Spring naar inhoud

Vermogen en inkomen ouderen

19 april 2018

_______________________________________________________________

Onze minister van Financiën heeft ons, mede naar aanleiding van vragen van het 1e Kamerlid  Van Rij, geïnformeerd over de inkomens- en vermogenspositie van ouderen. [1] Daaraan vooraf ging de uitgebreidere informatievoorziening door het CBS op 7 maart 2018, zodat de heer Van Rij materieel al door de overheid bediend was. [2] Hoeksta kon immers door het gebrekkige cijfermateriaal ook niet veel informatie toevoegen.

Bij die informatievoorziening zijn zoals trouwe lezers van dit blog weten de nodige kanttekeningen te plaatsen. De inkomens- en vermogensstatistieken van het CBS zijn uiterst gebrekkig en veelal gebaseerd op fiscale gegevens. [3] De heer Hoekstra heeft een belastingdienst geërfd die veel weg heeft van een bordeel en ons huidige belastingstelsel heeft ook nog veel weg van een Emmenthaler, met een belastingstelsel dat voor de hogere vermogens gelijkenis vertoond met een glijbaan naar belastingvrijdom. (A.C. Rijkers) [4]

Uiteraard heeft dit vergaande consequenties voor de kwaliteit van het cijfermateriaal dat zonder blikken en blozen en niet voorzien van de nodige kanttekeningen wordt overlegd om de inkomens- en vermogens van de ouderen in kaart te brengen.

_______________________________________________________________

§ Inleiding

Alvorens het cijfermateriaal in §2 te verstrekken gaan we eerst in op een aantal knelpunten in het vermogens- en inkomenscijfermateriaal.

Toerekening van het vermogen naar generatie is een weinig nuttige bezigheid gezien ons oikos stelsel. Op termijn komt immers het vermogen van de ouderen via het erfrecht aan de jongeren toe. “Mensen hebben over het algemeen nog relatief veel van hun vermogen bij overlijden, veelal in de vorm van een eigen woning” [1], zodat we de contante waarde van dat vermogen nu al aan de jongeren kunnen toe rekenen. Die contante waarde is door de rentedaling van de laatste jaren fors gestegen, zodat de jongeren er flink op vooruit zijn gegaan. Daar gaat natuurlijk nog wel de erfbelasting af, voor zover die binnen ons belastingstelsel ten minste verschuldigd is door de vrijstellingen en soms eeuwig durend afstel van vooral het ondernemings- en aanmerkelijk belang vermogen. Ook moeten die kneuzen van de belastingdienst natuurlijk wel in staat zijn om de erfbelastingaanslag op te leggen.

Als we gebruik maken van de begrippen bruto-inkomen en besteedbaar inkomen is het goed om kennis te nemen van de opbouw en definities van deze inkomens. In de bijdrage Besteedbaar inkomen 2014 is dit nader uiteengezet en is ook meer in detail aangegeven welke anomalieën in de CBS-cijfers zijn aangetroffen. Ook zijn de leemtes in het inkomen uit vermogen nader gekwantificeerd in de bijdrage inkomen uit vermogen (revisited). De bevindingen waren dusdanig dat eigenlijk geen conclusie valt te trekken over de inkomensontwikkeling in de tijd en per inkomensgroep.

Het grootste activa van de boven 65-jarigen, hun aandeel in het pensioenvermogen na aftrek van de belastingclaim eind 2017 ca € 1.117 mld., wordt door het CBS niet als vermogen beschouwd hoewel een belangrijke deel binnen afzienbare tijd onderdeel zal uitmaken van het besteedbaar inkomen. (eigen definitie CBS letterlijk: “op korte of middellange termijn kan worden omgezet worden in consumptieve bestedingen of leidt tot inkomsten die deel uitmaken van het inkomensbegrip besteedbaar inkomen”). Door het Financieel ToetsingsKader pensioenen (FTK) met die lage rekenrente heeft inmiddels een substantiële herverdeling tussen de “jongeren” en de “ouderen” plaats gevonden in het voordeel van de jongeren. Ook dankzij het FTK is de (na-)indexatie veelal achterwege gelaten en komt het rendement op termijn grotendeels –  zo niet geheel – aan de jongeren toe en niet in de huidige inkomenscijfers tot uitdrukking, een soort geautoriseerde diefstal van gepensioneerden, die al of niet voortijdig de pijp uitgaan.

Het inkomen uit vermogen is gebaseerd op “ons” belasting-“stelsel” en is daarmee uiterst onvolledig en deels forfaitair vastgesteld. Het leeuwendeel van het rendement op pensioenvermogen pensioenfondsen (2007-2016 € 577 mld.)  dat niet in de huidige pensioenuitkeringen tot uitdrukking komt zit ook niet in de inkomenscijfers. Het gaat daarbij dus niet om de postzegelkas.

In gelul kun je niet wonen en de ontwikkeling van de waarde van het eigen huis heeft derhalve maar beperkte relevantie. Het woongenot wordt in Nederland overigens uiterst laag ingeschat getuige het lage eigenwoningforfait en de Wet Hillen. De hypotheekrente wordt wel voor de volle mep van het bruto-inkomen afgetrokken en uiteraard is het belastingvoordeel begrepen in de post belastingen. Het bruto-inkomen en het besteedbaar inkomen zijn dus inclusief aftrek hypotheekrente en door CBS berekende te lage bijtelling inkomen uit eigen woning. De huurder betaalt de huur (waarvan substantieel aandeel rente) uit zijn besteedbaar inkomen, wel wordt de huursubsidie bij zijn bruto-inkomen geteld. Als we de inkomens van EW-bezitters (van eigendom kan men veelal niet spreken) en huurders vergelijken is dus sprake van een appels en peren vergelijking. De (upper) middle class zorgt altijd goed voor zichzelf. Aangezien de boven 65-jarigen een woningbezit van 63 % kennen is dit effect niet te verwaarlozen Het fenomeen van de aflossingsvrije hypotheek is daarbij ook nog relevant.

Over de waarden van het ondernemingsvermogen en het aanmerkelijk belang vermogen kunnen we kort zijn: die zijn klakkeloos overgepend uit de fiscale aangifte op grond van fiscale waarderingsregels, waarbij sind kort alleen de waarde van het onroerend goed wordt aangepast naar de WOZ-waarde. Elke gelijkenis met de waarde in het economisch verkeer berust dan ook op zuiver toeval.[7]

Elke gehuwde Nederlander krijgt als hij de AOW-leeftijd van zeg 67 jaar bereikt een vermogen van de overheid toegekend ter grootte van ca € 109.000 (m)/ € 121.000 (v), netto na aftrek in te houden belastingen en sociale premies. Voor een ongehuwde Nederlander ligt dit bedrag nog hoger. Dat geldt niet voor de geïmmigreerde buitenlanders die met een AOW-gat zitten. Uiteraard besteed Hoekstra geen aandacht aan deze specifieke ouderenproblematiek [1]

Doordat het CBS van het ministerie van Economische zaken om duidelijke redenen onvoldoende middelen krijgt om een volledige vermogensstatistiek bij te houden (zie Piketty discussie in Tweede Kamer) zijn een aantal vermogenscomponenten niet bekend (b.v. kapitaalpolissen). Ook de schaduweconomie (≅ 9%) maakt dat de statistieken per definitie onvolledig zijn.

De ouderen houden relatief een hoog banksaldo aan. Met de forfaitaire vermogensrendementsheffing heeft het Ministerie van Financiën een bresje geslagen in dat vermogen door de rentedaling, zeker als je ook nog de weliswaar beperkte inflatie ( 2006:100; 2017: 119) in aanmerking neemt.

Zoals het CBS terecht opmerkt hangt de stijging van het besteedbaar inkomen van ouderen “mede samen met de toename van het aantal vrouwen die naast hun AOW een aanvullend pensioen ontvangen.” Het gemiddelde uitkeringsniveau wordt daarmee echter wel gedrukt. Daarnaast zijn de toetredende ouderen hoger opgeleid en hebben zij meer pensioen opgebouwd dan eerdere generaties.

Inkomen uit vermogen is  maar ten dele opgenomen in de inkomenscijfers. Te denken valt daarbij aan de omvangrijke indirecte beleggingsopbrengsten effecten, stille reserves en werkelijk inkomen aanmerkelijk belang en ondernemingsvermogen, werkelijk inkomen overig onroerend goed, etc.

Die padvinders van het CBS menen dat het noodzakelijk is om bepaalde gegevens achter te houden omdat “het cijfer onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim is”. Vermoedelijk vanwege dat geheim is het b.v. niet mogelijk het dividend uit aanmerkelijk belang van b.v. zo’n 15.000 (2014) ouderen te achterhalen. (zie tabel 2.03). Het inkomen uit aanmerkelijk belang cijfer van het CBS is overigens per definitie onbetrouwbaar als je de vermogenswinsten niet meeneemt.(zie ook [7])

§2 De cijfers

In deze paragraaf verstrekken we het cijfermateriaal in tabellen en grafieken met geringe toelichting. We maken daarbij onderscheid tussen twee groepen: de huishoudens waarvan de leeftijd van de hoofdbewoner jonger of gelijk aan 65 jaar is (< 65) en de ouderen die de 65-jarige leeftijd hebben bereikt of ouder zijn. (>=65). Het aantal huishoudens waarvan de hoofdbewoner ouder is steeg sinds 2006 met 25,1% en het aantal huishoudens met jongere hoofdbewoner steeg slechts met  1,5%, een gevolg van de vergrijzing en de geringere verjonging. Daarom ligt de nadruk van het cijfermateriaal op gemiddelden per huishouden en is vergelijking van absolute cijfers niet zo zinvol.

Tabel 2.01 Gemiddeld vermogen huishoudens 2015 en 2005 in €’000

(click op tabel of CTRl+ om te vergroten)

Tabel 2.02 Mediaan vermogen 2015 en 2005

(a) Voor het mediaan vermogen geldt dat 50% van de populatie een geringer vermogen heeft dan de mediaan.

(b) De inflatie in de periode 2006-2015 bedroeg 1,85% per jaar. De inflatiecorrectie hebben we dan ook maar niet op deze cijfers los gelaten, ook Hoekstra zwijgt immers als het graf over dat effect en de cijfers zijn zo al rood genoeg. [1]

In de cijfers is een eigenaardige ontwikkeling van het aanmerkelijk belang vermogen te constateren die nadere analyse vraagt (geel gemarkeerd tabel 2.01 ). Deze cijfers zijn immers met wat gegoochel aan de CBS-cijfers ontleend en berekend omdat het CBS die cijfers achterhoudt om haar moverende redenen. (“”het cijfer onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim”). Die cijfers zijn dan als volgt:

(click op tabel of CTRl+ om te vergroten)

Tabel 2.03 Aanmerkelijk belang 75-85 jarigen

(a) De toename van het gemiddeld aanmerkelijk belang vermogen is dus op zijn minst opmerkelijk. Door de afrondingen van de cijfers in het cijfermateriaal is sprake van een bandbreedte in de berekening van het gemiddeld vermogen. Dit verklaart de kleine vrschillen met de CBS-cijfers. Salverda heeft er overigens al eens op gewezen dat de aantallen ab-houders van jaar tot jaar merkwaardig fluctueren, terwijl het CPB juist beweert dat die keuze vrij stabiel is. Overigens klopt de waardering van het ab-belang voor geen hout. [7]

Tabel 2.03a Aanmerkelijk belang inkomen

(a) Bovenstaand overzicht laat speculatief en indicatief het gemiddeld inkomen uit aanmerkelijk belang vermogen zien per leeftijdscategorie. Uitgegaan wordt van een rendement van 7%, conform de commissie parameters FTK voor aandelen.

(b) Het dividend ab-aandeelhouders laat zien wat jaarlijks in box 2 wordt verantwoord als het de ab-aandeelhouder belieft. CBS: “Het betreft hier reguliere en vervreemdingsvoordelen van aanmerkelijk belang. Het waargenomen bedrag van inkomen uit aanmerkelijk belang is om conceptuele en statistische redenen voor hooguit een miljoen euro in het inkomen geteld.”. De laatste zin heb ik drie minuten op mij in laten werken en toen ben ik tot de conclusie gekomen dat dit concept mijn bevattingsvermogen te boven gaat.

Als het belastingtarief incidenteel lager uitvalt, stijgt het dividend en daarmee het bruto-inkomen aanzienlijk.

(c) Het aantal huishoudens met ab-vermogen neemt met 5,6% per jaar toe het vermogen met 7,4% per jaar.

Tabel 2.04 Vermogensverdeling ouderen 31-12-2014

(a) Deze gevens zijn alleen t/m 2014 beschikbaar. in de oude Statline [3a2]

(b) Deze tabel moet u als volgt lezen:

Voorbeeld >= 75 jarigen met een aanmerkelijk belang vermogen: 25% van de >=75-jaren met een aanmerkelijk belang vermogen heeft een ab-vermogen kleiner dan € 146.300 en 50% (mediaan) heeft een ab-vermogen kleiner dan 465.000.

Gegeven een gemiddelde van € 3.758.600  heeft de overige 50% ab-houders dus aanmerkelijk meer. 

Grafiek  2.05 Gemiddeld bruto-inkomen 2001-2014

(a) Na inflatie correcte (2001-2014 1,27; 1,87% per jaar) blijft er weinig toename van het bruto-inkomen over. Het bruto-inkomen zegt overigens niet zoveel omdat het inkomen eigen woning en de hypotheekrente, maar ook de huursubsidie begrepen zijn in dit inkomen. Daarnaast wordt de pensioenpremie afgetrokken van het bruto-inkomen, terwijl dit toch echt een vorm van (bruto) sparen is. Voor de pensioenuitkering geldt dat dit in feite het opnemen van bruto spaargeld is, waar nog de belasting af moet.

Grafiek  2.06 Gemiddeld besteedbaar inkomen 2001-2014

(a) Ook voor het besteedbaar inkomen geldt dat dit een weinig zeggende grootheid is (zie bruto-inkomen), waarbij de belastingeffecten EW-forfait, hypotheekrente, Wet Hillen (fiscaal) naast de pensioenpremie meelopen in de post belastingen.

Grafiek 2.07 De eigen woning als onderdeel van het bruto-inkomen 2001-2014

(a) Het verschil in hypotheekrenteaftrek tussen de generaties werkt door op de ontwikkeling van het bruto- en besteedbaar inkomen. Het inkomen EW, hoewel door het CBS veel te laag voorgesteld, is voor alle groepen veel gelijker. De ratio hypotheek/WOZ-waarde EW bedroeg eind 2014 48% (2006: idem). Op basis van 4,5% WOZ-waarde zou het inkomen eigen woning € 47 mld. (€ 11,1 dzd per huishouden) bedragen.

(b) Het netto-effect van de eigenwoning posten is voor de ouderen verwaarloosbaar, dat geldt niet voor de jongeren. Als de “ïnkomens”-ontwikkeling wilt volgen zul je dus de eigen woning posten moeten elimineren of nog beter de eigen woning bijtelling op een reële basis gaan berekenen.

Tabel 2.08 Inkomen uit vermogen 2001-2014 in € mln.

(click op tabel of CTRl+ om te vergroten)

Tabel 2.09 Inkomen uit vermogen per huishouden 2001-2014

Grafiek 2.10 Gemiddelde pensioenpremie per huishouden

(a) De pensioenpremie is gewoon bruto-inkomen en de forse stijging gedurende 2001-2014 van 7,1% per jaar drukt het gemiddeld bruto-inkomen 2014 exclusief EW van alle huishoudens met € 4.700. Dat effect is voor de jongeren nog groter maar laat zich op basis van het cijfermateriaal niet berekenen. Logischer en juister zou een presentatie zijn die deze premie uit het besteedbaar inkomen laat betalen omdat in feite sprake is van sparen. De inkomenspositie met huishoudens die geen pensioenregeling betalen wordt dan ook vergelijkbaar. Het belastingeffect zou je dan echter wel moeten corrigeren.

(b) De pensioenpremie kost de schatkist ca 17% aan belastingopbrengst terwijl daarnaast gemiddeld zo’n 35% aan belastingheffing wordt uitgesteld, los van de indirecte bestedingseffecten.

Grafiek 2.11 Gemiddelde pensioenuitkering per huishouden 2001-2014 in €’000

(a) De ontwikkeling van de gemiddelde totale uitkering zal mede betrekking hebben op de niet hoofdbewoners. Het effect van de ouderen “die de groep verlaten” (Hoekstra) is ook niet te verwaarlozen. Voor de minder gefortuneerde ouderen met een lage opleiding geldt nog steeds dat het aantal levensjaren fors lager uitvalt. Uiteraard heeft dit ook consequenties voor de de ontwikkeling van het gemiddelde vermogen van de langer levende groepen.

(b) Over de pensioenuitkering wordt ook belasting betaald. In feite is de uitkering een opname van spaargeld gevormd uit inkomen dat als pensioenpremie in het verleden is afgedragen, rendementen op het pensioenvermogen en technische resultaten, voor zover dat binnen het huidige FTK tot uitkering komt. Zoals eerder aangegeven stijgen de uitkeringen doordat mensen die recent met pensioen gingen in doorsnee een hogere uitkering genieten.  Daar tegenover staat dat partners met een parttime inkomen veelal een lagere pensioengrondslag hebben.

Grafiek 2.12 Gemiddelde AOW- en pensioenuitkering 2001-2014.

(a) In deze grafiek is de gemiddelde pensioenuitkering (∆ 1,92% p.j.) en AOW-uitkering (∆ 2,2% p.j.) weergegeven.  Voor de totaalcijfers (∆ 2% p.j.) is ook de inflatiecorrectie weergegeven, zodat een reële groei van 0,19% p.j. overblijft. De opgelopen indexatie-achterstand heeft inmiddels een fors effect op de pensioenuitkering en de schatkist.

Tabel 2.13 Ontwikkeling pensioenuitkeringen ouderdomspensioen ABP 2012-2014

(click op tabel of Ctrl+ om te vergroten)

(a) Het ABP heeft op zijn site een overzicht geplaatst van de hoogte van de ouderdomspensioenen per leeftijdscategorie. Het geeft ook een betere kijk op Hoekstra’s al te rooskleurige vervangingsratio’s. De uitkeringen stijgen niet door indexatie maar door de mutaties in het deelnemersbestand.

(b) Als de Nederlandse ouderen “het goed doen” is dat kennelijk niet van toepassing op Hoekstra’s ambtenaren. Ik ben immers niet zo onder de indruk van de hoogte van die uitkeringen. Daarbij moet ook nog in aanmerking genomen worden dat er inmiddels een cumulatieve indexatie-achterstand is opgebouwd van 13,46% vanaf 2011 (2009 en 2010 worden dan nog even vergeten). Die cijfers zijn ook nog geflatteerd omdat sinds 2015 op basis van de prijzen in de sectoren overheid en onderwijs (niet) wordt geïndexeerd i.p.v. de ontwikkeling van de lonen.

(c) Als het ABP deze cijfers ook nog eens voor 2006 en 2001 beschikbaar zou stellen zouden we kunnen zien hoe de ontwikkeling op lange termijn werkelijk was en die naast Hoekstra’s florissante cijfers zetten.

§3 Conclusies

(1) Als we werkelijk conclusies willen trekken omtrent de inkomens en vermogensverdeling moet de informatieverstrekking flink op de schop. Echt inzicht in de ontwikkeling van inkomen en vermogen krijg je overigens alleen als je dezelfde personen in de tijd volgt.

(2) Een analyse per generatie is nauwelijks interessant. Het vermogen van de 240.500 hoofdbewoners huishoudens die boven de 85-jarigen zijn {aantal verwachte levensjaren <= 6-7 jaar} bedroeg eind 2015 € 46 mld. en wordt binnen afzienbare tijd de jongeren in de schoot geworpen. Die € 151,5 mld. van de 75-85 jarigen komt ook weldra aan de beurt. In totaal gaat dat samen om 17% van het totale vermogen en 9,2% van het aantal woningen (een mooie doorstart) en 9,7% van de waarde van die woningen. Hoekstra gaat daar ook van profiteren – als hij ten minste zijn belastingdienst op orde krijgt.

(3) De ontwikkeling van het gemiddeld bruto-inkomen exclusief eigen woning is als volgt:

(a) Het reële bruto-inkomen exclusief eigenwoning steeg voor de periode 2001-2014 in totaal met 0,4% per jaar, voor de ouderen was dat 1,1% en voor de jongeren 0,5%.

(b) In dit bruto-inkomen van de huishoudens is de pensioenpremie nog steeds afgetrokken en de pensioenuitkering meegeteld, hoewel in feite sprake is van respectievelijk sparen respectievelijk ontsparen. Het inkomen werd immers genoten toen de prestatie in het actieve leven werd geleverd. Zoals we zagen is in beide gevallen sprake van een relatief hoge stijging door toename van de pensioenpremie van de actieve werknemers  en stijging van de pensioenuitkering door nieuwe toetreders.

[4] De ontwikkeling van het gemiddeld vermogen exclusief eigen woning, ondernemings- en aanmerkelijk belang vermogen voor de periode 2006-2015 is als volgt:

(a) Het vermogen exclusief eigenwoning en ondernemingsvermogen daalde voor de periode 2006-2014 in totaal reëel met 1,1% p,j., voor de ouderen was dat 0,8% p.j. en voor de jongeren zelfs 1,8 % p.j.

(b) Met deze grafiek kon Hoekstra natuurlijk niet komen, hij zou eens haast moeten maken met belasting op inkomen uit vermogen op basis van het werkelijk behaalde reële rendement.

__________________

Laatst bijgewerkt 19 april 2018

[1] W.B. Hoekstra, Minister van Financiën, brief Tweede Kamer, “Inkomens- en vermogenspositie van ouderen”, 8 april 2018,

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2018/04/09/kamerbrief-inkomens-en-vermogenspositie-van-ouderen/kamerbrief-inkomens-en-vermogenspositie-van-ouderen.pdf

[2] CBS, “Ontwikkeling inkomen en vermogen 65-plussers na ’95”’. 7 maart 2018, https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2017/10/ontwikkeling-inkomen-en-vermogen-65-plussers-na-95

[3] Bronnen

[3a1] https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/83834NED/table?ts=1523895426213

en

[3a2] http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=03725SVH&D1=0%2c2%2c4%2c7&D2=a&D3=0%2c20&D4=2&HDR=T&STB=G1%2cG2%2cG3&VW=T

[3b] http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=70991ned&D1=2&D2=16-125&D3=0&D4=a&HDR=G3,T,G2&STB=G1&VW=T

[4] zie de volgende bijdragen op deze site voor inkomens- en vermogenscijfers

♦ Besteedbaar inkomen 2014 (meest recente cijfers)

♦ Vermogen huishoudens 31-12-2015 (“2016”)

♦ Inkomen uit vermogen

♦ Inkomen uit vermogen revisited  (met een actualisatie van de gebrekkige cijfers)

Belastingdienst: zie de bijdragen

♦ vooral : Het datamijnenveld bij de belastingdienst

♦ De belastingdienst (revisited)

♦ De belastingdienst is een bordeel

[5] ABP, “Statistische bijlage jaarverslag 2016”,

http://jaarverslag.abp.nl/docs/ABP_stat_info_pop_2016/index.php?nr=37&r_code=ABP_stat_info_pop_2016

Hopelijk blijft de link deze keer wel in tact – voor de zekerheid heb ik dit document maar vast geborgd.

[6] https://www.pensioenfederatie.nl/stream/fiscaalkaderpensioenen-verbond-pensioenfederatie-maart2017def.pdf/20170919162247

[7] Wiemer Salverda, Bas van Bavel, “CBS meet méér ongelijkheid, maar verkoopt het als mínder”, Me Judice, 4 april 2017.

http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/cbs-meet-meer-ongelijkheid-maar-verkoopt-het-als-minder

Advertenties

From → 1. Actueel

Geef een reactie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

%d bloggers liken dit: