Spring naar inhoud

De vermogensbelasting op het pensioenvermogen

17 april 2020

_____________________________________________________________________________________________________________________________________

Zoals beloofd in de bijdrage 1.2 Belastingdruk pensioenvermogen zouden we nader terugkomen op de vraag wat de effecten zijn van de vrijstelling vermogensrendementsheffing op het pensioenvermogen. We gaven daar reeds aan dat we sterk betwijfelden of dat effect op de belastingheffing er materieel wel was gezien de enorme rendementen die behaald worden op het pensioenvermogen en het feit dat de pensioenuitkering inclusief rendement  gemiddeld tegen 35% wordt belast.

In deze bijdrage behandelen we die effecten aan de hand van een casus met een modaal inkomen.

_____________________________________________________________________________________________________________________________________

§1Inleiding

Onder het fiscale Witteveen stelsel wordt geen vermogensrendementsheffing (VRH) geheven over het pensioenvermogen. Het Ministerie van Financiën geeft jaarlijkse een (misleidende) cijferopstelling waarbij de “Pensioen vrijstelling box 3” wordt weergegeven. [1; zie ook]. Van het pensioenvermogen is 35% materieel van de Staat der Nederlanden omdat de staat een belastingclaim heeft op dat pensioenvermogen. Het ligt niet in de rede dat de staat daarover ook nog eens VRH vangt. De derving VRH moet derhalve over het netto pensioenvermogen worden berekend. Daarnaast ligt het in de rede van de normale burger dat dan de vrijstelling VRH ook zal worden verhoogd. Over de rede van de staat maak ik mij inmiddels geen illusies meer. Gaan we uit van een VRH van 1,2% dan kunnen we het effect van de vrijstelling als volgt grafisch weergeven:

Aangezien dat pensioenvermogen jaarlijks fors stijgt, wordt dat effect steeds groter.

Er is echter een sterk mitigerende factor en dat is dat al het behaalde rendement, voor zover dat met ons belachelijke FTK tenminste tot uitkering komt, wordt belast in box 1. Een feit dat een aantal economen en fiscalisten nog wel eens over het hoofd placht te zien. [2]

In deze bijdrage zullen we aan de hand van een casus de opbouw van het pensioenvermogen en de afwikkeling door de pensioenuitkeringen nagaan. Onze casus wijkt nogal af van het huidige pensioenstelsel: de deelnemer krijgt precies uitgekeerd waarvoor hij betaald heeft dus geen gesjoemel met een Financieel ToetsingsKader en geen verschuivingen tussen generaties.

§2 De casus

De deelnemer start op 30-jarige leeftijd per 1/1/2020 in een pensioenfonds. Zijn inkomen is dan een modaal inkomen van € 36.500 per jaar. Jaarlijks stijgt zijn inkomen met 2,5 % p.j. tot en met zijn 55e jaar, daarna stijgt het inkomen met 2 % p.j. Hij gaat op zijn 68e jaar met pensioen. De AOW-franchise bedraagt voor 2020 € 14.617 en die stijgt met 2,3% per jaar. De pensioenpremie is 24,9% per jaar.  Het rendement is over de hele pensioenduur 4% per jaar.  De uitkering vindt over 20 levensjaren plaats waarbij elk jaar opnieuw wordt bepaald wat de uitkering is op basis van het beschikbaar vermogen voor de resterende duur. Na het 20e jaar is de pot leeg. Het belastingtarief, inclusief Zvw-premie, over de uitkering is 24,9%.

We vergelijken een werknemer met een pensioenregeling met een werknemer zonder pensioenregeling. De laatst spaart het geld dat hij zo meer ontvangt (incl. werkgeversdeel) na aftrek van belastingen in box 1. Op het spaargeld wordt in de vorm van beleggingen ook gemiddeld 4% rendement gemaakt. Over het spaargeld betaalt hij vermogensrendementsheffing gedurende de opbouw en gedurende de uitkering. De afbouw van het spaargeld vindt cf. de pensioenregeling plaats.

We kunnen nu de uitkomst vergelijken en hoeven inmiddels geen rekening te houden met de rentevoet aangezien die nihil is.

§3 Uitwerking

De uitkomsten van de casus kan als volgt worden samengevat:

♦ De bruto pensioenuitkering bedraagt in 2058 bijna 88% van het gemiddeld loon en 60% van het eindloon met 38 dienstjaren voor de casus. Het rendement maakt in de casus 66,5% van de uitkering uit.

♦ Ik ben niet onder de indruk van de belastingderving in box 3. De fiscus ontvangt over het rendement van totaal € 687.608 een bedrag van € 171.214 aan belastingen in box 1 (24,9 %), als we aannemen dat de belastingschijven geïndexeerd blijven en de pensioenuitkering dus vanaf 2058 in de 1e schijf wordt belast. In totaal ontlopen de belastingopbrengsten elkaar dus nauwelijks in deze casus.

♦ De niet-pensioendeelnemer betaalt 51,1% over het additionele marginale inkomen gedurende zijn werkzaam leven dankzij de afbouw AHK en arbeidskorting inclusief Zvw-premie.[3]

♦ Een belastingtarief van 24,9% op het rendement begrepen in de pensioenuitkering is natuurlijk niet representatief. In 2013 werd 41% van de pensioenpremie afgetrokken tegen een belastingtarief van 52%. In de periode 2001-2014 nam de top 30% inkomens zo’n 74% van de pensioenpremie voor zijn rekening.  Omdat in 2015 het maximum pensioengevend loon  werd gemaximeerd op € 100.000 (2020: € 110.111) zijn deze cijfers  wat achterhaald maar het gemiddeld belastingtarief op het rendement pensioenvermogen in box 1 ligt dus aanzienlijk hoger.

♦ De fiscalisering van de AOW (commissie Don, Van Dijkhuizen c..s, etc.) blijft natuurlijk op de loer liggen. In dat geval wordt de belasting op de uitkering en dus op het rendement ultimo 17,9% hoger. Aangezien The Very Hungry Caterpillar nooit genoeg heeft zal die extra belasting wel niet in de vorm van een belastingverlaging door de MvF worden teruggegeven.

♦ De pensioendeelnemer is door de omkeerregeling beter af omdat de belasting die wordt uitgesteld aardig rendeert in de pensioenpot, terwijl de niet pensioendeelnemer ook nog eens € 76.547 aan VRH kwijt is. Over het rendement van de fiscus zijn deel van het pensioenvermogen zwijgen we dan nog maar even. Het belastingtarief voor de niet-pensioendeelnemer over het rendement is uiteraard 30,0 %, zodat het gemiddelde belastingtarief voor hem op 42,2% uitkomt.

♦ Als we in Nederland de belastingdruk in percentage bbp (CEP 2020: 39%) bepalen, zullen we eindelijk ook eens het belastinguitstel op de pensioenpremie moeten meenemen.

Verder commentaar lijkt mij overbodig.

_____________________

Laatst bijgewerkt 18 april 2020

[1] MN 2020, Tabel 9.3.1 Fiscale regelingen 2015-2020, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/begrotingen/2019/09/17/bijlagen-miljoenennota-2020 , blz. 101

[2] Enkele voorbeelden:

[2a] Commissie van Weeghel.

https://dare.uva.nl/search?identifier=7d16b63e-1198-4bec-baa5-c6a439d2e127

“Ten slotte wordt aangroei van vermogen dat is ondergebracht in een pensioenfonds niet belast, terwijl dit bij een privé-besparing wel zo zou zijn. Voor 2010 ontstaat hierdoor een belastingderving van € 11,6 mld. als wordt uitgegaan van het belasten van de aangroei van het pensioenvermogen in box 3.” [blz. 34]

In werkelijkheid was het aandeel deelnemers in 2010 € 632 mld.en de VRH dus € 7,6 mld. Het pensioenvermogen was toen € 973 mld.

De commissie houdt dus ook geen rekening met de belasting in box 1 van het rendement begrepen in de pensioenuitkering en miskent vermoedelijk ook het aandeel van de staat in het pensioenvermogen.

[2b] https://esb.nu/events/overig/20031595/bijlage-bij-jacobs-2017-fundamentele-herziening-van-belastingen-op-kapitaalinkomen-esb-102-4753-416-419

“Daarnaast derft de overheid 16,7 miljard euro aan belastingopbrengst in box 3 omdat de vermogensgroei in pensioenfondsen niet is belast. Die is gelijkgesteld aan gemiddeld 1,2 procent vermogensbelasting over 1.390 miljard euro aan pensioenvermogen in 2017 (DNB, 2017).”

In werkelijkheid was het pensioenvermogen eind 2017 € 1.561 mld. en het aandeel van de deelnemers € 1.015 mld.

[3] https://www.vismaraet.nl/bruto-netto-salaris-berekenen/

Het marginale tarief voor de pensioenpemie is 51,1%, dankzij de afbouw arbeidskorting en AHK.

From → 1. Actueel

6 reacties
  1. wattt permalink

    Hieruit blijkt dat pensioen opbouwen met een pensioenregeling erg gunstig is t.o.v. de niet-pensioen deelnemer. Waarom de omkeerregel dan opdoeken?

    • U redeneert alleen vanuit de pensioendeelnemer, die nog vele jaren te gaan heeft. Door de indextie-achterstanden zijn de huidge pensioenen immers al zo’n 15% te laag. Dan had ik als niet pensioendeelnemer ook even moeten voorrekenen wat ik mijn hele werkzaam leven aan extra betaalde belasting gesubsidieerd heb.(tonnen) Dat voordeel van de omkeerregel was veel hoger voor die 30% topinkomens die 73% van de pensioenpremie betaalden. Een zelfde redenering zou ik ook kunnen maken voor het HRA-infuus en het box 2 belastingregime (Zuidas) en zo kan ik nog wel wat belastingdouceurtjes voor de Upper Middle Class opnoemen. Tot die zelfde klasse behoor ik overigens zelf ook, dus het is geen kleinzielige jaloezie.

      Dat de overheid een onaanvaardbaar risico loopt door zoveel geld in één mandje te leggen en daarover geen enkele zeggenschap heeft, mag ook niet onvermeld blijven.

  2. Vraagje permalink

    Zal graag een aanvulling zien met een niet pensioendeelnemer die het bedrag belegt ipv spaart met een gemiddeld rendement van 8%.

    • Als u overtuigend aannemelijk kunt maken dat de belegger gemiddeld 8% rendement gaat maken in de periode 2020-2077 dan ben ik daartoe wel bereid, maar dan moet u dat minister Koolmees en DNB eerst aan hun verstand peuteren. Zelfs de professionele beleggers bij het ABP kwamen 2003-2019 niet hoger dan 6,8%. Mocht dat het geval zijn dan zal onze minister van Financiën overigens plotskaps wel in staat blijken om het werkelijke rendement op het vermogen te belasten en dan wordt dat sommetje echter alsnog zinloos.

      N.B. Voor de duidelijkheid heb ik inmiddels toegevoegd dat de spaarder ook gedurende de hele periode 4% rendement maakt om e.e.a. vergelijkbaar te houden. Dat was kennelijk niet voldoende duidelijk.

      • Reactir permalink

        Dank,

        Dat dat sommetje zinloos wordt, begrijp ik.
        Een sommetje met 6,8 zijn wellicht passend zijn. Wellicht ook 4 procent vergelijkbaar met de pensioenbelegger. In deze opzet volledig uitgaan van spaargeld voor de niet pensioen deelnemer is toch een beetje appels en peren. Of heb ik dat mis?

      • De vergelijking is juist goed omdat in beide gevallen uitgegaan wordt van 4%. Had ik het percentage 6,8% gebruikt voor beleggingen dan had ik dat ook moeten doen voor pensioenen. In dat geval zou de pensioenuitkering nog flink omhoog gaan en de pensioendeelnemer zou zich gaan afvragen wie hem al die jaren een oor aangenaaid heeft. Dat antwoord zou dan luiden de politiek met het Financieel Toetsingskader en de rekenrente.
        De bedoeling van de bijdrage om aan de hand van een aanschouwelijke casus aan te tonen dat al die fiscalisten en economen die stellen dat er een vrijstelling vermogensrendementsheffing is vergeten dat het rendement bij uitkering wordt belast. Ook het Ministerie van Financiën geeft een misleidende voorstelling van zaken in de Miljoennota.
        Zoals in de bijdrage opdoeken die omkeeregel pensioenen! wordt betoogd kan die regeling eenvoudig worden opgedoekt, de staatsschuld worden afgelost en van wat er overblijft € 240 mld. kan dan mooi de Coronacrisis uitgaven worden opgevangen. Wedden dat de media weer meegaan in de framing over onze overheidsschuld, 73% bbp in Corona-scenario IV van het CPB?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.

%d bloggers liken dit: