Skip to content

DNB kent oorzaken hoge staatsschuld onvoldoende

23 november 2013

____________________________________________________________________________________

Bij het bijwerken van de bijdrage Werkelijke overheidsschuld stuitte ik op de webpublicatie “Nederlander kent oorzaken hoge staatsschuld onvoldoende” van 23 april 2013.[1] Helaas geldt dat kennelijk ook voor DNB zelf getuige het DNB-bulletin dat uitermate onvolledig en daarmee bewust misleidend is. De kop van deze bijdrage is echter ook misleidend en zou eigenlijk moeten luiden DNB liegt en bedriegt het Nederlandse volk, maar dat klinkt zo ongenuanceerd en daar houden wij in Nederland niet van. Dat DNB deze feiten niet zou kennen is natuurlijk ook grote onzin. De feiten komen DNB echter om twee redenen niet goed uit:

(1) Men zou zich eens meer kunnen verdiepen in de oorzaken van de crisis waarbij DNB zelf kilo’s boter op het hoofd heeft door haar gebrekkige toezicht op de banken
(2) De reden om te bezuinigen en de banken te spekken door een extra lage rente wordt een stuk minder voor de hand liggend.

In deze bijdrage gebruiken we de werkelijke cijfers tot en met het tweede kwartaal 2013 van het CBS. Het bbp in de periode 1/1/2013 – 30-6-2013 duiden we verkort aan als bbp_2013. Op 23 april 2013 was er nog niet echt zicht op de cijfers voor heel 2013 en deze laten we dus buiten beschouwing. Het zal regelmatige lezers van dit blog niet verbazen dat de conclusie in § 5 weinig heel laat van de analyse van DNB.

Alleen de belastingderving door de omkeeregel pensioenen in de periode 2008-2013 is goed voor € 101 mld. (§4) of 55% van de toename van het EMU-tekort in die periode van € 183 mld. Die € 101 mld. is geen tekort maar een verschuiving van belastingopbrengsten in de tijd. Vervolgens trekken we ook nog eens € 70 mld. (§2) investering in financiële activa in de periode 2008-2013 af, 38% van die zelfde € 183 mld. en dan resteert in feite een tekort van maar € 12 mld. . De €18 mld. indirecte belastingderving op de pensioenpremies (§4) is dan nog niet meegerekend, zodat we netto op een overschot van € 6 mld. uitkomen.Waarom denkt u dat DNB u een volstrekt andere analyse van de cijfers voorschotelt? Over de media zullen we het maar helemaal niet hebben.

____________________________________________________________________________________

§1 Inleiding

De DNB verkondigt in haar DNB bulletin van 23 april 2013 een aantal stellingen die zich voor een nadere beschouwing lenen. Die stellingen luiden

(1) Dat de Nederlandse staatsschuld oploopt komt vooral doordat de overheid jaren op een rij fors meer uitgaf dan zij aan inkomsten ontving (18% bbp);
(2) Steun aan de financiële sector en Europese overheden speelt “een veel minder grote rol” (8% bbp).
(3) De bevindingen komen overeen de studie van Reinhart en Rogoff die constateren dat de directe kosten doorgaans een stuk minder groot zijn dan het indirecte effect dat de (langdurige) lagere groei op de overheidsfinanciën heeft.

In deze bijdrage geven we eerst een samenvatting van onze bevindingen, waarna we de posten meer in detail toelichten. Daartoe bekijken we eerst onderstaande grafiek, die materieel (m.u.z. bbp) al samenvat wat er in de analyse van DNB ontbreekt:

Grafiek 1 Cumulatieve mutaties van belangrijke kengetallen overheidsschuld 2007- 2e kwartaal 2013

10000 schuld belastingclaim en netto schuld in perc bbp

(1) De overheidsschuld (donkerblauw) stijgt met € 183 mld. van eind 2007 € 259 mld. naar € 442 mld. Hiervan wordt € 117 mld. (paars; 64%) veroorzaakt door het verschil tussen “uitgaven en ontvangsten”, € 70 mld. (groen; 38%) door mutaties financiële activa en -3 mld. door overige mutaties (lichtblauw; -1%).

(2) De cumulatieve mutaties werkelijk schuld (— — rood € 65 mld.) is de EMU-schuld minus de mutaties van de belastingclaim op de pensioenreserves. Corrigeren we die werkelijk schuldmutaties nog voor de mutatie van de financiële activa, die wel is waar de schuld verhogen maar waarvoor men activa terugontvangt, dan krijgen we de cumulatieve mutatie van de reële werkelijke schuld ( –  – rood € 12 mld.). Dit bedrag komen we dus feitelijk in de periode 2008-2013 maar tekort. De mutatie belastingclaim pensioenpremie heeft de overheid immers gespaard en de mutatie financiële activa heeft de overheid geïnvesteerd. De principes uit de Summa de Arithmetica, Geometria, Proportioni et Proportionalita (1494 Venetië) van Luca Pacioli zijn aan de Nederlandse overheid en EU-commissaris Rehn niet besteed. Uiteraard moeten we die verkregen financiële activa reëel waarderen zoals ook gebeurt in de Staatsbalans 2012.

We gaan nu wat gedetailleerder in op de cijfers. De paars gemarkeerde cijfers in de volgende tabellen moet u met een korrel zout nemen, ze zijn gebaseerd op vermoedelijk te grove aannames. Die aannames zijn nodig omdat het Nederlandse volk de nodige informatie wordt onthouden. De groene cijfers zijn van het CBS (Statline) en de statistieken van De Nederlandse Bank (DNB). Omdat de groene cijfers een onvolledig beeld geven en zich niet laten analyseren zonder de paarse cijfers moet u bij de groene cijfers ook de zoutpot hanteren. Met de paarse cijfers kunt u in elk geval zelf beter analyseren hoe we er echt voorstaan en dat is een stuk beter dan dat de media, de politici, de regering en met name ook de EU-bobo’s met hun belachelijke Stabiliteitspacteisen ons wil doen laten geloven.

Als we het in deze bijdrage over pensioenreserves hebben dan bedoelen we alle pensioen- en lijfrente reserves die gevormd zijn met gebruik van de vrijstelling van belastingheffing volgens de omkeerregel. We kennen in Nederland een aantal pensioen- en lijfrenteregelingen de zgn. tweede en derde pijler na de AOW. De tweede pijler is ondergebracht bij pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen en draagt veelal een verplicht karakter. Daarnaast kennen we als derde pijler suppletie pensioenen, pensioenen in eigen beheer, bank pensioensparen, lijfrentecontracten en woekerpolissen, Fiscale Oudedagsreserves, etc.

Tabel 1 EMU-schuld, EMU-tekort en mutaties sinds 2007.

(click op tabel op te vergroten)

10010 Doorrekening EMU-schuld 2008-2013

(1) De derving omkeeregel pensioenen (€ 101 mld.; 16,8% bbp) heeft betrekking op de pensioenpremie van de tweede en derde pensioenpijler zoals die tegen gemiddeld 46% van de belasting wordt afgetrokken . In een later stadium wordt de uitkering, ten dele lager, belast. Dit is dus sparen door de overheid die het EMU tekort ten onrechte verhoogt en de staatsschuld doet toenemen, terwijl hier gewoon een belastingclaim tegenover staat.  De bestedingseffecten van de bestedingseffecten laat ik graag aan het CPB over. Maar het zal duidelijk zijn dat de excessieve pensioenregelingen hun tol eisen voor de Nederlandse bestedingen. Dit klemt te meer daar er andere vormen van vermogensvorming mogelijk zijn zoals het versneld aflossen van de hypotheek. De “eigenwoningbezitter”geeft 16% van zijn besteedbaar inkomen aan wonen uit, de huurder 23%. Bij een hypotheekvrij huis kan de eigenwoningbezitter dus met minder pensioen toe en voor zijn pensionering al van het het Zwitserleven gevoel genieten. Het weinig liberale belastingregime staat met de (tot voor kort?) overdadige aftrek pensioenpremie en de verderfelijke HRA een dergelijke economisch verstandige besluitvorming in de weg.

(2) De derving bbp (€ 102 mld.; 17,0% bbp) geeft het effect aan van de daling van het bbp t.o.v. van een genormaliseerde groei van 0,7% en een inflatie van 2%. Voor een discussie over de derving van het bbp zie deze bijdrage De schatkist loopt hierdoor ca 40% aan derving belastinginkomsten en premies mis en dat effect culmineert.

(3) De mutaties financiële vast activa (€ 70 mld.; 11,6% bbp) verhogen de staatsschuld, maar dat is niet zo relevant omdat daar activa tegenover staan die we in de EMU-boekhouding geen rol spelen. Uiteraard is de afboeking van b.v. de ABN-Amro wel een last, maar deze last is in 2009 volgens de Staatsbalans 2012 al genomen.

(3) Het saldo overige EMU-tekort (€ -87 mld.; -14,4% bbp) is het verschil tussen het totale EMU-tekort en de posten (1) en (2). Voor zover de derving bbp te onnauwkeurig is geschat, komt de afwijking in deze post tot uitdrukking. Deze post valt zo negatief uit door de omkeeregel pensioenen, “normaal” wordt bij begrotingsevenwicht de belastingderving daarop binnengehaald door extra belasting om dat effect te compenseren. De huidige burger betaalt dan 2 x belasting: één keer om de aftrek te financieren en één keer bij uitkering van het pensioen in de toekomst.

(4) Als we posten pensioenen en financiële activa elimineren is de overheidsschuld dus slechts met € 12 mld. ( 183-101-70) toegenomen sinds eind 2007.

(5) Als we de effecten van de omkeeregel pensioen elimineren bij de staatsschuld en daarnaast de mutatie financiële activa elimineren voor het EMU-tekort ontslaat het volgende beeld:

Tabel 2 Netto werkelijk EMU-schuld en tekort 

(click op tabel op te vergroten)

10013A Netto werkelijke overheidsschuld 2007 - 2e kwartaal 2013

(1) We hebben dus eigenlijke geen schuld maar een “klein” actief (€ 79 mld.) per eind juni 2013 en het jaarlijkse werkelijke tekort, het verschil tussen overheidsuitgaven en overheidsinkomsten, is verwaarloosbaar en neemt af.

Nu zult u bovenstaande opstelling niet voetstoots aannemen en we gaan daarom in het vervolg van deze bijdrage nader in op de veronderstellingen die aan de opstelling van deze cijfers ten grondslag liggen. Belangrijke ijkpunten, zoals we nog zullen zien, zijn daarbij 1) het bedrag aan pensioenreserves eind 2012 groot 212% van het bbp_2012 (bron Knot) [2a] en de totale pensioenpremies die in het kader van de omkeeregel pensioenen jaarlijks worden afgetrokken 46% van 43 mld. aan premies. (bron: Commissie Don)[2b]

§ 2 Het EMU-tekort en EMU-schuld 2008-2012

Tabel 3 Het EMU-tekort en EMU-schuld 2008-2012

10013 Ontwikkeling overheidsschuld 2008 - juni 2013 in € mld.

(1) De DNB kan natuurlijk wel badinerend doen over het effect van de mutatie financiële vaste activa, maar zonder die mutatie van cumulatief € 70 mld. (11,6% bbp_2013) was de overheidsschuld eind juni 2013 slechts 62% bbp geweest i.p.v. 73,6% bbp volgens de officiële EMU-cijfers.

§ 3 De bbp-derving 2008-2012

Tabel 4 Ontwikkeling werkelijk en genormaliseerd bbp 2008-2013

10011 Ontwikkeling bbp werkelijk vs genormaliseerd 2008 - juni 2013 in € mld.

(1) Het verlies aan bbp cumulatief groot € 255 mld. is bepaald door het verschil van het werkelijke bbp en het geprojecteerde bbp op basis van 0,7% reële groei en 2% inflatie voor de periode 2008 t/m 30 juni 2013. Op basis van deze cijfers had de officiële overheidsschuld eind juni 2013 66% bbp i.p.v. 73,6% bedragen. Bij een “normale groei” van 3,7% bbp was dit ruim 63% geweest. De schuldencrisis is dus in feite een bbp-groei crisis.

(2) Ons werkelijke bbp steeg in de periode 2008-2012 met 0,9 % p.j. inclusief inflatie. Het bbp van de omliggende landen steeg in dezelfde periode duidelijk meer: DE 1,9%, FR 1,5%, BE 2,3% en DK 1,5%. Ook die landen hadden te maken met het Reinhart en Rogoff Financial Folly effect, maar hadden er duidelijk minder last van. Mogelijk zou men pesterig kunnen stellen dat het effect kennelijk omgekeerd werkt: hoe lager de staatsschuld, hoe lager de groei en hoe groter de crisis.

(3) Het verlies bbp in 2012 is voor € 39 mld een volume effect en voor € 31 mld. een prijseffect en in totaal dus € 70 mld. Op zich redelijk arbitraire cijfers een afwijking met de werkelijkheid komt in het overige EMU-tekort in tabel 1 tot uitdrukking.

(4) De inkomstenderving overheid is benaderd op basis van 40% belastingen en sociale premies.

§ 4 De belastingderving door de omkeerregel pensioenen

Een flink probleem bij de bepaling van de belastingderving is het te hanteren belastingtarief. In deze bijdrage gaan we uit van twee tarieven:

(a) 35% voor de bepaling van de latente belastingclaim box I op de pensioenreserves en daarmee de echte overheidsschuld. Dit percentage is gelijk aan de door het CPB gehanteerde percentage bij uitkering [3]

(b) 46 % voor de bepaling van de jaarlijkse belastingderving box I door de vrijstelling van de pensioenpremies bij het bepalen van het jaarlijkse belastbaar inkomen conform de commissie Don.[2b]

Voor de bepaling van de echte overheidsschuld is uiteindelijk het werkelijke percentage bij uitkering van de pensioenen en lijfrentes bepalend. Dat percentage kan b.v. afwijken door de aangekondigde belastingverhoging door de fiscalisering van de AOW of belastingverlaging door aanpassing van het marginale tarief.

Daarnaast spelen de (tijdelijk) gederfde indirecte belastingen nog een belangrijke rol. Voor b) is het gederfde indirecte belastingpercentage te benaderen op 13% van het besteedbaar inkomen i.e. 60% bruto premie of 8% vaan het bruto-inkomen.[4] Voor a) is de indirecte belasting toe te rekenen aan het jaar waarop de uitbetaling en dus besteding plaats vindt, de inkomstenbelasting komt toe aan het jaar waarop de arbeidsprestatie is geleverd. Die 8% komt overeen met een kleine € 18 mld. aan gederfde indirecte belastingen over de pensioenpremies (€ 220 mld.) voor de periode 2008-2013, die verder in de opstelling echter niet wordt meegenomen.

Tabel 5 Effect te hanteren belastingtarief op echte overheidsschuld en saldotekort 

10090 Effect te hanteren belastingtarief op echte overheidsschuld en saldotekort

(1) Een beter inzicht in het effectieve belastingpercentage en de omvang van de pensioenreserves zou een betrouwbaar inzicht in de vermogenspositie en het echte jaarlijkse saldotekort van de Staat der Nederlanden aanzienlijk verbeteren.

Tabel 6 Ontwikkeling pensioenreserves 2007-2013

10014 Ontwikkeling pensioenreserves 2007 -2013 in € mld.

(1) Het ijkpunt is hier de hoogte van de pensioenreserves eind 2012 groot 212% bbp. [2a] De pensioenreserves van de pensioenfondsen en levensverzekeringsmaatschappijen zijn bekend van de DNB-statistieken en hiervan kan per saldo de pensioenreserves van de derde pijler worden herleid. Deze 3e pijler pensioenreserves drukken we uit in een percentage van de pensioenreserves pensioenfondsen en dit percentage (19,87%) hanteren we voor alle jaren als een grove benadering van de 3e pijler pensioenreserves. De pensioenreserve van de levensverzekeringsmaatschappijen is eerst vanaf 2008 beschikbaar en dus voor 2007 niet bekend en deze stellen we gelijk aan de reserve van 2008. Op deze wijze valt de totale pensioenreserve voor alle jaren te benaderen.

(2) De belastingclaim van de fiscus stellen we zoals eerder gemotiveerd conservatief op 35%.

Tabel 7 Pensioenpremies 2008- 2013 inclusief benaderde 3e pijler.

10016 Pensioenpremies 2008-2013 in € mld.

(1) Gegeven is dat de totale pensioenpremie voor 2012 43 mld bedraagt en dat de gederfde belasting 46% van dat bedrag is. [2b] De pensioenpremie pensioenfondsen voor dat jaar is volgens DNB 32 mld. Voor alle jaren is pensioenpremie voor de derde pijler derhalve op 11/32 of 33% gesteld. Ook dit is een grove benadering. De belastingderving is constant op 46% van de pensioenpremie gesteld. [ibidem]. Die pensioenpremies kun je nu niet besteden en dat scheelt naast de box I belasting ook nog eens indirecte belastingen, die we maar niet eens meegerekend hebben.

Er bestaat dus een duidelijk discrepantie tussen het belastingtarief waartegen we de pensioenreserve belastingclaim bepalen (35%) en de derving van de belastingen op de jaarlijkse pensioenpremies (46%). Dat verschil ontstaat ten dele door een onbekend verschil tussen de belasting waartegen de pensioenpremie wordt afgetrokken en het relatief dat gehanteerd zal worden op de pensioenuitkering door het progressie effect. Daarnaast kunnen zowel de 46% als de 35% niet juist zijn. Helaas tasten we over de juistheid van die percentages in het duister. Alleen de Tweede Kamer en Eerste Kamer nemen beslissingen over het Witteveen kader pensioenen en belastingverlagingen (42% –> 38% en 52% naar 49,5%) zonder deze effecten te kennen. De samenhang blijkt uit de volgende tabel:

Tabel 8 Effect verschil in belasting 2008-2013 in € mld. 

10018 Pensioenpremies 2008-2013 verschil in belasting in € mld.

(1) Het effect van het tariefverschil (46% bij pensioenpremieaftrek; 35% voor belastingclaim pensioenreserves bij uitkering) is dus cumulatief nominaal € 24 mld. In de tabel komen nadrukkelijk de Knot- en Don-cijfers (groen) naar voren. De rest is helaas een grove schatting bij gebrek aan beter. De opstelling gaat uit van nominale stortingen en houdt geen rekening met het bijboeken van de rente op de gestorte pensioenpremies. De overige mutaties, inclusief uitkeringen zijn geplugd.

§ 5. Conclusie

(1) Eliminatie van de mutatie financiële activa voor de periode 2008-2013 leidt tot € 70 mld (11,6% bbp_2013) minder schuld. De overheidsschuld bedroeg eind juni 2013 alleen hierdoor 62% bbp i.p.v. 73,6%.De “veel minder grote rol” van de steun aan de financiële sector en de Europese overheden volgens DNB is dus zeker geen bijrol. { Een specificatie van een belangrijk deel van de mutaties financiële activa 2008-2012 vindt u hier: De staatsbalans 2012.}

(2) Eliminatie van het pensioensparen door de overheid leidt nog eens tot een € 101 mld. ( 16,8% bbp_2013) lager overheidstekort. De bestedingseffecten van de bestedingseffecten laat ik graag aan het CPB over.

(3) Per saldo is het echte overheidstekort in de periode 2008- 2e kw 2013 met slechts 12 mld. (2,0% bbp) toegenomen volgens tabel 1 (183-70-101=12). Of als we uitgaan van het pensioenvermogen volgens tabel 2 eigenlijk maar met € 4 mld. Dat de de stijging van de overheidsschuld “vooral komt doordat de overheid jaren op een rij fors meer uitgaf dan zij aan inkomsten ontving” [1] is dus een pertinente leugen. Investering in financieel actief, dat bijna weer geheel van de hand wordt gedaan, zijn geen kosten en gespaard geld (pensioenen) blijven wèl inkomsten volgens algemeen in het maatschappelijk verkeer aanvaarde grondslagen.

(3) Het effect van het cumulatieve bbp-verlies door lagere groei bedraagt ca € 255 mld. aan bbp-waarde. Het effect voor de schatkist is dan ca € 102 mld. of 17 % bbp.

(4) Reinhart en Rogoff zullen we maar buiten de discussie houden. Dat Rutte I en II anno 2010 een Neo-Colijn beleid zou voeren konden die immers ook niet bevroeden. Met een al vele jaren niet bestaande staatsschuld is hun paper overigens voor Nederland niet actueel, zo die paper dat ooit geweest is.

(5) Kan iemand eindelijk iets doen aan die voor Nederland waanzinnige regels van het Stabiliteitspact? Hierbij valt zowel te denken aan de EMU-overheidsschuldnorm van 60% als aan de EMU-tekort norm van 3%. Kunnen politici het echte cijfermateriaal over de totale pensioen- en lijfrente reserves, en het effectieve belastingpercentage bij derving en uitkering eens boven tafel krijgen, of blijven zij het Nederlandse volk liever voorliegen om “hervormingen” door te voeren? Vanuit de PvdA is er in elk geval niet veel hoop op een realistische benadering, blijkens het juichend ontvangen Melkert rapport.[5]

_______________

Bijgewerkt 27 november 2013

[1] DNB-Bulletin, “Nederlander kent oorzaken hoge staatsschuld onvoldoende”, http://www.dnb.nl/nieuws/nieuwsoverzicht-en-archief/dnbulletin-2013/dnb290078.jsp

[2a] Klaas Knot, “Stilstand op een hoog niveau”, http://www.dnb.nl/binaries/speech%20Klaas%20Knot%20-%20Stilstand%20%20op%20een%20hoog%20niveau_tcm46-297988.pdf , blz 5.

[2b] Min Fin, “Inkomen en vermogen van ouderen: analyse en beleidsopties – [IBO Inkomens- en vermogenspositie en subsidiëring 65+’ers]“, http://www.rijksoverheid.nl/regering/documenten-en-publicaties/rapporten/2013/09/13/ibo-rapport-inkomen-en-vermogen-van-ouderen-analyse-en-beleidsopties.html , blz 102

[3] CPB studie 86, “Vergrijzing verdeeld; toekomst van de Nederlandse overheidsfinanciën”, juli 2010,http://www.cpb.nl/publicatie/vergrijzing-verdeeld-toekomst-van-de-nederlandse-overheidsfinanci%C3%ABn , blz. 47

[4] CBS, “Van iedere uitgegeven euro belandt 13 cent in de staatskas” , http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/inkomen-bestedingen/publicaties/artikelen/archief/2012/2012-3587-wm.htm  De 13% is hieraan ontleend, mogelijk wijkt dit percentage af voor boven 65-jarigen. De 60% is een doorsneepercentage en ook dat wijkt mogelijk af. Het gaat hier om een vrij ruwe benadering, die overigens verder in de cijferopstellingen geen rol speelt.

De benaderde 8% indirecte belastingen van het bruto-inkomen is redelijk in lijn met onderstaand artikel:

Leon Bettendorf , Sijbren Cnossen en Casper van Ewijk,  “BTW-verhoging treft hoge en lage inkomens even sterk”, http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/btwverhoging-treft-hoge-en-lage-inkomens-even-sterk

[5] PvdA, “De bakens verzetten. De economie terug naar de mensen. Investeren in werk en innovatie”,

http://www.pvda.nl/data/sitemanagement/media/2013/11/Rapport%20Commissie%20Melkert%20Kernrapport.pdf

Daar wordt gesproken van “tot versnelling van de aflossing van de staatsschuld ” op pagina 28. Aan aflossing hebben we gelukkig sinds 1945 geen cent uit gegeven. We kwamen immers mede door de staatseigendommen te verjubelen, zoals Melkert zich ongetwijfeld nog uit zijn neoliberale periode herinnert, in 2007 op 45,3% bbp. De soms gierende inflatie na de oorlog deed daarnaast het bbp fors stijgen en de ratio overheidsschuld/bbp sterk verbeteren. De commissie Melkert is het kennelijk ontgaan dat we inmiddels jaarlijks € 7 mld. aan onze niet-bestaande overheidsschuld verdienen nadat we de € 11 mld. rente hebben goedgemaakt door het rendement op de belastingclaim op die pensioenreserves.

Advertenties

From → 2. Archief

Geef een reactie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: