Skip to content

Inkomensongelijkheid 2012

22 oktober 2013

____________________________________________________________________________________________________

Het CBS heeft recent de inkomensgelijkheid 2012 gepubliceerd. Aan de hand van CBS statline hebben we een aantal tabellen en grafieken opgesteld.

Opmerkelijk is dat het aantal personen dat van inkomen uit onderneming afhankelijk is sinds 2000 met 566.000 is gestegen (28,8%), terwijl dat voor arbeid met 346.000 is gedaald (-3,5%).  De ontwikkeling van het inkomen van de 65-plussers volgt de gemiddelde stijging van het inkomen uit arbeid.  Ook blijkt dat het inkomensaandeel van het 10e deciel sterk fluctueert door de winstontwikkeling. Voor het 10e deciel daalde het inkomensaandeel voor ambtenaren terwijl dat voor werknemers steeg.

De substantiële mutatie in het aantal personen over de jaren, maakt dat in de presentatie van de cijfers in deze bijdrage is gekozen voor een accent op de ontwikkeling van het gemiddeld inkomen per deciel. Dit gemiddeld inkomen is herleid uit het gemiddeld inkomen x het aantal personen en het percentage decielinkomen. Per categorie is het aantal bekend en per deciel is het aantal 10% van het totaal voor die categorie. Door de afrondingen worden de indices veelal in hele getallen gegeven.

De meeste cijfers worden in tabelvorm verstrekt. De tabellen bieden over het algemeen meer inzicht dan de grafieken.

____________________________________________________________________________________________________

§1. Totaal inkomen

Voor de definitie van het inkomensbegrip zie noot [3]. Het inkomen bestaat uit het inkomen zoals dat in der markteconomie wordt genoten nadat de overheid in de huishoudportemonnee heeft huisgehouden met het innen van betaalde premies en belastingen onder vermeerdering door uitkeringen en andere toelagen. Zo hebben de hogere inkomens dan al geprofiteerd van HRA- en pensioenfaciliteiten. De analyse in de bijdrage Inkomensdecielen en belastingen geeft dus een minder actueel maar beter inzicht in de compositie van het inkomen per deciel omdat daar het hele traject gevolgd wordt.

Tabel 1 Aantal, inkomen en index gemiddeld inkomen

(click op tabel om te vergroten)

9400 Aantallen, inkomen en index gemiddeld inkomen 2000-2012

(1) De index voor totaal inkomen uit arbeid is zo’n voorbeeld van een marginaal afrondingsverschil t.o.v. de drie afzonderlijke componenten.

Tabel 1.2 Relatief aandeel inkomen per deciel

(click op tabel om te vergroten)

9401 relatief aandeel inkomen 2000 2012

Tabel 1.3 Inkomensongelijkheid arbeid en inkomen uit eigen onderneming

(click op tabel om te vergroten)

9400 Tabel 13 Gini etc werkn ambt ov en ondernemer

(1) Voor een toelichting van de begrippen zie noot [3].

Grafiek 1.1 Relatief aandeel inkomen per inkomensdeciel

9401 relatief aandeel 2001 is 100

(1) Op grond van deze grafiek kun je concluderen dat “de inkomensverschillen bijna niet veranderd zijn”, zoals het CBS stelt Maar uitvergroting door naar de mutaties te kijken geeft meer inzicht.

Grafiek 1.2 wijziging aandeel 6e t/m 10e inkomensdeciel (basisjaar 2000) 

9403 cumualtieve vernandering top 5 inkomensdecielen

(1) Duidelijk blijkt hieruit dat het 10e inkomensdeciel aandeel flink fluctueert.

Grafiek 1.3 Index aantal personen dat van inkomen afhankelijk is

9409 Index aantal personen naar inkomensbron

(1) Werknemer en ambtenaar zijn gecombineerd omdat na 2008 de classificatie wordt verfijnd. [2] In tabel is de splitsing werknemer/ambtenaar zoals die in de statistiek staat vermeld.

(2) Het aantal personen dat van inkomen afhankelijk is, stijgt van 15.651k (2000) naar 16.438k in 2012 of met 787k (5,0%)

(3) Het aantal personen dat van inkomen uit onderneming afhankelijk is, stijgt van 1.967k (2000) naar 2.533k in 2012 of met 566k (28.8%).

(4) Het aantal personen dat van een uitkering afhankelijk is, stijgt van 3.779k (2000) naar 4.346k in 2012 of met 567k (15.0%). Hiervan nemen de ouderen en nabestaanden 527k van de stijging voor hun rekening.

(5) Het totaal aantal personen dat van inkomen uit arbeid afhankelijk is, daalt van 9.904k (2000) naar 9.559k in 2012 of met -346k (% -3,5%).

Grafiek 1.4 Index gemiddeld inkomen per persoon

9408 Index gemiddeld inkomen

§2 Inkomen uit arbeid

Grafiek 1.5 Mate inkomensongelijkheid 2012

9400 Mate gelijkheid

(1) Voor een internationale vergelijking van de Ginicoëfficiënt zie [4]

Tabel 2.1 Inkomen uit arbeid

(click op tabel om te vergroten)

9420 Inkomen uit arbeid

Tabel 2.2 Inkomen uit arbeid – werknemers

(click op tabel om te vergroten)

9421 Inkomen uit arbeid werknemers

Tabel 2.3 Inkomen uit arbeid – ambtenaren

(click op tabel om te vergroten)

9422 Inkomen uit arbeid ambtenaren

(1) De daling van het 10e deciel bij ambtenaren valt op, terwijl die voor dat deciel bij de werknemers steeg.

Tabel 2.4 Inkomen uit arbeid – overig

(click op tabel om te vergroten)

9423 Inkomen uit arbeid overig

(1) CBS: “Het inkomen bestaat vooral uit het loon van directeuren-grootaandeelhouders (DGA) en de beloning van arbeid die niet in dienstbetrekking is verricht. ” (N.B. door het 6-miljard akkoord zal dit DGA-inkomen dus gaan stijgen ten koste van het inkomen uit onderneming)

§3 Inkomen uit eigen onderneming

Tabel 3.1. Inkomen uit eigen onderneming

(click op tabel om te vergroten)

9450 Inkomen uit onderneming

(1) CBS: “Indien een van de leden van het huishouden inkomen uit eigen onderneming heeft, wordt deze bron ongeacht de hoogte van het bedrijfsresultaat (dus ook als er sprake is van een verlies) als voornaamste inkomensbron van het huishouden aangemerkt. Aan deze categorie zijn ook huishoudens toegevoegd waarvoor inkomen uit vermogen de voornaamste inkomensbron vormt.”

(1) Het 1e deciel is, zoals gebruikelijk een warboel. Het 10e deciel toont een forse daling. Laten we die twee decielen weg dan kan de volgende grafiek worden opgesteld:

Grafiek 3.1. inkomensontwikkeling inkomen uit eigen onderneming 2e t/m 9e deciel

9451 2E TOT 9E DECIEL ONDERNEMER

(1) Hoewel de grafiek, zoals al in de inleiding gesteld volstrekt nutteloos is, blijkt in elk geval duidelijk dat de ontwikkeling van het inkomen voor het 2e t/m het 9e deciel met zijn ups en downs gelijk opgaat.

§ 4 OverdrachtsInkomen

We selecteren drie groepen voor nadere beschouwing die samen in 2012 93% van het overdrachtsinkomen uitmaken.

Tabel 4.1 AOW, ANW, pensioen en lijfrente

9460 Inkomen uit AOW, ANW, pensioen en lijfrente

(1) De inkomensontwikkeling is gelijkmatig voor alle decielen. Dit komt ongetwijfeld mede door de vrijkomende lijfrentes en pensioeninkomen.

Tabel 4.2 Bijstand

9463 Inkomen uit bijstand

Tabel 4.3 Inkomen tijdens ziekte / arbeidsongeschiktheid

9462 Inkomen uiutkering ziekte arbeidsongeschik

(1) CBS: “Het inkomen bestaat vooral uit een uitkering in verband met ziekte of arbeidsongeschiktheid (hieronder vallen de ZW (Ziektewet), WAO (Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering), WAZ (Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen) en uitkeringen van particuliere verzekering in verband met ziekte en arbeidsongeschiktheid).”

__________________

Laatst bijgewerkt 23 oktober 2013

[1] Bronnen:

[1a] http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/inkomen-bestedingen/publicaties/artikelen/archief/2013/2013-inkomensverschillen-2012-art.htm

[1b] http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/?DM=SLNL&PA=71512NED&D1=a&D2=0-2&D3=a&VW=T

Aansluiting tabel 1 statline:

aansluiting

[2] CBS: “Vanaf 2008 worden steeds meer werknemers als ambtenaar getypeerd. Dit wordt in belangrijke mate veroorzaakt door verbeterde waarneming van het soort inkomen bij werkgevers in het onderwijs. Als gevolg hiervan is vaststelling van de reële ontwikkeling van het aantal met (voornamelijk) loon als ambtenaar of als werknemer alleen mogelijk voor het totaal van deze categorieën maar niet voor de afzonderlijke.”

[3]  Onderstaande tekst is ontleend aan de spreadsheet van het CBS statline:

De Theilcoëfficiënt is een maatstaf voor de inkomensongelijkheid. De waarde van de Theilcoefficient T ligt tussen 0 en ln(n), met n de steekproefomvang. Bij een volkomen gelijke inkomensverdeling is T gelijk aan nul. Als één persoon al het inkomen bezit (totale inkomensongelijkheid) dan is T gelijk aan ln(n). De Theilcoëfficiënt wordt berekend als het gemiddelde van de logaritme van alle relatieve inkomensaandelen, gewogen met de inkomensaandelen.

De Ginicoëfficiënt is een maatstaf voor de inkomensongelijkheid. De waarde van de Ginicoëfficiënt G ligt tussen 0 en 1. Bij een volkomen gelijke inkomensverdeling is G gelijk aan nul. Als het totale inkomen geconcentreerd is bij één persoon (totale inkomensongelijkheid) dan is G gelijk aan 1. De Ginicoëfficiënt wordt berekend als de helft van het gemiddeld verschil in inkomen tussen personen gedeeld door het gemiddeld inkomen.

De mate van polarisatie komt tot uitdrukking in de polarisatie-index. De waarde van de polarisatie-index P ligt tussen 0 en 1. Een hogere waarde van P betekent een meer gepolariseerde inkomensverdeling. Polarisatie houdt in dat er steeds meer een groep met hoge inkomens en een groep met lage inkomens ontstaat en dat middeninkomens verdwijnen.

P = 2 * (μ/m) *(1-G-2*L½)

Met μ het gemiddelde inkomen, m de mediaan, G de Ginicoëfficiënt en L½ het inkomens-aandeel van de laagste helft van de bevolking.De polarisatie-index ligt, net als de Ginicoëfficiënt G, tussen 0 en 1.

De relatieve interkwartielafstand is een maatstaf voor inkomensongelijkheid. De maat concentreert zich op het midden van de verdeling. Naarmate de inkomens verder uit elkaar liggen, is de relatieve interkwartielafstand hoger en is er dus meer sprake van ongelijkheid. De relatieve interkwartielafstand wordt berekend als het verschil tussen het hoogste inkomen in het derde kwartiel en het hoogste inkomen in het eerste kwartiel gedeeld door de mediaan.

De ratio 80/20 is een maatstaf voor inkomensongelijkheid. Als alle personen hetzelfde inkomen hebben, is de ratio 80/20 gelijk aan 1. De ratio 80/20 heeft geen bovengrens. De ratio 80/20 wordt berekend als de verhouding van het totale inkomen van de 20 procent hoogste inkomens en de het totale inkomen van de 20 procent laagste inkomens. Wanneer het inkomensaandeel van de armste 20 procent negatief is, heeft de waarde van de ratio 80/20 geen betekenis.

Omdat het 1e deciel de inkomen een allegaartje vormt, is de 80/20 ratio niet zo nuttig. Het 3e t/m het 8e deciel speelt überhaupt geen rol in deze maatstaf, maar Europa schijn er nogal gehecht aan te zijn. Die gaan er kennelijk nog vanuit dat de bovenklasse zich verrijkt ten koste van de onderklasse en dat je dat moet meten.

Nadere informatie over het meten van inkomensongelijkheid met de formules vindt men hier: http://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/C6BCB37E-222A-4F21-9651-FB3405FF4B2E/0/Meten_van_inkomensongelijkheid.pdf

In deze publicatie kan ook de definitie van inkomen gevonden worden:

Uitgangspunt in de beschrijving van de personele inkomensverdeling is de vrij besteedbare inkomensruimte(‘mate van welvaart’) van iedere inwoner van Nederland. Deze besteedbare ruimte komt tot uitdrukking in het aan de persoon toegekende gestandaardiseerd besteedbare huishoudensinkomen. De levensstandaard van een persoon is immers verbonden met het inkomen van zijn huishouden. Het besteedbare huishoudensinkomen is opgebouwd uit lonen van werkende huishoudensleden, winst uit eigen bedrijf en inkomen uit vermogen vermeerderd met ontvangen uitkeringen en andere toelagen, en verminderd met de betaalde premies en belastingen. Om de inkomens van verschillende typen huishoudens onderling vergelijkbaar te maken, wordt het besteedbare huishoudensinkomen gecorrigeerd voor verschillen in grootte en samenstelling van het huishouden. Het aldus gestandaardiseerde huishoudensinkomen wordt vervolgens toegekend aan ieder lid van het desbetreffende huishouden als zijnde diens vrij besteedbare inkomensruimte. Wanneer in de vervolgtekst over inkomen gesproken wordt, wordt altijd het aan de persoon toegekende gestandaardiseerd besteedbare huishoudensinkomen bedoeld, tenzij dit expliciet anders is vermeld. Opgemerkt zij dat in een populatie van huishoudens naast onderzoek naar ongelijkheid van het (gestandaardiseerd) besteedbare huishoudensinkomen ook naar ongelijkheid bij andere inkomensbegrippen onderzoek gedaan kan worden, zoals ongelijkheid bij het bruto huishoudensinkomen.

En op de CBS site:

Inkomensongelijkheid

De inkomensongelijkheid in Nederland is gemeten met behulp van de Gini-coëfficiënt  Daarbij is uitgegaan van het gestandaardiseerde besteedbaar huishoudensinkomen. De waarde van de Gini-coëfficiënt ligt tussen 0 en 1, waarbij 0 correspondeert met totale gelijkheid (iedere inwoner heeft hetzelfde inkomen) en 1 met totale ongelijkheid (één inwoner bezit al het inkomen).

Voorlopige cijfers van het Inkomenspanelonderzoek laten doorgaans meer ongelijkheid zien dan definitieve cijfers. Bij de interpretatie van de Gini-coëfficiënten in dit artikel is hiermee rekening gehouden.

Om de inkomensongelijkheid tussen landen van de Europese Unie te vergelijken maakt ook Eurostat gebruik van de Gini-coëfficiënt. Door bron- en definitieverschillen wijkt de Gini-coëfficiënt zoals Eurostat die publiceert voor Nederland iets af van die berekend door het CBS.

[4] http://www.uva-aias.net/uploaded_files/regular/MdGZPresentatie_20130926_AIAScongres_Sociaalbeleideninkomensongelijkheid.pdf

Advertenties

From → 1. Actueel

Geef een reactie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: