Spring naar inhoud

Opa pakt zijn telraam er weer eens bij

27 januari 2019

_____________________________________________________________________________________________________________________________

Het interessante artikel van Peter Vlaar op MeJudice was voor opa reden zijn telraam er ook weer eens bij te halen, hoewel zijn financiële rekenkunde inmiddels wat roestig is geworden.[1] Hij is daarbij niet geïnteresseerd in de ontwikkeling van zijn pensioen in de opbouwfase en ook niet in die oeverloze intergenerationale verdelingsdiscussie en doorsneepremie problematiek, waarvan de afschaffing hoe je ook Chinees rekent, een specialiteit van het CPB, € 60 – 100 miljard kost. Hij wil alleen even narekenen hoe de door Vlaar gegeven rekenregels doorwerken op zijn pensioensituatie. Dat is nuttig omdat de voorzitter van zijn pensioenbestuur het ook al niet meer aan zijn deelnemers kon uitleggen. Transparantie is overigens nooit een sterk punt geweest bij zijn pensioenfonds.

In zijn eigen berekening herkent opa niets terug van de door Koolmees’ gesignaleerde kloof tussen “zijn verwachting en de werkelijke pensioenresultaten”, of het moet het onbegrijpelijke eindresultaat zijn. [5] De beleggingsresultaten zijn immers sinds 2003 uitstekend te noemen en die (verwachte) resultaten horen zijn pensioenresultaat te bepalen en niet de cijferkabbalistiek van het financieel toetsingskader zoals die door de politiek wordt opgelegd. Het is dus de politiek en de politiek alleen die verantwoordelijk is voor opa’s verwachtingskloof. Opa is daarbij niet geïnteresseerd in macroberekeningen [5] maar alleen in de microberekeningen van zijn bloed eigen pensioenfonds, dat het tot op heden helaas sterk heeft laten afweten.

_____________________________________________________________________________________________________________________________

De relevante regels voor de berekening zijn als volgt samen te vatten [1]:

♦ Startdekkingsgraad 100%

♦ Pensioen wordt genoten van 67 tot en met 85. We gaan uit van 1 januari van enig jaar.

♦ Risicovrije rente 1,5% constant.

♦ Nominaal fondsrendement 4%

♦ Rekenregel indexatie 1/10 (die breuken heeft opa gelukkig nog op de basisschool geleerd) van de dekkingsgraad boven 100%. Over na-indexatie is niets gegeven.

♦ De inflatie is 1,5% en de contractloonstijging is 2% , maar de laatste grootheid is voor opa niet relevant, want de welvaartsvastheid van het pensioen is jaren geleden geruisloos opgedoekt.

Het sommetje is zo gekozen dat de inflatie 1,5% + de contractloonstijging kleiner is dan het rendement van 4%.

Opa maakt de volgende sommetjes om een goed gevoel te krijgen van de uitwerking van bovenstaande regels:

(1) De startpositie is een prenumerando annuïteit met een vermogen van € 133. 380. Bij een rekenrente van 1,5% krijg je dan een jaarlijks pensioen van € 8.000 per 1 januari voor 19 jaar.  We gaan er dan even aan voorbij dat de premiestelling van 2,5% uitging (€ 8.687 pensioen). Als het rendement al die tijd 4% blijft, is een pensioen van € 9.765 (groene kolommen) mogelijk, er blijft dan niets over voor de andere generaties. Toen opa met pensioen ging was dat echter ook al zo (dekkingsgraad 100%) maar inmiddels laat opa ook al geen overheidsschuld meer na.

(2) Door het fors oplopen van de actuele dekkingsgraad moet het fonds in het rekenvoorbeeld tot indexatie overgaan. Elke gelijkenis met de bestaande situatie berust kennelijk op zuiver toeval, hoewel opa’s pensioenfonds de laatste 10 jaar toch meetkundig gemiddeld 7,2% rendement maakte. Maar ja, zoals al gezegd, de voorzitter van zijn pensioenfonds kon het ook al niet uitleggen, en die wordt er nog wel voor betaald.

Houden we rekening met de indexeringsregel dan wordt het plaatje als volgt:

(a) Opa heeft alleen recht op indexatie op basis van inflatie en loopt derhalve een substantieel deel van het overrendement mis, In de pot blijft € 30.929 over voor de intergenerationele verdeling. We zien hier dus de zogenaamde buffer opduiken die in ALM-berekeningen van het CPB zo’n belangrijke rol speelt.[4] Het probleem is echter dat die buffer alleen bij dat soort berkeningen opduikt en in de praktijk kennelijk vele jaren achterwege blijft ondanks het forse verschil tussen rekenrente en rendementen.

Hij begint zich af te vragen waarom hij nooit een stuiver extra heeft ontvangen, terwijl zijn rendementen blijkens de publicatie van het pensioenfonds toch fors hoger lagen. Op basis van zijn pensioengegevens zal hij dan zelf maar even een doorrekening van de ontwikkeling van zijn pensioen maken, hoewel hij natuurlijk graag had gezien dat zijn pensioenfonds een dergelijke opstelling verstrekte. Opa kan alleen een berekening maken van zijn eigen pensioeneffecten, wat er verder in het pensioenfonds gebeurt (gedempte premies e.d.) valt buiten zijn gezichtsveld.

Opa besluit dan ook even naar het verleden vanaf 2011 te kijken, duikt in zijn archief en haalt met veel moeite zijn cijfers boven tafel. Zijn pensioendatum was 1/1/2011 en zijn pensioenuitkering werd toen € 9.400. Gegeven een rekenrente op dat ogenblik van 3,5% bedroeg zijn pensioenverplichting dus € 133.380. Omdat de dekkingsgraad toen 105,8% bedroeg, was zijn pensioenvermogen € 140.716.  Op basis van de behaalde rendementen, aanpassing van de rekenrente en de om onduidelijke redenen niet geïndexeerde uitkeringen rolt de volgende opstelling uit zijn telraam:

(click op tabel of Ctrl+ om te vergroten)

We vatten eerst deze berekening even samen om de onderlinge samenhang te laten zien:

(a) Bij elke verandering van de rekenrente muteert de resterende pensioenverplichting en die mutatiebedragen gaan ten laste van het rendement. In totaal was dat effect dus € 20.124 of 29 % van het rendement.

(b) De jaarlijkse dotatie van de benodigde rekenrente bedroeg in totaal € 18.242, dat bedrag was nodig om de de jaarlijkse niet geïndexeerde uitkering van € 9.400 te kunnen doen of 26% van het rendement.

(c) Er resteert dus een bedrag aan rendement van € 30.793 (45 % van het rendement) dat alsnog zou kunnen worden aangewend om de pensioenuitkering te verhogen. Om onduidelijke redenen is dat geld echter kennelijk niet meer aanwezig. (dekkingsgraad 31/12/2018: 97%) Ook het surplus 1/1/2011 van € 7.336 (dekkingsgraad 105,8%) is helaas niet tot uitkering gekomen. De kosten voor pensioenbeheer kunnen, gezien de omvang, niet het verschil uitmaken.

In de periode 2003 t/m 2018 maakt opa’s pensioenfondse een gemiddeld meetkundig rendement van 6,7%. Op zich zegt dat rendementscijfer genoeg, maar het zegt misschien nog meer als je in aanmerking neemt dat als opa de komende 19 jaar geen enkel rendement meer maakt, het gemiddeld rendement 2003-2037 nog steeds gemiddeld 3% bedraagt. (voor grafiek zie hier)

(d) Met een pensioenvermogen van € 134.677 zou opa de volgende pensioenuitkeringen kunnen realiseren:

(i) Zelfs met een rekenrente van 1,4% is de pensioenuitkering € 13.112 fors hoger dan de € 9.400 die opa nu krijgt. Inmiddels zal opa vermoedelijk overigens wat langer leven dan die 19 jaren die hem 1/1/2011 gegund werden.

(ii) Nu is de rekenrente van 1,4% eind 2018 een gemiddelde rente. Tegen de UFR (31-12-2018) is de pensioenverplichting van € 9.400 per jaar eind 2018 voor 11 termijnen € 103.069, dus € 6.521 hoger dan de eerder berekende € 96.548. Er wordt dus gerekend met een interestpercentage van slechts 0,32% per jaar, met een inflatie voor 2019 van 2,4% heeft Take the money and run niets van zijn actualiteit verloren en is eigenlijk de enige remedie. Je kunt natuurlijk ook gewoon rekenen met de kapitaalmarkrente voor een tienjarige staatslening zonder die DNB UFR-kabbalistiek en komt dan op 0,385% eind 2018, een percentage dat gezien de behaalde rendementen overigens ook nergens op slaat.

(iii) Het rendementseffect is in opa’s geval veel groter dan het rekenrente-effect.

(iv)  Opa heeft niet de tijd om te wachten tot de politiek met een oplossing komt en heeft de komende jaren niets op het gebied van indexatie te verwachten: “van het verhogen van de pensioenen is het fonds nog ver verwijderd”. Die politiek heeft het overigens alleen maar over de jongeren die niet benadeeld mogen worden.

(v) In berekeningen die gebruik maken van een ALM-methode wordt door het CPB gewag gemaakt van  vereiste buffers van pensioenfondsen die zorgen “voor een impliciete overdracht van vermogen aan toekomstige generaties”. [4] Volgens opa zit die impliciete overdracht van vermogen aan toekomstige generaties eerder in de door het FTK opgelegde rekenrente in zijn pensioenfonds. In totaal hebben immers 7,6 mln. (gewezen) deelnemers en gepensioneerden in de vier grote bedrijfspensioenfondsen eerder te maken met een dekkingsraad van 97,5% eind 2018 en is die ALM-buffer van het CPB in geen velden of wegen te bekennen en moet eerder aan afstempeling worden gedacht.

(vi) Bovenstaande berekening is overigens niets nieuws en de conclusie valt ook zonder sommetjes te trekken.[2]

(vii) Opa is ook het verloop van de inflatie in de afgelopen jaren nog eens nagegaan. Deze laat zich als volgt grafisch in kaart brengen [6] :

(a) De verhoging van de BTW per 1/1/ 2013 van 19% naar 21% was een tijdelijke maatregel. Zoals wel vaker in dit soort situaties verwisselt de overheid het tijdelijke moeiteloos met het eeuwige.

(b) De verhoging van de lage BTW per 1/1/2019 van 6% naar 9% was om de belasting op inkomen op inkomen te verlagen, onder meer door de invoering van een tweeschijvenstelsel. Deze lastenverlichting moest de verminderde koopkracht door de btw-verhoging compenseren.

De overheid heeft dus een belangrijk deel (30,6%) in de prijsverhoging sinds 1/1/2013.

(viii) Aan politieke economen die de pensioensituatie niet kunnen uitleggen heb je niet zo veel, aan andere economen overigens ook niet. [3]

______________________

Laatst bijgewerkt 4 februari 2019

(Geen belanghebbende in de pensioendiscusssie)

[1] Peter Vlaar, “Toch nog maar een keertje de rekenrente”, Me Judice, 25 januari 2019.

http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/toch-nog-maar-een-keertje-de-rekenrente

[2] Coen Teulings, “Het gelijk van Henk Krol”

https://www.nrc.nl/nieuws/2017/04/26/het-gelijk-van-henk-krol-8413405-a1555986

[3] Menno Tamminga, “Ja, in dromenland redt Koolmees pensioenen”

https://www.nrc.nl/nieuws/2019/01/28/ja-in-dromenland-redt-koolmees-pensioenen-a3652000

Sinds kort stelt de NRC de lezers selectief en kennelijk gecensureerd, in staat om te reageren op een artikel in hun krant.  Ik citeer even uit mijn hoofd, want de tekst heb ik niet meer:

In een reactie van een lezer stond:

“De teleurstellende rendementen van de pensioenfondsen”

Mijn antwoord was ongeveer zo:

“Over de afgelopen 20 jaar behaalden we een gemiddeld rendement van ongeveer 7% op jaarbasis.”

Dat rendement is ook representatief voor de andere vier grote bedrijfspensioenfondsen. In de periode 2003-2018 was dat gemiddeld meetkundig rendement ABP: 6,7%; PFZW: 7,5%; PMT: 7,2%; PME: 6,9% en BpfBOUW 6,9%. Dat rendement is inclusief het jaar 2008 toen het rendement was ABP: -20,2%; PFZW: -20,5%; PMT: -20,7%; PME: -17,8% en BpfBOUW -13,7%. De laatste fondsen dekken wat meer renterisico in.

Het probleem is eerder de rekenrente die wordt vastgesteld door economen die de 2008 bankencrisis niet zagen aankomen. Diezelfde economen zijn meestal overigens nog steeds loonslaaf.“

Aanvankelijk werd de beantwoording van de reactie geplaatst, maar werd later, met de oorspronkelijke reactie, verwijderd. De heer Tamminga kan zich niet door de laatste zin aangesproken voelen. Hij gaat immers nergens over en zijn column meestal ook niet. Zie bv. Tamminga kletst weer eens uit zijn nek.

Bij deze column was het weer raak:

“Die steun komt er niet met een actiedag. Dat is dromenland. De werkgevers en de werknemers in de metaal zullen zelf eerst een reddingsactie voor hun pensioenfonds moeten houden. Het is hún fonds. Werkgevers en vakbonden zijn graag baas in eigen (pensioen)huis. Grijp uw kans.

Er moet geld bij. Werkgevers? Heeft u de uitzending van Buitenhof gezien waarin DSM-topman Feike Sijbesma u herinnerde aan de zorg van de sociaal-kapitalisten van vroeger, zoals Stork en Philips, voor hun personeel? Doe uw plicht en stort gul een extra bijdrage in het pensioenfonds.

En werknemers? Werk bijvoorbeeld een of meer dagen ‘gratis’ voor de klant en laat het bedrijf dat geld in het fonds storten. Daarna praten we verder over politieke interventies.”

♦ De afgelopen tien jaar was er, zoals het CPB pas onlangs uitvond door de lage arbeidsproductiviteitsstijging geen ruimte voor loonsverhogingen.

♦ De pensioenpremie wordt door de werkgever blijkens diezelfde CPB-economen in een recente studie niet afgewenteld op de werknemer zijn loonruimte, terwijl een ieder die de loononderhandelingen wel eens van nabij heeft meegemaakt anders heeft ervaren.  De werkgever heeft er dus geen belang die premie nog verder te verhogen.  Het FTK, van de politiek,  maakt die loonsverhoging dan toch maar weg.

Gegeven deze situatie was er helemaal geen ruimte om de pensioenpremie te verhogen en bij een juiste rekenrente is er momenteel ook geen sprake van premiedemping.

Maar we hebben dan ook te maken met de hofnar-econoom bij de NRC.

[4] De rekenexercitie van het CPB om het tekort door de op handen zijnde afschaffing van de doorsneepremie die initieel leidde tot een tekort van initieel € 100 mld. alsnog klein te rekenen.

Derde poging zie ook 15 juli 2016 en 21 juni 2017:

CPB, “Effecten van afschaffing van de doorsneesystematiek en de gelijktijdige overgang naar een nieuw pensioencontract”, 29 november 2018,

https://www.netspar.nl/assets/uploads/MA_Hans_Staring_2010.pdf

[5]W. Koolmees, “Kabinetsbrief vernieuwing pensioenstelsel”

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2019/02/01/kamerbrief-vernieuwing-pensioenstelsel/kamerbrief-vernieuwing-pensioenstelsel.pdf

[6] https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/70936NED/table?ts=1550394107764

Advertenties

From → 0. Permanent

2 reacties
  1. Dhr JC Kortekaas permalink

    De eerste 15 jaar is de rekenrente van 1,4% een illusie.
    De Nationale Brandweer rekent anders.

    https://statistiek.dnb.nl/downloads/index.aspx#/details/nominale-rentetermijnstructuur-pensioenfondsen-zero-coupon/dataset/ed15534f-eab3-4862-a68e-f33effa78d6a/resource/60304cad-97ba-4974-a0ed-05597c91e37c

    t=1 disconteringsrente -0,2%
    t=15 disconteringsrente 1,2%

    t=100 disconteringsrente 2%

    En het allerergste is dat Klaas Knot ook bij een echt stelsel met individuele pensioenpotten, zoals beroepspensioenfondsen nu al hebben, ook deze rekenregels nu en in de toekomst zal hanteren.

    Of de overheid is dom
    Of de overheid wil de 2e pijler bewust om zeep helpen.
    Omslagstelsel uitbreiden met de jaarlijks vrijvallende 35 miljard.

    • Tekst aangevuld met de volgende passage:

      Nu is de rekenrente van 1,4% eind 2018 een gemiddelde rente. Tegen de UFR (31-12-2018) is de pensioenverplichting van € 9.400 per jaar eind 2018 voor 11 termijnen € 103.069, dus € 6.521 hoger dan de eerder berekende € 96.548. Er wordt dus gerekend met een interest van slechts 0,32% per jaar, met een inflatie voor 2019 van 2,4% heeft Take the money and run niets van zijn actualiteit verloren en is eigenlijk de enige remedie.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

%d bloggers liken dit: