Skip to content

ABP, PFZW, PMT, PME en bpfBOUW 2015

28 juni 2016

______________________________________________

Nu het pensioenfonds PME het op 23 juni ook heeft behaagd om zijn jaarcijfers 2015 eindelijk te publiceren kunnen we beginnen met het jaarlijkse overzicht van de vijf grote bedrijfspensioenfondsen die bijna 57% van het pensioenvermogen van alle pensioenfondsen uitmaken.

We beginnen met een uitgebreide versie van de kerncijfers, zoals die eens per kwartaal op deze site worden opgenomen op basis van de beknopte kwartaalcijfers. (zie hier voor Q2 2016).

De beroerde toestand van de vijf pensioenfondsen komt aan de hand van die cijfers aan de orde. Die stand heeft alles te maken met ons huidige door de overheid opgelegde FTK regels, die volledig zijn losgezongen van de werkelijkheid. Tot slot wordt kort ingegaan op de gebrekkige hervormingsvoorstellen van DNB en AFM.

______________________________________________

§1 Kerncijfers

(click op tabel of CTRL + om te vergroten)

207_1

Commentaar/Toelichting

(e) De actuele dekkingsgraad per 31 mei 2016 geeft de meest actuele stand weer. Bij een dekkingsgraad van 90% komt men dus 10% voorziening tekort om nominale pensioenen te kunnen uitkeren. Wie het overrendement vervolgens in zijn zak steekt, vermeldt de toezichthouder niet. Een goed uitgewerkt herstelplan zou hier inzicht in kunnen geven, maar dat wordt de pensioendeelnemers veelal onthouden. Dat is alleen voor de pensioenbobo’s weggelegd, men mocht immers eens vragen stellen.

(f) De gemiddelde rente is gebaseerd op de door DNB voorgeschreven UFR. Omdat die UFR losgezongen is van de werkelijkheid mogen de fondsen voor hun herstelplan en bij de vaststelling van de (gedempte) pensioenpremie rekening houden met rendementen zoals die door de commissie parameters zijn vastgesteld. Als de actuele dekkingsgraad boven een kritische dekkingsgraad grens ligt kan het fonds in een periode van 10/11 jaar het zgn. reservetekort aanvullen. Omdat de meeste pensioenfondsen dit tot voor kort, althans op uiterst geduldig paper lukte, ligt de lat dus niet al te hoog. (zie de bijdrage It is my money and I need it now!) en §5.

(g) In de jaarrekening 2014 kon door de trage besluitvorming bij DNB niet tijdig rekening worden gehouden met een aanpassing van de UFR. Daarnaast werd de UFR anders bepaald. Het substantiële effect op de beleidsdekkingsgraad per 1/1/ 2015 ziet u hier voor zover dat is vermeld. Het leidde tot onnodige window dressing in de jaarrekening 2014 en zette de ingediende herstelplannen direct op achterstand.

(j) De kritische dekkingsgraad laat zien bij welke dekkingsgraad je geen herstelplan kan fabuleren dat de toets der kritiek van DNB kan doorstaan. Afstempeling van pensioenrechten is dan niet langer te vermijden. Bij het ABP wachten de getallen A en B nog op invulling in het jaarverslag (blz. 16).

(k) De reële beleidsdekkingsgraad zou de reële actuele dekkingsgraad moeten zijn die aangeeft wat de dekkingsgraad is als de verplichtingen tegen voor prijsinflatie opgenomen uitkeringen worden berekend. Omdat de rekenrente dan nog steeds de UFR is, is er verder niets reëel aan. Vroeger werd nog uitgegaan van waardevaste uitkeringen, maar daar zit met de lage rente flink de klad in. Overigens is het verschil door de geringe loonontwikkeling de laatste jaren verwaarloosbaar. (zie regel 01 voor het ABP)

(n) Hoewel de algemene reserve door het CBS, DNB en CPB niet tot het pensioenvermogen wordt gerekend voor het vermogen van de huishoudens doen wij dat lekker toch. In 2015 ging zo 33,5 mld. door het afvoerputje. Normaal wordt het effect van de rekenrente geabsorbeerd door de rendementen. (§7) In 2015 kregen we ook te maken met uiterst lage rendementen – zie c1 in vergelijking met d1.

(r-s) Uit het tekort t.o.v. het minimum vereist eigen vermogen kan men opmaken dat het pensioenfonds voorlopig het geld nodig heeft om uit de tekortsituatie te komen. Daarna moet het nog proberen om op het vereist eigen vermogen te komen in 10 jaar tijd. (zie t)

(y) Als je een kostendekkende pensioenpremie vaststelt op basis van de UFR-rekenrente ligt dat percentage boven de 30% (zie bpfBOUW en ook deze bijdrage voor een welvaartsvast pensioen) Aangezien noch de werkgever noch de pensioendeelnemer een dergelijke premie wil ophoesten, kun je ook de pensioenambitie wel vaarwel zeggen. Daarom mag je van de wetgever (de overheid is ook werkgever en heeft dus twee petten op) de premie dempen door rekening te houden met een “reëler” rendement. Het DNB rapport over de financiële situatie van de pensioenfondsen laat zien hoe die pensioenfondsen dan in de problemen komen. (zie §3)

(a1-c1) Het rendement over 2015 is uiterst laag t.o.v 2014. Dat hoeft niet te verbazen en komt mede doordat pensioenfondsen met vastrentende waarden ( > 50%) zich systematisch rijk rekenen ten koste van toekomstige rendementen als de rentestand daalt (agio).

(e-f) Het gemiddeld meetkundig gemiddeld rendement geeft een beter beeld dan het rekenkundig gemiddelde rendement. Dat zeer behoorlijke rendement verdwijnt al vele jaren in het zwarte gat dat rentetermijnstructuur heet.

(n1) Als de beleidsdekkingsgraad vijf jaar onder de ca 104,2% blijft moet het pensioenfonds verplicht korten. Het mag die korting echter wel over 10 jaar uitsmeren.

(01) De indexatie achterstand is een natuurlijke verbintenis naar de deelnemers die vermoedelijk op basis van het herstelplan nooit tot uitkering zal komen. Informatie daarover op basis van het herstelplan wordt de pensioendeelnemers systematisch onthouden.

§2 Reservetekort 31-12-2015

Pensioenfondsen moeten extra vermogen aanhouden om bepaalde risico’s op te vangen. Het behoort tot de haut finance folklore om elk jaar het reservetekort te bepalen aan de hand van de door het FTK voorgeschreven risico’s. Voor alle risicocategorieën moeten voorgeschreven risicoscenario’s worden doorgerekend bij een betrouwbaarheidsniveau van 97,5% en een horizon van één jaar. Hierbij zijn sommige risico’s dermate gezocht dat er door de pensioenfondsen, onder het toeziend oog van DNB, geen waarde aan wordt toegekend. Deze grootheid is van belang omdat het herstelplan er voor moet zorgen dat dit tekort in 10 jaar wordt ingelopen, rekening houdend met de voorgeschreven rendementen, en een tot het uiterste afgeknepen gedempte pensioenpremie. (zie §3)

Dat tekort ontstaat in elk geval doordat de door de DNB voorgeschreven rekenrente moet worden gehanteerd bij het bepalen van de pensioenverplichting. Voor de vijf grote fondsen is het tekort als volgt:

(click op tabel of CTRL+ om te vergroten) 

207_2

(1) Het gemiddelde reservetekort bedraagt 39,8% van de pensioenverplichtingen. Door een redelijk arbitraire aftrekpost genaamd diversificatie-effect mag je van dat tekort weer gemiddeld 15,5% aftrekken zodat 26,3% reservetekort overblijft (€ 179 mld.). [2] Voor de vijf fondsen is de diversificatie aftrek dus gezamenlijk 38,8 % van het reservetekort.

(2) Aangezien het reservetekort voor alle pensioenfondsen 23% bedraagt nemen de vijf grote fondsen 68,2% van het reservetekort voor hun rekening.

(3) In plaats van het kabbalistisch bepaalde reservetekort, kun je natuurlijk ook een 20% grote buffer aanhouden. Dat scheelt een hoop rekenwerk en tekst.

§3 De beroerde stand van zaken bij bijna alle pensioenfondsen

Aan het rapport van DNB ontlenen we [3]:

221_0

(1) Alleen bpfBOUW zit in categorie **. De overige vier bedrijfspensioenfondsen zitten in de categorie * met een pensioenvermogen kleiner dan het Minimum Vereist Eigen Vermogen. Deze vier fondsen maken 56% van de totale pensioenverplichtingen van alle pensioenfondsen uit.

§4 Historisch rendement

Het historisch rendement laat zich als volgt grafisch weergeven:

207_3

(1) Ondanks de bankencrisis was het meetkundig gemiddeld rendement in de periode 2003-2015 dus zeer aanzienlijk.

§5 Historisch verloop UFR 31 december [4]

207_4

§5 Enkele ruwe scenario’s

In plaats van die onzinnige opstellingen binnen het Financieel ToetsingsKader hadden de pensioenfondsen ook enkele scenario’s kunnen toelichten die wel inzicht geven in de stand van zaken. Voor een twintig jarige pensioenuitkering van nominaal € 10.000 ziet het plaatje bij pensionering er bij verschillende parameters ruwweg als volgt uit:

207_5

(1) Volgens de richtlijnen moet er ca € 184.657 in kas zitten om aan de pensioenverplichting te kunnen voldoen. (eigenlijk 104,2% of € 192.413)

(2) Gaan we uit van 1,9% rente (CPB mltv 2021) en een rendement op zakelijk waarden van 4,9% (risico-opslag 3%), dan wordt bij een mix van 50% het gemiddeld rendement 3,4%. De dekkingsgraad wordt dan bij een nominale uitkering 125%. Bij 1,8% inflatie wordt die dekkingsgraad 107% en na indexatie met een loonstijging van 1% wordt de dekkingsgraad 98%.

(3) Het rendement in scenario 1 is bepaald op de 3,7% van de herstelplannen [3] plus een UFR rekenrente van 1,67%, een inflatie van 0% en een loonstijging van 0%. De dekkingsgraad is dan 145%. Het zal duidelijk zijn dat het schrijven van een herstelplan onder deze omstandigheden een fluitje van een cent is. “DNB beoordeelt in hoeverre het herstelplan voldoet aan de eisen die het nieuwe toetsingskader stelt. Hoewel het nieuwe kader meer tijd en beleidsruimte biedt, moeten pensioenfondsen hun prognose wel goed en reëel onderbouwen.”[5] We moeten dus aannemen dat het percentage rendement van 3,7% bovenop de UFR reëel is. Voor 2015 had DNB in elk geval de schijn al tegen.

(4) In scenario 2 gaan we uit van een pensioenambitie van 2% inflatie en 1% loonstijging met het rendement uit scenario 1. De dekkingsgraad wordt nu 114%.

(5) Tot slot de vuistregel waarbij geldt dat als de (inflatie + loonstijging) = rendement dat dan de CW gelijk is aan de som van de nominale uitkeringen. Bij een rendement van 3% komt men dan € 15.343 tekort.

(4) De werkelijk uitkering is natuurlijk mede afhankelijk van de FTK indexatieregels, zodat de werkelijke uitkomst afwijkt omdat er b.v. teveel geld in de pot blijft zitten of er bij uitkering te veel/ te weinig geld uitgaat. Het herstelplan zou daar inzicht in geven als de pensioenfondsen i.t.t. tot hun lulverhalen in het jaarverslag echt transparant waren.

§6 Verloop pensioenverplichtingen 2008-2015

207_6

(1) in 2015 werd er slechts € 1.080 mln aan rente toegevoegd op een pensioenverplichting van € 636 mld. aan het begin van het jaar. Voor een match met de rendementen zie §7. In feite moeten de pensioenfondsen gewoon de bij de premievaststelling vastgestelde rente toevoegen en is de rest wijziging rentetermijnstructuur.

Per fonds zijn de mutaties als volgt weer te geven:

207_7

(1) Voor de rentedekking en de premiedekkingsgraad zie §3.

§7 Beleggingsresultaten en wijziging rentetermijnstructuur

207_8

(1) De uiterst florissante rendementen zijn praktisch geheel verdwenen in het zwarte gat dat rentetermijnstructuur heet.

Grafisch is de ontwikkeling als volgt:

207_9

§8 Gebeurtenissen na balansdatum

Gegeven de dynamiek van de financiële markten en de wijzigingen in het FTK is de dekkingsgraad na balansdatum fors gedaald. De fondsen ABP (vaststelling 28 april 2016), PFZW (22 april 2016) en hun accountants kenden blijkens de jaarrekening nog geen gebeurtenissen na balansdatum. Het PMT (31 mei 2016) en PME (9 juni 2016) en hun accountant (E&Y) wijzen inmiddels wel op de gebeurtenissen na balansdatum. {voor de tekst zie [6]} Het bpfBOUW (19 mei 2016) en zijn accountant konden nog geen plaats inruimen in de jaarrekening om onder Overige gegevens de gebeurtenissen na balansdatum te adresseren.

PMT en PME wijzen op de gebeurtenissen in respectievelijk de eerste twee maanden en de eerste drie maanden van 2016. [6] Deze gebeurtenissen waren de drie andere fondsen ook genoegzaam bekend bij het opstellen van hun jaarrekening, Het ABP publiceerde dekkingsgraad eind maart 2016 op 21 april met de volgende tekst

“De financiële positie van ABP blijft zorgelijk in het eerste kwartaal van 2016. De actuele dekkingsgraad was eind maart 90,4%. Dat is nét boven de kritische grens van ongeveer 90%, die eind december bepaalt of we de pensioenen moeten verlagen. Bestuursvoorzitter Corien Wortmann-Kool: ‘We verkeren in de gevarenzone en dat betekent dat de kans op een verlaging in 2017 nadrukkelijk aanwezig blijft.’”

en het PFZW op 21 april 2016

Peter Borgdorff, directeur van PFZW: “Het opkoopprogramma van de Europese Centrale Bank is bedoeld om de rente laag te houden. Een lage rente is nadelig voor de financiële positie van pensioenfondsen omdat de verplichtingen daardoor toenemen. En dat leidt ertoe dat we onze ambitie om het pensioen van onze deelnemers te indexeren niet kunnen waarmaken. We maken ons grote zorgen over de gevolgen die de geforceerde lage rente op de langere termijn kan hebben. De economie wordt nu wellicht aangejaagd, maar dit gebeurt op kunstmatige wijze waardoor de zo nodige structurele hervormingen uitblijven.” 

Tot zover de geroemde transparantie van de drie grote pensioenfondsen die in hun jaarrekening zo duidelijk afwezig is.

§9 Deplorabele toestand pensioenfondsen

Zoals we aan de hand van de gegevens hebben kunnen zien is de deplorabele toestand van de pensioenfondsen in belangrijke mate te wijten aan de voorschriften van het FTK. Dat DNB en AFM het huidige pensioenfondsen willen hervormen is toe te juichen. [7] Een goed begin zou zijn om deze toezichtorganen zelf kalt te stellen. Beide toezichtsorganen lopen immers met een grote boog om de echte knelpunten heen:

DNB [7a]

Voor bouwsteen 1 is een allocatie van het persoonlijk pensioenvermogen noodzakelijk en dient de doorsneeproblematiek, een premieverrekeningsmethode tussen de actieve deelnemers, te worden opgelost.

Bouwsteen 2 gaat uit van een individueel leeftijdsafhankelijk beleggingsbeleid met desgewenst een collectieve buffer om rendementsfluctuaties op te vangen.   Met de buffer halen we het generatieconflict weer in andere vorm weer in huis en blijven we met de pensioenbobo’s opgescheept.  

De gotspe en dooddoener in dit vijf na twaalf scenario is:

“Ten slotte is het van belang dat de transitie naar een nieuw stelsel op een evenwichtige wijze plaatsvindt. Dit vergt zorgvuldige analyse en besluitvorming. Het is zaak om hier zo spoedig mogelijk mee te beginnen.”

AFM

“De AFM vindt de volgende drie uitgangspunten van belang bij het toekomstbestendig maken van het pensioenstelsel: een persoonlijke pensioenrekening voor iedere deelnemer, rekening houden met de verschillen tussen deelnemers en een goede balans tussen keuzevrijheid en bescherming van de deelnemer.” [7b]

Het AFM doet in zijn position paper of je de pensioenregeling begint met een schone lei en het loopt met een grote boog om de transitieproblematiek heen.

Algemeen geldt dat

♦ Het Langlevenrisico niet wordt geadresseerd.

♦ De stelling dat het beleggingsbeleid leeftijdsafhankelijk moet worden gemaakt waarbij jongeren meer en voor ouderen minder risicovol kan worden belegd, wordt klakkeloos overgenomen. Wie die beslissing voor de deelnemers neemt, is onduidelijk. De pappagaai-achtige onderbouwing van de stelling, geliefd in pensioenbobo kringen, ontbreekt ook.

♦ Uiteraard wordt de governance ook niet geadresseerd, bij een werkelijk persoonlijke pensioenrekening kunnen we het wel zonder regelneef toezichthouders van het huidige type stellen. De fianciële maffia is echter van alle tijden en de ervaring met 7 miljoen woekerpolissen maakt dat een kritische en waakzame toezichthouder wel op zijn plaats is. Het is daarbij ook van belang dat die toezichthouder over individuele gevallen direct met naam en toenaam mag rapporteren.

_____________

Laatst bijgewerkt 27 juni 2016

[1a] Jaarverslag ABP, https://www.abp.nl/over-abp/financiele-situatie/jaarverslag.aspx

[1b] Jaarverslag PFZW, https://www.pfzw.nl/over-ons/dit-presteren-we/paginas/jaarverslagen.aspx

[1c] Jaarverslag PMT, http://www.bpmt.nl/actueel/pmt-publiceert-jaarverslag-2015#.V3EWPbh96Uk

[1d] Jaarverslag PME. https://www.metalektropensioen.nl/nieuws/jaarverslag-2015-pme-online

[1e] Jaarverslag bpfBOUW, https://www.bpfbouw.nl/over-bpfbouw/ons-beleid/jaarverslagen/

[2] http://www.pensioenfederatie.nl/Document/Nieuws%20archief/Brief_KampTK_Bijlage_BeleidsnotaUitwerking-herziening-berekeningssystematiek.pdf , blz. 5:

“Voor de vaststelling van het totale VEV wordt de impact voor de afzonderlijke risicofactoren geaggregeerd. Hierbij wordt rekening gehouden met diversificatie-effecten. Doordat niet alle risico’s zich op hetzelfde moment zullen manifesteren, is het VEV op geaggregeerd niveau lager dan de som van de afzonderlijke componenten. Gemiddeld genomen valt hierdoor het VEV ruim 30 procent lager uit dan wanneer er geen rekening zou worden gehouden met diversificatie. De relatieve impact van de herziening op het diversificatie-effect is gemiddeld genomen beperkt. Ook daarbij is sprake van verschillen tussen fondsen. Afhankelijk van de beleggingsmix van een fonds neemt het effect van diversificatie tussen verschillende risicoscenario’s toe dan wel af.”

[3] https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2016/05/20/rapport-dnb-over-financiele-positie-pensioenfondsen

[4] http://www.dnb.nl/statistiek/statistieken-dnb/financiele-markten/rentes/index.jsp

[5] http://www.dnb.nl/nieuws/nieuwsoverzicht-en-archief/dnbulletin-2015/dnb325664.jsp

[6] Gebeurtenissen na balansdatum

PMT is een andere mening toegedaan (31 mei 2016) :

“In de eerste twee maanden van 2016 is de dekkingsgraad sterk gedaald door negatieve ontwikkelingen op de financiële markten, met name een sterke rentedaling. Eind februari 2016 bedroeg de dekkingsgraad 89,6%, dat is onder het kritieke niveau van het herstelplan en tot nu toe het laagste niveau dit jaar (zie paragraaf Solvabiliteitsrisico). Hierdoor is de kans op een verlaging van de pensioenafspraken in 2017 sterk toe genomen.”

Ook de accountant drs. J. Niewold RA (E&Y) heeft een andere taakopvatting:

“Wij vestigen de aandacht op het onderdeel ‘Herstelplan en mogelijke pensioenverlaging’ in het bestuursverslag alsmede de gebeurtenissen na balansdatum waarin de mogelijke gevolgen van de ontwikkelingen van de dekkingsgraad in de eerste vier maanden van 2016 zijn beschreven. Deze aangelegenheid doet geen afbreuk aan ons oordeel.”

PME heeft een gelijke taakopvatting (9 juni 2016):

“In de eerste drie maanden van 2016 is de dekkingsgraad sterk gedaald door negatieve ontwikkelingen op de financiële markten, met name door een sterke rentedaling. Eind maart 2016 bedroeg de dekkingsgraad 90,8%. Hierdoor is de kans op een verlaging van de pensioenaanspraken in 2017 toegenomen”

en dezelfde accountant als PMT rapporteert:

“Ontwikkeling van de dekkingsgraad

Wij vestigen de aandacht op de toelichting in de jaarrekening, het bestuursverslag, alsmede de gebeurtenissen na balansdatum waarin een mogelijke pensioenverlaging als gevolg van de ontwikkelingen van de (beleids)dekkingsgraad in de eerste drie maanden van 2016 is beschreven. Deze aangelegenheid doet geen afbreuk aan ons oordeel.

[7a] http://www.dnb.nl/nieuws/nieuwsoverzicht-en-archief/dnbulletin-2016/dnb342808.jsp

[7b] https://www.afm.nl/~/profmedia/files/afm/2016/postion-paper-pensioenstelsel.ashx

Advertisements

From → 0. Permanent

One Comment
  1. Dhr JC Kortekaas permalink

    Het gezochte individuele pensioenstelsel is al ruim veertig jaar in bedrijf. Beroepspensioenfondsen kennen een individuele opbouw met vaste indexatie. Dit zorgt voor een hogere opbouw voor jongeren ten opzichte van ouderen bij gelijk premiepercentage.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: