Spring naar inhoud

Pensioenvermogen

24 september 2018

_____________________________________________________________________________________________________________________________________________

Laatst bijgewerkt 1 oktober 2018

Deze bijdrage pensioenvermogen is geheel herzien n.a.v. van de publicatie Indicatoren vermogensongelijkheid van het CPB waarin voor 2017 een pensioenvermogen van € 1.589 werd gehanteerd. De herziening is in noot 1 nader toegelicht. De resultaten van die herziening voor de jaren 1995-2019 staan in Appendix A vermeld. Door die herziening wordt in het vervolg afgezien van vermelding van een indicatie van de omvang van het pensioenvermogen van de zogenaamde derde pensioenpijler. De nauwkeurigheid van dat cijfer nam door de vele wijzigingen toch al af en het pensioenvermogen is zo conservatief bepaald. [2]

_____________________________________________________________________________________________________________________________________________

§1 Inleiding

Het Nederlandse pensioenvermogen is relatief, in relatie tot het bbp, een van de hoogste in de wereld (211 % bbp_2017). Als we net als het CPB in zijn houdbaarheidsstudies uitgaan van een gemiddeld rendement van 5% per jaar op het pensioenvermogen dan verdient de staat jaarlijks zo’n € 27 mld. en de pensioendeelnemers € 51 mld. op dat vermogen. Van dat rendement vindt u niets terug in boekhouding van de staat en dat inkomen van de pensioendeelnemers loopt ook niet mee in de inkomens- en vermogenstatistieken van het CBS. Het CBS beschouwt het pensioen-“vermogen” immers volgens een  een jezuïtische redenering niet als vermogen en diverse politieke partijen (w.o. PvdA, en SP) delen deze lachwekkende opvatting zoals weer eens bleek bij de Piketty discussie in de Tweede Kamer. Het CPB is inmiddels, mede in verband met de internationale vergelijkbaarheid van vermogensongelijkheid een andere mening toegedaan.[3; 1a]

Het ministerie van Financiën rekent intern juni 2017 met een pensioenvermogen van € 1.500 mld. en een belastingclaim van € 450 mld. (30%) zoals uit de onlangs gepubliceerde dividendbelasting papers blijkt. Deze cijfers zijn vermoedelijk exclusief de derde pensioenpijler en in elk geval tegen een te laag belastingtarief.

In deze bijdrage gaan we nader in op de hoogte van het pensioenvermogen exclusief derde pensioenpijler en daarop berustende belastingclaim. Daarnaast laten we zien wat het rendement op dat pensioenvermogen is en hoe de pensioenpot zich op de langere termijn ontwikkelt. Tot slot vergelijken we Nederlandse positie ten opzichte van een aantal andere landen.

§2 Pensioenvermogen 2006 – 2019

De ontwikkeling van het pensioenvermogen 2006-2019 kan als volgt worden weergegeven:

Tabel 1 Pensioenvermogen 2006-2019 in € mld.

(click op tabel of Ctrl+ om te vergroten)

(a) De gegevens zijn ontleend aan tabel 1 in de Annex, waarbij ook de bronnen worden vermeld. [1]  Voor ons doel wordt het pensioenvermogen in de paarse cellen van tabel 1 aangehouden. Deze cijfers wijken materieel nauwelijks af van de DNB-statistiekcijfers die ter vergelijking zijn opgenomen. Het CPB werkt ook met de CBS cijfers en rekent lijfrente en levensverzekering vermogen mee maar houdt dan weer geen rekening met de algemene reserve pensioenfondsen, die toch echt op termijn aan de deelnemers toevalt.

(b) Het pensioenvermogen bedroeg op 30 juni 2018 € 1.591,7 mld. en nam t.o.v 30 juni 2017 met 4,4% (€ 66,5 mld.) toe.

Grafisch is de ontwikkeling van de samenstelling van het pensioenvermogen als volgt:

(a) De ontwikkeling van de dekkingsgraad blijkt uit de ontwikkeling van de algemene reserve die door de dalende rekenrente een forse knauw kreeg.

(b) Als toegift is het door het CPB gebruikte vermogen lijfrenten en levensverzekeringen aan de top van de kolommen toegevoegd.

De ontwikkeling van het pensioenvermogen en het bbp voor de periode 1995- 2017 kan als volgt grafisch worden weergegeven:

(a) De trendline laat zien dat de toename van het pensioenvermogen buiten proporties is.  Het besteedbaar inkomen en de belastingopbrengst worden daarmee flink onder druk gezet.

§3 Benadering van het rendement op het pensioenvermogen

Om vast te stellen in welke mate het benaderde rendement op het pensioenvermogen aan de deelnemers en de staat toekomt kunnen we de volgende opstelling maken:

(a) Aangenomen is dat op het niet-pensioenfondsvermogen een rendement van 4% wordt gemaakt.

(b) In totaal maakte de staat dus een rendement van zo’n € 266 mld., waarvan m.u.z. van het rendement begrepen in de pensioenuitkering, niets in de boeken van de staat werd verantwoord. De toename van de belastingclaim was in die periode € 259 mld.

(c) De pensioendeelnemers maakten een rendement van ca € 495 mld. In hun inkomensstatistieken komen de pensioen gerelateerde inkomens voor als pensioenuitkeringen, terwijl de pensioenpremie van het inkomen worden afgetrokken. Het behaalde indirecte en directe rendement verdwijnt in de CBS statistieken van het bruto-inkomen en besteedbaar inkomen jaarlijks onder tafel. Hoe zou  overigens dat rendement van € 495 mld. in al die jaren in de arbeidsinkomensquote (AIQ) verwerkt zijn?

(d) Het belang van het indirecte beleggingsresultaat lijkt duidelijk. Voor vastrentende beleggingen kan het agio door rentedaling snel verdampen terwijl dat agio natuurlijk ook nog eens moet worden geamortiseerd over de looptijd van de belegging als deze wordt aangehouden tot vervaldatum. Dit drukt dan het toekomstig rendement, afgezien van een eventuele indekking van het renterisico, die overigens niet gratis is. Achteraf weten de vele stuurlui aan de wal welk beleggingsbeleid in het verleden gevoerd had moeten worden en daar vallen ze ons dan al twitterend mee lastig.

(e) Voor een nader inzicht in het niet zo onsuccesvolle rendement van de vijf grote bedrijfspensioenfondsen, die ca 57% van het pensioenvermogen pensioenfondsen uitmaken, zie deze bijdrage. Niet dat dit er binnen het huidige onzinnige FTK iets toe doet.

(f) In de jaren 2012-2017 streek de staat gemiddeld € 39,2 mld. per jaar aan niet in de boeken verantwoord rendement op. Voor waar geen slecht resultaat op zijn belegging van de overheidsschuld.  De deelnemers streken € 72,8 mld. per jaar op waarvan door het FTK slecht beperkt werd genoten.

§4 De pensioenpotten in 2040 en 2060

Het zal duidelijk zijn dat het prognoticeren van het toekomstige pensioenvermogen geen sinecure is, zelfs onder volstrekt imaginaire constante arrangementen. Het geringste  probleem is overigens de eis van constante arrangementen voor ons pensioenstelsel: de politiek doet al zo’n tien jaar zijn uiterste best om op zijn handen te blijven zitten. Problemen zijn natuurlijk het toekomstig rendement (CPB houdbaarheidsstudies sinds 2010 5%), juiste toepassing van de FTK-regels, inclusief (na-)indexatie en de toekomstige rekenrente. Over de laatste grootheid tasten we volstrekt in het duister, over de rest eigenlijk ook.

Het Ministerie van Financiën was zo scheutig om het pensioenvermogen in percentage bbp voor de jaren 2010 t/m 2060 per tiende jaar bekend te maken. [4 tabel 5.1] Het verloop van het pensioenvermogen in percentage bbp wordt dan als volgt:

(a) Zelfs na het wegwerken van de vergrijzingsgolf blijft het pensioenvermogen in percentage bbp op peil t.o.v. 2010.  Met de groei van ons bbp blijft het pensioenvermogen in euro’s alsmaar stijgen. Gaan we uit van een stijging van het bbp met 3,53% ( 1,7% groei en 1,8% inflatie) dan zal het pensioenvermogen eind 2040 afgerond € 2.500 mld. en eind 2060 € 4.500 mld. bedragen.

De noodgedwongen vrije grove berekening is als volgt:

(a) Voor een toelichting op deze, overigens vrij zinloze excercitie – zie noot [4].

Iets anders is natuurlijk de vraag aan onze politici hoe de stijgende belastingclaim in 2040 groot € 875 mld. en eind 2060 ca € 1.575 mld. eigenlijk überhaupt kan bijdragen aan de zorgkosten en de AOW-uitkeringen zoals ons altijd wordt voorgehouden:

§4 De verdeling van het pensioenvermogen naar inkomensdeciel

Er zijn nog al wat macro-economen die beweren dat de vermogensverdeling nadat het pensioenvermogen in aanmerking wordt genomen aanzienlijk minder scheef wordt. Dat is uiteraard het geval als je de uiterst scheve vermogensverdeling van een overigens incompleet vermogensplaatje telt bij een nog steeds zeer scheve verdeling van het inkomen, een soort homeopatische verdunning onder economen. Maar die “politieke economen” die daaraan refereren vinden die Nederlandse inkomensverdeling dan veelal ook helemaal niet scheef.

Op basis van de gestorte pensioenpremie 2001 – 2014 per inkomensdeciel  ben ik zo vrij dat te betwijfelen, zoals uit onderstaand overzicht blijkt:

Tabel 3 Pensioenpremie 2001-2014 naar inkomensdeciel

(1) 73% van de pensioenpremie 2001-2014 groot € 411 mld. wordt gestort door het 8e t/m het 10e inkomensdeciel, dus 30% van de huishoudens.  Dat zal ongetwijfeld zijn neerslag vinden in het behaalde rendement op dat pensioenvermogen en daarmee de verdeling van de pensioenreserves.

(2) Dat rendement is wel is waar vrijgesteld van vermogensrendementsheffing in box 3, maar men moet zich wel realiseren dat het rendement begrepen in de pensioenuitkering wel tegen 35% wordt belast in box 1.

(3) Om de stelling van die macro-economen te nuanceren is de grafische voorstelling van de tabel in combinatie met de vermogensverdeling per inkomens- en vermogensdeciel verhelderend:

(1) Voor de weging het pensioenvermogen huishoudens is hier € 885,1 mld. (na aftrek 35% belastingen) en het vermogen huishoudens € 1.157 mld. (1/1/2016) gebruikt. Uiteraard drukt echter op dat pensioenvermogen een progressieve belastingclaim die voor de inkomensdecielen redelijk ongelijk uitvalt en alleen in doorsnee ca 35% bedraagt volgens het CPB. Het werkelijke beeld is dus gecompliceerder.

(2)   De verdeling van het pensioenvermogen is ongelijker dan de vermogensverdeling per inkomensdeciel. Gezien het spaarkarakter van de pensioenvorming voor de hogere inkomens (Commissie van Weeghel) hoeft dat niet te verbazen. [8, blz 74] Door de aftopping van de pensioenpremie zal dit effect op termijn verminderen.

(3) Overigens moet men zich wel realiseren dat het inkomen volgens het CBS exclusief het rendement op pensioenvermogen is, en dat scheelt weer een flacon op een borrel. Het zal duidelijk zijn dat de volstrekt misleidende inkomen uit vermogen statistieken er voor zorgen dat de vermogensverdeling per inkomensdeciel nogal afwijkt van de verdeling per vermogensdeciel: inkomen dat je niet verantwoordt, verstoort immers het beeld.

§6  Budgettair belang pensioenen in de miljoenennota 2019

Het budgettair belang van de diverse pensioenregelingen kan als volgt worden samengevat [5]:

(a) De suggestie die het MvF wil wekken is dat bovenstaande cijfers het budgettaire beslag van de omkeerregel pensioenen en de vrijstelling vermogensrendementsheffing weergeeft. De veronderstellingen die aan deze berekening te grondslag liggen zullen wel in een memo vastleggen dat niet onder de WOB-procedure valt i.v.m. met de persoonlijke opvattingen van de betreffende ambtenaar. Ik heb dan ook maar geen poging gedaan.

(b) De vrijstelling vermogensrendementsheffing volgens het MvF is dus berekend over een forfaitair rendement van € 24,7 mld. (7.408/0,3) voor 2019. In het licht van §3 slaat dat forfaitaire rendementsbedrag helemaal nergens op. De VRH pensioenvermogen grondslag 2018 kan dan berekend worden op € 617 mld. (werkelijk pensioenvermogen ca € 1.624 mld. voor 2018).

(c) De aftrek pensioenpremie van 19,8 mld. tegen een tarief van ca 43% (mvF data) maakt dat de premie waarmee het MvF rekent dus ca € 46 mld. bedraagt. De derving sociale premies “vergeet” het MvF even. Dat een deel afstel en een deel uitstel van belastingen en premies is, moet de lezer zelf bedenken.

Maar wat is nu het reële plaatje van de derving belastingen en premies en het uitstel?

Het systeem staat beschreven in de bijdrage opdoeken die omkeerregel pensioenen! en leidt tot een te hoge huidige belasting. Het voordeel van de omkeerregel is derhalve nogal dubieus.

{a} Het pensioenvermogen eind 2018 zal ca € 1.624 mld. bedragen. Tegen 4% forfaitair rendement en 30% belasting (het gemiddelde onder de nieuwe VRH blijft ongeveer gelijk aan de oude regeling) is de belastinderving ogenschijnlijk € 19,5 mld. Dit is natuurlijk een onzinnig bedrag omdat bij het belastbaar stellen van dit inkomen uit pensioenvermogen de vrijstelling ongetwijfeld fors omhoog gaat. (Q.E.D. voor het onzinnige MvF-cijfer). Ook moet je nog met de niet gebruikte vrijstelling rekening houden. Tevens vergeten Jacobs en de commissie van Weeghel ([8, blz 34] 2010: € 11,6 mld.) dat het rendement begrepen in de pensioenuitkering wel belast wordt tegen gemiddeld 35%. Het PFZW schermt vaak met een factor 5 d.w.z. dat je 5x zoveel uitkering krijgt als je premie betaalt. [6] Per saldo wordt het rendement op het pensioenvermogen dus hoger belast onder de omkeerregel pensioenen dan onder het VRH- regime.

{ii} De pensioenpremie 2018 bedraagt kennelijk ca € 46 mld. Uitgaande van de ons bekende 17%/35% regel is het afstel belastingen dus ca € 7,8 mld. en het uitstel belastingen en premies ca € 16,1 mld.

(e) Overigens geldt natuurlijk dat het storten van pensioenpremie bruto sparen is en het ontvangen van een pensioenuitkering het bruto opnemen van spaargeld is. Door de omkeerregel pensioen zit de belastingdienst daartussen. Met inkomen heeft dat allemaal niets te maken: het inkomen werd genoten toen de prestatie voor dat inkomen geleverd werd gedurende het werkzame leven.

§7 Vergelijking met het buitenland [6]

Als we alleen naar de pensioenfondsen kijken wordt het beeld als volgt:

Grafiek 1 Relatieve belang pensioenvermogen geselecteerde landen

Op basis van de OECD-cijfers kunnen we dus concluderen dat Nederland relatief één van de grootste pensioenreserves heeft. Het is alleen jammer dat deze cijfers bij de toetsing aan het Europese Groei- en Stabliteitspact onder tafel verdwijnen. Dit klemt te meer daar we ook nog de ambtenarenpensioenen hebben afgefinancierd, daar moet je in het buitenland eens om komen. Netto, na aftrek van de al meegenomen 35% belastingclaim, gaat het 30/6/2018 om afgerond € 401 mld. [link]:

Appendix A – Pensioenvermogen 1995-2019 naar bron

(a) Het gebruikte pensioenvermogen is dus het CPB-cijfer minus lijfrenten en levensverzekering vermeerderd met de algemene reserve. De laatste bij voorkeur van de DNB en indien niet beschikbaar van het CBS. Waarom de laatste twee onderling zo verschillen heeft een eenvoudige reden: het barst immers van de ambtenaren, die langs elkaar heenwerken en elkaars werk dupliceren..

_______________________________

[1] Wijziging systematiek bepaling pensioenvermogen.

In het vervolg zal aansluiting gezocht worden bij de CPB-systematiek ontleend aan de CBS Opendata gegevens. De CBS-systematiek houdt ten onrechte geen rekening met de dekkingsraad en gaat dus uit van 100% aanspraken. Daarom wordt gebruik gemaakt van de DNB statistiek pensioenfondsen om de omissie van de algemene reserve pensioenfondsen aan te vullen. Een benadering van het zogenaamde derde pensioenpijler pensioenvermogen wordt i.v.m. de wijzigingen in het pensioenstelsel verder achterwege gelaten. Dit betekent dat het pensioenvermogen conservatief wordt bepaald.

Naast de CBS-cijfers zullen ook de DNB-statistiek gegevens vermeld blijven, zodat het verschil tussen beide benaderingen duidelijk blijft. Gegevens voor de derde pensioenpijler ontbreken.

De CBS publicatie Indicatoren vermogensongelijkheid gaat uit van een pensioenvermogen eind 2017 van € 1.586 dit bedrag is als volgt opgebouwd:

(a) Aan de hand van Opendata is het pensioenvermogen eind 2017 dus € 1.560,2 mld.

Deze bedragen laten zich als volgt vergelijken met de statistieken van DNB:

(a) DNB ontleent zijn cijfers aan zijn staten en dus materieel aan de jaarrekeningen. Het CBS berekent de aanspraken en rechten aan de hand van de opgebouwde rechten. Dat de uitkomsten zo dicht bij elkaar liggen mag wel een wonder heten.

(b) Een beknopte beschijving van de CBS systematiek is als volgt:

 “Deze omvatten financiële aanspraken van huidige en voormalige werknemers op:

  1. a) hun werkgevers;
  2. b) een pensioenfonds;
  3. c) een levensverzekeraar (collectieve contracten).

Bij deze post gaat het om de zogenaamde tweede pijler van het Nederlandse pensioenstelsel, m.a.w. de door werknemers opgebouwde aanvullende pensioenen en niet om de AOW. Onder deze post worden de pensioenaanspraken geboekt, en niet de totale waarde van de beleggingen. De pensioenaanspraken kunnen afwijken van de waarde van de beleggingen. Als de dekkingsgraad bijvoorbeeld 110 procent bedraagt, zijn de beleggingen 10 procent meer waard dan de pensioenaanspraken.”

Opmerking: Die 10% hogere dekkingsgraad in dit voorbeeld betreft ook vermogen van de pensioendeelnemers.  De algemene reserve pensioenfondsen wordt dus geheel ten onrechte door het CBS en daarmee het CPB buiten beschouwing gelaten.

Het verschil tussen de oude (eerdere bijdragen) en nieuwe stand van het pensioenvermogen kan als volgt worden weergegeven:

(a) Voor de opmerkelijke verschillen in 2006 en 2007 tussen de CBS- en DNB-cijfers zie tabel annex 1. Eind 2018K2 was de derde pensioenpijler opgelopen tot € 164 mld., nog steeds lager dan de € 181 mld. van Knot in 2012 – zie noot 2.

Bronnen noot 1:

[a] CPB, “Indicatoren vermogensongelijkheid”,

https://www.cpb.nl/sites/default/files/omnidownload/CPB-Notitie-11sept2018-Indicatoren-vermogensongelijkheid.pdf

[b] De link van [a] naar de CBS statistiek, diep in de krochten van CBS Statline, zonder het CPB had ik die nooit gevonden:

http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=82596NED

[c] De door het CBS meest recente versie na herziening van de nationale rekeningen:

https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/84099NED/table?ts=1537513970100

Omdat de instellingen nogal zoeken was hier even een screenshot:

[d] https://statistiek.dnb.nl/downloads/index.aspx#/details/balans-van-pensioenfondsen-jaar-breukvrij/dataset/7f1c8359-f083-43e0-ac59-762e84c40bdf/resource/5d1bf2b2-48d5-4c4e-924b-836a6f25bd70

[e] https://statistiek.dnb.nl/downloads/index.aspx#/details/balans-van-pensioenfondsen-kwartaal/dataset/1478b8ae-a702-435e-a8ef-d013d16a8a31/resource/035aa9d6-8fc4-4164-93c0-810a12727329

[f] https://statistiek.dnb.nl/downloads/index.aspx#/details/balans-van-verzekeringsinstellingen-jaar/dataset/0d7365b8-1f9d-45d4-9836-5949d3df784a/resource/997b00c2-2155-4ffd-9dce-96ae3cf0251b

[g] https://statistiek.dnb.nl/downloads/index.aspx#/details/balans-van-verzekeringsinstellingen-kwartaal/dataset/444b964e-5ba4-4d52-9249-b96644082bc4/resource/c7d4f4dd-6150-452e-81e0-01ba0e7d86a3

[h] CBS, “Pensioenfondsen; resultatenrekening en balans 1987-2015”

http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=7118shfo&D1=2,8-10,12-13,25-26,28&D2=0&D3=a&HDR=G1,G2&STB=T&VW=T

[2] Derde pensioenpijler

In 2010 deed het CBS nog een poging de derde pensioenpijler te kwantificeren. Het CBS definieerde toen een derde pijler product als een fiscaal gefaciliteerd individueel pensioenproduct dat resulteert in een jaarlijkse uitkering vanaf 65 voor ten minste vijf jaar Maar toen werd al geconstateerd dat de definitie soms veel enger en soms ruimer was zoals “alles buiten de eerste en de tweede pijler”. In het laatste geval hoeft “alleen” alles nog maar even gedefinieerd te worden. Het lijkt in elk geval logisch om alle fiscaal gefaciliteerde oude dagsvoorzieningen zoals individuele lijfrenten, de FOR die in een lijfrente kan worden omgezet en het inmiddels af te bouwen pensioen in eigen beheer daar onder te rekenen.

“De eerste pijler vertegenwoordigt ongeveer 50 procent van het Nederlandse pensioenstelsel, de tweede pijler 45 procent. De resterende 5 procent zit in de derde pijler”, aldus het CBS in 2010. Ik neem aan dat daarmee de aanspraken bedoeld worden dus exclusief de algemene reserve pensioenfondsen. Voor 2012 was de derde pensioenpijler op deze wijze bepaald € 118 mld.

Elisabeth Eenkhoorn , Marije van de Grift, “ Pensioenaansprakenstatistiek: Geld van nu voor later”

https://www.cbs.nl/nl-nl/publicatie/2010/45/pensioenaanspraken-geld-van-nu-voor-later

Van latere datum is het pensioenvermogen 2012 als 212% bbp_2012, van € 599,3 mld. of € 1.271 mld, Het pensioenvermogen DNB was blijkens appendix 1 € 1.090 zodat € 181 mld. resteert voor de derde pensioenpijler. Deze cijfers zijn ontleend aan een lezing van de heer Knot en het gaat hier blijkens een latere verduidelijking om “een ruwe benadering uit een ‘intern model’ dat méér omvat dan het pensioenvermogen,gebaseerd op Nationale rekeningen’”.

Klaas Knot, “De spaarzin en schuldenlast van de Familie NL”,

http://www.dnb.nl/binaries/Speech%20afscheid%20Jan%20Hommen_tcm46-297055.pdf

Klaas Knot, “Stilstand op een hoog niveau”,

http://www.dnb.nl/binaries/speech%20Klaas%20Knot%20-%20Stilstand%20%20op%20een%20hoog%20niveau_tcm46-297988.pdf , blz 5.

We hebben het dus niet over de postzegelkas, maar de omvang van de 3e pensioenpijler laat zich helaas niet verantwoord kwantificeren, zeker nu de premie is afgetopt en de pensioenen in eigen beheer worden afgebouwd. In 2009 was het pensioenvermogen in eigen beheer € 31 mld., latere cijfers ontbreken op het MvF moest Wiebes onlangs erkennen.  Commercieel en dus reëler gaat het toch om € 73 mld. Ook de FOR laat zich nauwelijks aantrekkelijk meer omzetten in een lijfrente.

[3] Het CPB betoogde recent dat het pensioenvermogen wel in het vermogen moet worden betrokken [1a]:

“Het CPB neemt in zijn onderzoeken naar het vermogen van huishoudens wel de aanspraken op het pensioenvermogen mee. Dat vermogen is niet vrijelijk beschikbaar en niet overdraagbaar. Het is echter wel een belangrijke inkomensvoorziening, hetgeen voor veel huishoudens een belangrijke functie van vermogen is”.

Het CPB doet dat kennelijk dan wel weer bruto net als het CBS dat doet, als het de overigens volstrekt onduidelijke pensioenvermogen cijfers rapporteert {blz 15}.

https://www.cbs.nl/nl-nl/achtergrond/2016/08/groei-netto-extern-vermogen-grotendeels-door-toename-pensioenvermogen

[4] https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2017/04/13/bijlage-1-stabiliteitsprogramma-2017/bijlage-1-stabiliteitsprogramma-2017.pdf

In tabel 5.1. wordt nader uiteengezet wat de reële ontwikkeling van het bbp en de stand van de “pensioenreserves” in percentage bbp is. Ik neem aan dat bedoeld is pensioenvermogen, want de reserves waren inmiddels vrij gering. Helaas ontbreekt in dit document consistent met de CPB houdbaatheidsstudies een vermelding van de geprognoticeerde bbp cijfers en die zullen we dus zelf moeten inschatten.

De berekening van de tabel in §4 kan als volgt worden toegelicht:

(a) De berekening geeft de stand weer met de kennis april 2017 dus CEP 2017.

(b) De basisgegevens komen uit tabel 5.1. Het basisjaar wordt daarmee de prognose voor 2020.

(c) We maken twee berekeningen: 1) met de reële groei bbp percentage per decennia in tabel 5.1 en 1,8% inflatie – een aanname uit die tijd; 2) reële groei 1,7% over de hele periode met dezelfde inflatie. De uitkomsten zijn gezien de tijdschaal praktisch gelijk.

[5] https://www.rijksoverheid.nl/documenten/begrotingen/2018/09/18/bijlagen-miljoenennota-2019

[6] http://pfzw.typepad.com/blog/2012/02/een-pensioensprookje.html

[7] https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/83834NED/table?ts=1518009496921

[8] http://dare.uva.nl/document/2/94332

 

 

Advertenties

From → 0. Permanent

4 reacties
  1. Dhr JC Kortekaas permalink

    Hoe groter het geldpakhuis hoe obscuurder de informatie.
    Bizar
    Misschien maar goed dat de Kamerleden niet naar de cijfers van het ministerie en pensioen pro kijken……..

  2. Dhr JC Kortekaas permalink

    Totale verwarring over de pensioenpremie die we betalen bij Wouter Koolmees:

    Invloed versobering Witteveenkader op pensioenpremies alweer verdampt
    De totale pensioenpremie die werknemers en werkgevers betalen, is gestegen van €20,5 mrd in 2015 naar €23,4 mrd in 2018. De premie ligt hiermee weer hoger dan voor de inperking van het Witteveenkader, waarmee in 2015 de pensioenopbouw werd versoberd.

    Men kletst maar wat, mening Johan Kortekaas

    CBS cijfers hebben het over een daling van 31 naar 28 miljard van 2014 naar 2015

    http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/default.aspx?PA=37179pfd&D1=0%2c2-4%2c9&D2=a&D3=(l-6)-l&HDR=G2%2cG1%2cT

  3. Dhr JC Kortekaas permalink

    Hoe groter het geldpakhuis hoe groter het mysterie.
    Helemaal irritant is dat Kamerleden voor de meest actuele cijfers op deze site kijken.
    Wat is het nut van toezicht door DNB&AFM als ze hun gegevens niet bundelen in keurige statistieken?
    Tweede en derde pijler zijn veel groter dan overheidsschuld en eigenwoningschuld, waar wel keurige statistieken van bestaan.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

%d bloggers liken dit: