Skip to content

Dashboard ABP, PFZW,PMT, PME & bpfBOUW Q4 2016

29 januari 2017

__________________________________________________________________

Vooruitlopend op het jaaroverzicht 2016 geven we hierbij de gebruikelijk Dashboard van de vijf grote bedrijfspensioenfondsen. Dat overzicht is zeer beperkt omdat de pensioenfondsen nog steeds wegkomen met een kwartaaloverzicht dat in elk opzicht van een uiterst bedroevend niveau is.

Het vierde kwartaal 2016 was voor de grote vijf pensioenfondsen een slecht kwartaal. De rendementen waren uiterst gering (ABP) en voor vier overige fondsen zelfs negatief. Wel steeg de actuele dekkingsgraad met gemiddeld 5,9% (€ 43 mld.) omdat de rekenrente steeg. Door de rentestijging in het vierde kwartaal daalden de vastrentende waarden in waarde, zodat ongerealiseerde winsten uit het verleden deels teruggenomen werden.

Het bestuur van een pensioenfonds is natuurlijk primair verantwoordelijk voor het rendement, de keuze van de beleggingsmix, het risicobeheer incl. overlay en het bewaken van de (beleggings)-kosten. Je zou verwachten dat daar dus aandacht aan zou worden besteed in het kwartaalverslag, zeker als de beleggingsresultaten in het 4e kwartaal 2016 zo teleurstellend zijn. Het gaat echter in belangrijke mate over de rekenrente en de (beleids-)dekkingsgraad, data die primair door de politiek worden bepaald met een uiterst bevreemdend FTK {§1 (4)} en de malversaties van de ECB. Enkele woorden over de stand van zaken met betrekking tot het herstelplan zou ook geen overbodige luxe zijn.

In noot [1] gaan we ook nader in op de veel geciteerde demagogische CPB notitie Effecten van bodem in rekenrente voor pensioenfondsen

__________________________________________________________________

§1 Dashboard

17_0006_100

(1) De actuele dekkingsraad van de vijf bedrijfspensioenfondsen steeg t.o.v. het derde kwartaal 2016 met 5,9 % door de stijging van de rekenrente. Daar stond tegenover dat het rendement in het 4e kwartaal voor vier fondsen negatief en in totaal praktisch nihil was door diezelfde rente-ontwikkeling. De mutaties in het pensioenvermogen in het 4e kwartaal 2016 en heel 2016 waren als volgt:

17_0006_100a

(2) Het ABP maakte in het 4e kwartaal slechts € 1,5 mld. rendement dat is 4,55% van zijn totale jaarrendement van € 33 mld. voor 2016. Voor de overige vier fondsen mag u traditiegetrouw naar de behaalde rendementen in euro’s raden, want deze bedragen hoef je kennelijk in Nederland in de kwartaalcijfers van DNB niet te verstrekken en de AFM heeft hier, gezien zijn passieve handelen, ook geen functie in. In elk geval waren die rendementen voor het 4e kwartaal negatief.

(3) In totaal teerden de vijf fondsen in 2016 € 3,9 mld. op de algemene reserves in, voor het 4e kwartaal nam de algemene reserve, net op tijd, met € 48,2 mld. toe, puur een verschuiving van pensioenverplichtingen naar de algemene reserve.

(4) Zoals bekend is de rekenrente weinig zeggend. Gaan we uit van een rekenrente van 3% en een stijging van de dekkingsgraad door 1% rentestijging met 12% dan is de huidige dekkingsgraad van de vijf fondsen in werkelijkheid dichter bij de 97,1+12*(3-1,3) ≈ 117,5% op een reële basis. [1] Uiteraard wijst “ons” CPB , onder het motto u vraagt en wij draaien, wel op de benadeling van de jongere generatie bij het vaststellen van een te hoge bodemrente en niet op de nadelen voor de oudere generatie van het onnodig oppotten van behaalde rendementen door het vaststellen van een te lage rekenrente.[1] Ook de gedempte  (:= te lage) pensioenpremie kan uiteraard de goedkeuring van het CPB wegdragen. (“De effecten van rentewijzigingen op de pensioenpremie zijn op korte termijn veelal ook beperkt van omvang.”) [1, blz. 3]. Het huidige FTK is een zero-sum game waarbij de jongeren vermoedelijk aan het langste eind trekken. {§ 2; [2]}

(5) Gezien de geringe toename in het pensioenvermogen in het vierde kwartaal en het feit dat deze vijf fondsen ca 56,4% van het pensioenvermogen uitmaakten in Q3 2016 zal het pensioenvermogen van alle pensioenfondsen gezamenlijk waarschijnlijk ook gering afnemen in het 4e kwartaal 2016.

§2 Historisch rendement en toename pensioenvermogen 2006-2016 (11 jaar)

17_0006_101

(1) Met de jaarlijks dalende rente wordt het rendement op de vastrentende waarden systematisch te hoog voorgesteld doordat het agio op die waarden jaarlijks toeneemt. Dat agio komt wel ten laste van het toekomstige rendement, dat daarmee in de toekomst lager zal uitvallen als die vastrentende waarden tot expiratiedatum worden aangehouden.

(2) Dat neemt niet weg dat er niets mis is met de in de jaren 2006-2016 behaalde cumulatieve meetkundig gemiddelde rendementen, waar het rampjaar 2008 onderdeel van uitmaakt. In welke mate onze ABP pensionado gepakt wordt door het FTK  wordt in noot [3] een benadering gegeven.

§3 UFR DNB

Aan de hand van de DNB- tabellen kunnen we de volgende grafiek samenstellen (rente in %):

17_0006_102

(1) Uit de grafiek valt af te lezen hoe de rentestijging in Q4 2016 zich in de loop van de tijd ontwikkelt in vergelijking met Q3 2016.

(2) De rekenrente naar 2% optrekken zoals 50plus wil, is met de huidige rekenrente dus een 54 jarenplan. [Voor een nadere toelichting zie noot 1]

§4 Aanvullende informatie per fonds
4.1. ABP

4.1.1.Rendement

17_0006_110

4.1.1 Indexatie

De komende vijf jaar is het ABP “niet of nauwelijks in staat om het pensioen te verhogen. De kans dat ABP de pensioenen in 2018 of volgende jaren moet verlagen blijft aanwezig. Dat moet gebeuren als de actuele dekkingsgraad eind 2017 onder de kritische grens ( nu 87,9%) zakt of als de beleidsdekkingsgraad t/m 2020 onder het vereiste niveau van 104,2% blijft.”

4.1.2. Overlay

De rente- en inflatiehedge bedroeg voor het 4e kwartaal 2016 -4,4 mld en de valutahedge € – 7 mld.

4.2 PFZW

4.2.1 Rendement

17_0006_115

(1) De verplichtingen namen met € 13 mld. af, zodat ondanks het kleine negatieve rendement en de sterftetabel aanpassing de algemene reserve toch nog met € 13 mld. kon toenemen in het 4e kwartaal 2016. Het rendement in het 4e kwartaal 2016 van -0,1% was allerbelabberdst.

4,2.2 Sterfte en langleven risico

Door aanpassing van de AG-Tabel is de actuele dekkingsgraad met ongeveer 1% gedaald. (ca 2 mld.)

4.1.3. Overlay

De rentehedge bedroeg voor het 4e kwartaal 2016 -3,9 mld en de valutahedge € -2,7 mld.

4.2.4 Toelichting

In Borgdorff’s gebruikelijke lullepot staat ” Helaas is een verhoging van de pensioenen in 2017 en de jaren daarna niet mogelijk”. Over deze tekst heeft hij hopelijk goed nagedacht, zonder daar overigens kennelijk consequenties aan te verbinden.

 4.3 PMT

4.3.1 Rendement

17_0006_120

(1) Door het negatief rendement op de matching portefeuille daalde het vermogen met 1,4 mld. Maar door de stijging van de rente daalde de verplichtingen met € 5,4 mld. zodat de algemene reserve toch nog met € 4 mld. toenam.

4.4 PME

4.4.1 Rendement

17_0006_125

4.5 bpfBOUW

4.5.1 Rendement

17_0006_130

(1) De rentes zijn gedurende het jaar per salo gedaald wat “ positieve rendementen heeft opgeleverd op vastrentende waarden en renteafdekking.” Over het 4e kwartaal 2016, en daar ging dit kwartaalbericht over, zwijgen we maar even.

__________________

Laatst bijgewerkt 31 januari 2017

[1] CPB, “Effecten van bodem in rekenrente voor pensioenfondsen”,

http://www.cpb.nl/publicatie/effecten-van-bodem-in-rekenrente-voor-pensioenfondsen

Op basis van deze notitie valt het volgende op te merken:

♦ Het CPB vergelijkt het voorstel met de nulmeting: het huidige uiterst krikkemakkige pensioenstelsel onder het FTK, dat zeker niet generatie-neutraal is.

♦ De rente is gedaald door structurele veranderingen. Genoemd worden de daling van de inflatie en de toename van de besparingen als gevolg vergrijzing. De daling wordt mede veroorzaakt door het monetaire beleid van de centrale banken na de 2008 crisis, dat door de vrije hand van Draghi, een semipermanent karakter krijgt. Uiteraard is de renteontwikkeling ook een internationaal fenomeen. Over het effect van de renteontwikkeling op het rendement van de overige investeringen van de pensioenfondsen,  opgestuwd door de bubbel door de lage interest, vernemen we niets van het CPB.

♦  Een daling van de marktrente met 1%-punt leidt tot een stijging van de verplichtingen met 20% Door de daling van de marktrente stijgt ook  het vermogen van het pensioenfonds met 8%. (bedoeld zal zijn de waarde van de beleggingen, wat iets heel anders is). Het CPB heeft het daarbij alleen over vastrentende waarde en gerelateerde renteswaps, over de effecten op de waarde overige beleggingen moeten we zelf maar iets bedenken, die effecten zitten kennelijk niet in deze rekensom.  Hoe volstrekt belachelijk deze voorstelling van zaken is, mag uit het volgende overzicht voor alle pensioenfondsen per meest recente datum (30/9/2016) blijken:

17_0006_1000

Per saldo daalt dus het pensioenvermogen (= som pensioenverplichtingen + algemene reserve) volgens het CPB dan in doorsnee met 12%. De cijfers zijn indicatief omdat ze voor elk fonds anders uitpakken. [1;2]

♦ Een deel van het renterisico is meestal  gedeeltelijk  (ca 40%) afgedekt. (Voor de samenstlling van het belegd vermogen zie ook § 4.) Er is meer onder de zon dan vastrentende waarden, ook valuta’s worden gedeeltelijk ingedekt.

♦ Arbitrair de rekenrente met 1% verhogen heeft geen effect op de waardering van de activa. Een tijdelijke verhoging tot 2% rekenrente betekent dat deze rente voor ca 54 jaar te hoog wordt voorgesteld volgens de FTK-systematiek. (zie grafiek § 3 voor 2% lijn en UFR 31-12-2016)

♦ Pensioenfondsen stellen de pensioenpremie vast op basis van “een verwacht rendement dat voor 5 jaar vast staat.” {De rekenrente staat daar dus buiten, dit bevoordeelt bij de huidige rekenrente de jongere generatie omdat de pensioenpremie te laag wordt voorgesteld. (pensioenpremie is ca de helft van de jaarlijkse toename pensioenvermogen vgl CPB}

♦ Op basis van de rentetermijnstructuur eind 2016 leidt een cap in de rekenrente van 2% ook tot (geheel toevallig ook) een 12% lagere verplichting en bij een cap van 4% is het effect zelfs een 39% lagere pensioenverplichting. De waarde van de beleggingen wijzigt immers niet.

♦ Het CPB kan dan met de volgens parameters de generatie-effecten berekenen t.o.v. het bestaande FTK: 1) aandelenrendement 4,55 %; 2) Obligatierendement  1,32 %; 3) prijsinflatie 1,34 % en looninflatie 1,4 %. Die looninflatie is na de wijziging van de indexatie op basis van inflatie nauwelijks meer relevant. Deze rendementsparameters wijken al vele jaren af van de door de pensioenfondsen gerapporteerde beleggingsinkomsten.(§ 2) Deze opbrengste zijn geflatteerd door het hogere agio op de vastrentende waarden, die in verloop van tijd als sneeuw voor de zon verdwijnen en het toekomstige rendement drukken als die vastrentende waarden tot expiratiedatum worden aangehouden.

♦  De prijsinflatie is volgens het CPB 1,34%, terwijl de decemberraming van 0,9% uitgaat voor 2017.

♦ Het had voor hand gelegen als het CPB ook zijn visie had gegeven op de generatie-effecten onder het huidige stelsel. De effecten van de 2% rekenrente stapelen immer bovenop de huidige generatie-effecten. Werkelijk behaalde en gerealiseerde rendementen, die de pensioenpot ingaan en daar niet/nauwelijks voor overlijden van de pensioendeelnemer uitkomen, wordt de oudere generatie onthouden.  Dat effect had het CPB in de vergelijking moeten meenemen, maar dan zou het natuurlijk niet langer his master’s voice zijn. Het rapport van het CPB is dus weer eens onder de maat.

♦ De gotspe van het CPB is de volgende tekst: “Bij het invoeren van een bodem in de rekenrente is minder inzichtelijk hoe een pensioenfonds er financieel voorstaat”, alsof dit onder het huidige FTK wel het geval is met die rammelende kwartaaloverzichten, het achterhouden van herstelplannen, en een reële waardering van de verplichtingen en beleggingen die correspondeert met de uitgangspunten in het door DNB goedgekeurde herstelplan. In elk geval geeft die 2% een juister beeld van de grootte en samenstelling van het vermogen dan de huidige jaarrekeningen onder het FTK. [2]

[2] Bernard van Praag, Henk Hemmers, “Nederlandse pensioentoezichthouder is te voorzichtig in berekening dekkingsgraad”, Me Judice, 8 september 2016, http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/nederlandse-pensioentoezichthouder-is-te-voorzichtig-in-berekening-dekkingsgraad

[3] Rekenvoorbeeld pensioenoverzicht

Onze pensionado gaat 1/1/2011 met pensioen en heeft nog recht op ca 20 uitkeringen groot € 10.000, zonder verdere actuariële aanpassingen.  Het schema ziet er dan als volgt uit:

17_0006_1001

(1) Het pensioen bedraagt € 10.000. De pensioenverplichting bedraagt 1/1/2011 € 147.575 op basis van 3,46% rekenrente 2010 en 20 jaarlijks pensioenuitkeringen. De dekkingsgraad 31-12-2010 bedraagt 100%. Het verwacht verloop is in de tabel af te lezen.

(2) We maken gebruik van het ABP-rendement 2011-2016, waarvan we hopen dat dit netto-netto is. Eind 2016 bedraagt het pensioenvermogen € 149.224 i.p.v. de 1/1/2011 geprognotiseerde uitkomst van € 113.267. De dekkingsgraad zou dan 116% moeten zijn (149.224/128.901), dus eigenlijk had de pensionado recht op enige vorm van indexatie (>110%) moeten hebben volgens het FTK.

(3) Op basis van de rekenrente 2016 en een pensioenvermogen van € 149.224 is een pensioen van € 11.577 mogelijk voor de komende 14 jaar. In werkelijkheid zal die 14 jaar inmiddels langer zijn geworden door een groter aantal levensjaren. (toename ouderdom + autonome levensjaren ontwikkeling) en wordt het pensioen dus lager. Gaan we uit van 3% rekenrente dan komen we zelfs € 12.825 pensioen.

(4) Met een saldo van  € 149.224 en nog 14 uitkeringen van € 10.000 te gaan, zou ik de pensioendeelnemer willen adviseren: take the money and run en doe afstand van deze van overheidswege opgelegde woekerpolis, als dat wettelijk mogelijk was.

(5) Als het verschil tussen de pensioenverplichting tegen reële rente (dat is dus niet de 1,3%) en de pensioenpot van € 149. 224 niet tot uitkering komt, komt dat verschil de toekomstige generatie toe en daar gaat het CPB in [1] aan voorbij.

(6) De rendementen in 2012 en 2014 zijn extra hoog door de rentedaling (agio). Voorzover deze ongeraliseerde winst (agio) eind 2016 nog aanwezig is en niet gerealiseerd, zal dat de toekomstige rendementen drukken. Bij het vaststellen van een reële rente zal hier rekening mee moeten worden gehouden.

(7) De actuele dekkingsgraad ABP was eind 2010 105,5% en eind 2016 97,1%. De laatste indexatie van 0,28% was in 2009. In het licht van bovenstaande berekening is het ABP de pensioendeelnemer dus nog een verklaring schuldig. Ik neem het ABP als voorbeeld, maar de opstelling geldt natuurlijk ook voor de andere broeders.

Kijk dit is nu een pensioenovericht waarnaar miljoenen pensioendeelnemers uitkijken. Uiteraard is het overzicht onvolledig omdat niet alle kosten en ontwikkelingen zijn meegenomen (b.v. technisch resultaat, langleven risico, gedempte pensioenpremie, verschillen in doorsneepremie etc., ik ben tenslotte geen (interne) actuaris, die al veel eerder met een deugelijk voorstel hadden kunnen komen om de pensioendeelnemer van zijn fonds wel goed te informeren).

Advertisements

From → 0. Permanent

One Comment
  1. Dhr JC Kortekaas permalink

    Rendement 10%
    Rekenrente -0,5% voor het eerste jaar
    Alleen in Nederland geloven ze nog wel in Calvijn maar niet meer in God.
    Dagobert Duck geldpakhuis staat in Nederlands pensioenland,
    elk jaar 100 miljard erin, het geld begint ontzettend te stinken.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: