Skip to content

Arbeidsinkomensquote (AIQ)

8 juli 2017

__________________________________________________

De lage lonen maken Nederland en Duitsland zo competitief dat ze een fors betalingsbalansoverschot hebben. [1g] Die lonen kunnen dus best wat omhoog daar hebben we de ontwikkeling van de arbeidsinkomensquote helemaal niet voor nodig. Door de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling is de zelfstandige in staat de werknemer, tegen wil en dank, te onderbieden en diens gedrag draagt bij tot een algehele relatieve inkomensdaling, waarbij het bedrijfsleven een groot deel van de belastingfaciliteiten voor zelfstandigen in het lage loonsegment afroomt. Het hoge loon segment van de zelfstandigen wordt t.o.v. de werknemer onevenredig bevoordeeld en uiteraard leidt dit tot een sterke lobby in de media, die veelal gerund worden door diezelfde zelfstandigen, om uit wel begrepen eigen belang, geheel in strijd met artikel 1 van de grondwet, dit voordeel te handhaven. De politiek heeft onder Rutte I en II, met de goede contacten met VNO NCW, zitten slapen en is daarmee mede verantwoordelijk voor de ontstane situatie.

Recent is het CBS tergend laat uit zijn slaap ontwaakt en werd samen met het CPB en DNB, die de problematiek fors had aangezwengeld, tot een aanpassing van de arbeidsinkomensquote gedwongen.[1b] Dat leidt echter alleen maar tot een aanpasing van de cijfertjes, het arbeidsmarktbeleid om de zelfstandigenproblematiek te adresseren laat nog steeds op zich wachten.[7]

De factor arbeid verdient er een aardige grijpstuiver bij door het jaarlijkse rendement op hun pensioenvermogen dat ook nog van VRH is vrijgesteld. De AIQ ignoreert dit inmiddels uiterst substantiële inkomen volledig. (zie §5)

Het ontbreekt in Nederland aan behoorlijke vermogens- en inkomensstatistieken die een betrouwbaar beeld geven van de inkomens- en vermogenspositie van de huishoudens. Het triumviraat had hier beter zijn tijd aan kunnen besteden dan aan de AIQ. Een dergelijke statistiek zou immers een aanzienlijk beter beeld geven van het aandeel van arbeid en kapitaal in het inkomen en ook een betere analyse mogelijk maken. Ook de vermogenspositie van de staat zou zo beter tot zijn recht komen.

__________________________________________________

§1 Inleiding

In de bijdrage Besteedbaar inkomen 2014 besteden we al eens aandacht aan de ontwikkeling van de arbeidsinkomensquote 1970 – heden (AIQ) en de op handen zijnde aanpassing van deze overigens weinig bruikbare quote.[3a] Recent hebben het CPB, CBS en DNB gezamenlijk een publicatie aan dit onderwerp gewijd. [1b3] Die gezamenlijke actie was noodzakelijk omdat het CBS had zitten slapen en eerst door het CPB (CEP 2014) en uiteindelijk, net als de politiek, door het alternatieve CPB (DNB) moesten worden wakker geschud. [1b1] Alle reden dus om er weer eens verder in te duiken.

In het ESB-artikel Haalt de arbeidsinkomens quote de 100 percent? (en wat dan nog) maakte Salverda in een ver verleden (1977) al eens  gehakt van het “wanbegrip” arbeidsinkomensquote. [3a] Aldert Boonen (FNV) doet dit in zijn bijdrage aan de Tweede kamer hoorzitting ook. [3b5] Ik ga hun argumenten hier niet herhalen en verwijs de lezer naar die publicaties en voor de noodzakelijke balans ook naar de overige position papers.[3]

De berekening van de arbeidsinkomensquote is gebaseerd op het volgende schema [1b]:

Tabel 1 opbouw totaal verdiend inkomen

(1) Zoals bij elke vorm van  cijferkabbalisme is het belangrijk om kennis te nemen van de gehanteerde definities die voor het overzicht in noot [2] zijn opgenomen.

(2) Op de effecten van fisim en de eigenwoning van belang voor de AIQ per sector komen we in §4, overigens uiterst kort, terug. Op het rendement op het pensioenvermogen gaan we in §5 wat uitgebreider in omdat het CPB, CBS en DNB hier mijn inziens ten onrechte tittel noch jota aandacht aan besteden.

§2 Arbeidsinkomensquote en kapitaalinkomensquote

Het historische verloop van de AIQ op basis van de oude en nieuwe cijfers is als volgt[1a;1c]:

Grafiek 1 Historisch verloop AIQ oud en nieuw

(1) De AIQ_oud cijfers zijn ontleend aan de meest recente CPB-cijfers. [1a] De nieuwe AIQ-cijfers zijn van het CBS. [1c]

(2) Aangezien het arbeidsinkomen van jaar tot jaar voornamelijk de inflatie en de omvang van de beroepsbevolking en met een beetje mazzel de productiviteitsstijging volgt, worden de uitschieters in de AIQ substantieel veroorzaakt door de ontwikkelingen in het winstinkomen. Door de toename van het aantal tweeverdieners is overigens wel de beroepsbevolking relatief toegenomen. Door in de nieuwe systematiek het inkomen van de zelfstandigen volledig aan de factor arbeid toe te reken daalt het AIQ door het gemiddeld lagere inkomen van die groep.

(3) De discussie over de ontwikkeling van de AIQ in de Tweede kamer beperkt zich om onduidelijke redenen tot de periode 1995 – 2016 en concentreert zich op de zelfstandigen. Ons zijn immers jaren eendrachtig (CPB en CBS) de onjuiste cijfers voorgehouden, waarbij de politiek wenselijk geachte loonmatiging een niet onbelangrijke rol speelde. Daarmee is er uiteraard niets nieuws onder de zon, [9] Nederland heeft daar na de oorlog altijd, mede dankzij het CPB en (tot voor kort) ook DNB, in uitgeblonken. (zie ook Salverda 3a)

De kapitaalinkomensquote is de reciproke van de arbeidsinkomensquote en het verloop is dan ook als volgt:

Grafiek 3 Historisch verloop KIQ oud en nieuw

(1) De nieuwe cijfers tonen de omvang van de bijtelling van de negatieve rendementen van de zelfstandigen die door een (vermoedelijk) onjuiste aanname van het CPB en CBS aan de factor arbeid werden toegerekend. Eerst in 2004 (CEP) gingen de oogjes van het CPB tn dele open, voor het CBS was dat pas in 2006 het geval. Ik schrijf hier voor het CPB ten dele omdat op dezelfde pagina van het CEP de reële loonvoetontwikkeling nog steeds exclusief zelfstandigen werd weergegeven en doodleuk werd geconstateerd dat die reële loonvoet de arbeidsproductiviteit volgde. [CEP 2014, blz. 51]

We zullen de CPB-cijfers dan ook met de volgende grafiek complementeren:

(a) De cijfers zijn ontleend aan de tabel in §3 en komen van CBS-statline en [1a], voor wat die cijfers overigens voor zelfstandigen waard zijn. Gewerkte uren data en productiviteitscijfers  zijn voor zelfstandigen nauwelijks betrouwbaar te verkrijgen dunkt mij en voor werknemers is dat in het huidige tijdsbestek ook het geval. We zijn immers weer terug naar de 18e eeuwse proto-industrie in sommige bedrijfstakken.

(b) Misschien dat VNO-NCW deze cijfers wel betrouwbaar kan opleveren door daar een panelonderzoek naar in te stellen. Maar ook VNO-NCW steunt liever, net als de media, op de onzin die het CPB oplevert. [3b8, blz. 1, CEP 2014] Ik doel hier op de CEP 2014 quote (blz 51)

“Ook bij een andere berekeningswijze blijft de conclusie staan dat de huidige loonontwikkeling in de marktsector in lijn is met de beperkte productiviteitsgroei, geheel in lijn met de traditie van de „verantwoorde loonontwikkeling‟ en historisch stabiele aandelen van kapitaal en arbeid. “

Het is maar goed dat het CPB geen flatgebouwen bouwt. Voor lange termijncijfers zie [1i].

(3) Het gevonden gemiddeld uurtarief lijkt onwaarschijnlijk laag en we hebben er dus de jaarlonen van de zelfstandigen maar even bijgehaald: [1j]

(1) Ondanks de joodse verwensing “ik wens je veel personeel”, schijnt het hebben van personeel toch te lonen (mp = met personeel).

(2) Wat de Directeur Grootaandeelhouder (DGA) onder zelfstandigen te zoeken heeft, moet het CBS nog maar eens uitleggen. De Amsterdamse Zuidas crew is bijna collectief  DGA maar is materieel gewoon loonslaaf.

(3) Het aantal ZZP’ers bedroeg eind 2016 1.419.000, een stijging van 245.200 (21%) t.o.v. 2007.

Gecorrigeerd voor inflatie groei het inkomen van de zelfstandigen ook als een koeienstaart:

(2) In de periode 1990 – 2016 is de kapitaalinkomensquote van ≈ 19,6% (oud) naar 24,1% (nieuw) gestegen (en niet van 20% naar 27% zoals het FNV stelt), dat neemt niet weg dat dit nog steeds een flinke stijging is. [3b5, blz. 4]

(3) De cumulatieve toe- en afnames van de AIQ t.o.v. het jaar 1970 laat zich als volgt grafisch weergegeven:

Grafiek 3 Toename oude en nieuw AIQ t.o.v. 1970:

Voor de herrekende periode 1995 – 2015 is de grafiek volgens het CBS als volgt [1b2]:

Grafiek 4: AIQ oud en nieuw volgens CBS

(1) De CPB-cijfers sluiten duidelijk niet aan op de door het CBS in deze grafiek gehanteerde oude cijfers – vergelijk grafiek 1 en grafiek 4. Dat komt mede omdat bepaalde sectoren naar believen door het CPB en CBS uit de netto toegevoegde waarde = netto-binnenlandsproduct en het netto-exploitatieresultaat worden geëlimineerd. Overigens zonder dat dit traject voor een buitenstaander te volgen is, ik kan er ten minste, met mijn beperkte kennis, geen chocola van maken. [1c en 2]

§3 De loonontwikkeling zelfstandigen

We kunnen de volgende cijfers voor de zelfstandigen moeizaam bij elkaar sprokkelen:

De ontwikkeling van het aandeel in gewerkte uren t.o.v. het totaal aantal gewerkte uren is als volgt [1d]:

(1) Een ieder die gewerkt heeft in de dienstensector vraagt zich overigens af op welke wijze het CBS het aantal gewerkte uren in die sector uit zijn duim zuigt. Dat de job time gelijk is aan de shop time is inmiddels wel heel erg achterhaald met al dat excessieve onbetaalde overwerk en onbetaalde reistijden naast willekeurige nul-urencontracten. Ook wordt door stuklooncontracten het minimumuurloon op slinkse wijze ontdoken zonder dat de onderbezette arbeidsinspectie onder de bezielende leiding van Asscher daar een poot naar uitstak.

{Met een vierdaagse werkweek (geen reistijd en geen onbetaald overwerkop dag vijf) kan de arbeidsinkomensquota in natura dan ook aanzienlijk worden verhoogd}

Tabel aantallen en inkomen zelfstandigen [1f]:

(1) De toename van het aantal zzp’ers blijkt duidelijk uit de tabel.

(2) De ontwikkeling van het gemiddeld inkomen spreekt boekdelen. Helaas moeten die boekdelen gesloten blijven omdat een nadere analyse op basis van het beschikbare cijfermateriaal nauwelijks mogelijk is.

(3) Bij het inkomen dient men rekening te houden met de omvang van het zwarte circuit. Door de bewust door de politiek geëntameerde uiterst krakkemikkige controle van de belastingdienst wordt die situatie er niet beter op. Het netto-inkomen wordt positief beïnvloed door de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling die ook voor de zeer hoge inkomens in stand blijft. Daar waar de onderhandelingspositie van de zelfstandige markttechnisch zwak tot uiterst zwak is, wordt dit belastingvoordeel afgeroomd door het bedrijfsleven, waarmee de kapitaalinkomensquote stijgt ten laste van de belastingbetaler. De bijna continue verlaging van de vennootschapsbelasting en de box 2 faciliteiten doen dan de rest.

(4) Het (arbeids-) inkomen van de groot aandeelhouder DGA is door het box 2 inkomstenbelastingstelsel volkomen artificieel.

§4 fsim en eigen woning

In de publicatie [1b] werd ook extra aandacht besteed aan de bankensector en het eigen woning bezit.

4.1 Fsim (financial intermediation services indirectly measured)

De bankensector maakt gewoon onderdeel uit van het bedrijfsleven en er is derhalve geen enkele reden om een arbitrair onderscheid te maken tussen de interest spread in combinatie met de hedge-activiteiten en de overige bankactiviteiten. Door de samengevoegde kosten, onderdeel van het business model van de banken, is trouwens elke toerekening volstrekt arbitrair.

4.2 Eigen woning

De eigen woning is een consumptiegoed en ook voor dit onderwerp bestaat geen reden om uiterst arbitrair een toerekening te maken van het veronderstelde rendement. Die zogenaamde vrije huurmarkt dekt maar een fractie van het huurwoningbestand. Doordat de woningmarkt in Nederland gerund wordt als een Sovjet economie zijn alle woningmarktcijfers sowieso niet gebaseerd op marktwaarde en volstrekt verstoord door het HRA-infuus, grondpolitiek, banken die als de raven stelen, etc.

§5 Pensioenvermogen

Nederland heeft een waanzinnig groot pensioenvermogen waarvan ca 35% aan de staat en ca 65% aan de pensioendeelnemers toekomt. Voor de werkende pensioendeelnemers, grotendeels werknemers, is dat in elk geval zijn aandeel in het rendement en de technische mutaties in het pensioenvermogen van het pensioenfonds waaraan hij verplicht deelneemt. Overigens wordt slechts ca 14% van het pensioenvermogen in Nederland belegd (2013),  57% (2017K1) van de beleggingen vindt niet in euros plaats. Deze rendementen worden dus grotendeels in het buitenland behaald.

Om de pensioencijfers in enkele kengetallen weer te geven:

(1) De financiële diensten omvatten o.a. financiële instellingen, verzekeringswezen , pensioenfondsen en nog wat grut. De bruto toegevoegde waarde van die sector is onwaarschijnlijk laag en in de periode 2007 – 2016  slechts 5,5% – 8,5% van de totale bruto toegevoegde waarde. [1h]

(2) De gegevens van het pensioenvermogen en de rendementen op het pensioenvermogen zijn mede onleend aan de bijdrage Pensioenen 2016.

(3) Het onbekende rendement van het pensioenverplichting  verzekeringsmaatschappijen en derde pensioenpijler is berekend over het beginvermogen in enig jaar tegen 4%.

(4) De staat deelt voor ca 35% mee in het pensioenvermogen en dus ook in de behaalde beleggingsresultaten. De staat ziet af van de vermogensrendementsheffing op het pensioenvermogen.

(5) De pensioenfondsen genoten in topjaar 2014 een rendement van € 175 mld. waarbij het bruto werknemersaandeel dus 65% of € 114 mld. bedroeg. Daarvan vindt je bij de berekening van de AIQ niets terug. Ter vergelijking het inkomen inclusief sociale lasten en pensioenpremies van van alle werknemers (incl. ambtenaren) bedroeg in 2014 € 291 mld. Voor de periode 2007-2014 bedroeg het bruto inkomen €2.213 mld. en het bruto rendement op het pensioenvermogen pensioenfondsen € 533 mld. of 24 % van het bruto inkomen. En dan heb ik het rendement van de pensioenen die ondergebracht zijn bij verzekeringsmaatschappijen nog niet eens meegerekend.

§6 Conclusie

Misschien is het dus geen slecht idee als het CPB, het CBS en DNB nog eens bij elkaar gaan zitten om te zien hoe de inkomens- en de vermogenspositie van de burgers en de staat beter dan in de huidige gebrekkige statistieken tot uitdrukking kan worden gebracht? (Q.E.D)

Als daarbij het werkelijk vermogen en het werkelijk inkomen uit dit vermogen los van de belastingwetgeving in kaart zou worden gebracht is het eindelijk om zinvolle conclusies te trekken  omtrent de inkomensontwikkeling. Aanpassing van de belastingwetgeving aan de economische realiteit zou daarbij helpen.

De belasting op arbeid bedraagt rond 40-45% en op kapitaalinkomen rond de 9%. (Jacobs en Bavel [3b3]). Een verandering in de verhouding AIQ/KIQ heeft dus direct consequenties voor de belastingopbrengst. Het wordt overigens hoog tijd dat de belasting op kapitaalinkomen wordt aangepakt. [zie 8] Van Rutte III hoeft u, net als dat voor Rutte II het geval was, op dat punt overigens niets te verwachten.

_________________

Laatst bijgewerkt  11 juli 2017

[1] Bronnen data

[1a]  CPB,”Bijlage 2: Kerngegevens voor Nederland”,

https://www.cpb.nl/sites/default/files/omnidownload/bijlage-02-KMEV-2018.xls“,

[1b1] DNB, “Alternatieve arbeidsinkomensquote is momenteel relatief laag ”

https://www.dnb.nl/nieuws/nieuwsoverzicht-en-archief/dnbulletin-2016/dnb340720.jsp

[1b2] CBS, Position paper arbeidsinkomensquote 29 augustus 2016

https://www.cbs.nl/-/media/_pdf/2016/41/cbs_position_paper_arbeidsinkomensquote.pdf

[1b3] CPB, “Herziening methode arbeidsinkomensquote”

https://www.cpb.nl/publicatie/herziening-methode-arbeidsinkomensquote

[1c] CBS maatwerk, – Tabellen herziening methode arbeidsinkomensquote

Dat maatwerk is van een bedroevende kwaliteit met een uiterst krap uitgevallen confectiemaatje. Naar de data van de onderliggende elementen van de AIQ ( zie tabel) en een audit trail van de aanpassingen zal men vergeefs zoeken. In het bordeel dat CBS statline heet, zal men deze informatie vermoedelijk ook niet aantreffen, het presenteerblaadje ontbreekt in elk geval.

[1d] CBS Statline,”Arbeidsvolume en werkzame personen, kwartalen; nationale rekeningen”,

http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=82575NED&D1=4&D2=a&D3=0&D4=64,69,74,79,84,89,94,99,104,109&HDR=T&STB=G2,G1,G3&VW=T

[1f] CBS Statline, “Zelfstandigen; inkomen, vermogen, kenmerken, bedrijfstakken”

http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=83186NED&D1=0,2&D2=0-1,4,7-10&D3=0&D4=0&D5=a&HDR=G4,G3,T&STB=G2,G1&VW=T

[1g] DNB, “Betalingsbalans en extern vermogen”

https://www.dnb.nl/statistiek/statistieken-dnb/betalingsbalans-en-extern-vermogen/index.jsp

Teulings,” Hoger loon ambtenaar helpt iedereen”,

https://www.nrc.nl/nieuws/2017/06/21/hoger-loon-ambtenaar-helpt-iedereen-11183773-a1563826

[1h] CBS Statline, “Opbouw binnenlands product (bbp); nationale rekeningen”,

http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=82262NED&D1=0-21&D2=37-47&HDR=G1&STB=T&VW=T

[1i]CPB, “Loonvoetontwikkeling in de pas met productiviteitsgroei”,  https://www.cpb.nl/sites/default/files/cep2013_kader_pag53.pdf

Dit losslingerende velletje, dat duidelijk onderdeel uitmaakt van een groter verhaal (CEP 2013) laat de loonontwikkeling van de contractlonen 1970 – 2014 zien. De bruikbaarheid voor ons doel is gering, getuige de definitie:

Het CAO-loon inclusief bijzondere beloningen omvat de volgende elementen:
– het brutoloon voor normale arbeidstijd van voltijdwerknemers
– alle bindend voorgeschreven, regelmatig betaalde toeslagen
– alle bindend voorgeschreven bijzondere (niet maandelijkse) beloningen, zoals de vakantietoeslag of de eindejaarsuitkering.
Uitgesloten zijn toeslagen die in de CAO’s voorwaardelijk zijn gesteld, zoals een leeftijdstoeslag of een toeslag voor ploegendienst, en individuele loonstijgingen.

Sociale lasten en pensioenen doen dus ook niet mee.

[2] Begrippen:

We geven hierbij een aantal begrippen. Om de achterliggende cijfers eenvoudig in statline of in het maatwerk te vinden is natuurlijk te veel gevraagd van ‘ons’ CBS.

[1j] http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=83186NED&D1=10-11,14&D2=a&D3=0&D4=0&D5=a&HDR=G4,G3,T&STB=G2,G1&VW=T

Marktsector

“Onder de marktsector wordt hier verstaan de totale economie minus de overheid, de gezondheids- en welzijnszorg, de bedrijfstak ‘verhuur van en handel in onroerend goed’, de delfstoffenwinning en de financiële dienstverlening. Doorgaans wordt de financiële dienstverlening wel tot de marktsector gerekend. Voor de financiële dienstverlening is een AIQ volgens de nieuwe berekeningswijze alleen zinvol in combinatie met de verhuur van en handel in onroerend goed. Daarom is er in deze publicatie voor gekozen ook de financiële dienstverlening buiten de marktsector te houden.”

Arbeidsinkomensquote (nieuw)

De arbeidsinkomensquote (AIQ) meet het aandeel van de beloning van arbeid (van werknemers en zelfstandigen) in het totale verdiende inkomen van een land.

De beloning van arbeid bestaat uit de beloning van werknemers en de beloning voor de arbeid van zelfstandigen en meewerkende gezinsleden.

Het netto gemengd inkomen bevat de totale inkomsten die zelfstandigen verdienen met de inzet van arbeid, kapitaal en ondernemerschap.

Het netto exploitatieoverschot is de toegevoegde waarde na aftrek van de beloning van werknemers en het saldo van overige belastingen en subsidies op productie, zoals onroerendezaakbelasting (ozb) en motorrijtuigenbelasting en de afschrijvingen.

Het totale verdiende inkomen in een land bestaat uit de som van de beloning van werknemers, het netto exploitatieoverschot van bedrijven en het netto gemengd inkomen van zelfstandigen.

[3a] Wiemer Salverda, Haalt de arbeidsinkomens quote de 100 procent? (en wat dan nog), https://www.google.nl/url?sa=t&rct=j&q=&esrc=s&source=web&cd=1&cad=rja&uact=8&ved=0ahUKEwiRp5yFivfUAhXSfFAKHSFpB0sQFggpMAA&url=https%3A%2F%2Fwww.tpedigitaal.nl%2Farchief%2F1_4%2F1_4_Haalt_de_arbeidsinkomens_quote_de_100_procent_en_wat_da.pdf&usg=AFQjCNHJlxGBbql3BIWjXEltqdHvpD9mVQ

[3b] https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2016/07/05/beantwoording-kamervragen-over-alternatieve-arbeidsinkomensquote/beantwoording-kamervragen-over-alternatieve-arbeidsinkomensquote.pdf

Alle papers van de Tweede Kamer hoorzitting op 14 september 2016 zijn hier te vinden:

Bron:

https://www.tweedekamer.nl/debat_en_vergadering/commissievergaderingen/details?id=2016A02798

[3b1] 2016Z15684 Position paper d.d. 30 augustus 2016 – Position paper DNB t.b.v. hoorzitting/rondetafelgesprek Loonontwikkeling en arbeidsinkomensquote (AIQ) d.d. 14 september 2016

[3b2] CPB 2016Z15685 Position paper d.d. 30 augustus 2016 – 

2016Z16102 Position paper d.d. 7 september 2016 – 

[3b3] Bas van Bavel Position paper UU t.b.v. hoorzitting/rondetafelgesprek Loonontwikkeling en arbeidsinkomensquote (AIQ) d.d. 14 september 20162016Z15876 Position paper d.d. 5 september 2016 – Position paper CBS t.b.v. hoorzitting/rondetafelgesprek Loonontwikkeling en arbeidsinkomensquote (AIQ) d.d. 14 september 2016

zie ook:

https://dspace.library.uu.nl/handle/1874/341797

[3b4] Position paper CPB t.b.v. hoorzitting/rondetafelgesprek Loonontwikkeling en arbeidsinkomensquote (AIQ) d.d. 14 september 20162016Z16218 Position paper d.d. 8 september 2016 – Position paper C. Caminada t.b.v. hoorzitting/rondetafelgesprek Loonontwikkeling en arbeidsinkomensquote (AIQ) d.d. 14 september 2016

[3b5] 2016Z16243 Position paper d.d. 8 september 2016 – Position paper FNV t.b.v. hoorzitting/rondetafelgesprek Loonontwikkeling en arbeidsinkomensquote (AIQ) d.d. 14 september 2016

zie ook: voor de samenhang met de dalende interest, vennootschapsbelasting en investeringen.

Me Judice, Aldert Boonen, ” Onrustbarende onbalans: stijgende winsten en haperende investeringen ”

http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/onrustbarende-onbalans-stijgende-winsten-en-haperende-investeringen

[3b6] 2016Z16245 Position paper d.d. 8 september 2016 – Position paper FNV Zelfstandigen t.b.v. hoorzitting/rondetafelgesprek Loonontwikkeling en arbeidsinkomensquote (AIQ) d.d. 14 september 2016

[3b7] 2016Z16402 Position paper d.d. 12 september 2016 – Position paper CNV Vakcentrale t.b.v. hoorzitting/rondetafelgesprek Loonontwikkeling en arbeidsinkomensquote (AIQ) d.d. 14 september 2016 

[3b8] 2016Z16435 Position paper d.d. 13 september 2016 – Position paper VNO-NCW en MKB-Nederland t.b.v. hoorzitting/rondetafelgesprek Loonontwikkeling en arbeidsinkomensquote (AIQ) d.d. 14 september 2016

[4] “Als zelfstandigen dezelfde beloning per arbeidsjaar krijgen toegerekend als werknemers, is hun toegerekende beloning van arbeid structureel hoger dan hun totale inkomen. Om toch aan te sluiten bij hun (gemeten) totale inkomen, moeten de beloning van kapitaal en de winsten van zelfstandigen in dit geval structureel negatief zijn.” [1b]

{Toen ik nog werkzaam was adviseerde ik dit soort ondernemers om de tent dan maar te te sluiten. Het CBS kalkt kritiekloos de cijfers over en blijft het kennelijk niet renderende ondernemingsvermogen als vermogen opvoeren}

[5] https://www.cpb.nl/publicatie/herziening-methode-arbeidsinkomensquote

[6] https://www.dnb.nl/nieuws/nieuwsoverzicht-en-archief/dnbulletin-2016/dnb340720.jsp

[7] https://esb.nu/esb/20021497/definitie-lost-probleem-zelfstandigen-niet-op

[8] https://personal.eur.nl/bjacobs/jacobs_send.pdf

[9] How economics became a religion, https://www.theguardian.com/news/2017/jul/11/how-economics-became-a-religion

Advertenties

From → 0. Permanent

2 reacties
  1. Dank voor uw reactie.

    1) Zoals ik schreef heb ik de grootst mogelijke moeite en het is mij feitelijk niet gelukt om de arbeidsinkomensquote en de herrekende arbeidsinkomensquote uit het cijfer materiaal te destilleren. De door het CBS verstrekte informatie is daarvoor niet toereikend. Ik doel daarbij op CBS maatwerk, – Tabellen herziening methode arbeidsinkomensquote

    2) Het had voor de hand gelegen om op basis van het schema in tabel 1 van mijn tekst, die aansluit op de CBS & c.s. paper, een overzicht te geven van de diverse componenten voor de jaren 1995 – 2005, zodat de AIQ zich laat berekenen op de oude en nieuwe wijze en de samenhang in het cijfermateriaal duidelijk wordt. Dit klemt te meer daar sommige sectoren bij de bepaling van de bruto en netto toegevoegde waarde kennelijk worden weggelaten. Naar de overgang bruto – netto toegevoegde waarde per sector kun je ook zoeken tot je een ons weegt.

    3) Wat dus precies de teller en de noemer bij de bepaling van de AIQ is laat zich door mij uit het beschikbare cijfermateriaal niet te bepalen.
    Ik moet overigens aannemen en ben daar ook van uitgegaan dat de CPB cijfers van juni 2017

    Kerngegevens voor Nederland, 1970-2018
    excel document, 104 KB
    Download document

    nog steeds van de oude AIQ-cijfers uitgaan, wat ook weer uiterst vreemd is.

    4) Als ik het CBS-verhaal goed begrijp is het eerder genoemde maatwerk het hele gemengde inkomen van zelfstandigen. In het oude systeem werd dit gesplitst in arbeidsinkomen en ondernemingsinkomen. Die splitsing wordt niet gegeven en kennen we ook niet. We weten alleen dat het ondernemingsinkomen zelfstandigen negatief was.

    5) Gezien deze DNB-passage is sprake van diverse definities van AIQ:
    “Onder de marktsector wordt hier verstaan de totale economie minus de overheid, de gezondheids- en welzijnszorg, de bedrijfstak ‘verhuur van en handel in onroerend goed’, de delfstoffenwinning en de financiële dienstverlening. Doorgaans wordt de financiële dienstverlening wel tot de marktsector gerekend. Voor de financiële dienstverlening is een AIQ volgens de nieuwe berekeningswijze alleen zinvol in combinatie met de verhuur van en handel in onroerend goed. Daarom is er in deze publicatie voor gekozen ook de financiële dienstverlening buiten de marktsector te houden.”

    Het wachten is dus op een publicatie die wel behoorlijk uitlegt waar het cijfermateriaal vandaan komt. Kennelijk kun je dat niet aan het triumviraat CBS, CPB en DNB overlaten en schrijven de media ook liever persberichten over.

    Ik heb uw cijfers even in een spreadsheet gezet. U heeft duidelijk meer inzicht in de samenhang van de cijfers dan ik zelf kan opbrengen. Dat neemt niet weg dat ik nog steeds niet zie hoe het CPB aan een AIQ van 77,7% voor 2016 komt. Overigens is mij niet duidelijk waar het buitenlandse primaire inkomen cijfer vandaan komt.

    https://cormol.wordpress.com/17_026_400/

  2. Dor van Bilsen permalink

    Geachte Heer Mol,

    Bedankt voor uw prikkelde bericht. Uw berichten houden ons bij de les !

    Interessant om te zien hoe een in theoretisch opzicht helder concept bij statistische operationalisering, door beperkt beschikbare en wellicht ook niet helemaal valide data, verwordt tot een geknutseld construct.

    Het artikel van Salverda (TPE, 1977) kende ik niet, maar lijkt mij nog steeds uiterst relevant. Het wordt inderdaad allemaal wel een beetje hachelijk wanneer gebrekkige maatstaven sturingsvariabelen worden voor overheidsbeleid of zelfs worden aangezien voor de werkelijkheid.

    Uit uw bijgevoegde definitorisch kader, maar ook uit de uw verwijzing naar de vermelde bronnen, maak ik op dat het verdiend inkomen (tegen factorkosten=fk) wordt gedefinieerd als de som van de beloningen voor werknemers plus het (netto) gemengd inkomen van zelfstandigen en het (netto) exploitatieoverschot. Dit plaats mij in zekere zin voor een (nieuwe) puzzel. Ter adstructie zie onderstaande opmerkingen.

    Bij mijn weten verschaft de Staat van Middelen & Bestedingen (SMB) van het CPB o.a. inzicht in de opbouw en omvang van het BBP en de daaraan te linken begrippen als netto nationaal inkomen. Het BBP wordt hierin opgebouwd vanuit de in het binnenland gevormde toegevoegde waarde door sommatie van de (binnenlandse) loonsom (bedrijven en overheid) en het netto exploitatie-overschot (bedrijven). In deze opstelling (staffel) wordt geen (expliciete) informatie verschaft over zoiets als het (netto) gemengd inkomen van zelfstandigen. Dit doet vermoeden dat het gemengd inkomen onderdeel is van het (netto) exploitatie-overschot. Maar bij de nieuwe (vernieuwde) definitie van de AIQ kan dit wel leiden tot een terminologische interferentie. Immers daar wordt naast netto exploitatie-overschot (bedrijven) expliciet gesproken over het gemengd inkomen zelfstandigen. Het begrip netto exploitatieoverschot verliest daarmee zijn eenduidigheid. Dit impliceert dan wellicht weer een herdefiniëren (nadere precisering) van het begrip (netto) exploitatie-overschot ( in de SMB). Als we niet oppassen dan blijven we m.i. bezig met herdefiniëren. Dit is toch enigszins frustrerend en komt de geloofwaardigheid en hanteerbaarheid van de statistiek niet ten goede.

    Als ik op basis van de SMB 2017 uit het CEP 2017 (bijlage 1.2) voor 2016 het verdiende inkomen probeer te achterhalen ga ik op zoek naar het netto nationaal inkomen tegen factorkosten. Hiertoe bereken ik eerst het netto nationaal inkomen tegen marktprijzen (Y). Door het BBP tegen mp te zuiveren voor de afschrijvingen en daarna te verhogen met het saldo van de primaire inkomens uit het buitenland. Voor 2016 resulteert dit in: Y = 697,2 – 114,7 + (-5) = 577,5 ( mld €).
    Om het verdiende inkomen tegen factorkosten te achterhalen corrigeer ik vervolgens nog voor het saldo van (kost)prijsverhogende belastingen en prijsverlagende producenten subsidies, met als resultaat € 502,5 mld (namelijk 577,5 – 75).

    Het verdiende inkomen tegen factorkosten kan ook bepaald worden door de binnenlandse loonsom (bedrijven + overheid) te verhogen met het (netto) exploitatieoverschot van de bedrijven plus het saldo van de primaire inkomens met het buitenland; dus: 344,6 + 162,9 + (-5) = 502,5 ( mld €).

    Het verdiende inkomen (fk) – als totale vergoeding voor arbeid en vermogen (kapitaal) – komt dus in beide benaderingen uit € 502,5 mld (inclusief het inkomen van de zelfstandigen).

    Ik ben benieuwd hoe e.e.a. uitpakt in de MEV 2018.

    Mvgr.,

    Dor van Bilsen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: