Skip to content

Vermogensrendementsheffing nieuwe stijl

28 augustus 2015

_____________________________________________________________

In deze bijdrage behandelen we de vermogensrendementsheffing (VRH) nieuwe stijl. Bij de beoordeling van dit “stelsel” is het effectieve belastingtarief gegeven een werkelijk behaald (gerealiseerd en ongerealiseerd) rendement doorslaggevend. Dat rendement is uiteraard het reële rendement gecorrigeerd voor inflatie. Daarnaast is van belang dat het inkomen uit vermogen voor alle vermogenscomponenten gelijkelijk wordt behandeld, zodat belastingarbitrage wordt voorkomen.

Slechts een kwart van het vermogen van de huishoudens valt onder de VRH. Het Ministerie van Financien (MvF) goocheld nogal met de cijfers  en rekent in doorsnee met een rendement van 4,6% over het hele vermogen, terwijl dat in feite op grond van hun eigen rendementscijfers een procent lager,namelijk 3,64%, zou moeten zijn. Ook op die rendementscijfers valt het een en ander af te dingen omdat voor elke vermogenscomponent een andere “systematiek” wordt gehanteerd om het gemiddelde rendement vast te stellen.[1s]  Het MvF is daarbij goed in cherry picking zodat de percentages nooit te laag uitvallen. Als je rekening houdt met inflatie is het rendement voor de laagste VRH-tariefgroep, rekening houdend met een werkelijk  rendement op bank-en spaartegoeden van zeg 1,25%, zelfs negatief en 40% van de VRH-belastingbetalers heeft uitsluitend vermogen in die categorie.

Zolang de vermogensbelasting niet gebaseerd is op werkelijk rendement levert het MvF broddelwerk en dat ministerie heeft na al die belastingstudies jaren de tijd gehad om daaraan te werken. De banken kunnen nu reeds een groot deel van deze informatie fluitend aanleveren, zoals elke private banking afdeling je kan vertellen. [voor CPB zie 1w] Zelfs als het werkelijke rendement tegen 30% wordt belast is het effectieve belastingpercentage eerder 50%, en veelal aanzienlijk hoger, als je met 2% inflatie rekening houdt.  Nu heb ik persoonlijk niets tegen een belasting op het reële vermogensinkomen conform box 1 tarieven, maar volgens veel macro-economen zou dan een emigratiegolf ontstaan. [1c] Waarom die tsunami de afgelopen tien jaar dan al niet heeft plaats gevonden vertellen ze er nooit bij, waarom ze niet met effectieve belastingpercentages rekenen ook niet.

Indicatief kan een berekening op basis van het werkelijk te behalen rendement worden gemaakt. Daarvoor gaan we uit van het rendement van de pensioenfondsen voor hun herstelplan van gemiddeld 4,7% [1v] en een rendement op bank- en spaartegoeden van 1,25% (in  mld.):

183_0z

Dat 4,7% rendement is nog een hele opgave, Robeco gaat voor een goed gespreide beleggingsportefeuille uit van 2,9% voor de komende vijf jaar. In die portefeuille zal ongetwijfeld nog wat liquide vermogen zitten, maar toch.

Veel VRH-belastingbetalers (met name VRH-groep I en II) hebben dus nog wat geld tegoed van de overheid over de afgelopen jaren. Dat geldt zeker voor die 40% VRH-belastingbetalers die alleen bank- en spaartegoeden aanhielden als vermogen. Als eigendom volgens Proudhon al diefstal is, dan is de fiscus zeker een dief die deze groep met de 1,2% VRH buitenproportioneel heeft belast.

Update: voor de liefhebbers nog twee literatuurverwijzingen Raymond Gradus en Mark Romijn op Me Judice en het advies van de Orde aan de Kamercommissie. [4]

_____________________________________________________________

§1 Inleiding.

Sinds 2001 kennen we een vermogensrendementsheffing van 30% (belastingtarief) over 4% (fictief rendement) van het kwalificerend vermogen. Gegeven de rente-ontwikkeling loopt deze heffing al een aantal jaren uit de pas vergeleken met de werkelijk behaalde rendementen op bank- en spaargelden. De commissie van Dijkhuizen II kwam in op een gemiddeld rendement voor spaargeld van 2,4% en paste dit percentage voor het gemak op het hele vermogen toe.[1j]  Het verschil tussen forfaitair en werkelijk rendement is inmiddels dermate groot dat de VRH voor veel vermogenbezitters kan worden aangemerkt als een “buitensporig zware last”. Mocht het voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van 5,5%  voor particuliere beleggers overigens wel haalbaar zijn, kennelijk de juridische toets voor art 1 EVRM (eigendomsbescherming), dan heeft DNB met zijn UFR-rekenrente nog het een en ander uit te leggen aan de pensionado’s.

Onder de VRH met een opbrengst in 2012 van € 4,2 mld. (1% VRH-vermogen zonder vrijstelling) valt slechts een kwart van het vermogen van de huishoudens zoals uit de volgende opstelling blijkt:

183_0a

Doordat voor grotere vermogens de VRH wordt opgetrokken, wordt het verschil in behandeling met vermogens die niet onder de vermogensrendementsheffing vallen nog groter. (b.v. box II, ondernemingsvermogen en pensioenvermogen). Er zullen dan ook wel weer belastingconstructies bedacht worden om de 5,5% VRH te ontgaan. Het voordeel van een BV-constructie wordt overigens schromelijk overdreven – zie noot [1r]. Deze belastinglekken zijn overigens grotendeels van eigen makelij van de fiscus, omdat ons belastingsysteem ingericht is voor de Upper Middle Class als “glijbaan naar de belastingvrijdom”. (C.A. Rijkers) [1n]

Het Ministerie van Financien (MvF) goocheld nogal met de cijfers. Dat geldt voor de samenstelling van het VRH-plichtig vermogen, waarbij de bank- en spaartegoeden ca 40% te laag worden voorgesteld en voor het door het MvF “berekende” rendementen. De samenvatting is als volgt :

183_1_z

(a) MvF rekent dus met een gemiddeld rendement van 4,6% terwijl dat volgens de eigen rendementsgegevens 3,64% zou moeten zijn. Dat komt in belangrijke mate door de wegingspercentages voor de bank-en spaartegoeden component van het vermogen, zoals uit onderstaande tabel blijkt:

183_1_x

(i) De VRH-opbrengst is hier berekend exclusief de aftrek voor overige schulden en de vrijstelling VRH en dient alleen om het verschil in VRH-belasting aan te geven.

(ii) Door de verdeelsleutel van de bank-en spaartegoeden van respectievelijk 67%, 21% en 0% van het totale vermogen van de VRH-groepen I, II en III afzonderlijk wordt in feite slechts 60% van de bank-en spaartegoeden meegenomen in de rendementstoedeling.

(iii) De aangekondigde vermogensrendementsheffing nieuwe stijl (VRH) kent een drietal schijven, 2,9%, 4,7% en 5,5% (zie MvF fictief in tabel) en één belastingtarief van 30% met een vrijstelling van 2 x € 25.000 voor een tweepersoonshuishouden. De VRH laat zich als volgt met de oude regeling vergelijken:

183_4Z

(1) Boven de € 350.160 vermogen (2x VRH-vrijstelling) ga je dus onder nieuwe regeling meer belasting betalen.

Rekening houdend met 2% inflatie kan het effectieve belastingtarief bij realisatie van het forfaitaire rendement als volgt worden weergegeven:

183_0

Het werkelijke belastingtarief is dus aanmerkelijk hoger dan de gepretendeerde 30%. Onder het oude regime was bij een werkelijk rendement van 4% rendement en 1,2% VRH het effectieve belastingpercentage 61,2%. Bij een VRH van 0,59% respectievelijk 0,98% in plaats van de huidige 1,2% wordt volgens de tabel effectief respectievelijk 30% en 50% belasting betaald. Het tarief is daarnaast misleidend omdat de forfaitaire rendendementspercentages, die door MvF nogal onder de moterkap worden gehouden (zie § 4) van elke realiteit zijn ontbloot.

Bij een spaarente van 1,5% en 2% inflatie maakt de 2,9% VRH-tariefgroep een werkelijk rendement van -1,36%. Dat geldt dus in elk geval voor de 40% VRH-belastingbetalers die alleen bank- en spaarvermogen hebben. Voor € 10.000 spaargeld levert dat in een jaar een vermogensverlies van € 49 op waarover ook nog eens € 87 VRH betaald moet worden. De vrijstelling VRH is ook een gotspe voor die groep. Over die “vrijstelling” van € 25.000 wordt jaarlijks een vermogensverlies geleden van € 123. Die vrijstelling is dus een vrijstelling van expropriatie. Maar die vrijstelling hadden we al onder artikel 1 van het EVRM, en wel voor het hele vermogen.

Robeco verwacht de komende vijf jaar voor een goed gespreide beleggingsportefeuille een opbrengst van 2,9% [1s] Dat leidt aangevuld met enkele gegevens uit de miljoenennota tot de volgende verbazingwekkende samenvatting:

183_0B

Het zal duidelijk zijn dat de Robeco portefeuille niet helemaal doorsnee is volgens het MvF. Ik weet overigens niet wat ze op dat ministerie gerookt hebben toen ze hun cijfermateriaal verzamelden. Zowel de gehanteerde rendementen als de gehanteerde weging van de beleggingsportefeuilles zijn problematisch en maken dat het MvF naar zich toerekent. [In appendix A wordt nader ingegaan op diverse rendementsgegevens.]

Eerder behandelden we in Belasting op kapitaalinkomen volgens Jacobs de belasting op alle vermogenscomponenten. In deze bijdrage gaan we in op de vermogenscomponenten (§2) , het belastingtarief (§3), het rendement (§4) en tot slot trekken we de conclusie. (§5) In appendix A laten we aan de hand van een aantal voorbeelden het werkelijk behaalde rendement in de afgelopen jaren laten zien.

§2 Vermogenscomponenten die onder de VRH vallen

Voor het jaar 2011 kan op basis van recente gegevens de VRH als volgt worden weergegeven [3, vraag 76]:

(click op tabel of Ctrl + om te vergroten)

Tabel 3.1. Vermogen 1/1/2011 voor VRH en niet-VRH

183_3a

(1) Het overzicht geeft de VRH voor de vier vermogenskwartielen. Het belastbaar vermogen is teruggerekend vanuit de opbrengst van € 4.224 mln. (1% vermogen voor vrijstelling) In totaal valt dus 35,9% van het CBS- vermogen huishoudens onder de VRH en 24,5% van het totale vermogen huishoudens. (zie intro) Dat vermogen wordt overigens door het CBS systematisch te laag voorgesteld.

(2) Overig VRH-vermogen bedraagt €97,6 mld. Dit is per saldo het verschil van de MvF-cijfers en de CBS-cijfers en moet wel toe te rekenen zijn aan de vermogenbezitters die niet onder de VRH vallen.

(3) Omdat de kwartielindeling op basis van VRH grondslag niet het hele plaatje geeft, heb ik de kolommen voor een vermogen > € 175.000 toegevoegd. Dat vermogen is inclusief alle CBS-vermogenscomponenten, ook die componenten die niet onder de VRH vallen. Die 1.944.000 huishoudens hebben een aandeel van 88,7% in het totale vermogen. De overige 5.462.000 huishoudens bezitten dus 11, 3% van het vermogen. Voor die topgroep geldt dat slechts 40,9% van het vermogen onder de VRH valt.

Omdat er een actuelere dataset beschikbaar is zullen we eerst een overzicht van de vermogenscomponenten van de huishoudens geven per eind 2012, gesplitst in vermogen dat onderhevig is aan VRH en vermogen dat daar buiten valt. De vermogensindeling per vermogensdeciel wordt gevolgd hoewel voor ons doel een dergelijke opstelling gebaseerd op een decielindeling voor alleen het VRH-vermogen relevanter zou zijn geweest.

Tabel 5.2 Vermogens huishoudens eind 2012

(click op tabel om te vergroten)

183_3b

(1) Het 9e en 10e vermogensdeciel neemt dus 85% van het totale vermogen, 77% van het VRH-vermogen en 93% van het niet VRH-vermogen voor zijn rekening. Overigens is het goed om te beseffen dat het totale vermogen eigenlijk een nietszeggend cijfer is, omdat het ondernemingsvermogen en het aanmerkelijk belang vermogen b.v. exclusief niet geactiveerde goodwill en stille reserves wordt vermeld. Daarnaast komen bepaalde componenten helemaal niet in die statistiek tot uitdrukking b.v. kapitaalverzekeringen (ca € 80 mld.) Het aandeel van de topvermogens is dus nog aanmerkelijk hoger.

(2) Het pensioenvermogen 31-12-2012 inclusief derde pijler bruto ca € 1.271 mld. wordt door het CBS niet tot het vermogen gerekend. Over het nettobedrag van € 826 mld. (65%) is geen VRH verschuldigd. Over de vermogensverdeling van het pensioenvermogen, inclusief derde pijler van b.v. pensioenen in eigen beheer, valt weinig zinnigs te zeggen. [anders 1q] Wel dat in het verleden 41% van de pensioenpremie tegen 52% werd afgetrokken en dat die groep dus bovenmatig profiteert van de vrijstelling van het pensioenrendement voor de VRH. (ca 6,8% van de bevolking).

(3) Van het VRH-vermogen is het aandeel voor bank- en spaartegoeden 58%, obligaties 5%, aandelen 17%, overig onroerend goed 32%, en overig 7%.

(4) Het 10e deciel heeft 44% van zijn vermogen in bank- en spaargelden belegd. Als Wiebes kan aantonen dat het rendement hierop 1,63% is, dan moet hij ook aantonen dat op de overige 56% 8,5% rendement wordt gemaakt om op 5,5% uit te komen. De door het MvF gehanteerde rendementspercentages laten zien dat dit zeker niet het geval is.

(5) De vermogenscomponenten kunnen als volgt worden toegelicht (top is het 9e en 10e deciel):

Bank- en spaartegoeden (€ 301,9 mld. , 58,4% VRH – 65% top)

Voor bank- en spaartegoeden kan, als voor 2001, voor het rendement worden aangesloten bij de opgave die elke Nederlander jaarlijks van zijn bank krijgt. Er is dus geen enkele reden om voor deze vermogenscomponent een forfaitaire regeling aan te houden. Elk procent minder forfaitair rendement kost de overheid echter 0,9 mld. Dat is voor spaartegoeden dus 58% van 0,9 mld. of € 522 mln. Ik denk dat dit de enige reden is om hier niet toe over te gaan. Je stelt het forfaitaire rendement op 1,63%, rekent slechts 60% van het saldo bank-en spaartegoeden toe bij de rendementstoerekening en strijkt de centen op.

Obligaties (€ 25,9 mld., 5,0% VRH- 96% top)

Ook hiervan valt het rendement eenvoudig vast te stellen aan de hand van de rendementsoverzichten van de bank. Als de koerswinsten belast worden zal men ook de koersverliezen moeten kunnen aftrekken, met verliescompensatie. Eenvoudiger is het natuurlijk om aan te sluiten bij het werkelijk ontvangen rendement plus koerswinst bij verkoop. Ook deze gegevens levert de bank moeiteloos aan.

Aandelen (€ 86,0 mld.,16,6% VRH – 85% top)

Hier kan een onderscheid gemaakt worden tussen genoteerde aandelen en aandelen die niet genoteerd worden. Een significant deel van de laatste aandelen valt onder box 2 en doet dus niet mee bij de VRH. De banken kunnen de rendementsgegevens moeiteloos aanleveren. Voor niet genoteerde aandelen kan een forfaitair rendement worden belast. Dit forfaitair rendement valt te verrekenen met het behaalde rendement. Hier zal de belastingdienst uit zijn hangmat moeten komen om dat te volgen, maar dat is geen reden om die rendementen onbelast te laten. Zonder belastingambtenaren controleer je ondanks horizontaal toezicht helemaal niets meer.

Onroerend goed overig {€ 163,5 mld., bruto 31,6 % VRH – bruto 80% top) – zie ook overige schulden

Werkelijk rendement bij verhuur en forfaitair bij eigen gebruik. Hierbij kan aansluiting worden gezocht bij een hervorming van de woningmarkt waarbij ook een marktconforme huurwaarde zal moeten worden opgevoerd om de aftrek van de hypotheekrente blijvend mogelijk te maken.

Roerende zaken (€ 96,2 mld., -18,6 VRH – 61% top)

Het betreft onder andere contant geld, roerende zaken verhuurd of in gebruik als belegging, trustvermogen e.d., aandeel in onverdeelde boedel, vermogen belast met vruchtgebruik of beperkt eigendom (o.a. blote eigendom).[CBS] De belastingdienst zal hier dus de handen uit de mouwen moeten steken om het opgegeven rendement te controleren.

Overige schulden (€ 35,8 mld., 6,9% VRH – 89% top)

Het betreft: Schulden voor consumptieve doeleinden, de financieringen van aandelen, obligaties of rechten op periodieke uitkeringen, financiering schulden, voor de tweede woning of ander onroerend goed en schulden volgens de Wet studiefinanciering. De waarneming van deze schulden is onvolledig. Deze informatie is alleen beschikbaar voor huishoudens met inkomen uit box 3. Voor de overige huishoudens zijn deze schulden niet waargenomen.[CBS] {Het niet beschikbaar is een eigen keuze van het CBS – grote stappen snel thuis- de data is natuurlijk wel beschikbaar voorzover ze b.v. door de banken/ studiefinanciering/e.d. wordt aangeleverd.}

Materieel worden de overige schulden tegen het gemiddelde rendement van de VRH-groep afgetrokken.

§3 Effectief belastingtarief bij gegeven rendement.

Het belastingtarief is ongewijzigd sinds de introductie in 2001 en het tarief zou gemitigeerd zijn om rekening te houden met inflatie die het rendement uitholt. Zoals Zalm in 2001 zei: “Elke sukkel haalt meer dan 4% rendement. Wie dat niet lukt, kan bij mij staatsobligaties krijgen met een procent of zes rendement”. De inflatie zag er toen als volgt uit, dus de reële rente was toen ook aanzienlijk lager [1a]:

183_2_a

De kromme redenering van Zalm volgend, had een verlaging van de VRH voor de hand gelegen. Een van die sukkels op het het MvF had toch minstens het VRH-percentage kunnen aanpassen bij de huidige 0,85% rente op een tienjarige staatslening? De sukkel die in 2001 trouwens in 6% staatsleningen belegde, haalde reëel ook nauwelijk rendement (CBS: inflatie 2001: 4,5%) en betaalde dus effectief 83,6% belasting. Ik heb altijd al gezegd dat macro-economen, ondanks hun ingewikkelde wiskundige formules, veelal niet kunnen rekenen.

Maar het is natuurlijk een fabeltje van sommige fiscalisten dat de fiscus in het tarief rekening houdt met inflatie, ook de winstbepaling vindt zonder inflatiecorrectie plaats. Dat is ook de reden dat je vermogenswinsten en inkomen uit arbeid niet zonder correctie met elkaar kunt vergelijken en dat je die twee inkomens niet zonder meer bij elkaar kunt tellen. Toch hechten wij eraan om bij inkomen uit vermogen van het reële rendement uit te gaan en het werkelijke effectieve belastingpercentage daaruit af te leiden.[zie 2 voor methode] Op basis van het voorstel voor de nieuwe VRH-rendementen komen we dan tot de volgende grafiek:

Grafiek 3.1. Effectief belastingtarief gegeven werkelijk nominaal rendement per VRH-tariefgroep

183_2_b

(a) We gaan uit van 2% inflatie. Volgens de MEV is de inflatie voor 2016 1,1%, voor de langere termijn is 2% een goed uitgangspunt (commissie Don). [1k, en  A7] In de grafiek is de vrijstelling VRH niet meegenomen, daarnaast gelden natuurlijk in werkelijkheid oplopende tarieven.

(b) Belastingtarieven > 100% vormen op termijn inbreuk op het eigendomsrecht en zijn dus in de grafiek weggelaten. De rode stippellijn geeft het gepretendeerde belastingtarief van 30% weer.

(c) Het effectieve belastingtarief [2] is bij realisatie van het forfaitaire rendement respectievelijk 99% (2,9%), 53% (4,7%) en 48% (5,5%), afgezien van de vrijstelling, flink degressief.

Het maximale tarief voor box 1 is maximaal 52% en optimaal zo’n 50% volgens sommige economen en het CPB.

“Het optimale tarief voor kapitaalinkomen ligt op basis van alle argumenten in de literatuur vermoedelijk in de orde van grootte van 30-50 procent. Deze inschatting veronderstelt dat huishoudens hun vermogen om fiscale redenen niet internationaal kunnen verplaatsen, wat in het geval van bezitters van grote vermogens weinig realistisch is. De tarieven op kapitaalinkomen kunnen daarom in de praktijk vermoedelijk niet hoger dan 35 procent zijn. Deze inschatting is echter met grote onzekerheden omgeven. Hoe hoog de tarieven op kapitaalinkomen zouden moeten zijn, kan niet met wetenschappelijke hardheid worden onderbouwd.” [Jacobs, 1m blz. 193]

Als macro-economen van 30% – 35% uitgaan bedoelen ze kennelijk belasting over het nominale rendement. Die percentages leiden bij 2% inflatie en een werkelijk rendement van 4% tot een belastingtarief van 61,2% – 71,4%. Dat zijn toch percentages waarbij volgens diezelfde macro-economen een emigratiegolf, een soort omgekeerde tsunami, van vermogenbezitters zal plaatsvinden.

Met één natte vinger kom je, zonder wetenschappelijk hardheid, ook op 30-35% van het nominale vermogensinkomen als je enige mate rekening houdt met inflatie en je baseert op het box I toptarief.

De hoogte van het vermogen is niet relevant voor het te bepalen behaalde rendement op dat vermogen, de samenstelling van het vermogen wel. Ook kan natuurlijk progressie worden toegepast voor de belasting op dat vermogensinkomen, gecorrigeerd voor inflatie. De meest voor de hand liggende methodiek zou natuurlijk zijn om box 1 inkomen en box 3 inkomen bij elkaar te tellen en dit volgens de schijven van box 1 te belasten. Maar dat mag niet van onze macro-economen omdat inkomen uit vermogen maximaal tegen 30% – 35% mag worden belast. Het licht in de rede om de vrijstelling VRH dan in de algemene heffingskorting te verrekenen. 

Als staatssecretaris Wiebes niet het voorbeeld van zijn illustere voorgangers had gevolgd maar wel met belastinghervormingen was gekomen zou de bepaling van het belastingtarief voor kapitaalinkomen niet zo’n probleem zijn geweest. Caminada heeft recent de route voor zo’n belastinghervorming uitgestippeld. [1p]. Met zijn belastingtarief voor box 1 (30,2% t/m derde schijf en 40,2% voor de vierde schijf)  kun je het kapitaalinkomen, gecorrigeerd voor inflatie, gewoon bij het box 1 inkomen tellen en het totaal volgens die tarieven belasten.

Momenteel houdt dat percentage geen rekening met inflatie, zodat we eigenlijk van het maximum van box 1 dus 50% kunnen uitgaan. Er is dan een vergelijkbare grafiek als 3.1. op te stellen die echter tot meer van het zelfde leidt. Voor het 30%/50% belastingtarief gelden de volgende waarden:

183_5_2z

(a) De gemarkeerde velden geven de VRH-schijftarieven weer en zijn in de inleiding samengevat. Belastingtarief is het effectieve belastingtarief als het aangegeven nominale rendement wordt gemaakt.

(b) Uitgaande van een min of meer defensieve portefeuile met als bruto doelrendement 5% in 5,5%-VRH groep is het effectieve belastingpercentage 56,1%.

Tot slot laten we nog even zien wat het effectieve belastingatarief is als de voorstellen van Wiebes doorgaan. Uiteraard houden we daarbij rekening met 2% inflatie:

Tabel 5 Effectief VRH percentage oud en nieuw voor enkele werkelijke rendementen:

183_2d

(a) Materieel wordt de VRH voor eind februari betaald en kan dus bij benadering zonder aanpassing van het gecorrigeerd vermogen voor 2% inflatie worden afgetrokken. (De fiscus geeft 1,67% betalingskorting)

(b) Het effectieve belastingtariefvan van 30% bij 4% werkelijk rendement was dus in werkelijkheid 61%. Bij een rendement van 3,22% werd nul procent netto rendement gemaakt.

(c) Het huidige voorstel leidt dus, indien het forfaitaire rendement daadwerkelijk gemaakt wordt, tot een vermogensbelasting van respectievelijk 99% (2,9%), 53% (4,7%) en 48% (5,5%).

(d) Voor elke tariefgroep is ook het vereiste effectieve rendement bij 30% en 100% belasting aangegeven. Zo moet de 2,9%-tariefgroep een rendement van 4,96% maken om op een effectief belastingtarief van 30% uit te komen., de 4,7%-groep 6,8% en de 5,5%-groep 7,61%.

(e) Dat in de VRH-tarieven met de inflatie rekening gehouden wordt, kan dus naar het rijk der fabelen verwezen worden,

(f) Of op individuele basis sprake is van een “buitensporig zware last” (artikel 1 EVRM), staat nog te bezien. Op basis van de oude en nieuwe VRH heeft de overheid in elk geval voor de 2,9%-VRH-groep, met voornamelijk bank- en spaargelden, de schijn tegen.

(g) Als het voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van 5,5% voor grote particuliere beleggers wel haalbaar is, dan heeft DNB en staatssecretaris Klijnsma met de huidige UFR-rekenrente ook nog het een en ander uit te leggen.[1b]

§4 De werkelijke rendementen en het door MvF berekende rendement

Het voorstel gaat kennelijk voor de eerste en tweede schijf uit van een berekend rendement van de afgelopen jaren, Voor elke vermogenscomponent wordt een andere systematiek gebruikt die veel weg heeft van cherry picking om de belastingopbrengst te maximeren. Daarbij wordt er stilzwijgend vanuit gegaan dat dit gemiddeld rendement altijd positief zal uitpakken voor de belastingdienst. Ik neem ten minste niet aan dat de belastingdienst gaat uit betalen.

In appendix A zijn een aantal rendementsgegevens van de afgelopen jaren bij elkaar opgenomen. Hier concentreren we ons op bank- en spaartegoeden en het rendement van de pensioenfondsen. Het gaat hierbij natuurlijk om de behaalde rendementen en niet alleen om de werkelijke, individueel gerealiseerde rendementen, zoals staatssecretaris Wiebes ons wil voorhouden. [3]

De rendementen die basis vormen voor de belastinggrondslag vaststelling zijn als volgt:

183_A_1

(a) Voor bank- en spaartegoeden geldt de rente op directopvraagbare tegoeden die niet langer dan 3 maanden vaststaan. Het gaat hierbij om het vijfjaar genmiddelde. Voor 2014 1,3% en voor 2015 geschat op 1%.

(b) Voor aandelen geldt het langetermijn rendement MSCI-beleggingsindex. Door met kabbalistische rekenmethoden een beginjaar in de periode 1984-1994 en een eindjaar in de periode 2008-2014 te nemen, kan een gemiddeld rendement van 8,25% worden gekregen, en geheel toevallig was dat de gewenste uitkomst.

(c) Hoewel deze post hoofdzakelijk bestaat uit tweede huizen, is voor een eigen woning index gekozen.  Door de simulatie van 4,25% prijsstijging voor de periode 1974- 2014  wordt vergelijkenderwijs de gewenste grafiek verkregen. Dat er enige samenhang is met de volledig uit de hand gelopen HRA, door de tweeverdieners en de aflossingsvrije hypotheek, mag de pret niet drukken. [1m] Dat de ontwikkeling van buitenlands onroerend goed deze belachelijk ontwikkeling veroorzaakt door clientelisme van VVD en CDA, niet gevolgd heeft ook niet. [geen belanghebbende]

(d) Voor obligaties volstaat de tekst dat het rendement op langere termijn teruggaat naar 4%. (CPB 2016-2023). Het blijft natuurlijk wel jammer dan onze pensionado’s van die rentestijging nog niet mogen profiteren en het met de door DNB voorgeschreven rente moeten doen. (voor de economen vrij naar Clark, different interest for different purposes). Ik weet niet welke kneus-econoom  dat bij het MvF opgeschreven heeft. Ik heb toevallig wat 4% obligaties die enkele maanden geleden nog 175% noteerden en momenteel ca 150% doen. Ik weet 100% zeker dat de koers op termijn naar 100% teruggaat want ik hoop ze aan te houden tot vervaldatum. Mocht de rente op korte termijn naar 4% gaan dan gebeurt dat sneller en zal de markt toch eerst dat agio als sneeuw voor de zon laten verwijnen.

Met enig gegoochel met de cijfers laat zich dan aan de hand van de in het belastingplan verstrekte gegevens de volgende opstelling destilleren:

183_A_2

(a) Het verschil tussen de CBS-cijfers en de MvF cijfers, die alleeen de belastingplichtigen die VRH betalen omvat, moet dus wel het vermogen zijn dat buiten de VRH valt, hier aangegeven als “geheel vrijgesteld”.

(b) MvF kan de splitsing obligaties/aandelen niet verstrekken, maar aan de hand van vermogensdecielindeling van het CBS valt op te maken dat het 10e vermogensdeciel 22,5 mld. van de 24,6 mld. obligaties bezit en het 8e en 9e deciel 1,4 mld. Aangenomen is dat 0,7 mld. buiten de boot valt.  De “gehele vrijstelling” voor aandelen en obligaties van 14,5 mld. komt onwaarschijnlijk hoog voor.

(c) We kennen nu dus alle vermogenscomponenten en de forfaitaire rendementspercentages zodat we het totaal gepretendeerde rendement kunnen uitrekenen. Omdat de inkomenstatistieken van het CBS net als de vermogensstatistieken een rommeltje zijn die alleen op de fiscale gegevens aansluiten,  kunnen we hier niet zo veel mee en is het wachten op betere tijden als we een behoorlijk fiscaal systeem hebben en dus ook betere CBS-statistieken. Iemand die wel goed ingevoerd is in de krochten van de Nederlandse vermogensstatistieken zou de forfaitaire gegevens moeten kunnen aansluiten met de werkelijke cijfers, waar heb je anders statistieken voor?

(d) De nieuwe VRH is bepaald door aan de hand van de aantallen belastingplichtigen de grondslagstaffel 2,9%, 4,7% en 5,5% uit te rekenen en de vrijstelling naar € 25.000 ter herrekenen.

(e) Met 1,63% forfaitair rendement op spaargeld en 5,5% op de rest wordt groep 1 echter nog flink een oor aangenaaid.

(f) Het gemiddeld bank- en spaartegoed is voor de VRH-groepen I, II en III respectievelijk 38, 126 en 619 duizend euro. De aanname dat al dat geld in hoog renderende vermogenscomponenten is belegd is dus ongegrond.

§4.1 Rendement bank- en spaartegoeden.

Meer dan 40% van de huishoudens met vermogen in box 3 hebben uitsluitend bank- en spaartegoeden. [1j] Blijkens een onderzoek van leaseplan uit 2014 laten de Nederlanders jaarlijks meer dan 1,5 miljard euro aan spaarrente liggen.[1d] Over dat geld wordt wel VRH betaald. Nederlandse huishoudens hadden in 02/2014 ongeveer € 280 miljard aan eenvoudig opneembaar spaargeld tegen een gemiddelde spaarrente van 1,37%.[1e] De Nederlands overheid streek hierover zelfs als je de hele vrijstelling van € 72 mld. toerekend aan dit spaargeld, € 5,5 mld. extra belastbaar VRH-inkomen en € 1,6 mld.extra belastingen op, een flagrante vorm van expropriatie. Bij die expropriatie moet je natuurlijk ook nog de inflatie in aanmerking nemen, waarvoor Van Lanschot een fraaie grafiek heeft opgesteld [1h]:

183 Van Lanschot rente

Het rendement op spaarrekeningen is sterk afhankelijk van de spaarvorm. In onderstaand grafiek gebruiken we de gegevens uit van Dijhuizen II en van een tweetal spaarsites om een zo consistent mogelijke cijferreeks te krijgen. Bij het berekenen van de reële rente is de methode van Van Dijkhuizen II en de Geldvieuw site gevolgd, en wordt de inflatie op de rente dus niet gecorrigeerd. [2]

183_5_1a

(a) Het forfaitair rendement vertoont dus geen enkele relatie met het werkelijke rendement voor 58,4% van het VRH-vermogen. Eigenlijk hebben de belastingbetalers voor deze vermogenscomponent recht op verliescompensatie als je van het reële rendement uitgaat.

§4.2 Rendement pensioenfondsen/aandelen.

Het rendement van pensioenfondsen is een indicatie welk rendement met een behoorlijk vermogen al of niet onder aansturing van een vermogensbeheerder te behalen is. Veel vermogen bestaande uit spaargeld, obligaties en aandelen zal immers ook worden aangehouden voor de oude dag. Het MvF rekent met forfaitaire rendementen van respectievelijk 1,63%, 4% en 8,25% voor die componenten. De pensioenfondsen moeten onder toezicht van de Nederlandse Bank een prudent beleggingsbeleid voeren, maar willen daarnaast natuurlijk rendement halen om te kunnen indexeren. De pensioenfondsen moeten om aan hun nominale verplichtingen te kunnen voldoen dan ook een buffer van zo’n 28% aanhouden om schokken te kunnen opvangen. Aangezien die buffer als sneeuw voor de zon verdwenen is, dankzij de rekenrente en niet door de negatieve rendementen is dit aspect voor onze evaluatie niet zo relevant. Maar zonder risico’s is een dergelijke belegging dus niet en als de staat in de winsten wil participeren zal hij ook zijn aandeel in de verliezen moeten nemen.

Het rendement van de pensioenfondsen fluctueert in de loop van de tijd zeer aanzienlijk. Als de staat een bepaald risicoprofiel kiest en daarbij een forfaitair rendement vaststelt, moet de staat ook een marge voor tegenvallers aanhouden. De staat deelt immers niet in de beleggingsverliezen. Door als staat voor een hoger rendement en dus een hoger risicoprofiel te kiezen creeert zij een win-win situatie: wel delen in de hogere rendementen en niet delen in de hogere verliezen.

Het rendement voor de verzamelde gegevens van de grote en alle pensioenfondsen [1i] kan als volgt worden weergegeven:

183_5_2a

(a) Uit de grafiek blijkt duidelijk dat het verloop van de rendementen van de pensioenfondsen onderling veel overeenkomst vertoont, maar sterk fluctueert ook als je met vierjaarsgemiddelden werkt. Toch werden deze vierjaarsgemiddelden nooit negatief, als je nier voor inflatie corrigeert, ondanks het feit dat het rendement in 2008 voor ABP bijvoorbeeld -20,2% was. Het jaar daarop was het rendement +20,2%.

(b) De forse fluctuaties maken het uiterst wenselijk om het werkelijke rendement te belasten.

(c) Het ABP rendement is voor ons doel redelijk representatief voor het rendement van alle pensioenfondsen.

Het aandelenrendement van de commissie van Dijkhuizen II ( dividend + koersresultaat) laat zich voor de hele periode 2001-2012 als volgt vergelijken met het ABP-rendement op basis van het vierjaars gemiddelde rendement:

183_5_2b

(a) De stippellijnen geven de 2,9%, 4,7% en 5,5% forfaitaire rendementen weer.

(b) De groene en gele lijn zijn ontleend aan Van Dijkhuizen II voor aandelen. Van Dijkhuizen II komt voor de hele periode 2001 – 2012 op een negatief rendement voor aandelen uit. (nominaal -0,9%, gemiddeld en -3,0% reeel). [A9 en 1j].

§5 Conclusie

Bij de belasting van het rendement moet natuurlijk uitgegaan worden van het behaalde rendement. Het kan niet zo zijn dat de fiscus het risicoprofiel van de belegger bepaalt, dat profiel vervolgens te hoog vaststelt en daarna wel deelt in de lusten van het te hoge forfaitaire rendement maar niet in de lasten van een eventueel lager rendement door het gelopen risico. Het veel gehoorde argument is dat de overheid zo zeker is van zijn inkomsten (op zich juist) en de belastingbetaler van zijn te betalen belasting is een redenering pour les besoins de la cause. Het Ministerie van Financiën kan immers in goede tijden de belastingopbrengsten egaliseren om de slechte tijden op te vangen, Bovendien kan een forfaitaire belastingheffing anticyclisch uitpakken en daar excelleert Financiën toch al in.

De fiscus heeft jaren de tijd gehad om een alternatief voor de forfaitaire regeling te bedenken. Dat is met name getraineerd door het optreden van staatssecrearissen De Jager en Weekers, maar ook Wiebes had met het beschikbare materiaal met een betere oplossing kunnen komen. Voor het gros van de vermogens geldt immers dat de banken en vermogensbeheerders de gevraagde informatie fluitend kunnen opleveren.

Overigens moet Wiebes nog maar eens goed uitleggen waarom de werkelijk behaalde rendementen niet gewoon kunnen worden belast. (dat ondermaatse antwoord is inmiddels ontvangen zie noot [3]) Mijn banken leveren die data jaarlijks vlekkeloos aan). Dat Wiebes die data niet behoorlijk kan inlezen moet hij zich toch echt zich zelf en zijn belastingdienst aanrekenen. Waarom er geen onderscheid gemaakt kan worden tussen vermogen waarvan het rendement op eenvoudige wijze vast te stellen valt (werkelijk rendement belasten) en een veel geringer deel van het vermogen (voornamelijk bij de grote vermogens) waarbij dit niet het geval is, is mij een raadsel. Dit zou wel veel ongenoegen voorkomen. Afstemming met de banken over het opleveren van die data kan niet al te moeilijk zijn. De argumentatie in het antwoord op Kamervragen om de belastingheffing forfaitair te houden overtuigt niet echt en een ieder die jaarlijks zijn portefeuille-analyse van zijn beleggingen van de private banking afdeling van zijn bank krijgt, zal dat moeten beamen.

De weging van de verschillende vermogenscomponenten voor de berekening van de gemiddelde rendementen komt niet overeen met de werkelijkheid. Daarnaast is door het MvF uiterst selectief gewinkeld in de in het verleden behaalde rendementen, waarbij ogenschijnlijk naar de uitkomst is toegewerkt. Het effect van de inflatie leidt voor de lagere vermogens tot negatieve werkelijke rendementen.

Daarnaast zijn nog een aantal hervormingen door te voeren zoals in de bijdrage Belasting op Kapitaalinkomen volgens Jacobs zijn besproken. Op de voorstellen van Caminada wezen we reeds. [1p] De politici zullen dus uit hun hangmat moeten komen, en echte belastinghervormingen doorvoeren maar effectiever is om ze gewoon naar huis te sturen. Ze hebben immers jarenlang geen poot uitgestoken. {zie ook het artikel van Fransman [1o] voor een ander liberaal geluid}

__________________

Geheel herzien op 6 oktober 2015 en 17/12/2015 noot 4

[1] Bronnen:

[a] http://www.cbs.nl/nr/exeres/154DFA82-C0DF-49F8-974B-81DEA5A1A2EB.htm

[b] http://www.dnb.nl/nieuws/nieuwsoverzicht-en-archief/dnbulletin-2015/dnb324317.jsp

[c] http://wimdreesstichting.nl/page/downloads/TvOF__jaargang_47_2015-nummer_1-3.pdf , 40.

[d] https://www.leaseplanbank.nl/over-ons/nieuws/nederlanders-lopen–meer-dan-een-miljard-aan-spaarrente-mis.aspx

[e] http://www.dnb.nl/nieuws/nieuwsoverzicht-en-archief/statistisch-nieuws-2014/dnb307002.jsp

[f} http://www.geldreview.nl/spaarstatistieken/ontwikkeling-spaarrente.htm

[g] http://www.spaarinformatie.nl/blog/101-spaarrente-2010-2014

[h] https://www.evivanlanschot.nl/media/1090/e-paper-sparen-of-beleggen.pdf

[i] Bron data: De Nederlandse Bank, Rapport beleggingsopbrengst pensioenfondsen 2000-2010 (in het kader van de motie Van den Besselaar c.s.), blz 6. http://www.dnb.nl/binaries/DNB%20rapportage%20beleggingsresultaten%20pensioenfondsen_tcm46-262459.pdf , blz 6.

[j] http://www.rijksoverheid.nl/bestanden/documenten-en-publicaties/rapporten/2013/06/18/eindrapport-commissie-inkomstenbelasting/eindrapport-commissie-inkomstenbelasting-interactief.pdf

[k] https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2009/09/25/advies-betreffende-parameters-pensioenfondsen 

[l] http://www.dnb.nl/nieuws/nieuwsoverzicht-en-archief/statistisch-nieuws-2015/dnb324714.jsp

[m] Rapport studiecommissie belastingstelsel,http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2010/04/07/rapport-studiecommissie-belastingstelsel.htm

[n] Arie C. Rijkers, “Een inkomensbegrip voor de 21e eeuw”, https://www.tilburguniversity.edu/upload/6dfcaed5-d0de-4c63-9527-efd6d16ca07c_130562_oratie_A_Rijkers.pdf

[o] Robin Fransman, http://www.ftm.nl/column/liberale-rechtvaardigheid/

[p] Koen Caminada, “De tragiek van gefaalde ambities en gemiste kansen rond belastinghervorming”, Me Judice, 23 september 2015.,http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/de-tragiek-van-gefaalde-ambities-en-gemiste-kansen-rond-belastinghervorming

[q] http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/vermogen-in-nederland-gelijker-verdeeld-sinds-eind-negentiende-eeuw

[r]”Antwoord op vragen van het lid Bashir over spaarders die tegenwoordig sparen in een bv”, http://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/kamervragen/detail?id=2014Z15396&did=2014D31179

De fiscus houdt dus niet bij hoeveel belastingbetalers aan fiscale constructies doen. (QED). Aan rekenvoordeelden en dus echte beantwoording van kamervragen doet Wiebes niet. Dat zullen wij dus maar voor hem doen, en dat voordeel wordt aardig overdreven als je het rendement nodig hebt om van te leven:

183_noot r

Voor een vermogen van € 3.050.000 ligt het omslagpunt bij 3,8216 % rendement. Een spaar-BV is dus puur gokken en afhankelijk van het feit of je het rendement nodig hebt en dus moet uitkeren. Je kunt wel de ongerealiseerde koerswinsten lang voor je uitschuiven en de verliezen meteen nemen op basis van de waarderingsgrondslag kostprijs of lagere marktwaarde van de (individuele) belegging  en daar ligt dus met name het voordeel van een spaar-bv.

Als je voor een spaar-bv kiest zul je je dus terdege moeten laten adviseren over de voor- en nadelen.

Zie ook: http://www.notarisunie.nl/stop-uw-vermogen-een-bv/ , https://financialfocus.abnamro.nl/spaarder-zwaar-belast-box-3-voordelige-alternatieven-deel-1/

https://financialfocus.abnamro.nl/spaartaks-bv-als-alternatief-voor-box-3/

[s] http://fd.nl/economie-politiek/1121737/deskundigen-kraken-nieuwe-vermogensrendementsheffing

[ t] Memorie van antwoord bij belastingplan – bijlage A, https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/belastingplan/documenten/kamerstukken/2015/09/15/belastingplan-2016

[u] https://www.msci.com/resources/factsheets/index_fact_sheet/msci-europe-index-eur-price.pdf

[v] http://www.dnb.nl/nieuws/nieuwsoverzicht-en-archief/persberichten-2015/dnb325666.jsp

[w] http://www.cpb.nl/persbericht/3216105/fiscale-behandeling-kapitaalinkomen-kan-meer-uniform

[2] Methode bepaling reëel rendement: sparen € 100.000; rente 3%; inflatie 2%. Spaargeld na 1 jaar: 103.000 d.i. gecorrigeerd voor inflatie 103.000/1,02 = 100.980,40. Het reele rendement is dus 0,9804 %. Het effectieve belastingpercentage is dan bij 1,2% VRH: 1.200/980,40 = 122%. Meestal wordt het effectieve rendementspercentage berekend als 3%-2% =1%, het verschil is de inflatie over de rente. Houd je rekening met de betalingskorting van de belastingdienst (2015: 1,67%) op de VRH dan is het effectieve belastingpercentage 2% lager. Hiermee is in de berekeningen geen rekening gehouden.

[3] Beantwoordinge kamervragen miljoennota 2016, https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2015/09/25/bijlage-i-antwoorden-kamervragen-miljoenennota-2016 , vraag 77 en 78

[4a]  Raymond Gradus , “Senaat dient onzorgvuldig belastingplan te verwerpen”,

http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/senaat-dient-onzorgvuldig-belastingplan-te-verwerpen

http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/wiebes-bedrijft-science-fiction-in-zijn-belastingplan

[4b] Mark Romijn, “Wiebes bedrijft science fiction in zijn belastingplan”

http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/wiebes-bedrijft-science-fiction-in-zijn-belastingplan

[4c] Het in [4a] genoemde uiterst lezenswaardige

http://www.nob.net/sites/default/files/content/article/uploads/nob_commentaar_op_het_wetsvoorstel_belastingplan_2016.pdf

 

BIJLAGE A RENDEMENTSGEGEVENS

Hieronder wordt ingegaan op enkele rendementsgegevens die materiaal opleveren om de door de staat gekozen forfaitaire rendementen te toetsen.

A1 Rendement zoals dat door het Ministerie van Financien bij elkaar gesprokkeld is

We herhalen deze tabel om de overige rendementsgegevens in context te plaatsen.

183_A_1

Eerder lieten we al zien dat de gewichten van de vermogenscomponeneten geen gelijkenis met de werkelijkheid van de VRH-groepen hebben.  In dit onderdeel laten we zien dat de keuze van de rendementen op cherry picking berust.

Vooruitlopend op de inventarisatie laten we in onderstaande tabel zien hoe de bevindingen doorwerken in de calculatie van de behaalde rendementen en de VRH-opbrengst:

183_A3

(a) Voor de toelichting op de MvF gegevens zie §4. in bovenstaande tekst. De gegevens op basis van de werkelijk samenstelling van de vermogenscomponenten laat zich niet per VRH-tariefgroep uitsplitsen omdat aandelen en obligaties niet worden gesplitst en het verschil in forfaitaire rendement fors is. Voor het totaal is dat bij benadering wel mogelijk aan de hand van de CBS-vermogensstatistiek.

(b) Het MvF tilt de zaak dus door bij de samenstlling van het vermogen van andere percentages uit te gaan dan ze zelf opgeeft. Gemiddeld is het percentage van het MvF 4,6% ( 4,070/296,6)/0,3. In werkelijkheid zou dat 3,64% moeten zijn op basis van MvF-samenstelling totaal VRH-vermogen en rendementspercentages.

(c) Gaan we uit van reëlere percentages voor 2015 (groen) dan rolt daar een rendementspercentage van 2,79% uit. De oude percentages staan er naast. Die 2,79% komt, geheel toevallig, weer aardig overeen met de rendementsschatting van Robeco voor een goed gespreide beleggingsportefeuille van 2,9%. [1s]

(d) Grote stappen snel thuis is ook meestal een pragmatische oplossing zoals onderaan in de tabel aangegeven.

(e) Een relatief groot deel van het vermogen wordt als bank- en spaartegoed aangehouden, en helaas voor het MvF en de spaarders levert dat vermogen momenteel niet erg veel op. Dat kun je natuurlijk proberen te verbloemen zoals MvF met haar hanky panky rekenexcercities doet, maar materieel is dat gewoon zo.

A2 Benchmark spaarrente DNB [5]

DNB

(a) Ook zonder Bartjens rekenvaardigheden kan een kind zien dat de spaarrente dus al twee jaar onder de 1,63% ligt – zie ook A9 Van Dijkhuizen II.

A3 MSCI Europe index (EUR) – MvF

Het MvF vind deze index maatgevend voor het aandelenrendement. We vergelijken deze index met het ABP rendement en doen dat voor de jaren 2001-2014. Het MvF gaat terug naar de jaren 1984- 1994 en koppelen dat aan een jaar in de periode 2008-2014. Ik ga niet terug naar het jaar dat we nog in berenvellen liepen en begin in 2001, het jaar waarmee ook MSCI op zijn factsheet begint. [1u] We kunnen dan de volgende drie grafieken opstellen:

183_A100

183_a101

183_A102

Het ministerie meent dat zij hiermee hard kan maken dat 8,25% wel een reëel percentage is om voor het rendement op aandelen te gebruiken. De groen lijn geeft dat percentage in de drie grafieken weer. Nader commentaar lijk mij overbodig.

Voor de liefhebbers heb ik hieronder ook nog even de gepimpte lijn van het MvF [1t]:

183_A104

A4 Benchmark historisch rendement pensioenfondsen 2001-2010

Uit een oude bijdrage vermogensrendementsheffing nemen we de volgende aangevulde tabel over [1]:

Tabel A4.1 – benchmark pensioenfonds rendement 2001-2010

183_4_1

Oud:

In totaal is het rekenkundig gemiddelde 4,8% en het meetkundig gemiddelde 4,2%. De uitkomst is cumulatief zelfs na het knappen van de internet zeepbel (2000) en de grootste crisis sinds 1933 (2008) redelijk. Het gemiddeld rendement ligt 0,8% boven het forfaitaire percentage van 4% en ook het meetkundig gemiddelde is 0,2% hoger.

Nieuw

We hebben nu te maken met een variabel systeem waarbij van een vierjaars gemiddelde wordt uitgegaan. Voor de grote vermogens van een forfaitair rendement van 5,5%. De uitkomsten voor een vierjaars rekenkundig en meetkundig gemiddelde zijn in de tabel opgenomen. Het rekenkundig gemiddelde van het vierjaars rekenkundig gemiddelde valt totaal 1,8% hoger uit. Het zal duidelijk zijn dat de nieuwe percentages 4,7% en 5,5% aan de hoge kant zijn aangezien van de gemiddelde belegger niet de expertise van een ABP en PFZW mag worden verondersteld. In het jaar 2008 zou de fiscus waarschijnlijk rekenkundig met 9,9% rendement hebben gerekend, in werkelijkheid werd -18,5% rendement gemaakt. Dit lijkt mij niet bevorderlijk voor de belastingmoraal. In elk geval doemt de vraag op of hier niet sprake is van een “individuele en buitensporige last” zodat mogelijk de wide margin of appreciation van 1 EP EVRM (eigendomsbescherming EU) overschreden wordt.

A5 Benchmark ABP rendement 1993 – 2014

183_4_2

(a) Het totaal meetkundig rendement van het ABP voor de periode 1993-2014 bedraagt 7,5 %. (rekenkundig 7,9%) en dat rendement verschilt ook nauwelijks gedurende de looptijd.

(b) Het MvF gaat voor aandelen uit van 8,25% op basis van de MSCI Europe index (EUR) – zie A3.

A6 Benchmark rendement overige grote pensioenfondsen in vergelijking met ABP

Mocht u van mening zijn dat het ABP niet representatief is dan geeft onderstaande grafiek inzicht in het rendement van de vijf grote pensioenfondsen voor de periode 2003-2014:

!83_4_3

A7 Benchmark de commissie Don [2]

De commissie Don (2009) die zich met parameters voor pensioenfondsen bezig hield kwam op de volgende waarden:

162 Don

(a) Die 2% inflatie is in elk geval iets om mee te nemen als je het werkelijke belastingtarief op het werkelijke rendement zou willen berekenen.

(b) De commissie komt dus gemiddeld hoger uit, maar dat is natuurlijk sterk afhankelijk van de beleggingsmix van de effecten portefeuille.

Onderstaande tabel van ABN-Amro, nog steeds een staatsbank die onder toezicht van Dijsselbloem staat, geeft inzicht in de mix op basis van het gekozen risicoprofiel:

ABN_AMRO

U kunt aan de hand van deze tabel dus het rendement volgens de parameters van de commissie Don bij benadering uitrekenen.

A8 Benchmark laagte record Nederlandse staatsleningen [3]

cpb

De reële rente (blauw) is dus deels negatief, de koers ( incl. CW toekomstige overrente) lekker hoog en het forfaitaire rendement van 4,7%/5,5% op die hoge koers mag er ook wezen. De ongerealiseerde koerswinst verdwijnt als sneeuw voor de zon als de obligaties tot de vervaldatum worden aangehouden in het kader van een pensioenvoorziening. Het pensioenvermogen al of niet in eigen beheer is vrijgesteld van VRH.

 A9 Benchmark Van Dijkhuizen II

Van dijhuizen ii

De Commissie constateerde:

(a) Van het vermogen in box 3 is ca 50% bank- en spaartegoeden. Bovendien heeft 40% van de huishoudens alleen bank- en spaartegoeden als vermogen in box 3. De commissie stelt dan ook een rendement van 2,4% voor. [blz 14] De daling van 4% VRH naar 2,4% kost de fiscus € 1,5 mld. belasting ca € 0,9 mld. per rentepunt.

(b) Het gemiddelde reële rendement op spaarrekeningen is 0,5% (blz 64). Na 2012 is het er niet beter op geworden – zie A2.

(c) Het rendement op aandelen is sinds de invoering van box 3 negatief. (blz 64)

Advertenties

From → 1. Actueel

3 reacties
  1. JanJan permalink

    Voor de “kleine” spaarder blijft de belasting hoog, hoewel 2,9% al een stuk beter is dan 4% als forfaitair rendement. Overigens vind ik niet dat het een mensenrecht is om altijd positief rendement op je spaargeld te hebben, je werkt immers niet voor die rente, maar natuurlijk moet de overheid er bij het verstrekken van zorg en andere hulp dan ook niet vanuit gaan dat spaargeld de burger veel oplevert.

    Het is niet raar dat de forfaitaire rendementen bij grotere vermogens hoger liggen, dat is zowel progressieve belasting als weerspiegeling van het feit dat grotere vermogens gemiddeld hogere rendementen halen (er worden hogere rendementen op sparen aangeboden en de kosten van beheer nemen een kleiner deel van het rendement in beslag).

    5,5% rendement, zelfs gecorrigeerd voor een inflatie van 2%, is bij een vermogen van meer dan een miljoen euro prima mogelijk en pas bij een werkelijk rendement van minder dan 3,2% zou je meer belasting gaan betalen dan iemand die voor hetzelfde inkomen werkt.

    Toch wordt er niet goed rekening gehouden met de “vaste” kosten (zoals beheer en inflatie) die voor relatief kleine vermogens veel zwaarder uitpakken en is het misschien raar dat bij een forfaitair rendement alle soorten vermogen op 1 hoop gegooid worden.

    Werkelijk behaald rendement en een progressief tarief gebruiken (gelijk aan dat van de belasting op arbeid en inkomsten uit eigen onderneming) biedt in theorie een oplossing maar dat wordt in de praktijk lastig met de grote beleggers: als die hetzelfde zouden moeten betalen als kleine spaarders en werkenden tegenwoordig betalen dan ontvluchten ze Nederland en/of wordt de wet kapot gelobbyed/geloopholed.

    P.S. Ik snap niet precies wat je bedoelt met negatieve rendementen van pensioenfondsen. Je kunt per definitie geen negatief dividend hebben en een negatieve spaarrente is geloof ik tot nu toe nog nooit voorgekomen. De bron zegt wel dat de cijfers van de pensioenfondsen beheerkosten bevatten (waar rijke particuliere beleggers veel minder last van hebben) maar dan nog heb je volgens mij inflatie en verkoop van aandelen/obligaties nodig om op zulke negatieve cijfers uit te komen. Zeg het me als ik daarin fout zit, maar als ik gelijk heb zijn die cijfers van de pensioenfondsen geen goede graadmeters van de rendementen van spaarrekeningen en dividend.

    • “Je kunt per definitie geen negatief dividend hebben en een negatieve spaarrente is geloof ik tot nu toe nog nooit voorgekomen.”

      Dat kan heel goed. Want het betreft niet alleen rente & dividend maar ook forse koersstijgingen en koersdalingen van aandelen en obligaties. Het gaat dus om gerealiseerde en ongerealiseerde resultaten in de DNB terminologie – zie statistieken DNB- Directe beleggingsopbrengsten (bruto) en Indirecte beleggingsopbrengsten. https://www.statistics.dnb.nl/financieele-instellingen/pensioenfondsen/toezichtgegevens-pensioenfondsen/index.jsp T8.3 Baten en lastenrekening. Ongerealiseerd betekent nog niet afgerekend door verkoop, maar des al niettemin wel verdiend of verloren.
      Zoals in tekst vermeld verloren de pensioenfondsen in 2008 fors en maakten ze dat in 2009 voor een belangrijk deel weer goed. zie ook ABP rendementen – https://www.abp.nl/over-abp/beleggen/resultaten.aspx

      Het voorstel om de tarieven gelijk aan de tarieven voor ondernemers te stellen is niet zo’n goed voorstel. Door allerlei faciliteiten voor MKB en box 2 en allerlei fiscale constructies is dat percentage niet al te hoog.

      Zoals ik denk ik duidelijk maak is de enige rechtvaardige vermogensinkomstenbelasting een belasting die gebaseerd is op het werkelijk behaalde rendement, met een correctie voor inflatie. Het tarief (nu 30%) is een politieke en economische keuze. Bij een al te hoog tarief is er geen vermogen meer, want dan is de eigenaar,voor zover dat kan, naar het buitenland vertrokken. Nederland heeft echter nog een hele weg te gaan voor het zover is, want in vergelijking met het buitenland is de belasting op kapitaal laag. Laten we eerst maar eens van 30% uitgaan en de belastinggrondslag op orde brengen zodat al het inkomen uit kapitaal evenwichtig belast wordt.

      Voor de literatuur zie eerder geciteerde artikelen van Jacobs, en Caminada.

      Jacobs, Bas (2015), “Belastingen op Kapitaalinkomen in Nederland”, Tijdschrift voor Openbare Financiën, 47, (1), 24-48, http://people.few.eur.nl/bjacobs/

      Koen Caminada, “De tragiek van gefaalde ambities en gemiste kansen rond belastinghervorming”, Me Judice, 23 september 2015.,http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/de-tragiek-van-gefaalde-ambities-en-gemiste-kansen-rond-belastinghervorming

      • JanJan permalink

        “Dat kan heel goed. Want het betreft niet alleen rente & dividend maar ook forse koersstijgingen en koersdalingen van aandelen en obligaties. Het gaat dus om gerealiseerde en ongerealiseerde resultaten in de DNB terminologie”

        Ok, maar dat is dus niet iets dat je belastingaanslag zou beinvloeden wanneer er met werkelijk behaald rendement gerekend zou worden, het is niet het rendement van je investering (de koers kan inzakken terwijl je dividend hetzelfde blijft of zelfs stijgt en als je met verkoop wacht tot betere tijden heb je niets verloren). Bij een forfaitair rendement levert het je trouwens een lagere aanslag op in het volgende jaar als het goed is.

        “Het voorstel om de tarieven gelijk aan de tarieven voor ondernemers te stellen is niet zo’n goed voorstel. Door allerlei faciliteiten voor MKB en box 2 en allerlei fiscale constructies is dat percentage niet al te hoog.”

        Ik bedoelde gewoon wat zzp’ers en werknemers nominaal betalen, niet wat mensen effectief betalen over aanmerkelijk belang.

        Als het aan mij zou liggen zou een belasting op werkelijk behaald rendement (wat inderdaad rechtvaardiger is, al is het maar omdat rendementen zoveel verschillen voor arm en rijk) geen rekening houden met inflatie, dat gebeurt immers ook niet wanneer een werknemer of zzp’er belast wordt (en het is aan het bedrijf om winstgevend genoeg te zijn om investeerders aan te trekken, lukt dat niet onder redelijke omstandigheden dan moet het tarief maar omlaag, dat is beter dan ieder jaar weer klooien met inflatiecijfers waarvan mensen de nauwkeurigheid en brede toepasbaarheid flink overschatten: een losse pols schatting van de prijsstijging van het boodschappenmandje van Jan Modaal in Woerden zegt vrij weinig over de koopkracht van de miljoenen van een belegger die voornamelijk in Saint Tropez verblijft). Misschien wel bij een belasting op de verkoop van aandelen/obligaties, maar zelfs daar vraag ik me af of het niet aan de markt is om verkoopprijzen vast te stellen die impliciet rekening houden met inflatie over de tijd dat de typische verkoper het betreffende aandeel/obligatie in bezit heeft gehad.

        Nederland zet hier wel een stap vooruit wat mij betreft: in het nieuwe stelsel worden kleinere spaarders minder belast en grotere beleggers meer, dat is positief en opvallend omdat het een trendbreuk is met het recente verleden en de rest van de wereld (effectieve belastingverhoging voor de superrijken), tenzij er nog wat addertjes onder het gras zitten in het nieuwe stelsel…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: