Spring naar inhoud

Inkomen uit vermogen 2011-2014

2 oktober 2018

________________________________________________________________

Het inkomen uit vermogen 2014 bedroeg aanvankelijk € -4,4 mld. op een vermogen van € 1.041,6 mld., zoals in de bijdrage Inkomen uit vermogen uitgebreid is behandeld. Nog dat zelfde jaar (06/2017) werd dat inkomen uit vermogen fors bijgesteld door het CBS in de publicatie revisie inkomensstatistiek 2011-2014 [1c] en kwam daarmee op € 21,2 mld, uit. Aangezien dat revisie inkomen een rendement van 2,1 % op het gemiddelde vermogen gaf, kon zelfs een blind paard aanvoelen dat dit cijfer nog veel te laag uitviel. Reden om er cijfermatig eens in te duiken en proberen te achterhalen wat dat inkomen op een vermogen van € 2.288 mld. inclusief een netto (65%) pensioenvermogen van € 885 mld. in 2014 werkelijk bij benadering is.

De uitkomst kunnen we alvast op basis van onderstaande samenvatting verklappen:

De oorspronkelijk cijfers van het CBS zijn hiermee volstrekt onherkenbaar geworden. De aanpassingen en het rendement op het pensioenvermogen worden in deze bijdrage nader toegelicht. Het rendement op pensioenvemogen is na aftrek van het aandeel (35%) van de staat. Gegeven de aard van de aanpassingen en het feit dat in de periode 2001-2014 73,2% van de pensioenpremie voor rekening kwam van de top 30% inkomens zal de correctie voor een belangrijk deel bij de hogere inkomens neerdalen en derhalve ook de inkomensverdeling beïnvloeden. In §9 en tabel 1 is het uiterst geringe belastingeffect van de aanpassingen uiteengezet.

Het pensioenvermogen is als voorzieningsindicator aangemerkt als vermogen, zoals in een publicatie van het CPB van 11 september 2018 ook werd aanbevolen. [3] Dit wijkt dus af van het recente standpunt van staatssecretaris Snel, die met het CBS en veel politieke partijen, volhardt in de stelling dat pensioen-“vermogen” geen vermogen is.[2] Als minister Koolmees zijn persoonlijke pensioenpotjes hobby nog eens waar maakt, komt ook staatssecretaris Snel daar, net als in het buitenland, natuurlijk niet langer onderuit en moet minister Hoekstra zijn belastingclaim ook eindelijk in zijn cijfers gaan opnemen. De jankverhalen over onze staatschuld zijn dan ook verleden tijd.

Bij de beoordeling van het inkomen uit vermogen moet ook de inflatie in aanmerking worden genomen.  In de bijdrage Belasting box 3 2014 laten we de invloed van de inflatie op de rendementscijfers zien.

________________________________________________________________

§1 Inleiding

In de bijdrage inkomen uit vermogen (2014 toen: € -4,4 mld. op € 1.041,6 mld. vermogen) maakten we al eens gehakt van de CBS statistieken inzake inkomen uit vermogen en daarmee van het besteedbaar inkomen in die statistieken. De makken in die statistieken waren van een zodanige omvang dat nauwelijks conclusies vielen te trekken over de ontwikkeling van de inkomens en vermogens van de huishoudens. Helaas moeten we ons nog steeds behelpen met zeer gedateerde cijfers: het CBS haalt immers zijn cijfers bij een disfunctionele belastingdienst en komt oktober 2018 nog niet verder dan het jaar 2014.

Aanvankelijk publiceerde het CBS een inkomen uit vermogen van – €4,4 mld. om dat zelfde jaar te moeten constateren dat € 21,2 mld. een beter ballpark figure was. [06/2017 1c]. Die aanpassingen zijn in §2 uiteengezet.

Als wij een schatting van het werkelijk inkomen uit vermogen over het buitengewoon goede jaar 2014 zouden willen maken komen wij op een bedrag van zo’n € 164,8 mld., dat als volgt kan worden gespecificeerd:

Tabel 1 Grove schatting werkelijk inkomen uit vermogen 2011-2014

(1) De paragrafen verwijzen naar de behandeling van de afzonderlijke posten. De oude statistiek is behandeld in de bijdrage Besteedbaar inkomen 2014.

(2) Het belastingeffect van de aanpassingen is uiterst gering dankzij ons genereuze belastingstelsel. Een bijkomend voordeel is dat dit stelsel door de CBS-statistieken aan het oog wordt onttrokken. Blijft de vraag natuurlijk hoe deze posten in het koopkrachtplaatje en de inkomensverdeling meelopen.

(3) Een deel van het inkomen uit vermogen is alleen besteedbaar als de waardestijgingen eenvoudig liquide gemaakt kunnen worden. Veelal is dat een fiscale smoes om het inkomen buiten de belastingheffing te houden. Voor de eigen woning en het tweede huis is dat zonder meer het geval omdat het bestedingen (huur), die anders, gegeven het bestedingspatroon, ook gemaakt zouden worden vervangt. Beleggingen kunnen veelal eenvoudig te gelde worden gemaakt.

§2 CBS herziening inkomen uit vermogen

Met zijn revisie heeft het CBS een aantal substantiële aanpassingen gemaakt waarvan de nieuwe gegevens i.t.t. de oude cijfers helaas niet per deciel worden weergegeven zodat het effect op de inkomensverdeling ondoorzichtig blijft. Deze aanpassingen laten zich als volgt samenvatten:

Tabel 1 Overzicht effecten CBS-herziening inkomen uit vermogen

(1) Het inkomen uit vermogen exclusief ondernemingsvermogen komt dus volgens het CBS voor 2014 op ca € 21,2 mld. i.p.v. het oude cijfer van € -4,4 mld..

(2) De meeste CBS-herzieningsposten hebben met name invloed op het inkomen uit vermogen van de hoogste vermogensdecielen.  Helaas verstrekt het CBS/CPB deze gegevens niet en constateert alleen loepzuiver dat de Gini-coëfficiënt 0,012 punt hoger, dus op een ongelijkere inkomensverdeling uitkomt. [1c; 3]

(3) Het rendement van € 8,6 mld. op € 492,5 mld. gemiddeld vermogen geeft dus een rendement van 1,8%, met een inflatie van 1% is de vermogensrendementsheffing dus je reinste diefstal voor deze vermogenscomponenten die, niet geheel toevallig, een substantieel deel van het vermogen van de kleinere vermogens uitmaken.

§3 Eigen woning

Het eigen huis is een consumptiegoed. Dit betekent dat het primair inkomen en het besteedbaar inkomen dusdanig moet worden weergegeven dat die inkomens vergelijkbaar zijn met de huurder. Fiscale faciliteiten van de eigen woning bezitter en de huurder moeten dan wel voor de vergelijking worden geëlimineerd. Uit het besteedbaar inkomen worden dan immers de huur, hypotheekrente en onderhoud betaald en zo hoort het ook. Het woongenot komt dan in de bestedingscijfers tot uitdrukking.

De cijfers laten zich als volgt samenvatten (CBS statline + 1b):

Tabel 2 Eigen woning

(1) De koopprijs is niet de kostprijs voor de eigenwoning bezitter. Met het HRA-infuus wordt 25 % van de koopprijs door de staat betaald in de vorm van de contante waarde van het saldo van HRA, EWF, en Wet Hillen. De huurder mag de rente begrepen in de huur niet in box 1 aftrekken. De eigen woning bezitter mag dan een flinke hypotheekschuld hebben, de 30-jarige huurschuld van de huurder  mag er ook zijn.

(2) Voor 2014 is de bijtelling eigen woning dus door het CBS met € 16,6 mld. verhoogd, maar het inkomen uit vermogen eigen woning (waarde € 1.063,2 mld.) is onder de herziene systematiek nog steeds € 1,5 mld. negatief. Dat mag opmerkelijk heten aangezien de ratio hypotheek/WOZ-waarde toch 64% bedraagt. De CBS-systematiek staat beschreven in noot[2].

(3) De methodiek waarmee het CBS het inkomen uit eigen woning vermogen bepaalt is dusdanig gekozen dat dit, ook na revisie tot een bijtelling leidt die de dik onder hypotheekrentelast ligt. De huurders werden altijd met het heilige getal 4,5% (bruto 5.7% met correctie prijsopdrijving HRA) van de WOZ-waarde of € 47,8 mld. lastig gevallen, anders wonen zij scheef. Scheef wonen is dan ook kennelijk voorbehouden aan een selecte groep, die uitbundig kan profiteren van het HRA-infuus en de Wet Hillen.

Gaan we er vanuit dat het inkomen uit vermogen eigen woning minimaal gelijk is aan 4%, de rente is inmiddels immers gedaald, al hebben de huurders daar niets van gemerkt, dan zou de bijtelling voor 2014 € 41,9 mld. bedragen. Dit getal hanteren we in §9,

(3) Uit de verdeling van het eigen woning vermogen per vermogensdeciel is duidelijk dat de verhoogde bijtelling met name de vermogensbezitters en daarmee hogere inkomens treft.

§4 Aanmerkelijk belang inkomen

Het CBS is momenteel bezig om het aanmerkelijk belang vermogen “”nog beter in beeld te brengen”, aldus staatssecretaris Snel. [2] Dit lijkt mij overigens een schier onmogelijke opgave en overigens is niet duidelijk waar dat “nog” op slaat:

Het aanmerkelijk belang inkomen van de aanmerkelijk belang aandeelhouder bestaat uit zijn arbeidsbeloning en het inkomen uit aanmerkelijk belang. Dat inkomen wordt bepaald door het begin- en eindvermogen van enig jaar te vergelijken op basis van de waarde in het economisch verkeer na eliminatie van de onttrekkingen zoals dividenden. Nu kan het CBS dat niet, maar doe dan niet of je dat wel kan door een beetje te foefelen met de fiscale regeltjes en zo een volstrekt arbitrair inkomen op te voeren. Voor de beschrijving van de foefeltruc zie [1c §3.4]. Vermogensvergelijking op basis van zichtbaar eigen vermogen is toch het minste dat je van de het CBS mag verwachten en deze cijfers zijn ook bij de belastingdienst, zij het uiterst laat, beschikbaar. Overigens geldt dat veel ab-aandeelhouders gewoon loonslaaf in een personal holding zijn, waarbij gebruik gemaakt wordt van de pensioenfaciliteiten, die dan ook nog onvoorzien verkeerd uitpakken door de fiscale regeltjes en de rechtsbescherming voor aansprakelijkheid. De splitsing tussen loon, dividend en ingehouden winst is derhalve volstrekt arbitrair en fluctueert aanzienlijk van jaar tot jaar door niet zo incidentele box 2 tariefdouceurtjes. [anders 2]

De beschikbare cijfers laten zich als volgt samenvatten (1a; 1c):

Tabel 3 Aanmerkelijk belang 

(1) Bovenstaande data wordt fiscaal aangestuurd en er daarbij ook nog sprake van een glijbaan naar belastingvrijdom zeker als je de erfbelasting in aanmerking neemt. (C.A. Rijkers).[5]

(2) Het rendement op het AB-vermogen stellen wij op 7% van het gemiddeld AB-vermogen, een gebruikelijk percentage voor dit soort investeringen.[1d]  Het bijzonder hoge dividend van 2014 van € 8,6 mld. wordt daarmee tevens gecorrigeerd.

(3) Het aantal ab-aandeelhouders is altijd een breinbreker in de CBS-statistiek. Deze kunnen van jaar tot jaar niet zo sterk fluctueren: je hebt een ab-belang of je hebt het niet.

[4] In Nederland hebben we een inkomensbegrip voor aanmerkelijk belang inkomen dat sterk afhankelijk is van het belastingtarief van het jaar:

“”In 2007 en 2014 zijn kleine pieken in de Gini-coëfficiënt zichtbaar. Vanwege een eenmalig gunstig belastingtarief keerden directeuren-grootaandeelhouders zich in deze jaren extra dividend aanmerkelijk belang uit. Dat had een incidentele verhoging van de inkomensongelijkheid tot gevolg.” [9]

Het zal duidelijk zijn dat het belastingtarief nooit invloed kan hebben op het werkelijke bruto-inkomen. Is dat wel het geval dan is er duidelijk  een steekje los aan het gehanteerde inkomensbegrip.

(5) Om enig inzicht te krijgen in de knutseltechnieken van macro-economen om het inkomen uit aanmerkelijk belang te bepalen treft u hier [7] een voorbeeld aan ook de onderstaande methodiek is relevant om het oude cijfer te “begrijpen”:

Een staaltje oude CBS-knutseltechniek is de volgende [1c]:

 “Het betreft hier reguliere en vervreemdingsvoordelen van aanmerkelijk belang. Het waargenomen bedrag van inkomen uit aanmerkelijk belang is om conceptuele en statistische redenen voor hooguit een miljoen euro in het inkomen geteld.”.

De laatste zin heb ik enige tijd op mij in laten werken en toen ben ik tot de conclusie gekomen dat dit concept mijn bevattingsvermogen te boven gaat en gelukkig is opgedoekt.

§5 Overig onroerend goed

De beschikbare cijfers laten zich als volgt samenvatten (1a;1c):

Tabel 4 Overig onroerend goed 

Door het CBS is voor het bepalen van het inkomen uit dit vermogensbestanddeel aansluiting gezocht bij de netto huurwaarde van de eigen woning. Hierdoor is ca € 3 mld. meer inkomen “waargenomen”. [1c, blz 5] Voor buitenlands onroerend goed is deze wijze van benadering sowieso fragwürdig, voor de binnenlandse beleggingen echter ook. Gaan we uit van netto 6.7% rendement (commissie parameters [6]) dan is dat inkomen nog ca € 5,8 mld. te laag.

§6 Kapitaal- en levensverzekeringen.

In de bijdrage Vermogen huishoudens 31-12-2015 hebben we uiteengezet hoe we voor 2014 aan een bedrag van ca € 246 mld. aan kapitaal- en levensverzekeringen komen. Voor de bijtelling is van 3% van het gemiddeld vermogen uitgegaan. Voor 2014 komt dat met veel slagen om de arm neer op een bedrag van € 7,2 mld.. Staatsecretaris Snel: ” Het CBS bekijkt momenteel in samenspraak met DNB of het mogelijk is om de gegevens over spaar- en levenhypotheken te koppelen aan individuele huishoudens.” [2]. Ook dan wordt de vermogensverdeling er niet gelijkmatiger op. Bovendien weten we dan ook in of die cry wolf exercitie over de onder water hypotheken toch niet een tikje overdreven was.

§7 Pensioenvermogen

Het CBS en staatssecretaris Snel rekenen het pensioenvermogen niet tot het vermogen omdat het niet vrij ter beschikking staat.[3] Voor een deel van het pensioenvermogen is dat sowieso wel het geval en over die pensioenregelingen kan de deelnemer naar eigen believen beschikken. (b.v. FOR en pensioen in eigen beheer, die zelfs vererven). Dat derde pensioenpijler vermogen wordt nauwelijks in de statistieken meegenomen iets waaraan Snel geheel voorbijgaat.[4] Als Koolmees zijn pensioenpotje krijgt, neemt het vermogen van de Nederlanders dus fors toe.[2] Het CPB is inmiddels van mening dat je het pensioenvermogen (= voorzieningsindicator), mede in verband met de internationale vergelijking, wel moet meenemen.[3] Zelfstandig denken had eerder tot die conlusie geleid.

Dat pensioenrendement fluctueert overigens van jaar tot jaar aanzienlijk en 2014 was een uitzonderlijk goed jaar. Het inkomen uit het pensioenvermogen (2014 € 1.338,3 mld.) bedraagt voor 2014 ca € 180,8 mld.. Hierop heeft de staat een belastingclaim van 35%, zodat de pensioendeelnemers een vermogen van €  870 mld. en een inkomen van € 117,5 mld. toekomt.

Het rendement 2010-2014 op het pensioenvermogen en het aandeel van de deelnemers kan als volgt worden samengevat:

(1)De jaren 2009, 2010 en 2015-2017 heb ik als toegift opgenomen.

(2) De toename van het pensioenvermogen komt dus grotendeels door het behaalde rendement. De gegevens zijn ontleend aan de bijdrage Pensioenvermogen.

Als het CBS en het CPB wel eens pensioenvermogen cijfers meenemen, doen ze dat altijd geheel ten onrechte bruto.[3] Over dat inkomen uit vermogen wordt bij de pensioenuitkering, waarin het rendement begrepen is, ca 35% belasting betaald, de vrijstelling vermogensrendementsheffing heeft derhalve een nogal academisch karakter.

Zoals we uit de bijdrage Pensioenvermogen weten werd gedurende de periode 2001-2014 73,2% van de pensioenpremie opgebracht door de top 30% huishoudens. De  vermogensverdeling per inkomensdeciel zal door toevoeging van het pensioenvermogen dan ook nauwelijk veranderen. Dat zal wel gelden voor de vermogensverdeling per vermogensdeciel, maar die verdeling kennen we niet voor het pensioenvermogen.{zie ook de grafiek aldaar]

Als dat pensioen-“vermogen” nog eens vermogen wordt, krijgt Financiën ook een probleem. Een belangrijke reden van minister Hoekstra om het pensioenvermogen niet als vermogen aan te merken zal wel zijn dat hij dan ineens aanzienlijk rijker is, hoewel hij dat in feite materiaal al was, maar even voor zijn miljoenennota 2019 niet kon gebruiken.

Dat van het rendement op het pensioenvermogen in zo geringe mate bij pensioendeelnemers terecht komt moet de pensioendeelnemer toch vooral aan de politiek wijten met zijn FTK. Ook het gebruik van zijn/haar stempotlood kan er iets mee te maken hebben, tenslotte is de prijs van een halfje bruin belangrijker in een verkiezingsdebat.

§8 Opbrengst beleggingen

(1) Het CBS verantwoordt alleen de directe beleggingsopbrengsten in het inkomen uit vermogen. De indirecte beleggingsopbrengsten zijn zeer substantieel, maar komen in de inkomensstatistieken niet voor. De verdediging van staatssecretaris Snel kan ik niet volgen.[2] Als u wil zien hoe substantieel die post is dan moet u maar eens een blik werpen op de bijdrage Pensioenfondsen. (factor 2006-2017: indirect 1,6 x direct; 2014: € 443,7 mld. vs € 276 mld.)

(2) Het effecten vermogen valt niet te splitsen in obligaties en aandelen. Daarom werken we met een gemiddeld rendementspercentage, naar beneden afgerond op 5%. [1d]

§9 Belasting

Natuurlijk moet je ook rekening houden met het belastingeffect van de aanpassingen, maar die mag nauwelijks naam hebben. Globaal onstaat dan het volgende beeld:

(1) Het rendement pensioenvermogenwordt bij uitkering in box 1 belast tegen gemiddeld 35% en is in de cijfers al netto opgenomen voor het aandeel deelnemers.

(2) Voor het aanmerkelijk belang vermogen is de standaard box 2 regeling aangehouden met een  vennootschapsbelasting toptarief van 25%. (effectief 43,75%)

(3) Voor de eigen woning geldt een eigen regime in box 1. De overige vermogenscomponenten vallen onder box 3 met een forfaitaire regeling.

(4) De aanpassingen zonder belastingeffect geven met de revisiebedragen van het CBS het verbeterpotentieel aan voor een belastingherziening die al zo’n tien jaar, dankzij Rutte I, II en III op zich laat wachten.

Voor de vermogensrendementsheffing zie o.a. ook de bijdragen Belasting box 3 2014 en Vermogensrendementsheffing nieuwe stijl.

§10 Slotopmerkingen

[1] Recent heeft staatsecretaris Snel nog eens samengevat wat er met de vermogensstatistieken allemaal mis is, hoewel hij in zijn antwoord anders suggereert.

(2) Ook zonder het pensioenvermogen mee te nemen zijn de aanpassingen op de herziene CBS-cijfers nog materieel. Uiteraard kan het CBS niet op deze grove basis werken, maar iets meer nuancering van het CBS-cijfermateriaal was wel op zijn plaats geweest. De brief van staatssecretaris Snel mogen we ook wel als een witwas operatie karakteriseren. [2]

(3) Gegeven de fiscale waardering van het ondernemingsvermogen, de slechte controle door de belastingdienst en de omvang van de schaduweconomie moet de hoogte van het inkomen uit onderneming ook met  de nodige reserveringen bekeken worden. Deze reserveringen tref je bij het CBS en CPB nooit aan en deze instanties doen ook geen enkele poging tot een nadere kwantificering. Ook de rapporten van de Algemene Rekenkamer, hoewel kritisch, verbloemen veel. Weekers had er geen belang bij en staatssecretaris Snel zal er ook geen behoefte hebben aan een rapport dat het niet functioneren van zijn dienst nog eens aan de orde stelt. (Tip: de trap van bovenaf schoonvegen.)

(4) Ook de arbeidsinkomensquote is door dat rendementscijfer pensioenen een nogal niets zeggende grootheid. Er wordt door de pensioendeelnemers ≅ werknemers namelijk flink verdiend op het pensioenvermogen. Dat zij daar momenteel weinig van in handen krijgen, moeten de pensioendeelnemers en niet vergeten de belastingbetalers (belasting op te lage uitkeringen) vooral de politiek en dus zichzelf verwijten.

___________________

Laatst bijgewerkt 17 oktober 2018

[1] Bronnen

[1a] CBS, “Samenstelling inkomen; particuliere huishoudens, kenmerken, 2001-2014”,

http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=70991ned&D1=2&D2=16-30,44-125&D3=0&D4=a&HDR=G3,T,G2&STB=G1&VW=T

Een actuelere versie met de revisiecijfers heb ik in Statline niet aangetroffen. Nu zegt dat niets want ik kan niet zo goed overweg met doolhoven.

[1b] CBS, “Vermogen van huishoudens; huishoudenskenmerken, vermogensbestanddelen”,

https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/83834NED/table?ts=1538574190357

[1c] CBS Paper – Revisie inkomensstatistiek

[1d] Advies Commissie Parameters, 27 februari 2014,

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-308035.pdf

Het dateren van documenten is natuurlijk te veel gevraagd van zo’n jonge organisatie.

[2] https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-financien/documenten/kamerstukken/2018/09/06/kamerbrief-statistieken-over-inkomens-en-vermogensongelijkheid

Citaten:

Pensioenvermogen:

“De pensioenaanspraken rekent het CBS niet tot het vermogen omdat het hier gaat om geblokkeerd vermogen waarover mensen niet vrijelijk kunnen beschikken. De meeste Nederlanders hebben evenwel pensioen opgebouwd en het niet opnemen van deze post in de vermogensstatistieken staat een deugdelijke internationale vergelijking van de vermogensongelijkheid in de weg en geeft daarmee een vertekend beeld. Zo wordt in landen met individuele pensioenregelingen het gespaarde pensioen wel als vermogen geteld. Op macroniveau beslaat het pensioenvermogen in 2017 ruim 40 procent van het totale vermogen in Nederland. Omdat de meeste Nederlandse huishoudens pensioen hebben opgebouwd is de vermogensongelijkheid inclusief het pensioenvermogen in Nederland lager dan wanneer het pensioenvermogen niet wordt meegenomen. Het CBS heeft onlangs nieuwe data ontvangen die het mogelijk maken om pensioenaanspraken aan het vermogen toe te voegen. Het CBS streeft ernaar om op korte termijn vermogensverdelingen in- en exclusief collectief pensioenvermogen te publiceren.”

Eigen woning

“Hoewel eigenwoningbezitters dit niet direct in hun portemonnee voelen, hebben zij wel het voordeel dat ze geen huur hoeven te betalen. Om de bestedingen van eigenwoningbezitters en huurders te kunnen vergelijken wordt de bruto economische huurwaarde (vergelijkbaar met de kale huur) bij de bestedingen van de eigenwoningbezitters geteld. Daarnaast wordt de netto economische huurwaarde (die gelijk is aan de bruto economische huurwaarde minus kosten groot onderhoud, erfpachtrente, premies voor opstalverzekering en onroerendzaakbelasting) aan het inkomen van eigenwoningbezitters toegevoegd. Dit maakt ook dat de inkomensstatistieken van huiseigenaren vergelijkbaar zijn met huishoudens die hun vermogen niet in een woning, maar ergens anders in geïnvesteerd hebben en daar inkomsten uit ontvangen.”

Aanmerkelijk belang vermogen

“Daarnaast werd het aantal DGA’s met aanmerkelijk belang en de omvang van dat aanmerkelijk belang onderschat. Daardoor was er een misclassificatie in de hoogte van het vermogen dat door ondernemers in de onderneming was opgebouwd. Dit beïnvloedde met name de bovenkant van de vermogensverdeling. Het CBS heeft de vermogensstatistieken op dit punt verbeterd en is momenteel bezig om het aanmerkelijk belang vermogen nog beter in beeld te brengen.”

“Dit zogeheten dividend aanmerkelijk belang wordt in het jaar waarin deze winst wordt uitgekeerd tot het inkomen gerekend. De winst die niet wordt uitgekeerd blijft in het bedrijf en wordt tot het vermogen gerekend.

Het valt altijd weer op dat het vermogen in de hogere segmenten door het CBS onderschat wordt, zonder dat daarvoor adequate kanttekeningen bij geplaatst worden.

Beleggingsopbrengsten

“Een verandering in de waarde van het vermogen wordt conform de internationale aanbevelingen niet als inkomen gezien, maar als een vermogensoverdracht (met effect op de stand van het vermogen). Dit betekent bijvoorbeeld dat wanneer een huishouden aandelen bezit en deze in een bepaalde periode in waarde stijgen, het vermogen met hetzelfde bedrag toeneemt, terwijl het inkomen gelijk blijft.

Stockdividend is een typisch voorbeeld dat het “gelijk”van Snel laat zien, inkoop eigen aandelen ook. Pour les besoins de la cause, heet dat geloof ik.

[3] CPB, “Indicatoren vermogensongelijkheid”,

https://www.cpb.nl/sites/default/files/omnidownload/CPB-Notitie-11sept2018-Indicatoren-vermogensongelijkheid.pdf

“Het CPB neemt in zijn onderzoeken naar het vermogen van huishoudens wel de aanspraken op het pensioenvermogen mee. Dat vermogen is niet vrijelijk beschikbaar en niet overdraagbaar. Het is echter wel een belangrijke inkomensvoorziening, hetgeen voor veel huishoudens een belangrijke functie van vermogen is.”

[4] Bij pensioenen in eigen beheer kwam zijn voorganger Wiebes niet verder dan € 31 mld. voor 2009!

[5] Arie C. Rijkers, “Een inkomensbegrip voor de 21e eeuw”,

https://docplayer.nl/8716277-Een-inkomensbegrip-voor-de-21e-eeuw.html

[6] Commissie parameter;

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-308035.pdf

[7] ESB – Door crisis en vergrijzing stijgt ongelijkheid in primair inkomen 

“De gepresenteerde cijfers over 2015 zijn voorlopig. Bij het samenstellen van voorlopige cijfers zijn er nog weinig belastinggegevens van directeuren-grootaandeelhouders (dga’s) beschikbaar. Deze worden grotendeels overgenomen uit het voorgaande jaar. Vanwege een eenmalig geldend lager belastingtarief in 2014 keerden dga’s zich in dat jaar extra dividend aanmerkelijk belang uit. Deze extra inkomsten aanmerkelijk belang hadden voor 2014 een ­stijging in de inkomensongelijkheid tot gevolg, maar in 2015 speelde dit belastingvoordeel niet meer. Om te voorkomen dat dit voordeel in de voorlopige cijfers van 2015 oneigenlijk doorwerkt, is voor dat jaar de inkomenscomponent aanmerkelijk belang herwogen naar de gebruikelijke situatie waarin er geen belasting­voordeel geldt.”

Dat is een erg lang verhaal om eigenlijk te zeggen dat het inkomen aanmerkelijk belang helemaal nergens op slaat. De auteur knutselt wat aan de cijfers en noemen dat inkomen uit aanmerkelijk belang. Je kunt natuurlijk ook schrijven dat men eigenlijk geen benul heeft van het juiste cijfer.

[8] Enkele toelichting op de wijze waarop vermogen is bepaald:

[8a] https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2016/09/30/bijlage-1-antwoorden-kamervragen-miljoenennota-2017/bijlage-1-antwoorden-kamervragen-miljoenennota-2017.pdf , in het bijzonder de vragen 14, 15, 16 en ook indirect 17, te veel om hier de inhoud te citeren.

zie ook:

[8b] 33752 Y Verslag van een schriftelijk overleg, Vergaderjaar 2014-2015, 3 februari 2015,

http://www.rijksbegroting.nl/2014/kamerstukken,2015/2/5/kst205221.html

[9] https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2017/37/inkomensongelijkheid-en-herverdeling-2001-2015

 

Advertenties

From → 0. Permanent

Geef een reactie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

%d bloggers liken dit: