Skip to content

Vermogensrendementsheffing II – Van Dijkhuizen II

15 juli 2013

____________________________________________________________________________________________

Zie ook de bijdrage Vermogensrendementsheffing nieuwe stijl.

Na een eerdere bijdrage over de vermogensrendementsheffing  (“VRH) gaan we naar aanleiding van het eindrapport van de commissie Van Dijkhuizen {“De commissie”, [1a]} nogmaals, maar nu wat diepgaander in op dit onderwerp. Het interimrapport behandelden we in een eerdere bijdrage. Hoofdstuk 4 van dit rapport behandelt de “overgang naar een meer realistisch forfaitair rendement”.

Het meest realistische rendement is natuurlijk het werkelijk behaalde rendement. Door te kiezen voor het rendement op spaarrekeningen kiest de commissie in elk geval voor een laag rendement en dat rendement zal door inflatie, waar door de fiscus traditiegetrouw geen rekening mee wordt gehouden, nog flink worden uitgehold. Materieel leidt het voorstel van de commissie van een VRH van het 5-jarig (rekenkundig) voortschrijdend gemiddeld rendement voor 2014 van 2,4% tot een belasting (30%) van 0,7% over het vermogen, na vrijstellingen. We zijn dus terug naar de vermogensbelasting voor 2001, die ook 0,7% bedroeg. Dit is 100% van het reële rendement als het hele vermogen uit spaargeld bestaat, wat voor meer dan 40% van de belastingplichtigen het geval is. Indien uitgegaan wordt van het gemiddeld rendement dat door de pensioenfondsen in 2000-2010 werd gemaakt van 4,25% is er op basis van het nominale belastingsysteem geen reden om het tarief van de VRH aan te passen zoals we in de eerdere bijdrage al aantoonden.

Er zijn echter goede redenen om een pleidooi te houden voor een meer inclusieve benadering van het vermogen omdat slechts 26% van het vermogen van particuliere huishoudens onder de VRH  valt en wel op basis van het werkelijk behaalde rendement i.p.v. het forfaitaire rendement.

Voor een overzicht van de vermogens 2012 zie de bijdrage Huishoudvermogens 2012. Voor de actuele vermogensrendementsheffing cijfers met een behandeling van de heffingsgrondslag zie de bijdrage belasting box 3 per deciel 2011 

____________________________________________________________________________________________

1. Inleiding

De vermogensrendementsheffing (“VRH”) wordt geheven over bepaalde vermogenscomponenten per 1 januari van het jaar tegen een forfaitair tarief van 1,2%. (30% van 4% van dat vermogen na aftrek van vrijstellingen). Er wordt geen VRH geheven over ondernememingsvermogen w.o. aanmerkelijk belang, de eigen woning en de daarop rustende hypotheek en pensioenreserves. Deze posten maakten in 2011 tezamen 74% van het vermogen van particuliere huishoudens uit (€ 1.440 mld.) , zodat slechts 26% van het vermogen onder de VRH valt (€ 504 mld.). Roerende zaken zoals auto’s, boten, persoonlijke sieraden en kunstvoorwerpen voor eigen gebruik zijn vrijgesteld. Ongeveer 2 miljoen huishoudens hebben een vermogen dat boven de heffingsvrijstelling uitkomt.

Uitgaande van 2% inflatie wordt het vermogen dus belast tegen 59% van het reële inkomen uit vermogen, indien het forfaitair rendement gelijk is aan het behaalde rendement. Zoals we nog zullen zien (tabel 5) schommelt dit reële belastingpercentage voor de vier inkomenskwartielen tussen de 20% en 54% van het forfaitair inkomen uit vermogen voor vrijstellingen.

De belastingopbrengst over het totale vermogen van de particuliere huishoudens laat zich als volgt samenvatten:

Tabel 1 Benaderde belastingopbrengst uit particulier vermogen 2011.

(click op tabel om te vergroten)

6900 Samenvatting inkomen uit particulier vermogen

(1) De inkomsten van de staat uit dit totale vermogen zijn door de derving, om het eufemistisch uit te drukken, niet om over naar huis te schrijven. In totaal laat de staat zo’n € 45 mld. aan belastingen liggen. Indien eigen woning en pensioenreserves onder de VRH zouden gaan vallen zal de vrijstelling voor de VRH overigens fors omhoog moeten.

(2) De derving van € 20 mld.  inzake aftrek pensioenpremie wordt overigens t.z.t. weer terugontvangen bij uitkering, vooropgesteld dat er geen tariefvoordeel ontstaat, b.v. doordat het voorstel van de commissie om het toptarief in box I naar 47% te brengen wordt opgevolgd. Om het over het invoeren van een vlaktaks van b.v. 38% maar helemaal niet te hebben. Voorlopig verdwijnt die € 20 mld. jaarlijks in de pensioenpot. Door de maatregelen van de regering Rutte II wordt dit bedrag overigens ca  € 2,900 kleiner.

(3) Het inkomen en de belastinginkomsten uit het particulier ondernemingsvermogen (€ 33,1 mld.) valt niet eenvoudig op te stellen, maar is terecht vrijgesteld van vermogensrendementsheffing omdat dat inkomen uit vermogen al wordt belast.

(4) De jaren waarop de opgesomde verschillende (deels negatieve) inkomenscomponenten betrekking hebben. verschillen zoals aangegeven en het totaalbedrag is dan ook alleen illustratief en indicatief.

(5) Van een uniforme behandeling van de verschillende vermogenscomponenten is dus geen sprake en dit maakt belastingarbitrage tussen verschillende vermogensvormen aantrekkelijk.

N.B. een actueel overzicht van een voorstel om het vermogen te belasten is opgenomen in de bijdrage belasting van kapitaalinkomens volgens Jacobs.

Als we ons op de VRH concentreren hebben we het dus over een beperkt deel van het vermogen. De Upper Middle Class wordt flink uit de wind gehouden door het HRA-infuus en de pensioenfaciliteit, welke laatste voor de hogere inkomens functioneer(t) (de) als een alternatieve vorm van vermogensvorming die is vrijgesteld van VRH. De pensioenmaatregelen Rutte II beperken de opbouw en maximeren de aftrek pensioenpremie tot een pensioengrondlag van € 100.000, het opgenomen effect, € 2,9 mld., is het meest recent bekende bedrag.

Tabel 1 valt als volgt compact samen te vatten:

Tabel 1a Globale benadering gederfde vermogensrendementsheffing.

6901 samenvattiing ii gecomprimeerd

(1) Aandeel top 20% inkomens HRA 48% en pensioenpremie 62% van derving box I. Uiteraard gaat de vermogensvrijstelling omhoog als alle vermogenscomponenten wel belast worden. De belasting box I kan ook aanmerkelijk worden verlaagd.

(2) De bruto pensioenaftrek bedraagt 46% over 43 mld. premies is bruto € 20 mld. (Commissie Don, blz 102), Overigens wordt de pensioenuitkering wel belast zodat vele jaren later alsnog belasting wordt betaald over dit inkomen, veelal tegen een lager tarief. Inmiddels moet bij een begrotingsevenwicht deze gederfde belasting wel opgebracht worden zodat men in dat geval twee keer belasting betaalt.

(3) Het inkomen uit levensverzekeringen is maar zeer ten dele belast en in belangrijke mate (eigen huis- kapitaalverzekeringen) vrijgesteld. Ik heb hierover geen gegevens.

2. Conclusies en voorstellen in het rapport commissie inkomstenbelasting en toeslagen

De commissie Van Dijkhuizen komt tot de volgende conclusies met betrekking tot de VRH:

(1) De forfaitaire benadering zonder onderscheid naar vermogenstype van de VRH in box III blijft ongewijzigd, alleen de eigen woning en de daarop rustende hypotheek worden op termijn onder de VRH-regeling gebracht. Over een nadere te bepalen vrije voet spreekt de commissie zich niet uit.

(2) Het forfaitair tarief van 4% VRH wordt verlaagd naar 3% en in 2014 teruggebracht naar 2,4%, het voortschrijdend vijfjaars (rekenkundig) gemiddelde van de nominale spaarrente. Deze systematiek vraagt dus om een jaarlijkse aanpassing.Voor jaar (t) wordt de gemiddelde rente vastgesteld in jaar( t-1) op basis van de jaren{(t-6).. (t-2)}. De spaarrente is kennelijk de rente op spaarrekeningen en deposito’s [blz 69], maar later blijkt uit de cijferopstellingen dat toch uitsluitend het rendement op spaarrekeningen is beoogd. Het rendementsbegrip bij invoering van de VRH was het reële rendement op langlopende staatsobligaties (lange rente). De motivering van de commissie is dat dit beter aansluit bij “beleving van de spaarders”. De spaarrente was sinds de invoering van box III echter gemiddeld 1,2% lager dan de lange rente. Meer dan veertig procent van de huishoudens heeft alleen vermogen in box III in de vorm van bank- en spaartegoeden.  Spaarders zouden echter ook meer van de lange rente kunnen profiteren bij een betere cash flow planning en doen dat ook vaak in de vorm van banksparen..

(3) De eigen woning en en de eigenwoningschuld zijn vermogensbestanddelen die box III thuis horen. De overgang moet “in rustig tempo plaats vinden vanaf het moment dat de verhuismobiliteit toeneemt en de huizenprijzen weer duidelijk gaan stijgen” in ten minste 20 jaar. [blz 71] De hypotheekrentestand schijnt daarbij i.t.t. de VRH geen rol te spelen, terwijl de lagere hypotheekrente het toch mogelijk moet maken de transitie sneller door te voeren.

Voor zover het eigen huis onder de VRH gebracht wordt tegen het 2,4% tarief wordt in elk geval willens en wetens voorbijgegaan aan de prijsontwikkeling van de eigen woning die op basis van 4.0 wonen op 3% per jaar gesteld kan worden (2% inflatie en 1% reële stijging). Ook de afschaffing van de Wet Hillen heeft het niet gehaald bij de commissie, terwijl er geen reden is deze eigenwoningeigenaren te ontzien daar de woningen van die betreffende eigenaren toch echt niet onder water staan door de daarop rustende hypotheek.

3. Inbreng deskundigen op verzoek van de eerdere Studiecommissie belastingstelsel.

Deskundigen hebben op verzoek van een eerdere Studiecommissie belastingstelsel een aantal essays aangeleverd. Om deze aanbevelingen uit de vergetelheid te halen, heb ik een ruwe samenvatting in voetnoot [4] opgenomen van de aanbevelingen uit die essays over ons onderwerp. Voor nadere details raadplege men de essays zelf [1c]

Het voordeel van deze nogal uiteenlopende adviezen is dat enige consensus ontbreekt [ 1c, blz 83], of het moet de fiscale behandeling van het eigen huis betreffen. Politieke partijen spreken zich bijna helemaal niet uit over een consistent belastingstelsel en beperken zich veelal tot een aantal onsamenhangende vage voorstellen in hun verkiezingsprogramma. Het voordeel hiervan is dat zij na de verkiezingen hun gang kunnen gaan, dat het stelsel hoe langer hoe ondoorzichtiger wordt en dat de bevoordeling van de Upper Middle Class nooit systematisch wordt aangepakt. De geestelijk armoede bij een partij als b.v. de PvdA is bijvoorbeeld exemplarisch, terwijl het CDA nog wel eens met een doorwrocht rapport wil komen (b.v. Vlaktaks).

4. Grondslag van de vermogensrendementsheffing

De grondslag voor de VRH laat zich als volgt benaderen:

Tabel 2 Vermogenscomponenten DNB en CBS per 1-1-2011 en 2010.

6901 grondslag verm rend heffing

(1) De cijfers zijn ontleend aan de huishoudvermogensstatistieken van DNB en CBS. Voor een poging tot reconciliatie van de verschillen tussen DNB en CBS zie noot [4]

(2) Van de totaal brutogrondslag van €504 mld. is in tabel 5 € 374 mld. in de aangiften betrokken. In elk geval vallen buitenlands onroerend goed (ruim € 7 mld.) en vermogens kleiner dan de vrijstelling buiten de € 374 mld. [1a, blz. 59] Daarnaast zijn diverse vormen van banksparen (gedeeltelijk) vrijgesteld.

(3) Zoals de commissie Van dijkhuizen aangaf wordt bij het box II inkomen de belasting in belangrijke mate uitgesteld of komt zelfs nooit tot uitkering omdat deze bij erfenissen wordt doorgeschoven. De commissie heeft diverse voorstellen gedaan om de AB-aandeelhouder evenwichtiger te belasten en het voordeel t.o.v. een werknemer weg te nemen.

(4) Met de DNB-indeling van de deposito’s valt niets aan te vangen omdat de aansluiting met de CBS-cijfers ontbreekt.

Gesplitst naar vermogensgrootte is de samenstelling van de vermogenscomponenten die buiten de VRH vallen als volgt:

Tabel 3 Vermogenscomponenten die niet onder VRH vallen naar vermogensgrootte klasse

6903 Vermogenscomponenten buiten vermogensrendementsheffing 2011

(1) De pensioenen zijn niet naar vermogensklasse te verbijzonderen. Gegeven het feit dat 62% van de pensioenpremieaftrek in 2005 ten goede komt aan het 9e en 10e inkomensdeciel, zal het aandeel van die decielen in de reserves overeenkomstig zijn.

(2) De benaderde belastinginkomsten en belastingderving zijn in tabel 1 opgenomen.

(3) Particulieren die niet kunnen deelnemen aan een collectieve pensioenregeling (b.v. kleine zelfstandigen en zzp’ers) en die zich niet willen laten uitbenen door de financiële maffia (7 miljoen woekerpolissen) kunnen geen gebruik maken van de vrijstelling VRH voor hun oudedagsvoorziening en worden dus fors benadeeld. De commissie besteedt geen aandacht aan dit onderwerp, ongetwijfeld van wegen de budgettaire consequenties.

Dezelfde splitsing van de vermogenscomponenten die onder de VRH vallen is als volgt:

Tabel 4 Vermogenscomponenten die onder VRH vallen naar vermogensgrootte klasse

6903 Vermogenscomponenten voor vermogensrendementsheffing 2011

(1) Uit bovenstaande opstelling blijkt dat voor de vermogens < 200.000 alleen de bank-en spaartegoeden materieel van belang zijn. De overige vermogenscomponenten zijn voor die groep zijn onbetekenend. Omgekeerd is het belang van de overige vermogenscategorieën voor de groep > € 200.000 belangrijk en het rendement op spaargelden is zeker niet representatief voor de deze categorieën.

(2) De commissie Dijkhuizen stelt het rendement op bank- spaartegoeden om onduidelijke redenen voor alle vermogens centraal. Gezien de historisch verschillende rendementen op de vermogenscomponenten (zie §5) mag dat opmerkelijk heten en deze keuze bevoordeelt de hogere vermogens in belangrijke mate. Gezien de grote Private Banking afdelingen met hun deskundige adviseurs zullen de grote vermogens toch minstens het rendement van de grote pensioenfondsen kunnen evenaren. Zo behaalde het ABP sinds 1992 een gemiddeld reëel rendement (gecorrigeerd voor looninflatie nog wel)  van 5,2% blijkens hun website. Voor de droevigste periode (2007-2012) bedroeg het ABP-rendement altijd nog 4,8%.

Tabel 5 Vermogensrendementsheffing per vermogenskwartiel

6902 Berekening van de vermogensrendementsheffing per vermogenskwartiel

(1) Dit overzicht komt uit ten dele het commissierapport en is gebaseerd op de aangiften. Personen met een vermogen dat kleiner is dan de vrijstelling zijn dus niet in het vermogen voor vrijstelling van € 374 mld. begrepen en een aansluiting met tabel 1 is dan ook niet te maken.

(2) Op grond van de grafiek op blz. 59 valt af te lezen dat de vermogensgrondslag van de VRH van € 306 mld. bestaat uit: Bank-en spaartegoeden 210 mld., aandelen en obligaties 95 mld., onroerend goed 82 mld, overige vorderingen en bezittingen 25 en schulden 25 mld. De bank- en spaartegoeden maken dus 69% uit van de grondslag.

(3) Toegevoegd is het belastingtarief bij 4% werkelijk rendement (gelijk aan forfait) en reëel rendement bij 2% inflatie. De progressie wordt veroorzaakt door de vrijstellingen.

5. Norm rendement voor de vermogensrendementsheffing

Gegeven de bijzondere ontwikkelingen gedurende de jaren 1999 -2002 en 2008-2013 is het goed om naar de kapitaalmarktrente gedurende de periode 1959-2003 te kijken. De dalende trend van de kapitaalrente blijkt duidelijk. Bij de introductie van de VRH was de norm het rendement op staatsleningen om de 4% te verdedigen. Deze norm lag boven de historische kapitaalmarktrente en er was dus ruimte om te stellen dat de 4% een reële rendementsnorm was. [1a, blz 63] Dit valt ook aan de hand van de volgende grafiek aan te tonen:

Grafiek 1 CBS effectief rendement staatsleningen [1]

6900 EFFECTIEF RENDEMENT STAATSLENINGEN

De commissie gaat uitgebreid in op de historisch behaalde rendementen. Toegevoegd is het rendement van de pensioenfondsen zoals dat door de Nederlandse Bank werd vastgesteld voor de periode 2000-2010 in een rapport op verzoek van de Tweede Kamer.

Tabel 6 rendement pensioenfondsen 2000-2010 en rendement diverse soorten bankrekeningen volgens de commissie Dijkhuizen

6904 rendementen 2000-2012

(1) De commissie voor om het 5-jaarsrendement op spaartegoeden als norm te hanteren en komt daarbij voor 2014 op 2,4% voor het hele box III vermogen. Bij sterk fluctuerende deels negatieve rendementen, zoals b,v, voor aandelen, is het meetkundig gemiddelde te preferenen.[6] Het rekenkundig gemiddelde is tevens gegeven omdat de commissie dit gebruikt. Zoals te verwachten wijken de gemiddelden sterk af voor het rendement pensioenenfondsen en aandelen.

(2) Zoals bekend is de spaarrente extra laag omdat we de banken via de ECB moeten steunen. Naast de risico’s bij de bankensteun ontvang de staat nu dus ook minder VRH. Daar staat dan weer tegenover dat de staat profiteert van de lage HRA en de lage rente op staatsleningen. Al hoewel, die rente van de hypotheek in Nederland is door het ontbreken van concurrente weer 1% te hoog, waar de staat dan weer zijn aandeel van HRA aan bijdraagt. Bankier Van Dijkhuizen heeft hier natuurlijk geen paragraaf aan geweid in het commissierapport.

(3) Het rendement van de pensioenfondsen steek gunstig af bij het door de commissie gevonden rendement op aandelen. Het rendement op aandelen is exclusief de kosten, voor de pensioenfondsen zijn die kosten wel meegenomen.Voor de ontwikkelingen in 2008 zie hier voor de analyse van het CPB.

(4) Uiteraard ben ik het persoonlijk van harte met de commissie eens. Ik kocht in januari 2000 voor 1 miljoen 5½% obligaties Nederland 2028 voor € 901.500 en dat geeft tot vervaldatum 15/1/2028 een rente van €55.000 en een rendement van effectief 6,3%. Per 1/1/2013 was de koers 139,03 en de waarde dus € 1.390.300. De “vermogenswinst” van €488.800 is imaginair want die is in de 6,3% rendement tot 2028 begrepen. De VRH 2013 bedraagt dus 30% van € 55.612 of € 16.684. Uiteraard is het plezierig om € 6.673. minder belasting te betalen, een verlaging met 40%, maar de logica ontbreekt ten enenmale. Het is het zoveelste voorbeeld van bevoordeling van de Upper Middle Class. Voor de 4% Ned 2037 obligatie valt een soortgelijke calculatie te maken.

De rendementen zijn ook grafisch weer te geven, gesplitst in aandelen en pensioenfondsen en de overige beleggingen. Rendement op onroerend komt in het commissierapport i.v.m. beschikbaarheid van data niet voor. [1a, blz. 63]

Grafiek 2 Rendement op spaarrekening, termijndeposito en lange rente 2001-2012

6905 rendement spaarrekening termijndeposito en lange rente

Grafiek 3 Rendementen pensioenfondsen 2000-2010 en rendement op aandelen 2001-2012

6905 Rendement pensioenfondsen en aandelen

Eigenlijk is natuurlijk alleen relevant het rendement op de vermogens nadat rekening gehouden is met de geldontwaarding door inflatie. Als we de rendementen corrigeren met het voor indirecte belastingen gecorrigeerde prijsindexcijfer dan ontstaat het volgende beeld:

Tabel 7 Rendementen gecorrigeerd voor inflatie (afgeleide prijsindex) 

6904 geschoonde rendementen 2000-2012

(1) In het commissie rapport is niet toegelicht welke index is gebruikt om de rente reëel te maken.  Bovenstaand is het voor indirecte belastingen gecorrigeerde prijsindexcijfer (CBS) gebruikt. [5] De uitkomsten wijken daarmee af van het rapport.

(2) Hoewel de bij fiscalisten gebruikelijk lip service voor de hantering van reële rendementen ook in het commissierapport zijn plaats krijgt, leidt dit uiteraard niet tot een correctie van de belastinggrondslag of de tariefstelling. De gebruikelijk smoes dat ook bedrijfwinsten nominaal worden belast is in het kader van de sterk verlaagde winstbelastingtarieven inmiddels wel achterhaald. In de tariefstelling wordt daar immers allang rekening meegehouden.

(3) De VRH is dus voor bank- en spaartegoeden 30% van 2,4% of 0,7%. Dat is nog steeds 100% van het reële rendement. Indien uitgegaan wordt van het reële rendement tegen het toptarief box I zou 52% van 0,7% of 0,36% netto VRH dienen te worden geheven zou het tarief van 2,4% van de commissie nog eens moeten worden gehalveerd. Op basis van het rendement pensioenfondsen zou tegen dat toptarief  ca  netto 1,2% VRH worden betaald, het huidige tarief.

De commissie Don bracht in 2009 een verdeeld advies uit over de Regeling parameters pensioenfondsen. Dit advies is als volgt samen te vatten:

Tabel 8 Advies commissie Donner inzake Regeling parameters pensioenfondsen

6911 comiissie Don rendementen

(1) Duidelijk blijkt hieruit dat de spaarrente nu niet bepaald representatief is voor het rendement van de grotere vermogens.

(2) Volgens Hewitt associates B.V. betekende het voorstel gemiddeld een 0,9%-punt lager verwacht jaarlijks portefeuillerendement.

Tot slot kijken we nog even naar de echte depositorente in de werkelijk markt op basis van de internetaanbiedingen:

Grafiek 4 Interestpercentages deposito’s naar looptijd

6910 ECHTE RENTE DEPOSITOS

(1) Het bedrag van de vrijstelling is veelal voldoende om de lopende zaken uit de van VRH vrijgestelde geldmiddelen te betalen. De rest van het spaargeld kan dus op deposito gezet worden. Bij een looptijd boven de 4-6 jaar komt men boven het forfait van 2,4% uit.

(2) De commissie is helemaal “vergeten” dat een niet onbelangrijk deel van het spaargeld/levensverzekeringen wordt aangehouden om t.z.t. de aflossingsvrije hypotheek af te lossen. Het rendement op die gelden is veelal gelijk of bijna gelijk aan de hypotheekrente en ook nog (deels) vrijgesteld van de VRH.

(3) De banken hebben daarnaast mogelijkheden ontwikkeld, met steun van het gebruikelijke cliëntelisme in de Tweede Kamer om te banksparen voor uitvaartsparen , gouden handdruk sparen e.d.

(4) Bij de Rabobank kan men nog steeds met een 15 jarig deposito of langer 4% maken. Zo kan men b,v, de eerder genoemde 5½% Ned 2028 obligaties verkopen en omzetten in een deposito tegen 4% met gelijke looptijd. Het rentepercentage matched dan precies met de huidige VRH en men loopt geen koersrisico meer. De Rabobank moet dan natuurlijk niet omvallen, gegeven de condities van het depositogarantiestelsel.

(5) Bij die werkelijke markt zijn wel de nodige kanttekeningen te maken. ABN-Amro, ING en SNS mogen immers niet concurreren met de rente dankzij Brussel en/of een slapende Minister van Financiën, dat is nooit echt duidelijk geworden. Of kwam het DNB, als hoeder van de banken, soms wel goed uit, dat de banken gespekt worden? Als de banken gespekt worden, komt het mogelijk falende toezicht op de leningportefeuille misschien wel nooit aan het licht?

6. Wenselijk regeling

(1) Een regeling die niet aansluit bij het werkelijk ervaren rendement zal altijd op problemen blijven stuiten, waarbij je belastingplichtigen die baat hebben bij een forfaitaire heffing niet hoort en de overigen terecht zullen blijven klagen. Op termijn ondermijnt dit de belastingmoraal.

(2) De overheid kan de belastingopbrengst uit vermogen op basis van een te stellen norm door een egalisatiereserve normaliseren. Zoals bekend is de overheid daar zeer goed in en brengt zij dit neo-Keynesiaanse begrotingsbeleid al jaren anti-cyclisch in praktijk. Het door fiscalisten aangevoerde voordeel van de huidige regeling dat de belastingopbrengst stabiel en voorspelbaar is, geeft eerder blijk van een brevet van onvermogen van de staat waarmee de belastingplichtige dan ten onrechte wordt opgescheept.[1a, blz. 61]

(3) Er is geen enkele reden om voor de bezittingen waarvoor geldt dat een marktwaarde beschikbaar is de reële rendementen te belasten gesplitst in liquide te maken – bank-en spaartegoeden, genoteerde effecten (belast) en ongerealiseerd (belast bij overlijden of vertrek buitenland). [zie Jacobs 3c] Voor de meeste belastingplichtigen geldt dat de banken deze informatie nu reeds opleveren. Voor de overige bezittingen kunnen de behaalde rendementen fiscaal worden aangegeven. Voor ongerealiseerde resultaten geldt daarvoor ook de eerder vermelde regeling, waarbij ook rente wordt verrekend.

(4) Voor alle ongerealiseerde resultaten wordt een gestaffelde rente bijgehouden. Vermogensverliezen mogen alleen met vermogenswinsten worden gecompenseerd.

(5) Het tarief kan aansluiten bij het inkomen in box I en is dus progressief. Enige vorm van inflatiecorrectie lijkt wenselijk door op de grondslag een aftrek voor (een deel) van de inflatie mogelijk te maken.

(6) Ook de pensioenvermogens en het eigen huis worden in de vermogensbelasting betrokken.

(7) De HRA wordt met onmiddellijke ingang opgeheven. De voor excessen genormaliseerde HRA wordt als belastingverlaging per schijf teruggegeven.

(8) Indien Brussel blijft klieren over de 60% EMU-schuld- en de 3% EMU-tekort norm wordt de omkeerregel pensioenen met onmiddellijke ingang opgeheven en de belastingclaim op de pensioenreserves getemporiseerd bij de pensioeninstanties opgeëist. De pensioendeelnemer loopt daarbij geen enkel nadeel omdat de belasting vergelijkbaar met de dividendbelasting als voorheffing wordt opgelegd en verrekend bij uitkering. Met dit geld wordt de overheidsschuld afgelost. De toekomstig zo vrijkomende middelen worden aangewend om de restschuld af te lossen ( ca 8%) en een pot te gaan vormen om de omslagstelselregelingen zoals de AOW, Wajong en WIA te gaan reserveren volgens het kapitaaldekkingsstelsel. Door deze maatregel kan de waardevastheid van de AOW worden geborgd en de pensioenopbouw worden gematigd.

(9) De schenkings- en successierechten worden nader bezien en kunnen zelfs worden opgeheven zodra over alle inkomsten uit de vermogenscomponenten een redelijke belasting betaald wordt, ontvalt immers de grond voor deze belasting. We hebben dan alleen nog te maken met een afrekening over het vermogen dat in het verleden tegen geen of te weinig belasting is gevormd, uiterlijk bij overlijden of vertrek naar het buitenland.

(10) De ook door Bovenberg en Stevens in hun essay [3] voorgestane persoonlijke webpagina van elke belastingplichtige kan de nodige informatie bevatten om de standen van de ongerealiseerde vermogenswinsten vast te houden.

Helaas heeft de commissie dus meer gewerkt aan het Kurieren an Symptomen, een structurele aanpak had meer voor de hand gelegen, maar dit vergt een andere opdracht , een  andere staatssecretaris van financiën, en waarschijnlijk ook een ander kabinet en een andere Tweede Kamer, die een ruimere taakopdracht geeft aan een staatscommissie die het karwei nu eindelijk eens afmaakt en met concept wetgeving komt. Als er ten minste nog deskundigen te vinden zijn die, na de zoveelste poging, hun paarlen voor de zwijnen willen gooien.

__________________

Laatst bijgewerkt 12 december 2013

[1a] “Naar een activerender belastingstelsel eindrapport”, http://www.rijksoverheid.nl/ministeries/fin/documenten-en-publicaties/rapporten/2013/06/18/eindrapport-commissie-inkomstenbelasting.html

[1b] “Naar een activerender belastingstelsel interimrapport” ,http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/rapporten/2012/10/16/interimrapport-commissie-inkomstenbelasting-en-toeslagen.html,

[1c] Rapport studiecommissie belastingstelsel, http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2010/04/07/rapport-studiecommissie-belastingstelsel.html

[1d] Min Fin,”Rapport brede heroverwegingen 4 wonen”, http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/beleidsonderzoeken/documenten-en-publicaties/rapporten/2010/04/01/4-wonen.html , juni 2008

[1e] http://www.eerstekamer.nl/behandeling/20121214/nota_naar_aanleiding_van_het_3/document3/f=/vj5en5pc9hz3.pdf

[1f] Min Fin, “Inkomen en vermogen van ouderen: analyse en beleidsopties – [IBO Inkomens- en vermogenspositie en subsidiëring 65+’ers]“, http://www.rijksoverheid.nl/regering/documenten-en-publicaties/rapporten/2013/09/13/ibo-rapport-inkomen-en-vermogen-van-ouderen-analyse-en-beleidsopties.html , blz 102

[1G] http://www.parlementairemonitor.nl/9353000/1/j9vvij5epmj1ey0/vjdlhmssi9zy

[2] CBS, “Rente op kapitaalmarkt naar laagterecord”,http://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/27E67293-E926-481A-B454-ADA901921E25/0/pb03n063.pdf , 2 april 2003.

[3] Globale samenvatting van standpunten adviezen:

3. a A.L. Bovenberg en L.G.M. Stevens

– een tarief van 33,3 % op een forfaitair reëel rendement van 3 % in box 3 (een vermogensbelasting van 1 % met een ruime vrijstelling waarbij ook het eigen huis in deze box valt)

– Voorts kiezen wij er voor om de vermogensopbouw in de eigen woning te stimuleren door de eigen woning te verschuiven van box 1 naar box 3, zodat de woning beter kan fungeren als pensioenvoorziening. De aftrekbaarheid van hypotheekschuld wordt in dit scenario beperkt tot een forfaitaire rendement van 3 % en een tarief van 33 1/3 %. De opbrengsten van deze operatie kunnen worden benut voor de introductie van een levensloopvrijstelling in box 3 voor liquide besparingen en het vrijgespaarde deel van de eigen woning.

– In het verlengde van de eerder genoemdeaanvullende box-3-vrijstelling voor het vrijgespaarde deel van de eigen woning kan worden gedacht aan een levensloopvrijstelling in box 3 die voor elke leeftijd (en eventueel voor elk box 1-inkomen) het maximale vermogen bepaalt dat vrijgesteld is van box-3-heffing. Deze vrijstellingsruimte wordt echter ingekort met de waarde van de fiscaal gefaciliteerd opgebouwde oudedagsvoorzieningen (pensioenen, lijfrenten).

– De VRH maakt geen onderscheid tussen verschillende soorten vermogen: pensioenen, het vrijgespaarde deel van de eigen woning en liquide besparingen worden op dezelfde wijze belast. Fiscaal gedreven belastingarbitrage in de financiële markten wordt zo de pas afgesneden.

– één ondernemingswinstbelasting

3. b. S. Cnossen

– De Noorse duale inkomstenbelasting, geheven over het feitelijk in plaats van het forfaitair bepaalde inkomen, verdient serieuze studie, omdat zij in tegenstelling tot Box 3 de persoonlijke risicopremie van particulieren belast en daarom een rechtvaardiger heffing is. Ook belast de Noorse inkomstenbelasting kapitaalinkomen evenwichtiger, consistenter en eenvoudiger dan de Nederlandse inkomsten- en vennootschapsbelasting.

– Wordt het huidige boxenstelsel gehandhaafd, dan dient de opbrengst van eigen vermogen van zelfstandige ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder ook forfaitair te worden belast. In beide gevallen zou de resterende winst uit onderneming als progressief belast arbeidsinkomen moeten worden aangemerkt.

– De opbrengst van privé-vermogensbestanddelen, zoals spaartegoeden, schuldvorderingen en onroerende zaken, wordt uitsluitend ex-ante (forfaitair) op privé-niveau belast. Dit geldt ook voor de eigen woning – zij het dat het forfaitaire rendement slechts 0,20%-0,55% bedraagt en dat het (gemaximeerde) rendement niet proportioneel maar tegen progressieve tarieven wordt belast (in Box 1).

– De opbrengst van pensioenfondsen en van schuldvorderingen van niet-ingezetenen wordt niet belast. Afhankelijk van het verschil tussen het tarief waartegen pensioenpremies kunnen worden afgetrokken en het tarief waartegen uitkeringen worden belast worden de opbrengsten van pensioenbesparingen gesubsidieerd.

– Een belangrijk bezwaar van de rendementsheffing is dat zij in strijd is met het draagkrachtbeginsel. De persoonsgebonden beleggingspremie (die vooral met grote vermogens kan worden geassocieerd) blijft onbelast en de overheid deelt niet in het geluk en ongeluk van beleggers. Het principiële bezwaar tegen een vermogenswinstbelasting die is gebaseerd op het realisatiebeginsel, is dat het tijdstip van heffing in belangrijke mate door de belastingplichtige zelf kan worden bepaald. Door realisatie bij overlijden te veronderstellen kunnen de negatieve gevolgen daarvan worden verminderd. De negatieve gevolgen van het realisatiebeginsel kunnen ongedaan gemaakt worden door rente in rekening te brengen over de uitgestelde belasting.

3.c. B. Jacobs

– De forfaitaire vermogensrendementsheffing in Box-3 gebaseerd op fictieve vermogenswinsten dient te worden vervangen door een vermogenswinstbelasting over werkelijke vermogensinkomsten, inclusief verliesverrekening met gerealiseerde winsten. Kosten ter verwerving van vermogen (betaalde rente ophypotheekleningen, consumptieve leningen, studieleningen e.d.) kunnen worden afgetrokken.

– Vermogenswinsten op liquide activa met eeneenduidige marktwaardering kunnen met een vermogensaanwasbelasting worden belast. Illiquide activa, zonder geldende marktwaardering, dienen op basis van winstrealisatie te worden belast. Uitstel van winstneming bij de vermogenswinstbelasting moet worden voorkomen door afrekening van verschuldigde belasting met verrekening van rente bij overlijden of migratie.

– Het vlakke tarief van Box-3 bedraagt circa 30 à 35 procent over alle gerealiseerde vermogensinkomsten uit besparingen (rente), beleggingen (dividend en koerswinst), het eigen huis, vermogenswinst pensioenen en dividenduitkeringen aan directeur-grootaandeelhouders.

– Het tarief in Box-3 dient gekoppeld te zijn aan de hoogte van het tarief op arbeidsinkomsten. Als dat wordt verlaagd, dient ook een lager tarief op vermogensinkomsten te worden gehanteerd.

– De huidige Box-2 komt te vervallen. Aan vermogensverschaffers in bv’s of eenmanszaken kan een forfaitair kapitaalinkomen worden toegerekend van 10 procent van het geïnvesteerde vermogen dat vervolgens in Box-3 wordt belast. Het resterende deel wordt gezien als arbeidsinkomen, dat wordt belast in Box-1. Een vermogensbelasting is overbodig als gerealiseerde vermogenswinsten worden belast. De levensloopregeling en de spaarloonregeling kunnen worden afgeschaft.

– Het eigen huis dient te worden beschouwd als een vorm van kapitaalinkomen. Betaalde hypotheekrente is aftrekbaar tegen het tarief van Box-3. Het eigen woningforfait wordt opgehoogd tot minimaal 5,7 procent van de WOZ-waarde. Gerealiseerde bovennormale rendementen op het eigen huis (verkoopprijs minus aankoopprijs welke is vermeerderd met het normale rendement op investeringen in het eigen huis) worden bij verkoop belast in Box-3. Het tweede huis krijgt een identiek regime als het eerste huis

– Tevens wordt de vermogensaanwas van pensioenfondsen belast in Box-3 met een vermogensaanwasbelasting.

– {in samenhang met het volgende punt te lezen} De vermogenswinsten in erfenissen, zoals de gerealiseerde waardestijging van huizen, worden in Box-3 belast op het moment dat het vermogensbestanddeel wordt verkocht of wordt overgedragen. Onroerend goed is niet liquide en dient pas bij verkoop te worden belast met een vermogenswinstbelasting. Spaartegoeden en effecten zijn wel liquide en kunnen op moment van overdracht worden belast met een vermogensaanwasbelasting. Erfenissen dienen hoger te worden belast dan normale vormen van kapitaalinkomen om ook onbedoelde nalatenschappen af te romen. Die bedragen minimaal zo’n 20 procent van de waarde van nalatenschappen. De huidige opbrengst van de successieheffing van circa 1 mrd euro dient substantieel te worden verhoogd naar zo’n 3-4 mrd euro. De tarieven kunnen oplopen van 20 tot 50 % (afhankelijk van politieke voorkeuren), terwijl zeer fors in de vrijstellingen voor de successieheffingen wordt gesneden.

– Als in Box-3 een zuivere vermogenswinstbelasting wordt geheven over alle vermogensinkomsten, zoals voorgesteld eerder in deze notitie, dan zullen ook de vermogensopbrengsten uit erfenissen (overwaarde huizen, rente op spaartegoeden en dividenden en koerswinsten van effecten) worden belast in Box-3. Het ontvangen van een erfenis als zodanig hoeft dan niet langer te worden belast. Het heffen van een erfenisbelasting is vergelijkbaar met een vermogensbelasting. Zolang gerealiseerde rendementen uit dat vermogen worden belast, is het onnodig om nog een aparte successieheffing te hebben. Echter, zo lang geen zuivere vermogenswinstbelasting wordt geheven in Box-3, dan dient de erfenisbelasting te fungeren als een correctie op het ontbreken van een vermogenswinstbelasting over de vermogens in nalatenschappen. De fiscus subsidieert namelijk het eigen huis en belast geen gerealiseerde vermogenswinsten op geërfde huizen. Vermogenswinsten op geërfde effecten blijven eveneens vrijwel onbelast via de VRH. Voor onbedoelde erfenissen – zie tekst essay zelf, ik kan de onzin die daar gedebiteerd wordt niet uit mijn pen krijgen.

3.d. C.A. de Kam en C.L.J. Caminada

– Na invoering van een vermogenswinstbelasting valt de bestaansreden van de vermogensrendementsheffing weg. Het levert immers niet langer voordeel op om reguliere opbrengsten om te zetten in vermogenswinst. Voortaan kunnen de werkelijk genoten vermogensopbrengsten dus weer samen met andere inkomsten (loon, uitkering) volgens het progressieve tarief worden belast, zoals vóór 2001 het geval was.

– Het past in het systeem van de inkomensheffing om de eigen woning over te hevelen van box 1 naar box 3.Zo komt een einde aan de bestaande fiscale bevoordeling van de eigen woning, die de werking van de kapitaalmarkt en de woningmarkt aanzienlijk verstoort. Het is aannemelijk dat de overheid in de toekomst het eigenwoningbezit wil blijven bevorderen. Hiertoe kan in box 3 een vrijstelling worden opgenomen voor een deel van het in de eigen woning vastgelegde vermogen, bijvoorbeeld van € 200.000. Ten tweede kan voor de betaalde hypotheekrente een tax credit worden gegeven tegen het tarief van de eerste schijf, met een maximum van bijvoorbeeld € 10.000 per jaar. Om de aflossing van de hypotheek te bevorderen valt te overwegen deze heffingskorting in dertig jaarlijkse stapjes van 3 procent af te breken.

– De fiscale tegemoetkoming voor het pensioensparen komt voor 42 procent ten goede aan de 10 procent van de huishoudens met de hoogste inkomens. Door de fiscale faciliteit te beperken tot de opbouw van een aanvullend pensioen van ten hoogste € 25.000 per jaar, krijgen werknemers met een salaris tot anderhalf keer modaal (€ 48.000) – tezamen met de AOW-uitkering van € 8.500 – hulp van de fiscus bij het sparen voor een pensioen dat gelijk is aan ruim 70 procent van het laatstverdiende loon. Daarnaast valt te overwegen het opbouwpercentage terug te brengen van 2,33 tot 1,75 procent per jaar. Wie meer dan € 48.000 verdienen, kunnen tot een salaris van € 48.000 eveneens gebruik blijven maken van de faciliteit, maar de opbouw van aanvullend pensioen boven de € 25.000 per jaar wordt niet langer fiscaal gesubsidieerd.

3.e. A.C. Rijkers en I.J.F.A. van Vijfeijken

– Als meetmethode is de vermogensaanwasmethode sterk aanbevolen, d.w.z. dat zo veel mogelijk reeds de waardemutatie van een vermogensbestanddeel als inkomen in aanmerking moet worden genomen. Aan het wachten tot inkomen in liquide vorm aanwezig is, koppelt zich het zeer reële gevaar dat van uitstel afstel komt. Aanbevolen is verder de eigen woning te defiscaliseren. Fundamenteel is de suggestie om schenkingen en erfenissen in de inkomensbelasting op te nemen.

[4] Een analyse van de verschillen tussen de statistieken van DNB en CBS is nog geen reconciliatie, maar laat in elk geval zijn waar de verschillen ontstaan. Een nadere toelichtin kan ik ook niet geven. Voor deze bijdrage zijn de cijfers van het CPB aangehouden.

6901 reconciliatie

[5] De afgeleide consumentenprijsindices is het effect van veranderingen in de tarieven van productgebonden belastingen (bijvoorbeeld BTW en accijns op alcohol en tabak) en subsidies en van de consumptiegebonden belastingen uit de prijsontwikkeling verwijderd. De afgeleide CPI geeft antwoord op de vraag wat de prijsontwikkeling is als de belastingtarieven niet veranderen.

Voor de spaarrekening wordt de reële rente 2001 dus (1+0,035)/(1+0,031) – 1 = 0,00388 of 0,4% etc.

[6] Aan de hand van een gestileerd voorbeeld:

Het rendement in jaar 1 (b.v. 2008) is r[1] = -50%, r[2] =30%; r[3] = 20%; r[4] = 12% en r[5] = 9% . Na vijf jaar is € 1000 spaarbedrag  S[5]  nog 952,22 waard. Het rekenkundig gemiddelde rendement is dan wel 4%. Het meetkundig gemiddelde -1%. Het meetkundig 5-jaars gemiddelde wordt dan als volgt bepaald n= 5;  S[0] = 1000;  S[5] 952,22; S[5]/S[0] = 0,95222. Het rendement is dan 0,95222^(1/5) -1 = 0,00974 of 0,97%. Het zal duidelijk zijn dat het laatste percentage een veel reëler beeld geeft.

[7] Hewitt associates B.V., “samenvatting commissie Donner”, 2010. https://www.google.nl/url?sa=t&rct=j&q=&esrc=s&source=web&cd=1&ved=0CDEQFjAA&url=http%3A%2F%2Fwww.wenb.nl%2FDocument%2F20100215.samenvatting%2520Don.pdf&ei=SSjlUcTrCcXFOfrSgJAF&usg=AFQjCNF-qrsLllhSHxaUJV8m8kbOYkaSeg&sig2=t8A8EpDVYiqxwpMmT0n1Mw&bvm=bv.48705608,d.ZWU

Advertisements

From → 1. Actueel

Geef een reactie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: