door de jaarlijkse extra € 1 mld. pensioenpremie i.v.m. de doorsneepremie afbouw. Het CPB boekt hier slecht € 200 mln voor in, terwijl die schatkist toch voor initieel € 520 mln. geplunderd wordt (52%), waarvan op de zeer lange termijn € 350 mln. terugkomt (35%). Over de hanky panky excercise om de doorsneepremie problematiek aan te pakken komen we ontwijfeld in een latere bijdrage nog eens terug. [4]

(5) Over het structurele EMU-saldo (2021: 0,3% lager dan EMU-saldo) kunnen we kort zijn: zo lang het CPB geen rekening houdt met de mutatie van de belastingclaim op het pensioenvermogen, mede veroorzaakt door de niet geboekte rendementen op die claim, is dit saldo volstrekt nietszeggend en kunnen de EU-richtlijnen de stortkoker in. [5] Overigens had het CPB ook kunnen opmerken dat het rendement op het pensioenvermogen in het eerste halfjaar 2017 uitermate teleurstellend was en zeker geen 5% waar in de houdbaarheidssommetjes van wordt uitgegaan. Het houdbaarheidssaldo kreeg daardoor al een flink dipje van € 14,4 mld. (– 1,7% bbp_2021_Rutte III) voordat Rutte III aantreedt dat, zo te zien, nog niet in de boeken van het CPB voorkomt.


Laatst bijgewerkt 19 oktober 2017

[1] https://www.cpb.nl/publicatie/analyse-economische-en-budgettaire-effecten-van-de-financiele-bijlage-van-het-Regeerakkoord

[2] Enkele voorbeelden

http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/houdbaarheidssaldo-een-misleidend-kompas-voor-het-begrotingsbeleid

http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/houdbaarheidssaldo-uitstekend-kompas-voor-begrotingsbeleid

Bij dat kompas wordt wel een sterke magneet gehouden door geen aandacht te besteden aan de belastingclaim op het pensioenvermogen.

http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/stop-met-zaaien-van-verwarring-over-houdbaarheidssaldo

Jacobs stelt:

“Zo zijn de overheidsfinanciën in Nederland al jarenlang houdbaar, hoofdzakelijk doordat de toekomstige belastingclaim op de pensioenvermogens ongeveer even groot is als de uitstaande staatsschuld.”

Jacobs zat er alleen miljarden euro’s naast met die belastingclaim die overigens niet toekomstig hoeft te zijn en zo geïnd kan worden. is. Eind 2016 bedroeg die belastingclaim € 577 mld. en de overheidsschuld € 434 mld. Die belastingclaim zal eind 2040 € 1.042 mld. en eind 2060 ca € 1.886 mld. bedragen, zodat inderdaad een blind paard kan zien dat die houdbaarheidssommetjes van het CPB als werkverschaffing gemaakt worden. 

http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/jacobs-schetst-onjuist-beeld-over-houdbaarheidssaldo

[3] Het pensioenvermogen steeg in de periode 2006-2017K2 met 6,8 % per jaar. Het CPB gaat bij haar houdbaarheidsstudies uit van een rendement op het pensioenvermogen van 5% per jaar. Als we conservatief die 5% aanhouden als groeicijfer van het pensioenvermogen komen we, uitgaande van de stand per 30-6-2017 op een pensioenvermogen per eind 2021 van € 2.053 en een belastingclaim van € 718 mld.

[4] https://www.fnv.nl/over-fnv/onze-standpunten/pensioen-en-aow/nieuws/nieuwsarchief/2017/oktober/reactie-op-pensioenplannen-in-regeerakkoord-rutte-iii-2/

[5] https://ec.europa.eu/info/sites/info/files/ip052_en_0.pdf,

Annual expenditure growth should not exceed a reference medium-term rate of potential GDP growth, unless the excess is matched by discretionary revenue measures, thus, allowing the Member State to remain at its MTO. Countries that have exceeded their MTO do not need to be assessed for compliance with the expenditure benchmark. (blz 47)

Zo’n discretionary revenue measure is ongetwijfeld (substance over form) het opdoeken van de omkeerregel pensioenen

 

Het HRA-infuus onder Rutte III

______________________________________________________________________________

In deze bijdrage behandelen we de maatregelingen met betrekking tot de eigen woning uit het coalitieakkoord. Veel zaken wachten op nadere invulling voor de overgangsperiode. Dit maakt dat een calculatieschema hypotheekrente 2018 op basis van het akkoord voorlopig nog niet mogelijk is.

Het HRA-infuus blijft ook onder Rutte III materieel onveranderd en de contante waarde van de subsidies op het eigen huis door de overheid voor een starter is nog steeds grofweg  zo’n 15-17 % van de koopprijs of 38-42% van de hypotheekrente. Aan het eind van het veranderingstraject (2048) is contante waarde van de subsidies ca 2,6%/9% lager voor een starter dan nu onder Rutte II. [5]

______________________________________________________________________________

§1 Inleiding

Het Kabinet Rutte III komt na de 209 dagen verkruimelde denktijd sinds de verkiezingen met een voorstel om de overheidssubsidies op de eigen woning weer eens “aan te pakken”. Dit sluimerend proces is met diverse onduidelijkheden omgeven zodat deze eigenwoningbezitter moet gokken hoe het voorstel van Rutte III financieel in detail voor hem uitpakt.[1a; 1b] In Nederland staat de hypotheekrente-aftrek al jaren als een bouwval, mede dankzij Pinokkio Rutte.[2c]

Het kopen van een eigen huis is een majeure financiële beslissing en het is dan ook van belang dat de aanstaande koper een redelijk betrouwbare financiële prognose kan maken van zijn netto verplichtingen op de lange termijn. Het zwalkende beleid van de overheid is daarbij een flinke hinderpaal, maar de soep wordt nooit zo heet gegeten als hij wordt opgediend. De frequentie van veranderingen en second thoughts, zonder een fundamentele aanpak, begint zo zoetjes aan overigens wel op onbehoorlijk bestuur van de overheid te lijken. [3]

§2 Het voorstel van Rutte III

Voor zover uit de beschikbare documenten valt op te maken is het voorstel

(1) M113 Het percentage waartegen hypotheekrente mag worden afgetrokken wordt in stappen van 3 procentpunt per jaar verlaagd totdat het basistarief is bereikt. De opbrengst van de versnelde afbouw van de hypotheekrenteaftrek wordt volledig gebruikt om de eigenwoningbezitters te compenseren door verlaging van het eigenwoningforfait.

 Het maximale belastingtarief wordt dus in de periode 2018-2023 afgebouwd van 49,5% naar 36,9%. De lagere tariefschijf volgt die afbouw.

(2) M114 Verlagen Eigenwoningforfait (EWF)

Het deel van de opbrengst van de aftrekpostenmaatregel dat voortkomt uit een verlaging van het aftrekpercentage van de hypotheekrente wordt gebruikt om het EWF te verlagen met 0,15%.

(3) M116 Geleidelijk afschaffen aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld

Deze aftrekpost wordt in 20 jaar met gelijke stappen afgeschaft.

“De wet ter bevordering van het financieren van de eigen woning met eigen middelen wordt door de in 2014 ingevoerde aflossingsverplichting onhoudbaar. De regeling wordt in 20 jaar uitgefaseerd. “

Dat laatste konden de politici natuurlijk niet bevroeden toen dit douceurtje voor Upper Middle Class werd ingevoerd. Na een nachtje slapen wordt de afbouwperiode dan toch maar afgemaakt op 30 jaar.[1b]

Vatten we financiële effecten voor de overheid samen dan ontstaat het volgende beeld [1a]:

(a) De Nederlandse kabinetten regereren,zo ze al aan regeren toekomen,  graag over hun graf heen. Dit keer tot 2048.[2b]

(b) Volgens M113 moet de overheid structureel nog € 25 mln. teruggeven met maatregel M114. ( Bij Rutte moet je altijd je vingers natellen en met de CDA’er Buma erbij is dat er niet beter op geworden. – vrij naar Hans Gruijters)

(c) Uitgaande van (a) strijkt de staat dus structureel € 1.065 mln. op door de maatregel, maar inmiddels is die opbrengst door verlenging van M116 naar 30 jaar in de tijd verlaagd. De voorgestelde afschaffing van de Wet Hillen {zie (3)} verdwijnt dus linea directa in de schatkist.

Voor de individuele woningbezitter valt voor de periode 2018 – 2048 geen gedetailleerd calculatieschema hypotheekrente-aftrek meer te maken met de jaarlijkse woonlast door de diverse overgangsregelingen. Het wachten is dus op een nadere uitwerking, die nog wel even op zich zal laten wachten. Tenslotte mocht je ook niet verwachten dat de coalitiepartners daar door die korte formatieperiode aan toe zouden komen.

§3 Vergelijking van het voorstel met bestaande praktijk onder Rutte II

We vergelijken de uiteindelijke uitkomst van het voorstel Rutte III met de bestaande praktijk na afbouw van het belastingtarief onder Rutte II. Dit doen we aan de hand van twee casussen: een starter met respectievelijk een huis van € 250.000 en een belastingtarief van 40,85% en een starter met een hut van € 750.000 die onder het huidige 52% belastingtarief valt. Dat toptarief van 52% is overigens maar voor ca 7% tot 8% van de huishoudens van toepassing al zou je op basis van de sociale media denken dat het merendeel van de Nederlandse bevolking daaronder lijdt c.q. daarvan geniet.

De twee casussen luiden dus als volgt:

(1) Voor een nadere uiteenzetting van de gehanteerde parameters zie de bijdrage Calculatieschema hypotheekrenreaftrek 2017.

(2) Van de vermogensaanwas ( 1% reëel en 1,7% inflatie) is slechts 37% reëel en 63% inflatie. Het echte cumulatieve rendement is dus afgerond totaal € 113.000 respectievelijk € 339.000,  onder aftrek van onderhoud. Daarbij moet het woninggenot natuurlijk ook in aanmerking worden genomen.

(3) De aflossing hypotheek is een vorm van sparen. Onderdeel van het HRA-infuus is dan ook de vrijstelling vermogensrendementsheffing die veelal vergeten wordt mee te nemen.  Als we van de VRH fictieve rendementen voor sparen uitgaan dan komen we op een belastingvoordeel van 7,0%  respectievelijk 8,3% van de koopprijs. Bij die berekening van de rendementsheffing gaan wij uit van een fictief rendement van 2,65%/4,52% , zoals dat ook voor sparen geldt in 2018.

Bij het uitwerken van de casussen gaan we uit van een Rutte III scenario waarbij 1) de WOZ-bijtelling volledig is gereduceerd tot 0,6% en  2) de Wet Hillen volledig is afgeschaft. De Rutte III- effecten zullen slechts tergend langzaam doorwerken tevens nog gemitigeerd door de aanpassing van het box 1 belastingtarief.

De navolgende overzichten laten de discrepantie tussen de betaalde rente en de bijtelling eigenwoningforfait zien. Dat verschil wordt onder Rutte III nog hoger. De resultaten laten zich als volgt samenvatten:

Voor de € 250.000 casus:

En voor de € 750.000 casus:

(1) Het totale effect van de maatregelen is dus zelfs voor de hoge inkomens relatief niet zo materieel, gezien de aanpassing van het belastingtarief in box 1. Met een inkomen van € 200.000 per jaar wordt er jaarlijks ruim € 3.800 minder belasting in box 1 betaald. Daar staat tegenover dat de belasting in box II stijgt m.i.v. 2020 tot 28,5% in 2021 (was 25%). Deze maatregel heeft het voordeel dat Rutte III tegen de verkiezingen met € 1,4 mld. naar voren gehaalde belasting Sinterklaas kan spelen.[6]

(2) De conclusie kan dan ook niet anders luiden dat er, gelijk de zorgpremiediscussie destijds, weer eens sprake is van een storm in een glas water.

(3) Ook de loan-to-value ratio discussie komt met het HRA-infuus in een geheel ander daglicht te staan in vergelijking met het buitenland. Een deel van de schuld op papier van de huis-“eigenaar” wordt immers materieel een schuld van de overheid door het HRA-infuus.

Er wordt ook nogal wat ketelmuziek gemaakt door de pensionado’s met een hypotheekvrij huis over de uiterst gefaseerde afschaffing van de Wet Hillen. Dat effect kan voor een 67-jarige pensionado met de hypotheekvrije woning van thans € 390.000 als volgt worden weergegeven:

(1) De verlaging van het EWF vindt gefaseerd plaats in 20 jaar naar 0,6% en de afschaffing van de Wet Hillen in 30 jaar met 1/30 per jaar m.i.v. 2019 op basis van het jaarlijks aangepaste EWF-percentage. De gederfde VRH is berekend op basis van de 2018 tarieven. Het werkelijke rendement eigen woning is tamelijk ongewis omdat diverse instanties nogal Chinees rekenen al naar de gewenste uitkomst. (zie daar b.v. het uiterst fragwürdige CPB-model voor de huurwaarde.)

(2) Naast de belastingfaciliteiten eigen woning heeft de pensionado ook uitbundig geprofiteerd van de vrijstelling vermogensrendementsheffing pensioenvermogen en het progressievoordeel tussen tarief bij aftrek pensioenpremie en pensioenuitkering (gemiddeld effect voor de schatkist 17%).

(3) De staat haalt overigens, als stille vennoot, een deel van de subsidie eigen woning terug met de erfbelasting als het huis (dan € 613.000) zo rond 2035 wordt nagelaten aan de kinderen. Het tarief dat die kinderen betalen is 10% over € 122k (2017) en 20% over de rest, met een vrijstelling van € 20k. Het eigen huis wordt bij de erfbelasting gelijk behandeld als de banksaldi, terwijl over het eigenwoning vermogen nauwelijks belasting is betaald en de overheid, gezien de rentestand en inflatie,  de renteopbrengst praktisch heeft wegbelast. [5]

§4 Verkiezingsprogramma’s

In het licht van bovenstaande maatregelen is het nuttig nog even naar het verkiezingsprogramma van D66, CDA en CU en de doorrekening van het CPB te kijken. Voor de overzichtelijkheid zijn die gegevens in noot [4] opgenomen.

Gegeven het trackrecord van de VVD in zake de HRA en de wens van die partij om de premier te leveren heeft een vergelijking met het VVD programma nauwelijks nut. De woorden “hypotheekrenteaftrek”, “Wet Hillen” en “eigenwoningforfait” komen in het VVD-programma trouwens ook niet voor, maar Hennie, sorry Henry, had het natuurlijk ook te druk met andere zaken.

__________________

Laatst bijgewerkt 13 oktober 2017

[1a] Regeerakkoord 2017 – 2021, https://www.kabinetsformatie2017.nl/binaries/kabinetsformatie/documenten/publicaties/2017/10/10/regeerakkoord-vertrouwen-in-de-toekomst/Regeerakkoord+2017-2021.pdf

[1b] Eindverslag Zalm, https://www.kabinetsformatie2017.nl/documenten/verslagen/2017/10/10/eindverslag-informateur-zalm

“Noot 5 

Niet opgenomen in het akkoord maar wel afgesproken door de voorzitters van de vier fracties is verlenging van de termijn van uitfasering van de wet ter bevordering van het financieren van de eigen woning met eigen middelen van twintig jaar naar dertig jaar.”

[1c] CPB, “Analyse economische en budgettaire effecten van de financiële bijlage van het Regeerakkoord”, https://www.cpb.nl/publicatie/analyse-economische-en-budgettaire-effecten-van-de-financiele-bijlage-van-het-Regeerakkoord

[2] o.a.:

[2a] De hypotheekrente staat als een huis

[2b] FD, “Hypotheekrenteaftrek blijft open zenuw bij VVD”,

https://fd.nl/economie-politiek/1152724/coalitie-verwerpt-cpb-pleidooi-om-woningmarkt-verder-te-hervormen

“Volgens de VVD heeft dit kabinet voorlopig genoeg hervormd. Vanaf 2018 is het hypotheekplafond al op 100% gesteld. Ook wordt de maximale aftrek geleidelijk verlaagd tot 38% in 2040. Bovendien geldt dit fiscale voordeel alleen voor leningen waarop verplicht wordt afgelost.

‘We hebben dat bewust in de wet vastgelegd zodat er niet weer aan getornd kan worden‘, zegt Van der Linde. ‘Huizenbezitters verdienen zekerheid voor de komende twintig tot dertig jaar.'”

Soortgelijk Blok:

http://www.amweb.nl/archief/nieuws/2016/6/minister-blok-ltv-hoeft-van-mij-niet-naar-90-1011807

[2c] Pinokkio Rutte

[2d] Bij het CDA kom je niet verder dan  “404 Oeps, er is iets misgegaan” ook een vorm van [2a]

[3] In de goeie ouwe tijd stelde je een staatscommissie in die zoiets voor lange tijd in één keer regelde. Uitgangspunt lijkt mij in elk geval dat het eigen woningforfait minimaal gelijk is aan de betaalde hypotheekrente. Gezien de lagere rente laat dat zich in tien jaar regelen met een overgangsregeling. Wat je vervolgens toerekend als inkomen uit vermogen eigen woning laat zich nader bezien als de belasting op kapitaalinkomen eens grondig op de schop genomen wordt. Daar zou ik zo’n commissie dan ook mee aan het werk zetten.

[4] Verkiezingsprogramma’s.

 D66

♦ “D66 wil ten eerste de huur- en koopmarkt meer met elkaar in lijn brengen. Hiervoor moet de fiscale behandeling van koopwoningen worden aangepast. De hypotheekrenteaftrek wordt – geleidelijk en stapsgewijs – verder teruggebracht. Tegelijkertijd verlaagt D66 het eigenwoningforfait en wordt de overdrachtsbelasting afgeschaft. Daarnaast blijven we mensen stimuleren de hypotheek af te lossen.”

♦ “Gedurende deze periode kunnen mensen geld inzetten (uit pensioen) voor een gelijkwaardig financieel doel als pensioensparen, zoals bijvoorbeeld het aflossen van de hypotheek.” (wat wist D66 wat wij niet wisten)

Vertaalt door het CPB bij de doorrekening in:

♦ D66 versnelt de afbouw van het maximale aftrekpercentage van de
hypotheekrenteaftrek naar 2% per jaar. Dit is een lastenverzwaring van 0,4 mld euro in 2021. Het uiteindelijke aftrekpercentage bedraagt 30%, onder het tarief van de eerste schijf. (D66_243)

♦ D66 faseert de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld (‘wet Hillen’) uit in twintig jaar, in twintig gelijke stappen. In 2021 is dit een lastenverzwaring van 0,1 mld euro. Structureel is dit een lastenverzwaring van 1,4 mld euro. (D66_244)

♦ Verlagen overdrachtsbelasting woningen (D66_262) -0,4

CU

♦ Alle aftrekposten, waaronder de hypotheekrenteaftrek, worden voortaan fiscaal aftrekbaar tegen het basistarief (CM 35%) en leiden niet meer, zoals nu het geval is, tot hogere toeslagen.

Maximaal aftrekbare hypotheekschuld op termijn naar € 500.000. De hypotheekschuld die in aanmerking komt voor renteaftrek wordt gemaximeerd. Om de gevolgen voor de woningmarkt te beperken, wordt het maximum geleidelijk verlaagd tot € 750.000 de komende kabinetsperiode en op termijn naar € 500.000.

♦ Geen overdrachtsbelasting voor starters. Starters op de koopmarkt zijn verplicht om hun gehele hypotheek gedurende de looptijd af te lossen. Nu de huizenmarkt weer aantrekt, is de betaalbaarheid van koopwoningen voor starters – na een paar relatief gunstige jaren – een probleem. Daarom schrapt de ChristenUnie de overdrachtsbelasting voor starters.

Vertaalt door het CPB bij de doorrekening in:

♦ De ChristenUnie beperkt de aftrekposten in box 1 tot het nieuwe tarief van de eerste schijf. Dit betreft alle ondernemersaftrekposten, de mkb‐winstvrijstelling, de persoonsgebonden aftrek, de aftrek vrijwillige lijfrente en arbeidsongeschiktheid, de aftrek vanwege geringe eigenwoningschuld (‘wet Hillen’) en de hypotheekrenteaftrek. Het is voor gezinnen een lastenverzwaring van in totaal 1,7 mld euro in 2021. Het structurele effect is kleiner omdat de hypotheekrenteaftrek en de zelfstandigenaftrek ook bij ongewijzigd beleid al worden afgebouwd. (CU_171, 155, 184)

De ChristenUnie topt de hypotheekrenteaftrek geleidelijk af op een eigenwoningschuld van 750.000 euro in 2021 en 500.000 euro structureel. Dit is een lastenverzwaring van 0,2 mld euro in 2021 en 0,1 mld euro structureel. (CU_263)

♦ De ChristenUnie introduceert een vrijstelling in de overdrachtsbelasting voor starters op de woningmarkt. Dit is een lastenverlichting van 0,4 mld euro voor gezinnen. (CU_182)

CDA

We gaan maar direct naar de vertaling door het CPB, het onderwerp was kennelijk niet zo belangrijk:

Doorrekening CPB:

Het CDA beperkt de aftrek van een aantal posten tot het tarief van de eerste schijf. Dit betreft alle ondernemersaftrekposten, de mkb‐winstvrijstelling, de persoonsgebonden aftrek, de aftrek vanwege geringe eigenwoningschuld (‘wet Hillen’) en de hypotheekrenteaftrek. Dit is voor gezinnen een lastenverzwaring van in totaal 1,0 mld euro in 2021. Het structurele effect is kleiner omdat de hypotheekrenteaftrek en de zelfstandigenaftrek ook bij ongewijzigd beleid al worden afgebouwd. (CDA_178_c)

We vonden toch nog iets:

VVD

♦ De koppeling tussen het eigenwoningforfait en de
huurverhogingen moet daarom worden geschrapt.

[5] (Wiebes (VVD) kan kennelijk niet rekenen en ook niet reorganiseren. Wiebes volgde de VVD ‘er Weekers op, ook al zo’n licht op belastinggebied. Het land zou een grote dienst bewezen worden als dit keer niet eens een VVD ‘er wordt afgevaardigd zodat de belastingdienst eindelijk weer eens op poten gezet kan worden.

[6] https://fd.nl/economie-politiek/1222045/ondernemers-hangt-hogere-belasting-boven-het-hoofd

Bruto binnenlands product (bbp) 1814 – heden

________________________________________________________________________

Deze bijdrage geeft een geactualiseerd overzicht van de ontwikkeling van het bbp.

Tot de EU-bobo’s die het Groei- en Stabiliteitspact (SGP) bewaken en de politici is het nog niet doorgedrongen dat de groei-, inflatie- en interestpercentages sterk gedaald zijn sinds 1992 en dat daarom de bepalingen 3% overheidstekort en 60% overheidsschuld van het SGP nodig aan revisie toe zijn.

De groei van het bbp sinds 2011 laat voor Nederland te wensen over, mede door het beleid van Rutte II.

Als reden voor afnemende groei van het bbp in de US worden door Gordon de volgende headwinds genoemd: 1) toename ongelijkheid inkomen, 2) afnemende rendement (van dure) opleiding. 3) demografische ontwikkelingen en 4) de afbetaling van schulden. [2 §18] Ook in Nederland kun je deze tendensen waarnemen.

________________________________________________________________________

§1 Inleiding

Een historisch overzicht van de ontwikkeling van het bbp 1814-2021 laat zien dat de groei van het bbp eerst na de Tweede Wereldoorlog, toen Nederland door de Duitsers was leeggeroofd, een grote vlucht heeft genomen.

Grafiek 1 bbp 18014-2021 (log) in € mld.

(click op grafiek of CTRL+ om te vergroten)

(1) De oorzaken van de steile, maar na 1970 afnemende groei van het bbp, valt ook voor Nederland, uiteraard met enige vertraging, bij Robert. J. Gordon na te lezen.[2]

We kunnen ook kijken naar het gemiddelde bbp-inkomen per inwoner vanaf 1950, al dan niet gecorrigeerd voor inflatie:

Grafiek 2 Gemiddeld bbp per inwoner 1950-2016 in €

(click op grafiek of CTRL+ om te vergroten)

(1) De totale groei van het bbp 1950-2016 groot € 693 mld. kunnen we splitsen in 47% groei en 53% inflatie. Het bbp per inwoner is er sinds 1949 reëel 21,8 x op vooruitgegaan of 4,7% per jaar.

§2 bbp Nederland 1970-2021

De toename van het bbp 1970 – 2021 kan als volgt worden weergegeven [1]:

Tabel 1 Mutatie bbp 1970 – 2021 in € mld.

(click op tabel om te vergroten of te printen)

(1) De jaarlijkse toename van het bbp in de periode 1970 – 2021 zal 5,3% per jaar bedragen. Het volume deel van de toename bedroeg 49%. Die groei wordt overigens door technologische ontwikkeling systematisch te laag voorgesteld en het inflatiedeel daarmee te hoog.[2, blz. 11]

(2) De CPB-publicatie Analyse economische en budgettaireeffecten van de financiële bijlage van het Regeerakkoord publiceert (habitueel) weer eens geen enkel bbp-cijfer. We moeten het doen met de opmerking

“Het beleidspakket zorgt – ten opzichte van het basispad – voor een extra bbp-groei van gemiddeld 0,2%-punt per jaar. Het bbp neemt daardoor met 2,0% per jaar toe en ligt daarmee ruim boven de potentiële groei. “

We gaan er van uit dat de bbp-groei voor 2019 – 2021 daarmee 2% bedraagt. Hoewel de prijzen ook stijgen door het regeerakkoord, houden we de bbp-inflatie, bij gebrek aan data, op het basispad niveau van 1,7%. Wanneer gaan die CPB-kneuzen hun data eindelijk eens behoorlijk en consistent publiceren? (zie ook (3) Het bbp 2019-2021 wordt daarmee te laag voorgesteld.

[3] Het is natuurlijk ook wenselijk om inzicht te krijgen in de verwachte ontwikkeling van het bbp op de wat langere termijn. Het CPB is hier niet al te scheutig mee. De houdbaarheidsstudies volstaan veelal met het vermelden van bedragen uitgedrukt in % bbp, zonder dat het bbp dat daarbij gehanteerd wordt ook maar één keer genoemd wordt (!). Het voordeel van een dergelijk benadering is dat je later nooit kan worden aangesproken op de uitkomsten. Voor meer informatie verwijs ik naar de bijdrage Houdbaarheidssaldo overheidsfinanciën – pensioenen. Het bbp eind 2040 zal ca € 1.620 mld. bedragen en voor eind 2060 is dat ca € 3.300 mld.

(4) De waarde van dergelijke prognoses zijn redelijk beperkt aangezien je rekening moet houden met nogal wat risico, zodat de groei  alleen al voor de middel lange termijn jaren (2018-2021)  – uitgaande van 1 standaarddeviatie – 0,8%-punt – hoger of lager kan uitvallen uit dan de gemiddelde groei van 1,8% per jaar, [CPB mltv 2016-2021, blz. 10].

§3 Groei bbp volume en inflatie

De Vijfjaars voortschrijdende toename, groei en inflatie bbp voor de periode 1955 – 2021 kan als volgt worden weergegeven:

Grafiek 3 Vijfjaars voortschrijdende toename, groei en inflatie bbp 1955-2021

(1) De grafiek begint met 1955 met de vijfjaarlijkse toename bbp voor de periode 1950-1955. Voor 1956 is dat de toename voor de periode 1951 – 1956 etc. Voor de groei en inflatie is dat overeenkomstig uitgerekend.

(2) In de jaren 2009 (-3,8 %), 2012 (-1,1 %) en 2013 (-0,2 %) is de groei  negatief, hetgeen in 2014 cumuleert in een vijfjaars voorschrijdende negatieve groei van -0,4 %. De economie groeide toen mede door het Nederlandse regeringsbeleid als een koeienstaart.

Grafiek 4 Toename bbp 1990-2016 gesplitst in groei en inflatie

(click op tabel of Ctrl + om te vergroten)

(1) De inflatie (i) is hier i* [(bbp)t-1) +groei(t)] – zie tabel 1.

Grafiek 5 Relatieve cumulatieve belang groei en inflatie bbp 1970-2021

§4 Eurolanden aan de hand van Eurostat [3]

De ontwikkeling van het bbp kan voor een aantal landen als volgt worden weergegeven:

Tabel 2 BBP geselecteerde landen 2005-2016 en index (2005=100)

(1) Voor de UK heb ik er ook even de GBP-cijfers bijgehaald, het is niet zo zinvol om met euro’s te werken i.v.m. de koersverschillen.

(2) Zoals bekend komt Nederland nauwelijks mee door de bezuinigingen van Rutte I en II. [4]

(3) De vergelijking met onze EU-partners kan als volgt grafisch worden weergegeven:

Gragiek 6 Index bbp 2005-2016 (2005=100)

(1) Had Nederland de Duitse groei sinds 2011 bijgehouden dan was ons bbp eind 2016 € 45 mld. ( 6,4 % bbp_2016) hoger uitgevallen. Wat dat betreft kan de formatie van Rutte III dus niet lang genoeg duren.

(2) Een miskende oorzaak van de lage Nederlandse groei van het bbp is natuurlijk het pensioenstelsel waardoor veel geld aan de economie wordt onttrokken door het pensioengeld in de pensioenpot te stoppen en aan de Nederlandse economie te onttrekken. De belastingderving moet wel door de belastingbetalers worden opgebracht door een onnodig hoog belastingtarief. De lasten (b.v. rente op de overheidsschuld) worden wel genomen en de baten (b.v. het forse rendement op de belastingclaim pensioenvermogen) worden doorgeschoven naar de toekomst. Ook het inkomen en vermogen van de pensioendeelnemers wordt in de CBS-statistieken systematisch te laag voorgesteld.

____________

Laatst bijgewerkt 23 oktober 2017

[1] Cijfers.

Algemeen. Als wij bbp-cijfers opstellen dan gaan we er conventioneel vanuit dat je de bbp-cijfers van jaar tot jaar kunt doorrekenen, dat wil zeggen dat geldt:

De cijfers in deze bijdrage gaan er vanuit dat de volumecijfers deugen, de inflatiecijfers zijn dan what it takes to make it balance, zodat de cijfers ten minste doorrekenen. 

[1a] CBS, “Nationale rekeningen; historie 1900 – 2012”

http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=82262NED&D1=87,129-142,159-166,169,172&D2=a&HDR=G1&STB=T&VW=T

[1b] CPB, bbp jaren 1814- 2018

https://www.cpb.nl/cijfer/lange-tijdreeksen-overheidsfinancien

[1c] CBS, “Opbouw binnenlands product (bbp); nationale rekeningen”

http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=82262ned&D1=21,65,87&D2=a&HDR=G1&STB=T&VW=T

[1d] CPB, bbp 2017-2018,

https://www.cpb.nl/cijfer/kortetermijnraming-september-2017

[2] Robert J. Gordon, “The rise and fall of American Growth – The US standard of living since the Civil War”, Princeton University Press, 2016.

en voor de Jaren Dertig (o.a. revolutie in huishouden) in het artikel van

Alexander J. Field, “The Most Technologically Progressive Decade of the Century”, American Economic Review, September 1993,

[1e] CPB Notitie | 4 oktober 2017. “Analyse economische en budgettaire effecten van de financiële bijlage van het Regeerakkoord,

https://www.cpb.nl/sites/default/files/omnidownload/CPB-Notitie-4okt2017-Analyse-economische-en-budgettaire-effecten-Regeerakkoord_0.pdf

[3] Als je CBS Statline functionaliteit vergelijkt met de Eustat-statistieken kun je niet anders concluderen dan dat the Eurostat database is run by a bunch of idiots.

http://ec.europa.eu/eurostat/web/national-accounts/data/main-tables

bestand nama_gdp_c.tsv.gz. Na unzippen, opschonen en duizenden overbodige regels verwijderen hou je eindelijk over wat je nodig hebt:

Tussen deze cijferbrei vindt u Nederland hier: CP_MEUR,B1GQ,NL – of algemeen CP_MEUR,B1GQ. Ik heb het hier maar even vastgelegd zodat ik volgens jaar niet voor de derde keer die Eurostat-kluwen moet ontwarren.

UK GDP in GBP is ontleend aan:

https://www.statista.com/statistics/281744/gdp-of-the-united-kingdom-uk-since-2000/

[4] Bas Jacobs, https://basjacobs.wordpress.com/2016/09/19/de-rekening-van-rutte/

Pensioenfondsen

______________________________________________________

Nu de 2016 toezichtgegevens door het DNB gepubliceerd zijn kunnen we de gegevens van de pensioenfondsen actualiseren. [1]

In deze bijdrage behandelen we uitsluitend het pensioenvermogen van de Nederlandse pensioenfondsen. Dit pensioenvermogen is eind juni 2017 ca 79% van het totale pensioenvermogen en bedraagt € 1.297 mld. Het totaalplaatje van het pensioenvermogen vindt u in de bijdrage Pensioenvermogen.

Het pensioenvermogen pensioenfondsen steeg in 2016 met € 115.3 mld. (2015: € 16,7 mld.) Het netto beleggingsrendement bedroeg in 2016 €  118,9 mld. (2015: € 15,9 mld.) Aan pensioenpremie werd in 2016 € 29 mld. ontvangen (2015: € 28,8 mld.) en  € 28,9 mld. uitgekeerd. (2015: €  27,9 mld.)

Aangezien de pensioendeelnemers werknemers zijn geeft de arbeidsinkomensquote een vertekend beeld van het werkelijke inkomen van die werknemers. Het gaat daarbij niet om de postzegelkas. Omdat de staat voor ca 35% meedeelt in de toename van het pensioenvermogen, geldt dat ook voor de staat der Nederlanden.

______________________________________________________

§1 Inleiding

In Nederland kennen we drie pensioenpijlers: (1) de AOW, (2) de aanvullende pensioenregeling tussen werkgevers en werknemers (veelal in pensioenfondsen), (3) de individuele fiscaal gefaciliteerde pensioenfaciliteiten, zoals b.v. lijfrenten, FOR en pensioen in eigen beheer, pensioensparen, etc. In deze bijdrage behandelen we uitsluitend de financiële gegevens van de pensioenfondsen.

Benaderde gegevens van het totale pensioenvermogen zijn in de bijdrage Pensioenvermogen opgenomen en dit vermogen bedraagt 2017K2 € 1.649 mld. De recente Kwartaalgegevens van de vijf grote bedrijfspensioenfondsen vindt u hier.

§2 Pensioenvermogen pensioenfondsen

Tabel 1 Pensioenvermogen pensioenfondsen 2006 – 2017K2

(click op tabel om te vergroten)

(1) Voor de bronnen zie [1].

(2) Het pensioenvermogen pensioenfondsen bedraagt eind juni 2017 € 1.297 mld. Sinds 2006 is het pensioenvermogen met € 625 mld. toegenomen of 6,5 % per jaar. De staat prikt een aardig vorkje mee. (35%)

De ontwikkeling van de actuele dekkingsgraad van de pensioenfondsen valt als volgt weer te geven:

Grafiek 1 Actuele dekkingsgraad pensioenfondsen 1987 – 2017K2

(1) De dekkingsgraad is de ratio Pensioenvermogen/Pensioenverplichtingen. Het is met de huidige parameters een weinig zeggende grootheid waaraan onevenredig aandacht moet worden besteed door de uiterst stompzinnige bepalingen in het Financieel ToetsingsKader (FTK). Stompzinnig om twee redenen:

(a) de dekkingsraad is gebaseerd op een uiterst discutabele extrapolatie van de overigens volstrekt irrelevante risicovrije rekenrente;

(b) Het FTK staat, om die onzin van (a) te corrigeren, toe dat je een herstelplan schrijft waarbij je de aannames terugdraait door in dat herstelplan te mogen rekenen met gedateerde rendementsparameters over een periode van 10 jaar . Zo komt Jan Splinter door de winter en hoef je dan weer niet tot afstempeling over te gaan. Tevens wordt zo het zogenaamde gedempte premietekort aangezuiverd. In elk geval schuif je elke vorm van indexering voor je uit maar wat in het vat zit verzuurt niet.

Voor een uiterst kritische kanttekening bij de hele rekenrente systematiek zie het artikel van Van Praag en Hemmers op de Mejudice site. [2] Het geheel leidt ertoe dat niemand krijgt wat hem toekomt zolang niet wordt overgegaan tot individuele toerekening van de pensioenpot. Voor het effect van de daling van de rekenrente op de verdeling van de pensioenverplichtingen naar leeftijdscategorie zie deze bijdrage.

(2) Uit deze grafiek valt volgens sommige zelfbenoemde jongere pensioendeskundigen af te lezen dat de ouderen in het verleden veel te weinig pensioenpremie betaald zouden hebben.

 §4 Groei pensioenvermogen pensioenfondsen

Grafiek 2 Ontwikkeling pensioenvermogen en bbp 1987 – 2017K2

(1) Het bbp is m.i.v. 1995 door een stelselwijziging met ca 6,6 % verhoogd.

(2) De jaarlijkse stijging in de periode 1988 – 2017K2 van het pensioenvermogen bedraagt voor de pensioenfondsen 7,4% en is derhalve fors hoger dan de toename (groei + inflatie) van het bbp (4,1%) in diezelfde periode. Met die groei van het pensioenvermogen is dus niks mis, met ons FTK-pensioenstelsel des te meer.

In de periode 1988 – 2006 steeg het pensioenvermogen met 7,9 % per jaar (bbp: 5,2% p.j.) en in de periode 2007 – 2017K2 met 6,5 % per jaar (bbp: 2,1% p.j.).

§5 Beleggingsopbrengsten pensioenfondsen

Het verloop van de beleggingsopbrengsten 1997-2016 is als volgt:

Grafiek 4 rendement 1997-2016 pensioenfondsen

(1)  Het totale bruto rendement 1997-2016 bedraagt € 828,5 mld., hiervan is 43% direct en 57% indirect. Het pensioenvermogen nam in die periode met € 1.126 mld. toe.

De beleggingsresultaten kunnen voor de periode 2007 -2016 als volgt nader worden gespecificeerd [1]:

Tabel 5 Beleggingsopbrengsten pensioenfondsen 2007-2016

(click op tabel of CTRL+ om te vergroten)

(1) De beleggingsopbrengsten maken dus in de periode 2007-2016 cumulatief 94,1% van de toename pensioenvermogen uit en fluctueren van jaar tot jaar aanzienlijk. Dit inkomen van pensioendeelnemers (= werknemers) en de staat komt in de inkomensstatistieken niet voor.

De splitsing directe en indirecte bruto beleggingsresultaten kan grafisch als volgt worden weergegeven:

(1) Indirecte beleggingsresultaten op vastrentende waarden gaan door het ontstane agio ten laste van toekomstige renteopbrengsten en drukken dus het toekomstig resultaat door de amortisatie van het agio. Helaas wordt deze informatie nooit verstrekt door de pensioenfondsen. Ook de kwartaalberichten zijn van een bedroevende kwaliteit onder het kennelijk loensend oog van de toezichthouders.

§6 Pensioenpremies en uitkeringen

De ontwikkeling van de pensioenpremies en de uitkeringen van de pensioenfondsen valt als volgt grafisch weer te geven:

(1) De pensioenpremies zijn veelal gedempte premies, waar de herstelplannen voor opdraaien, en de uitkeringen zijn door indexatie-achterstanden veelal nog te laag.

(2) Cumulatief bedragen de pensioenpremies in de periode 1997-2016 € 454 mld. en de uitkeringen € 388 mld. Per saldo draagt dit dus € 66 mld. bij aan de toename van het pensioenvermogen.

___________________

Laatst bijgewerkt 24 september 2017

{Geen belanghebbende in pensioenproblematiek}

Bronnen:

[1] DNB statistieken pensioenfondsen, Macro-economische statistiek pensioenfondsen & Toezichtgegevens pensioenfondsen

https://www.dnb.nl/statistiek/statistieken-dnb/financiele-instellingen/pensioenfondsen/index.jsp

[2] Praag, B.M.S. van, en H. Hemmers, 2016, Is de rentetermijnstructuur wel een goede basis voor onze pensioenberekeningen?, working paper, Amsterdam.

http://www.mejudice.nl/docs/default-source/bronmaterialen/rapport-rentetermijnstuctuur.pdf

zie ook, maar nu met Han de Jong:

Bernard van Praag en Han de Jong., “DNB rekent zich arm met onze pensioenen”

https://www.nrc.nl/nieuws/2017/09/13/dnb-rekent-zich-arm-met-onze-pensioenen-12986361-a1573354