Skip to content

Houdbaarheidssaldo overheidsfinanciën – pensioenen

15 mei 2017

_______________________________________________________________________________________________________

Het houdbaarheidsoverschot bedraagt volgens het CEP 2017 0,5% bbp of 4 mld. Dat is een schamele vooruitgang t.o.v. 2010 toen het houdbaarheidstekort nog -4,5 % bbp of € -29 mld. bedroeg. Die vooruitgang is schamel omdat de belastingclaim eind 2021 naar verwachting al  € 774 mld. zal bedragen en de overheidsschuld € 383 mld. Netto is het actief dan € 391 mld.

De vraag die zich binnen een houdbaarheidssaldo discussie dan direct opkomt is hoe groot het pensioenvermogen en de overheidsschuld eind 2060 in euro’s dan wel zullen zijn. Naar dat antwoord zult u bij het CPB vergeefs zoeken en dat is op zijn minst opmerkelijk voor zo’n degelijke studie. Regelmatig gaan er stemmen op die beweren dat de pensioenpotten dan leeg zouden zijn. Het ABP was echter een andere mening toegedaan en de burger wordt dus al of niet opzettelijk dom gehouden.[9] De media stonden erbij en keken ernaar.

Toen het CPB in het CEP 2017 aankondigde dat het houdbaarheidsoverschot 0,5% bbp bedroeg, was de reactie van veel economen dat de staat de hand op de knip moest houden. In de Middellange-termijnverkenning 2018-2021 (mltv 03/2016) werd ons door het CPB weggestopt in een tabel voorgeschoteld dat de officiële overheidsschuld eind 2040 zou zijn omgeslagen in een actief van -5% bbp_2040 en in 2060 zelfs -31 % bbp_2060 ( € -1.024 mld.) zou bedragen. In het document Stabiliteitsprogramma Nederland (04/2017) werd ons sluiks meegedeeld dat de reserves   pensioenfondsen in 2060 € 5.361 mld. zullen bedragen. De belastingclaim bedraagt dan € 1.876 mld. Deze cijfers werpen een geheel ander licht op de zaak dan ons altijd wordt voorgehouden. Ik hou mij in want ik zou natuurlijk met recht ook voorgelogen kunnen opschrijven.

We duiken in deze bijdrage nader in de cijfers en komen tot de conclusie dat het actief van de overheid eind 2060 bijna € 2,9 biljoen zal  bedragen {(1.024 + 1876) mld.} op basis van de beschikbare gegevens, Daarvoor is wel wat rekenwerk nodig (zie 7. appendix). Dit onder de aanname dat niemand een poot uitsteekt (“constante arrangementen”) om deze uiterst merkwaardige ontwikkeling te stoppen. Volgens een overigens onzinnige berekening bedraagt de contante waarde (@ 5%) van die € 2,9 biljoen in 2060 eind 2021  -53 % bbp_2021 (€ -433 mld). In koopkracht 2021 is die € 2,9 biljoen vergelijkbaar met -163 % bbp_2021 (€ – 1.340 mld.). U begrijpt dat mijn verbazing alleen maar toeneemt.

Update: inmiddels (MLT 16/8/2017) is het houdbaarheidssaldo van de maand gedaald tot 0,2% bbp_20xx. De daling komt door kwaliteitsimpuls verpleeghuiszorg en de wijziging uitgaven na 2021, deels gecompenseerd door budgettaire meevallers en aantrekkende economische groei. De beroerde beleggingsresultaten van de pensioenfondsen in het 1e halfjaar 2017 is kennelijk nog nog niet tot het CPB doorgedrongen. Omdat we het eerste haljaar 2017 zo’n € 40 mld. aan rendement op het pensioenvermogen mislopen is dat effect al vele malen groter. Het houdbaarheidstekort neemt daarmee met 1,7% bbp_2021 of € 14,4 mld. toe, zonder dat u dit bij het CPB terugvindt.   

_______________________________________________________________________________________________________

§1 Inleiding

Af en toe wordt ons door de overheid een afgekloven botje toegeworpen, maar in het algemeen kan gesteld worden dat het verstrekte cijfermateriaal volstrekt ontoereikend is als we ons concentreren op het bbp, de overheidsschuld en de stand van het pensioenvermogen op de langere termijn. Ook de gepretendeerde hoogte van dat pensioenvermogen zelf valt systematisch te laag uit. In deze bijdrage leggen we de botjes eens bij elkaar en concentreren ons op de ontwikkeling van het bbp, overheidsschuld, pensioenvermogen en de daarop rustende belastingclaim tot eind 2060. Deze legpuzzel is in 7. appendix in deze bijdrage cijfermatig uitgewerkt.

Eerder toonden we al aan dat die houdbaarheidssommetjes voor Nederland je reinste tijdverspilling en derhalve economisch gezien een uitermate ondoelmatige bezigheid zijn.

We geven eerst wat achtergrondinformatie over de bepaling van het houdbaarheidssaldo en ontlenen de volgende gegevens aan de publicatie Stabiliteitsprogramma Nederland 2015 [1c]:

De houdbaarheid van de overheidsfinanciën wordt beoordeeld aan de hand van het houdbaarheidssaldo. Overheidsfinanciën zijn houdbaar als de toekomstige belastingopbrengsten voldoende zijn om de toekomstige uitgaven en de rente op de huidige uitstaande overheidsschuld te dekken. Voor onhoudbare overheidsfinanciën geldt namelijk dat de staatsschuld blijft oplopen en op de lange termijn uit de hand loopt. Houdbare overheidsfinanciën betekenen dus op z’n minst een stabilisering van de staatsschuld als percentage van het bbp op de lange termijn.[1c]

Bij de berekening van het houdbaarheidssaldo worden ‘constante arrangementen’ aangenomen. Dit begrip houdt in dat de toekomstige generaties in dezelfde mate van overheidsvoorzieningen profiteren als de huidige generaties. De definitie van het profijt is dat de uitgaven aan collectieve voorzieningen (bijvoorbeeld aan zorg) in verhouding tot het inkomen gelijk zijn voor de verschillende generaties. Constante arrangementen zijn dus niet hetzelfde als ongewijzigd beleid. Zo zou ongewijzigd beleid betekenen dat op de lange termijn iedereen in het hoogste belastingtarief zou vallen. Bij constante arrangementen blijft de belastingdruk echter gelijk. De houdbaarheidsstudie veronderstelt constante arrangementen en bevat dus geen ‘voorspelling’ van het meest realistische scenario voor de ontwikkeling van de overheidsfinanciën.[1c]

Het CPB geeft zelf nadrukkelijk aan dat de hele exercitie met onzekerheden is omgeven. Het woord onzeker komt dan ook 27 keer in de studie voor. In de media wil die clausulering nog wel eens worden weggelaten.

Die “constante arrangementen” worden door het CPB zelf ingevuld en zijn daarmee niet geheel waardevrij. Zo geldt dat de kasstromen van toekomstige belastingopbrengsten, uitgaven en overige inkomsten en de rente tegen de contante waarde (CW) moet worden berekend tegen een discontovoet van 5% (reële rente 3%) over de hele periode 2010-2060, alsof de tijd heeft stilgestaan. Aangenomen wordt dat de zorgkosten met 1% per jaar stijgen. Ook wordt door het CPB tegen beter weten in, gesteld dat de AOW waardevast is. [4] De belastingschijven worden gecorrigeerd voor inflatie, hoewel dit in het verleden wel eens verzaakt werd als de nood aan de man kwam. Het CPB bedrijft dus systematisch, maar wel consistent, politiek zoals overigens in hun publicaties valt na te lezen als je daar ten minste de moeite voor neemt. Marcel van Dam toonde dat in zijn boek Niemandsland al aan, maar het CPB is Oost-Indisch doof.[4b]

§ 2. De probleemstelling

Het CPB geeft hoofdzakelijk stroomgrootheden zodat we nauwelijks informatie hebben over de tussenstanden en eindstanden van de grootheden bbp, pensioenvermogen en daarmee de belastingclaim op dat vermogen en de stand van de overheidsschuld in echte euro’s. Uiteraard heeft het CPB deze informatie wel, maar waarom zou je die met je burgers delen? Dat geeft alleen maar aanleiding tot terecht gestelde vragen.

Om te begrijpen waar het gat zit moeten we dus aan de hand van het krakkemikkige cijfermateriaal deze gegevens zelf achterhalen. Om praktische reden is die zoektocht in 7. appendix van deze bijdrage opgenomen.

De aard van het cijfermateriaal en de toleranties in de prognoses maken dat de uitkomsten slechts een indicatie kunnen geven van de werkelijke stand van zaken. In elk geval zijn de mutaties in het pensioenvermogen uiterst globaal door een achterhaald FTK en de onzekere rendementen. Eigenlijk zijn dit soort lange termijn exercities het papier niet waard waarop het geschreven is.

In de intro gaven we al aan dat er een onbegrijpelijke discrepantie bestaat tussen de ontwikkeling van het houdbaarheidstekort en de sterk oplopende belastingclaim op het pensioenvermogen. Er moet dus ergens een flink lek in de CPB-berekening van het houdbaarheidstekort zitten. Het verschil in ontwikkeling laat zich als volgt illustreren:

(click op tabel of Ctrl+ om te vergroten)

Tabel 2.1. Bij elkaar gegrabbelde data

(a) Gegeven de stijging en hoogte van de belastingclaim op het pensioenvermogen en de geleidelijk afnemende overheidsschuld lijkt mij elke discussie over houdbaarheid van de overheidsfinanciën een puur academische aangelegenheid.

(b) Volgens de mltv [1d, blz. 45] bedraagt de overheidsschuld eind 2060 – 31 % bbp_2060. Hoe groot dat bbp dan mag wezen moet de lezer zelf raden. Waarom die constante arrangementen dan in de periode 2040-02060 nog door het CPB zijn doorgezet ook, de Nederlandse staat is geen spaarbank. Immers eind 2040 was de overheidsschuld ook al een actief groot -6 % bbp_2040. Eind 2010 werd de overheidsschuld eind 2060 nog geschat op 28% bbp.[1a, blz 34]

Ook zonder houdbaarheidssommetjes wordt immers een aardig beeld van de stand van de overheidsfinanciën gekregen door een overheidsbalans op te stellen die op reële uitgangspunten is gebaseerd. Hiertoe geven we in §3 een aanzet.

3. De balansbenadering van de cijfers

Het CBS zou natuurlijk ook een behoorlijke overheidsbalans kunnen opstellen, waarbij alle activa en passiva volgens gebruikelijke normen in het maatschappelijk verkeer op accrual basis zouden worden gewaardeerd. Als het vermogen dan voldoende positief uitkomt, is het volstrekt zinloos om het CPB ingewikkelde houdbaarheidssommetjes te laten maken. Er geldt natuurlijk wel dat ” the Netherlands is obliged to reduce the general government debt to below 60% of GDP, in conformity with the SGP’s debt rule.” Als de EU-bobo’s balans hadden kunnen lezen zou Nederland ruim aan de Stabiliteits- en Groeipact (SGP) verplichtingen hebben voldaan en als dat volgens de regeltjes niet kan, dan deugen de regeltjes niet. Die EU-bobo’s moeten overigens maar één land onder de Eurolanden aanwijzen dat er zo goed voorstaat als Nederland, terwijl we toch jaren op basis van Rehn zijn richtlijnen onder de Excessive Deficit Procedures vielen. Helaas doet het CBS zijn huiswerk niet en volgt het ogenschijnlijk blind, zonder kanttekeningen te plaatsen of zelf na te denken, de voor Nederland uiterst stupide regeltjes.

§ 3.1 De belegging van de overheidsschuld in het pensioenvermogen

Per eind 2016 kunnen we de positie als volgt samenvatten in € mld.:

Die overheidsbelegging in het pensioenvermogen zal in 2021 zijn opgelopen tot € 774 mld. Deze belegging levert voor de staat nog een aardig rendement op dat natuurlijk niet in de boeken staat.

§ 3.2 De Overheidsbalans 2015

De meest recente verkorte overheidsbalans kunnen we na toevoeging belastingclaim pensioenvermogen als volgt samenvatten:

§ 3.3 De AOW-verplichting en de vordering uit hoofde van AOW- premies

“Hoewel de AOW met een omslagstelsel werkt, is er voor gekozen om bij deze inschatting zoveel mogelijk aan te sluiten bij berekeningen van de benodigde reserves voor het aanvullend werknemerspensioen. De inschatting van het toekomstig, inflatie-gecorrigeerd rendement gebeurt op basis van de zogeheten disconteringsvoet. Het CBS hanteert als disconteringsvoet een flexibele rente, die overeenkomt met de marktrente en door DNB wordt voorgeschreven aan pensioenfondsen). Er is voor deze methode gekozen omdat die beter aansluit bij wat pensioenfondsen hanteren. De uitkomsten voor de totale AOW-aanspraken zijn erg gevoelig voor deze keuze.” [4d]

In de bijdrage CBS totale pensioenaanspraken maakten we al eens gehakt van deze 2015 CBS-berekening van de AOW-verplichting per eind 2013. [3] Deze verplichting werd door het CBS berekent op €1.356 mld. We vatten de bevindingen hier nog maar een keer samen:

(1) De door het CBS gehanteerde rekenrente is de UFR, redelijk losgeslagen van de realiteit, terwijl Eurostat b.v. met 3% rekent. Maar als je de FTK- regeltjes wilt hanteren moet je dat natuurlijk wel goed doen en ook het reservetekort van ca 25% in 10 jaar ophoesten. Gaan we – net als het CPB – uit van een waardevaste AOW dan moet de voorziening op 135% uitkomen en moet de voorziening volgens het CPB dus eigenlijk € 1.831 bedragen.

De voorziening volgens de Eurostat systematiek bedraagt € 940 mld., zonder uiteraard rekening te houden met de belasting- en premieopbrengsten.

(2) Als ik naar mijn AOW-afrekening van de SVB kijk, zie ik dat ik de ingehouden loonheffing en zvw-premie nooit in handen krijg. Die moet je dus van de bruto AOW-verplichting aftrekken. Ook betaal ik over de uitgaven die ik uit mijn AOW doe ca 8% indirecte belastingen, die de overheid anders ook niet opstrijkt. Met dit alles wordt door het CBS geen rekening gehouden. (Wel in de CPB-houdbaarheidsstudie) Het CPB geeft zelf in zijn houdbaarheidsstudie aan dat ca 35% loonbelasting en premies wordt ingehouden op de pensioenen, met de indirecte belasting correctie is dan de bate voor de staat op de AOW-uitkering dus ca 40%.

Samenvattend komt de netto AOW-verplichting eind 2013 daarmee op:

De op handen zijnde fiscalisering AOW, waarbij 1% AOW premie wordt vervangen door 1% hogere loonheffing tot het AOW maximum premie-inkomen, leidt voor iemand met een bruto inkomen (echtpaar) van b.v. € 67.582 (AOW € 20.056 en pensioen € 47.526) tot een 18% hogere belasting of € 12.165 op termijn. Daarmee wordt die AOW-verplichting nog een flink stuk lager. Naar ik aanneem staat hier een restitutie van de additionele belastingheffing tegenover waarvan de AOW’er zijn aandeel krijgt. Per saldo zal hij er echter flink op achteruit gaan: de partij 70Plus gaat dus zeker binnenlopen.

Van een verplichting van bruto CBS ( € 1.356 mld.) naar netto Eurostat ( € 584 mld.) is overigen wel een hele grote stap, waarbij de laatste uitkomst een stuk dichter bij de waarheid ligt.

§ 3.4 De afgefinancierde pensioenen van de staat bij het ABP en PFZW

Op basis van het 4e kwartaalbericht 2016 is de volgende informatie beschikbaar:

We hebben dus ook nog eens de pensioenverplichtngen van de ambtenaren volledig afgefinancieerd. Kom daar binnen het Eurogebied eens om?

§ 3.5 Het pensioensparen

Nederland spaart tegen de klippen op. Het verloop van het pensioenvermogen 2007 – 2016 kan als volgt worden weergegeven:

(1) Deze tabel geeft een doorrekening van het pensioenvermogen voor de periode 2007- 2015 van de pensioenfondsen. De saldi van verzekeringsmaatschappijen en een schatting derde pensioenpijler zijn toegevoegd. Het verloop van de laatste twee is niet bekend. Van de omvang van de 3e pijler is nauwelijks iets bekend. (zie bijdrage Pensioenen) We kunnen nu in elk geval zien wat de omvang van het rendement op het pensioenvermogen van de pensioenfondsen is.

(2) In de periode 2010 – 2016 nam de belastingclaim op het pensioenvermogen met € 484 mld. toe terwijl de EMU-overheidsschuld met € 59 mld. toenam. Dat pensioenvermogen eind 2016 bestaat uit de contante waarde van de pensioenverplichtingen tegen een rekenrente van ≈ 1,3-1,4%. Door het onzalige FTK staan de pensioenuitkeringen onder druk en zal in de komende jaren geen sprake zijn van (prijs-) indexatie van de pensioenuitkeringen. Het is goed om dit even in het achterhoofd te houden als we straks naar de behandeling van pensioenen in het houdbaarheidssaldo scenario kijken.

(3) Op grond van de historische cijferreeks valt te concluderen dat het van enige overmoed getuigt om te menen dat je de ontwikkeling tot 2060 kunt voorspellen.[8]

§ 3.6 conclusie

Samenvattend kunnen we dus vaststellen dat het geld over de plinten klotst en dat we het nageslacht in elk geval geen overheidsschuld nalaten. Een econoom die economisch met zijn tijd omgaat zou het boek dichtslaan en het hierbij laten. De Europese commissie zou zijn tijd voor Nederland ook beter kunnen gebruiken. En de media? Die stonden erbij en keken erna, zonder ogenschijnlijk te bevatten wat er feitelijk aan de hand is.

§4 Houdbaarheidssaldo

Degelijk cijfermateriaal zou voor de in tabellen verstrekte jaargegevens ook de stand van het bbp in euro’s moeten geven. Grootheden die in % bbp worden uitdrukt  hebben anders veel minder betekenis. Dat geldt met name voor de overheidsschuld en het pensioenvermogen, waarvan het verloop inzicht geeft in de financiële positie van de overheid. In de appendix van deze bijdrage zullen we proberen om de leemte in de informatieverschaffing door het CPB te adresseren.

We behandelen hier alleen de ontwikkeling binnen het pensioenvermogen. De minerale rechten wordt er altijd met de haren bijgesleept (“vergrijzing”), terwijl een beetje normaal mens met de op handen zijnde energietransitie niet van constante arrangementen uitgaat. De zon schijnt nog zo’n 5 miljard jaar en de wind zal ook ’s nachts wel blijven waaien. Van de gezondheidszorg in 2060 heb ik absoluut geen jota verstand en ik ben zo vrij te stellen dat het CPB dat ook niet heeft. Als je dat wel pretendeert draag je bij aan de momenteel uiterst populaire opvatting dat ‘wetenschap ook maar een mening is’.

Het houdbaarheidssaldo wordt berekend uitgaande van constante arrangementen. Op basis van onderstaande CPB-grafiek kun je echter beter van het sterk fluctuerende houdbaarheidssaldo van de maand spreken [1f]:

Gegeven de fluctuaties in het percentage bbp is het begrip constante arrangementen kennelijk een nogal fluïde begrip en geldt voor dat beleid ook nog eens dat dit het beleid van de dag is, waarover dan ook nog vaak zeer kortstondig of in het geheel niet is nagedacht. Constante arrangementen is dus een irreële fictie, waarmee die houdbaarheidssommetjes van elke realiteit zijn ontbloot.

Samenvatting uitkomsten:

(1) Het cijfermateriaal is ontleend aan § 7. appendix. Het bbp is de bodemplaat onder het beschikbare cijfermateriaal voor de grootheden pensioenvermogen en overheidsschuld. De belastingclaim van 35% volgt uit het pensioenvermogen. We lichten de drie thema’s nader toe.

§ 4.1 Het bbp tot 2060

Het is natuurlijk een eitje om aan de hand van de groei en de inflatie-cijfers het bbp eind 2060 te berekenen als de benodigde data transparant  is uiteengezet en daar schort het nogal aan. [10] Eigenlijk is het bbp cijfer voor ons niet relevant ware het niet dat de overheidsschuld en het pensioenvermogen cijfer alleen uitgedrukt in een percentage bbp beschikbaar zijn. Vermoedelijk heeft het CPB de modeluitkomsten teruggerekend naar een percentage van het bbp. Het is dus zaak het bbp-cijfer zo nauwkeurig mogelijk te laten aansluiten bij de CPB-gegevens. Het zou daarbij behulpzaam zijn als het CPB tussenstanden b.v. per eind 2040 en 2060 zou verstrekken. Helaas is dat niet het geval. In het bedrijfsleven zouden rapporten van een dergelijke bedroevende kwaliteit linea directa in het ronde archief belanden. Als burger moeten we het er echter meedoen.

In de appendix zien we dat het bbp vanaf eind 2016 met 0,3632% per jaar groeit tot 2060 (1,6% groei en 2% inflatie). Het verloop van het bbp is dan grafisch als volgt:

§ 4.2 Pensioenvermogen  t/m 2060

Om bovenstaande cijfers te kunnen ophoesten moet het CPB een doorrekening maken van de ontwikkeling van het pensioenvermogen. Daarbij moet het CPB een aantal FTK-regels toepassen om de indexatie en na-indexatie te kunnen volgen. Daarbij wordt door het CPB ook een voorschot genomen op de verlaging van de inhaalpremie. Het is niet minder dan briljant te noemen dat het CPB ook de ontwikkeling van rekenrente kan prognosticeren. De gehanteerde veronderstellingen bij pensioenen moeten wij verder raden, maar een CPB-opsomming van de conclusies uit de vergrijzingsstudie uit 2010 werpt enig licht in de capaciteiten van het CPB om een en ander te kunnen voorspellen:

♦ Het jaarlijkse opbouwpercentage bedraagt 2% per jaar, zodat pensioenen in 45 jaar worden opgebouwd. Dit cijfer spoort goed met het landelijk gemiddelde van 2,08%;

♦ Het nominale portefeuillerendement is 5%, conform de uniforme rendementsaanname in deze studie; 

♦ De jaarlijkse indexatie is 2,9% voor actieven en 2,6% voor inactieven. {CM: met een rendement van 5% is dat natuurlijk geen enkel probleem. In werkelijkheid was het rendement voor de grote fondsen overigens bijna 7%, maar dan wel zonder indexatie}

De pensioendeelnemer die in 2017 terugkijkt zal hier weinig van herkennen, en dat is slechts 17 jaar later. Pensioenverplichtingen die eind 2010 werden gewaardeerd tegen een marktkrente van 3,5% (ABP) worden afgewikkeld tegen 5% in de houdbaarheidsstudie, sinds 2010 heeft geen indexatie plaats gevonden (ABP, e.a.). De rekenrente is eind 2016 ca 1,3-1,4% en Joost (en het CPB) mag weten wat die rekenrente in 2060 is. Dat gegeven is overigens volstrekt irrelevant, want tegen die tijd zal zelfs de Nederlandse politiek het pensioenstelsel toch eindelijk wel eens hebben hervormd en anders wordt het stelsel wel door Brussel opgelegd.

Dankzij de publicatie “Stabiliteitsprogramma Nederland” zijn we in staat wat dieper op de cijfers in te gaan doordat de ontwikkeling van het pensioenvermogen gegeven wordt. De berekeningen zijn nader in de APPENDIX uiteengezet. Grafisch kan de ontwikkeling van het pensioenvermogen als volgt worden weergegeven:

(1) Het pensioenvermogen t/m 2021 is ontleend aan de bijdrage pensioenen en overheidsschuld. Vanaf 2016 laat ik het pensioenvermogen met 6% per jaar toenemen zodat het pensioenvermogen in 2021 0p € 1,653 * 1,06^5 of € 2.215 uitkomt. De blauwe cijfers zijn ontleend aan [1c]  en het bedrag zou alleen “reserves pensioenfondsen” betreffen. Daar moeten we het dus meedoen voor de periode 2020 t/m 2060. Het [1c] cijfer valt wel 25% lager uit in 2020. (€ 515 mld.) Maar eind 2060 zit er ook op deze basis toch nog € 5.361 mld. in de pensioenpot.

(2) In bedragen neemt de pensioenpot nog flink toe. Relatief in relatie tot het bbp is het beeld anders zoals uit onderstaande grafiek blijkt:

De ontwikkeling van het pensioenvermogen volgt de demografische ontwikkeling van de bevolking en de ontsparing van het pensioenvermogen  van de blauwe cijfers wordt duidelijk.

§4.3 Overheidsschuld t/m 2060

De ontwikkeling van de overheidsschuld is als volgt:

Interessanter is natuurlijk de ontwikkeling van de netto overheidsschuld na aftrek van de belastingclaim op het pensioenvermogen:

(1) Bij constante arrangementen loopt de staatsschuld op tot de onvoorstelbare laagte van van € -1.014 mld. (-31% bbp_2060) zonder dat het CPB een poot uitsteekt. In vergelijkbare situaties zoals b.v. bij de inflatiecorrectie belastingschijven worden de constante arrangementen wel aangepast.

§5 Pensioenpremie

(1) De houdbaarheidsstudie geeft de pensioenpremie als percentage van de brutoloonsom, maar aangezien die grootheid niet gegeven wordt door het CPB, is dat weinig bruikbaar.[1b, blz. 37] Van diezelfde studie weten we dat het looninkomen in % bbp constant blijft. Volgens de DNB statistieken bedraagt de pensioenpremie pensioenfondsen in 2012 € 30,6 mld. Op die basis (geel gemarkeerd) valt de brutoloonsom te benaderen en dus ook de pensioenpremie in euro’s aan de hand van de bbp-ontwikkeling uit te rekenen.

(2) De relatieve daling in de pensioenpremie leidt tot een hogere belastingopbrengst tegen het 52% belastingtarief en zorgt ook voor een geringere stijging van het pensioenvermogen, waardoor de belastingclaim relatief afneemt.

6. Slot

Bij de op handen zijnde pensioenhervormingen is het zaak om de effecten op het houdbaarheidssaldo mee te nemen. Misschien kan het CPB dan ook de informatieverschaffing verbeteren en de intergenerationele effecten voor wat betreft de pensioenen beter toelichten. Op basis van bovenstaande gegevens zou men ook kunnen concluderen dat het pensioenstelsel drastisch op de schop moet om een beter inzicht te krijgen in de financiële positie van de overheid en de intergenerationele verdeling van de belastingdruk.

Het cijfermateriaal zou aanzienlijk verbeteren indien het CPB als onderbouwing een spreadsheet opleverde met alle relevante cijfers conform Lange termijnreeksen overheidsfinanciën van de meeste recent houdbaarheidsberekening. [6] Een doorrekening van het pensioenvermogen ( rendement, pensioenpremie, pensioenuitkeringen en overige mutaties) zou daarbij een welkome aanvulling zijn gezien de hiermee gemoeide bedragen. Als dan ook nog de pensioenvermogensstatistieken eens op orde gebracht zouden worden dan zou dat ook helpen. Het belang van een behoorlijke pensioenstatistiek moge inmiddels duidelijk zijn.

Onze huidige generatie bestaat dus uit gekke Henkies (& Ingrids) om zoveel geld aan het nageslacht na te laten. Dat geld is opgehoest door onnodig hoge belastingen te heffen in het verleden. De toekomstige generatie is nog veel gekker als ze de hier gesignaleerde toekomstige ontwikkeling zo laten gebeuren.

§7 APPENDIX

§ 7.1 Inleiding

Een inkijkje in een ordentelijke doorrekening van het pensioenvermogen wordt ons door het CPB niet gegund. We hebben dan ook op grond van de CPB-studies [1a; 1b] geen inzicht in de hoogte van het pensioenvermogen eind 2040 of eind 2060 en weten noch hoe/of de belastingclaim op dat pensioenvermogen in de houdbaarheidsstudie is verwerkt noch tegen welke rekenrente dat pensioenvermogen dan is bepaald. Één ding weet ik zeker: het FTK is dan allang ten grave gedragen. Door de daling van de pensioenpremie zal ook de stijging van het pensioenvermogen gaan verminderen. [1b , blz. 37].

Het is te doen gebruikelijk in CPB publicaties (b.v. roads to recovery en boek 12) om alle cijfers in percentage bbp uit te drukken en vervolgens het voor die gelegenheid gebruikte bbp cijfer in de publicatie volledig achterwege te laten. Het grote voordeel van deze benadering is dat je achteraf moeilijk op de werkelijk uitkomsten kan worden aangesproken, het nadeel is dat de lezer het verder zelf mag uitzoeken. Deze appendix doet verslag van die zoekoperatie.

Het geraadpleegde cijfermateriaal bestaat uit:

♦ Vergrijzing verdeeld; toekomst van de Nederlandse overheidsfinanciën (1 juni 2010), in samenhang met CEP 2010.[1b; 1e]

♦ Minder zorg om vergrijzing (maart 2014) [1b] in samenhang met CEP 2014. [1b; 1e]

♦  Het Kamerstuk Stabiliteitsprogramma Nederland (april 2017), in samenhang met CEP 2017. [1c; 1e]

♦  De Middellange-termijnverkenning 2018-2021 ( maart 2016) in samenhang met CEP 2016.[1d; 1e]

Omdat we met name geïnteresseerd zijn in de stand van het pensioenvermogen en de overheidsschuld eind 2060 concentreren we op [1e, tabel 5.1[ en [1d, blz. 45]en dus de bbp-gevens is dezelfde publicaties, aangevuld met het CEP van het betreffende jaar. Het blijft behelpen, maar als die cijfers betrouwbaar zijn krijgen we toch een beter inzicht in de financiële positie eind 2040 en 2060.

§7.2 2 Het bbp t/m 2060

Het bbp is de bodemplaat onder het cijfermateriaal. Op basis van de verschillende CPB-publicaties kan de geprognotiseerde ontwikkeling van het bbp als volgt worden samengevat:

(1) De data uit de studie vergrijzing verdeeld is geschiedenis en voor ons doel volstrekt onbruikbaar. Deze historie is noot [6] opgenomen.

(2) bbp mltv:= het bbp_2017 groot € 719,1 met 1,6% groei en inflatie tot 2021 van 1,5%, daarna 2%.

(3) bbp actueel:= het bbp 2021 uit het CEP 2017 van € 821, 9 met 1,6% groei en 2% inflatie. De inflatie wordt berekend over bbp(t-1) + groei(t). De jaarlijkse toename is dus (100 * 1,016 * 1,02 -100) /100 = 3,632 % p.j. De stand eind 2060 is dan 821.9 * 1,03632^39 of € 3.304, 31.

Het bbp volgens de diverse studies laat zich als volgt grafisch weergeven:

(1)De actuele en mltv bbp-cijfers zijn praktisch gelijk. Toch wordt voor bepaling van de schuld de mltv-cijfers en voor bepaling van het pensioenvermogen de actuele bbp-cijfers aangehouden om zo goed mogelijk aansluiting te houden met het CPB-cijfermateriaal.

§7.3 Het pensioenvermogen t/m 2060

Het pensioenvermogen laat zich aan de hand van Stabiliteitsprogramma Nederland tabel 5.1 als volgt benaderen volgens de systematiek zoals uiteengezet in de bijdrage Pensioenen 2016.

(1)  In de bijdrage Overheidsschuld maakten we reeds een ruwe prognose van het pensioenvermogen t/m 2021. We kwamen toen uit op een pensioenvermogen groot € 2,213 gebaseerd op het pensioenvermogen eind 2016 met een stijging van 6% per jaar.

(2) De “reserves pensioenfondsen”, bedoeld zal zijn het pensioenvermogen, bedraagt voor 2010 138,8% bbp. of € 760 mld. Dat komt praktisch overeen met de DNB-cijfers als we het pensioenvermogen van de verzekeringsmaatschappijen groot € 118,3 mld. bijtellen. Het pensioenvermogen van de 3e pensioenpijler (€ 93 mld.) moet dan nog worden bijgeteld. Op deze basis hebben we dus het start pensioenvermogen 2010 van €  971,5 mld. bepaald. Het pensioenvermogen 2020, etc kan nu aan de hand van de [1c] percentages worden bepaald. Het pensioenvermogen eind 2060 bedraagt dan € 5.361 of 162% bbp_2060. Dat percentage is dus hoger dan de cijfers in [1c] door de 3e pensioenpijler (ca 10%).

Van deze toekomstige cijfers kunnen we alleen de jaren 2040 en 2060 gebruiken omdat de overheidsschuld cijfers voor de overige jaren ontbreken.

§7.4 De overheidsschuld 2040 en 2060

Blz 45 van de mltv geeft bruikbare EMU-schuld cijfers voor de jaren 2015, 2021, 2040 en 2050. Aan de hand hiervan valt de volgende opstelling te maken:

(1) Overheidsschuld:= percentages mltv ( blz. 27 en blz 45) x bbp_mltv. (≈ bbp_actueel)

(2) Waarom we eind 2060 naast de belastingclaim ook nog een overheidsactief van 31% bbp moeten aanhouden vertelt het verhaal niet. Hopelijk steken de politici een stok tussen de benen van de regering en anders kunnen de burgers gewapend met een pitchfork misschien eindelijk eens voor hun belangen opkomen? [7]

§ 7.5 Samenvatting

De samenvatting van de bevindingen is dan als volgt

Het breukvlak tussen de actuele cijfers en de prognose cijfers ziet er als volgt uit:

“Werkelijk” wordt voorgesteld door de gegevens uit de bijdrage overheidsschuld. Het pensioenvermogen is dan het pensioenvermogen 2016 van € 1.653 mld. met daarna een stijging van 6% per jaar tot en met 2021. Dat percentage van 6% is gegeven de historie conservatief. Voor de motivering zie aldaar. Dit betekent dat de cijferreeks 2010 – 2060 uit § 7.3 niet aansluit met de cijferreeks 2006-2021. Mijn reeks sluit op € 2.087 in 2020 terwijl de prognose cijferreeks dan op € 1.572 mld. uitkomt, € 516 mld. lager. Omdat ik geen CPB-tje wil spelen zijn de CPB-cijfers aangehouden, maar dat cijfer is m.i.z. te laag. Het geschatte pensioenvermogen 2060 van € 5.361 mld. is dus mogelijk hoger.

Het moge nogmaals duidelijk zijn dat behoorlijke pensioenstatistieken essentieel zijn om houdbaarheidssommetjes te kunnen maken. En als je die statistieken eenmaal hebt zijn die sommetjes meteen overbodig gegeven de daarop rustende belastingclaim.

______________________

Laatst bijgewerkt 16 augustus 2017 (update tekort 0,2% bbp_20xx)

Bronnen

[1] CPB data

[1a] CPB, “Vergrijzing verdeeld ; toekomst van de Nederlandse overheidsfinanciën”, 2010,

https://www.cpb.nl/publicatie/vergrijzing-verdeeld-toekomst-van-de-nederlandse-overheidsfinanci%C3%ABn

[1b] CPB, “Minder zorg om vergrijzing”, CPB boek 12 2014, http://www.cpb.nl/publicatie/minder-zorg-om-vergrijzing

[1c] Kamerstukken, “Stabiliteisprogramma Nederland”,

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2017/04/13/bijlage-1-stabiliteitsprogramma-2017/bijlage-1-stabiliteitsprogramma-2017.pdf

[1d] https://www.cpb.nl/publicatie/middellangetermijnverkenning-2018-2021

[1e] CEP 2017 https://www.cpb.nl/publications?type=CEP

[1f] https://www.cpb.nl/sites/default/files/publicaties/download/cpb-achtergronddocument-de-naakte-feiten-over-de-nederlandse-overheidsschuld.pdf

[1g] Overige data zijn terug te vinden in de Bijdragen:

Pensioenen

Overheidsschuld

[2] N.a.v. de houdbaarheidssaldo berekening

[2a] De maco-economie die beter politieke economie genoemd kan worden:

https://www.nrc.nl/nieuws/2017/02/22/de-aow-leeftijd-terugbrengen-naar-65-jaar-kost-12-miljard-euro-6873898-a1547097

[2b] https://economie.rabobank.com/publicaties/2015/augustus/houdbaarheid-nederlandse-overheidsfinancien/

[2c] https://www.ftm.nl/artikelen/ook-cpb-greep-van-financien?share=1

[2d] http://people.few.eur.nl/bjacobs/houdbaarheid.pdf

[3] https://www.cbs.nl/nl-nl/achtergrond/2015/36/totale-pensioenaanspraken-van-nederland-in-beeld

[4]AOW discussie

[4a] De gouwe ouwe: H.A.A. Verbon, “Het verhogen van de AOW-leeftijd volgens minister Donner”, TvOF, jaargang 41, 2009, nummer 3, Wim Drees Stichting voor Openbare Financiën.

[4b] Marcel van Dam, Niemandsland, blz 182-183.

[4c] De Kam, NRC, “Sluipende bezuiniging houdt de AOW beter betaalbaar”, 27-6-2009, http://digitaleeditie.nrc.nl/digitaleeditie/NH/2009/5/20090627___/3_014/#text

[4d] AOW-notitie, http://docs.minszw.nl/pdf/135/2009/135_2009_1_23635.pdf

[4e] https://www.tilburguniversity.edu/nl/actueel/nieuws/aow-eeftijd-kan-probleemloos-naar-65/

[5] https://www.cpb.nl/cijfer/lange-tijdreeksen-overheidsfinancien

[6] Vergrijzing verdeeld – toekomst van de Nederlandse overheidsfinanciën historie:

De relevante data voor deze studie kunnen we als volgt samenvatten, uiteraard voor zover beschikbaar:

Het houdbaarheidstekort was € -29 mld. (-4,5%) bbp. De belastingcclaim op het pensioenvermogen laten we ook maar even zitten.

De overheidsschuld 2010-2060 uit de houdbaarheidsstudie [1b] is afgelezen uit de volgende krakkemikkige grafiek, door met een driehoekje de x- en y-as te bepalen voor de okerlijn (basispad):

De uitkomsten voor 2040 en 2060 komen overeen met tabel 3.1. van [1b]. Zoals we zien loopt de overheidsschuld naar nihil in 2083.  Het CPB heeft enerzijds over het basispad ([1b] en in de tabel over , blz. 39) en anderzijds over “niet-houdbaar beleid. De versie voor houdbaar beleid heb ik niet aangetroffen. Afijn het CPB doet maar, wij laten deze cijfers verder links liggen.

[7] https://www.ted.com/talks/nick_hanauer_beware_fellow_plutocrats_the_pitchforks_are_coming[

[8] In 2000 schatte het CPB het pensioenvermogen vanuit macro-perspectief als volgt in % bbp

Daar kunnen we tegenover stellen op basis van 7. Appendix:

[9] Het ABP heeft in het kader van de discussie rond de lege pensioenpotten een prognose gemaakt van ontwikkeling van zijn pensioenpot in de komende 20 jaar (basis 2012) die we als volgt kunnen weergeven:

136 table 1

Bron ABP Nieuwsbrief 14 december 2012. (Het brondocument is niet meer te vinden, door te Googlen vind u deze cijfers wel terug)

[10] Test: probeer binnen 2 minuten het bbp_2020 te vinden.

Bron: CEP 2017

https://www.cpb.nl/publicatie/centraal-economisch-plan-2017

hint: logische plek pagina 11

Vindplaats pagina 76

Hier heb ik het CPB enkele jaren geleden al eens op gewezen, maar het CPB vond dit gans normaal.

Advertenties

From → 0. Permanent

2 reacties
  1. Dhr JC Kortekaas permalink

    Het CPB wil nog wel eens wat jaren vooruit kijken.

    50Plus organiseerde zelfs een wetenschappelijk symposium over de betaalbaarheid van de AOW in 2060

    Ons medelijden gaat uit naar het ministerie van financiën. Loopt achter de feiten aan. Vond 32 miljard in 2016. Boekte het maar af van de staatsschuld.

    Totale hoogmoed heerst in Den Haag met betrekking tot de beheersbaarheid van de financiën.

    Leiding wordt gegeven door Jeroen D. De eurochef met een exportoverschot van 10% al 30 jaar lang. Mag niet van Europa(maximaal 6%) maar het overschot gaat zijn eigen eigenwijze gang

    http://nos.nl/artikel/2173598-staatsschuld-32-miljard-lager-dan-verwacht.html

  2. De reactie van de heer Kortekaas heb ik naar de nieuwe versie overgezet.

    Politiek is Leidend.

    Het verlagen van de AOW-leeftijd naar 65 jaar kost in 2021 Netto 1 miljard euro op jaarbasis.
    Het voorkomt veel problematiek van oudere werklozen en arbeidsongeschikten.

    Het gaat niet meer om de feiten , het gaat over de macht en de mogelijkheid om stiekem een gigantisch geldpakhuis op te tuigen voor later.

    Het geluksdubbeltje heet de omkeerregel.

    Nederland zal aan zijn overschotten ten onder gaan.

    aanvullen 7 mei:
    Variant op een dichtregel:

    “Je hebt statistieken, leugens en Calvinisten.”

    Nederland heeft een duivels trio gebaard.

    Het Noordelijk Koninkrijk zal aan het PensioenGeldPakuis ten onder gaan.

    Het geluksdubbeltje van de omkeerregel zorgt ervoor dat het geld er wel ingaat maar nooit voldoende uit zal stromen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: