Skip to content

It is my money and I need it now! [1]

18 juni 2016

_______________________________________________

De Rapportage van DNB over de financiële positie pensioenfondsen is voor mij aanleiding om nog eens aantal zaken op een rijtje te zetten.[2] Ik richt mij in het bijzonder op de positie van de gepensioneerden, die worden immers in de herstelperiode het meest getroffen bij de opbouw van deels onnodige buffers, waarvan zij geen cent wijzer worden.

Hans Van Meerten heeft in het Reformatorisch Dagblad in het artikel Pensioenstelsel failliet een warm pleidooi gehouden om met een schone lei te beginnen. De oude fondsen zoals het ABP worden gesloten voor de nieuwe opbouw. Het woord sterfhuisconstructie neemt hij net niet in de mond, maar daar komt het wel op neer. De nieuwe opbouw kan dan in een nieuwe instelling – dus niet verplicht een pensioenfonds – plaatsvinden. Die instelling werkt zonder herverdelingsmechanismen en rekenrentediscussies.[3]

Uiteraard zal de governance van deze instelling dit keer wel goed geregeld moeten worden, waarbij alle zeggenschap uitsluitend bij de deelnemers komt te liggen. Mogelijk is een coöperatie een geschikte rechtsvorm. Het moet dan mogelijk zijn om op verzoek de oude rechten in het nieuwe pensioenlichaam in te fietsen. Onder welke voorwaarden dat gebeurt, is dan het onderwerp van een staatscommissie, die op dit punt nu wel eens op korte termijn knopen doorhakt. De sociale partners en politici worden bedankt voor het jarenlange wanbeleid en zo veel mogelijk weggehouden bij de nieuwe opzet. Omdat sprake is van een defined contribution systeem is voor de werkgevers ook geen rol meer weggelegd. De instelling kan met behulp van diverse beleggingsfondsen de deelnemer laten kiezen voor een beleggingsprofiel dat kan variëren met leeftijd en risicovoorkeur.

De politieke realisatie hiervan zie ik eigenlijk niet zo zitten, tenzij de fittere pensioendeelnemers naar de pitchfork grijpen. [4]

_______________________________________________

§1 Inleiding

De pensioendeelnemer werd veelal een waardevast pensioen beloofd. De pensioenuitkering is dan afhankelijk van de inflatie en de loonontwikkeling. Gezien de lage inflatie en de geringe loonstijging in de afgelopen jaren zou het niet al te moeilijk moeten vallen om die pensioenambitie te realiseren. Dit klemt te meer daar het rendement in de afgelopen 20 jaar bij een vooraanstaand pensioenfonds gemiddeld 7% bedroeg. [5] Inmiddels ligt de indexatie-achterstand (waardevast) bij dat zelfde fonds al op bijna 11,7% en op 9% op basis van een voor inflatie geïndexeerd pensioen. [6] Het geringe verschil in achterstand laat duidelijk zien dat er met de loonontwikkeling in Nederland ook het een en ander mis is.

In deze bijdrage zullen we op basis van grote stappen snel thuis enkele grove berekeningen maken om een inzicht te krijgen in de pensioensituatie van de deelnemer. De deelnemer tast daarbij veelal in het duister. De uitwerking van zijn pensioensituatie op basis van de uiterst geheime ingediende herstelplannen wordt de pensioendeelnemer kennelijk onthouden. Aan zijn jaarlijkse, door het simplistisch AFM-verbond goedgekeurde pensioenopgave ziet hij zo weinig dat deze linea directa de kattenbak in kan. In hoeverre de wet pensioencommunicatie daarin verbetering brengt moet hij maar afwachten.

§2 De deplorabele toestand van de pensioenfondsen

Aan het rapport van DNB ontlenen we de volgende gegevens [2]:

221_0

(1) Voor 97% van de deelnemers geldt dat hun pensioenfonds een herstelplan moet indienen, waarbij het fonds binnen 10 jaar op het Vereist Eigen Vermogen (VEV) moet uitkomen. Dat vereist eigen vermogen is afhankelijk van het risicoprofiel van het fonds en fluctueert ruwweg tussen de 16% en 25% ( zie tabel) o.a. afhankelijk van de beleggingmix en het risico dat het fonds neemt.

(2) 61% van de deelnemers met 66% van de pensioenverplichtingen worden geconfronteerd met een pensioenfonds dat niet aan het minimaal verplicht eigen vermogencriterium (MVEV) met een beleidsdekkingsraad van 104,2% voldoet. Indien deze situatie (< MVEV) vijf jaar voorduurt moet het tekort in minimaal 10 jaar verplicht worden ingelopen.

(3) 36% van de deelnemers met 27% van de pensioenverplichtingen worden worden geconfronteerd met een pensioenfonds dat een vereist eigen vermogen heeft dat tussen het MVEV en het VEV in ligt. Ook die fondsen moeten een herstelplan opstellen dat aangeeft hoe zij binnen 10 jaar op het VEV uitkomen. Elk jaar wordt de situatie echter opnieuw bepaald in het aangepaste herstelplan, zodat de soep niet zo heet wordt gegeten als hij wordt opgediend. Zo zoetjes aan lijkt het er echter op dat aan echte kortingen niet valt te ontkomen. [2]

(4) Slechts voor 3% van de deelnemers met 3 % van de pensioenverplichtingen geldt dat hun pensioenfonds de zaken op orde heeft.

(5) Meetlaat daarbij is de pensioenverplichting die op basis van de UFR wordt gewaardeerd conform de voorschriften van DNB. [7] Tweede meetlat is de voorgeschreven berekening van de rendementen op grond van voorgeschreven parameters.[8] Een derde meetlaat is de vaststelling van de pensioenpremie waarbij ook de voorschriften van DNB en de zgn. premiedemping een rol spelen. [9]

(5a) Hoewel de pensioenuitkering slechts tot de spreekwoordelijke deur gegarandeerd wordt, is de pensioenwereld van mening dat je de verplichting op de risicovrije rente moet waarderen die bepaald wordt door een tamelijk arbitraire UFR-excercitie (” niet volledig objectiveerbare criteria”). Er moest immers een list worden bedacht om het renteverloop na twintig jaar niet gewoon als een rechte lijn door te trekken: de levensverzekeringsmaatschappijen zouden anders de tent direct kunnen sluiten en de pensioenfondsen zonder verplichte deelname ook. De herstelplannen gaan uit van de bestaande situatie, met een te verwachten daling van de UFR doordat oude jaarlagen uitvallen hoeft geen rekening te worden gehouden.[10] Eigenlijk zou DNB dat effect in de vaststelling van de herstelplannen al hebben moeten meenemen.

De UFR daalde van 4,2% naar 3,3%, terwijl internationaal aan 3,7% voor de eurolanden wordt gedacht. [7a; 7c; folklore:9b].

(5b) Het effect van (5a) wordt vergaand gemitigeerd door toe te staan dat bij de herstelplannen mag worden gerekend met DNB-normrendementen die ontleend zijn aan de commissie parameters.[8] Een fonds dat meer risico neemt, mag ook met hogere rendementen rekenen en zo komt Jan Spliter door de winter. Dat geldt alleen niet voor de pensionado’s die met de korte termijn van de herstelperiode te maken hebben, naar hun indexatie kunnen fluiten en met een afstempeling worden bedreigt. De actieve deelnemers lopen mogelijk alleen ten onrechte indexatie mis en gaan bij pensioenoverdracht mede door de doorsneepremie regeling, de boot in.

Eigenlijk is het herstelplan dus een herstelberekening op basis van reëlere uitgangspunten, waarbij [5a] voor grote groepen deelnemers materieel (m.uz. indexatie) buitenwerking wordt gesteld.

(5c) Een kostprijsdekkende pensioenpremie zou onder het regime [5a] natuurlijk te hoog uitvallen en daarom mag je de pensioenpremie “dempen” door met het onder [5b] genoemde, bij voorkeur maximaal toegestane, rendementen te rekenen. Als het kalf verdronken is dempt men de put, is een oude wijsheid die hier ook opgaat. Het effect valt in tabel 1 na te lezen. Er is een opvallende correlatie tussen de hoogte van de pensioenpremie en de miserabele financiële toestand van een pensioenfonds. Alleen de top 3% deelnemers betalen zo te zien, niet geheel toevallig, een kostprijs dekkende premie die correspondeert met de vereiste dekkingsgraad en de pensioenambitie. DNB is kennelijk van mening dat als je dit maar rapporteert [2, blz. 13] je aan je zorgplicht hebt voldaan.

(5d) De rendementen op vastrentende waarde flateren het beleggingsresultaat omdat bij dalende rente een voorschot wordt genomen ten koste van toekomstige rendementen. In de appendix A laten we dit aan de hand van een voorbeeld zien. De actuele dekkingsgraad wordt hiermee dus feitelijk al jaren te hoog voorgesteld.

De effectieve rente op een tienjarige staatslening is momenteel 0,148%. Veelal werd voor rendementen op vastrentende waarden uitgegaan van 2% inflatie en een reële rente van 1,7%. Het CPB gaat in zijn mltv 2017-2021 uit van een lange rente van 1,9% en een inflatie van 1,8 % in 2021, van een reële rente is dus voorlopig geen sprake. Ronden we beide cijfers af op 2% en gaan we uit van een premie op aandelen van 3% dan wordt het gemiddeld rendement bij een 50%/50% mix vastrente waarden /aandelen gemiddeld 3,5%. Het scenario in paragraaf 3.1 van 3% rendement lijkt dus nog steeds haalbaar.

Bij herstelplannen wordt volgens DNB gemiddeld uitgegaan van een overrendement van ca 3,7% boven de UFR. [2, blz. 15]:

221_10

Onder het motto “goedgekeurd door de DNB” zullen we dit percentage maar verder hanteren.

(6) Naast de ALM-toets en de VEV-toets hebben we nu ook die mallotige haalbaarheidstoets. Over het nut van de haalbaarheidstoets (art 143 Pensioenwet) kunnen we kort zijn. Staring en Janssen hebben daar in hun artikel al gehakt van gemaakt. [10a] Daarover communiceren met de deelnemers wordt door de pensioenbobo’s ook niet als nuttig ervaren. [10b] Het DNB is het daar kennelijk ook gloeiend mee eens want in zijn rapport over de financiële positie van de pensioenfondsen [2] wordt er terecht tittel of jota aandacht aan besteed.

§3 De casus

We gaan voor een 71-jarige pensioendeelnemer na hoe zijn pensioen zich verder ontwikkeld. Daarbij gaan we er vanuit dat hij naar het zich laat aanzien nog 11 uitkeringen van nominaal € 10.000 tegoed heeft.

§3.1 De emissieprospectus

Een aantal jaren geleden werd onze pensionado koeien met gouden hoorns beloofd. zoals uit onderstaande opstelling blijkt:

221_3

(1) De aannames zijn dat inflatie + loonstijging gelijk is aan een conservatief rendement van 3%. Onder die omstandigheden is tabel 1 eenvoudig samen te stellen. Ook wordt geen rekening gehouden met overlijden tijdens de opbouw of arbeidsongeschiktheid. Onder die omstandigheden is de opbouw voor bv modaal van 42 x € 8.000 gelijk aan de uitbetaling 20 x € 16.800. Voor een nadere toelichting zie [11] en de bijdrage “Hervorming pensioenopbouw“. Je moet dan wel ongedempt 33,3% pensioenpremie betalen en daar hebben de sociale partners natuurlijk geen zin in.

[2] Uit de opstelling blijkt de invloed van inflatie en loonstijging op de hoogte van het pensioen. Dat de AOW deze ontwikkeling volgt, staat overigens nog te bezien, de historie wijst immers anders uit.

§3.2 De stand van zaken

221_4

(1) De pensioenvoorziening staat in de boeken van het pensioenfonds voor € 109.840, nominaal is de verplichting nauwelijks meer en bedraagt € 110.000. Over de logica van de eerst paar jaren zullen we ons hoofd maar niet breken. [11]

(2) Onder de huidige omstandigheden kun je dus voor de middellange termijn net zo goed met nominale waarden rekenen en is het rente-effect te verwaarlozen. Dat wordt er voorlopig ook niet beter op.[12]

(2) De dekkingsgraad bedraagt 90%, zodat het maar zeer de vraag is of de nominale bedragen wel kunnen worden uitgekeerd.

§3.3 De “werkelijke” afwikkeling onder het oude regime

221_5

[1] We gaan uit van de rendementen in het herstelplan. [2] De “individuele dekkingsgraad” aan het begin is 90% en de algemene reserve bedraagt dus € – 10.984.

[2[ Ondank het feit dat het pensioenfonds met deze pensioenpolis binnenloopt, moet indien de dekkingsgraad gedurende vijf jaar lager dan 104,2 bedraagt verplicht tot korting worden overgegaan. Dat kan in één keer of mag maximaal over 10 jaar worden uitgesmeerd, de keuze is aan het pensioenfonds. De post is daarom p.m. in de tabel opgenomen.

[2] Indexering mag indien de beleidsdekkingsgraad > 110 bedraagt en het fonds die indexatie ook in de toekomst kan uitkeren. In een pensioenfonds ben je daarbij afhankelijke van de collectieve dekkingsgraad die door premiedemping, VUT-uitkeringen, langleven risico, etc. waarvoor geen premie is betaald fors kan afwijken van de individuele polissituatie. Ook de afwikkeling van de doorsneepremie problematiek kan nog roet in het eten gooien als die niet uitsluitend wordt verrekend onder de actieve deelnemers. Aan de hand van het herstelplan zou het fonds deze informatie natuurlijk wel aan de pensioendeelnemer kunnen verstrekken en het verloop volgens tabel completeren in het jaarlijkse overzicht. Vooralsnog is daar geen kijk op.

§3.4 De liquidatie

Pensioenoverdracht mag pas bij een voldoende dekkingsgraad plaats vinden. [13] Veelal wordt 100% genoemd, terwijl 104,2% (MVEV) eerder voor de hand zou liggen of nog logischer de dekkingsgraad van het nieuwe pensioenfonds als uitgangspunt zou moeten worden genomen.

Afstempelen, het verlies nemen en vervolgens naar een fonds gaan met persoonlijke vermogenrekeningen lijkt een aantrekkelijk alternatief om nog iets van die € 9.642 binnen te halen.

221_6

(1) Onze pensionado kan dus toch nog een pensioen van € 10.688 genieten. Dat moet dus snel geregeld worden cf de titel van deze bijdrage.

(2) Onze pensionado draagt zijn pensioen over op basis van de geldende regels. Hij zou natuurlijk ook eens kunnen kijken wat zijn pensioeninleg tegen de werkelijke gemaakte rendemententen de afgelopen tientallen jaren wel had opgebracht. [14] Dat is nu een mooie excercitie voor een in te stellen dit keer doorpakkende staatscommissie.

Appendix A Vastrentende waarden.

Als voorbeeld nemen we de Obligatie NL 5.50% 2028/01/15:

221_1

(1) De waarde van nominaal € 100.000 obligaties steeg van 2011 tot 2014 van € 138.880 naar € 156.040. Maar what goes up must come down, in elk geval is het op 15/1/2028 zover omdat dan de nominale waarde tot uitkering komt. Bij het aanhouden van de obligaties leidt de koersontwikkeling dus alleen maar tot een andere verdeling van de rendementen in de tijd en rekenen pensioenfondsen zich bij de huidige lage rente rijk.

(2) Pensioenfondsen slaan zich graag op de borst over het rendement in 2014 van 28% dat ten koste gaat van het rendement in volgende jaren en klagen ondertussen wel over de lage rekenrente. De marktrentestijging in 2015 maakte dat het rendement voor 2015 slechts 0,6% bedroeg.

(3) Bij een gelijkblijvende marktrente van eind 2015 1,348% is het rendement voor 2016 en 2017 slechts ≈ 1,97 respectievelijk 1,94% i.p.v. 5,5%. Dat agio moet je immers tot 2018 verschmerzen. 

(4) Een groot voordeel van de pensioenregeling is dat de pensioendeelnemer geen vermogensrendementsheffing betaalt. In 2015 zou hij anders 30% van 4% van € 151.135 aan VRH hebben betaalt, terwijl hij in werkelijkheid slechts 0,6% rendement maakt. Net als het pensioenfonds rekent de fiscus het agio graag mee bij het vermogen.

(5) Het aandeel vastrentende waarde van de pensioenfondsen nam in de loop van het eerste kwartaal 2015 (QE ECB) dan ook toe naar rond de 58%. [7a] De rendementen op vastrentende waarden in vreemde valuta nam door de de rentedaling en de daarmee samenhangende appreciatie van vreemde valuta ook nog eens toe.[7a] Uiteraard wordt bij indekking (rente en/of valuta) van posities een deel van deze winsten ongedaan gemaakt.

 ____________________

Laatst bijgewerkt 18 juni 2016

[1] Reclamespotje: https://www.youtube.com/watch?v=HX0fIi3H-es

[2] https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2016/05/20/rapport-dnb-over-financiele-positie-pensioenfondsen

[3] Niet op zondag: Hans van Meerten, “Pensioenstelsel failliet”, http://www.refdag.nl/opinie/pensioenstelsel_failliet_1_993661

[4] TED, Nick Hanauer, “Beware fellow plutocrats, the pitchforks are coming”, https://www.ted.com/talks/nick_hanauer_beware_fellow_plutocrats_the_pitchforks_are_coming

[5] https://www.abp.nl/over-abp/beleggen/resultaten.aspx

[6] https://www.abp.nl/over-abp/financiele-situatie/indexatie.aspx

[7a] http://www.dnb.nl/nieuws/nieuwsoverzicht-en-archief/dnbulletin-2015/dnb324317.jsp

[7b] https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2013/10/11/advies-commissie-ufr

[7c[ Met kritiek op [7b] :

https://eiopa.europa.eu/Publications/Consultations/RFR%20CP%20on%20methodology%20to%20derive%20the%20UFR%20(after%20BoS).pdf#search=ufr

[8] https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2014/03/21/advies-commissie-parameters

[9a] http://www.toezicht.dnb.nl/3/50-233170.jsp

[9b] http://www.gepensioneerden.nl/uploads/files/Werkgroepen/Werkgroep_Communicatie/Position_paper_Van_Praag.pdf

[10a] https://www.pggm.nl/wat-vinden-we/Documents/Vormgeving-haalbaarheidstoets-dient-het-doel-niet.pdf

[10b] http://www.pensioenfederatie.nl/actueel/nieuws/Pages/Hoe_moet_een_pensioenfonds_communiceren_over_de_haalbaarheidstoets_1088.aspx

[11] http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/de-noodzaak-van-een-alternatief–pensioenakkoord

[12] http://www.mercer.nl/onze-deskundigheid/rentes-op-rentetermijnstructuur-negatief.html

[12] http://www.aon.com/netherlands/persberichten/2016/herstelplannen-pensioenfondsen.jsp

[13] https://www.fnv.nl/themas/pensioen/waardeoverdracht-pensioen/

[14] http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/de-pensioenmythe-doorgeprikt

 

 

Advertenties

From → 1. Actueel

One Comment
  1. Dhr JC Kortekaas permalink

    Geldpakhuizenproblematiek.

    Ook als er 50 jaar geen rendement wordt gemaakt en 50 jaar geen premie wordt betaald hebben de pensioenfondsen met de huidige sterftetafels nog geld in het pakhuis tot 2067 om de pensioenen uit te keren.

    (pensioenvermogen 1500 miljard, premies 40 miljard, uitkeringen 30 miljard, rendement gemiddeld afgelopen 10 jaar 75 miljard per jaar)

    Nederlanders geloven niet meer in God, maar wel in Calvijn. We bouwen als enig land ter wereld een gigantische geldpiramide met een onbreekbare toegangscode. Het wereldwonder der 21e eeuw.

    Martin ten Cate: Een rijk land moet rijk leven.

    Rob de Brouwer: 19 mythes en onwaarheden over ons pensioen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: