Skip to content

CPB over de top?

31 mei 2013

 ________________________________________________________________________________________

In zijn recente policybrief stelt het CPB dat “Het opbrengstmaximaliserende toptarief is volgens berekeningen ongeveer 49%. Het huidige toptarief van 52% is daarmee iets hoger dan het opbrengstmaximaliserende toptarief. Verhoging van het huidige toptarief van 52% levert waarschijnlijk niet meer, maar juist minder belastingopbrengst op. Dat geldt ook als het toptarief wordt verhoogd vanaf een inkomen van 150.000 euro.” [5, blz. 1]

Daarnaast stelt het CPB dat “Bij de CPB-doorrekening van de verkiezingsprogramma’s is nog gerekend met belastingopbrengsten van respectievelijk 200 mln euro bij verhoging van het toptarief naar 60% vanaf 150.000 euro en 400 mln bij verhoging van het toptarief naar 65% vanaf 150.000 euro (CPB, 2012a). De voorgaande analyse laat echter zien dat deze toptarieven tot respectievelijk 120 en 300 miljoen minder belastingopbrengsten zullen leiden. Bij een volgende analyse van een hoger toptarief zal het CPB daarom geen opbrengsten meer inboeken.” [4, blz. 29]

De natte droom van Hein Vos en Jan Tinbergen is eindelijk waarheid geworden. Misschien anders dan zij zich hadden voorgesteld: het Politbureau van de neoliberalen heeft gesproken en de applausmachine van de hervormende progressieve politici zal verder gaan met zijn hervormingen, waarbij de HRA, gezien zijn onbetekenende belang van “”2 -2,5% van het effectieve toptarief ” verder ontzien zal worden.

Het is misschien goed om toch een paar kanttekeningen te plaatsen voordat iedereen die onzin ook gaat geloven. Allereerst blijkt uit de eigen tekst van het CPB dat het huidige toptarief van 52% wel opbrengstmaximaliserend is, en is het persbericht dus onjuist. In de tweede plaats worden de belastingvoordelen resulterend uit eigen woningbezit en de pensioenvorming systematisch te laag voorgesteld, zodat het huidige toptarief ruimte laat om het toptarief met mate te verhogen. In de derde plaats mocht 36% van de bevolking niet meedoen in het panelonderzoek en dat is niet het minst draagkrachtige deel. Het CPB heeft dus broddelwerk geleverd. En tot slot ligt het optimale toptarief tussen de 22% en 39% op basis van de gegevens van het CPB zelf. De deugdelijke grondslag voor de stellige conclusie in het persbericht ontbreekt dus ten enenmale.

Ik ga in deze bijdrage niet in op de wiskundige wijze waarop de Pareto-parameter en ε bepaald zijn en heb daar ook absoluut geen verstand van. Ik laat dat graag over aan de econometristen en ik neem aan dat dit professioneel is gebeurd. [19] Voor de behandeling van de BTW zie de bijdrage Inkomensdecielen en belastingen.

P.S 1. Voor een recent literatuuroverzicht over dit onderwerp zie de paper van Andrew Fieldhouse van het Economic Policy Institute [20]

PS 2.  in een latere bijdrage is te zien hoe door de HRA de werking van het toptarief lang wordt uitgesteld en daarbij zijn de pensioenpremies dan nog niet betrokken.

_________________________________________________________________________________________________________________________

1. Inleiding

Alvorens ons te concentreren op het “hoge toptarief in Nederland” is het misschien goed om te kijken naar de gemiddelde marginale druk (2007) van alle werknemers. De inkomens boven de € 20.000 ervaren een gemiddelde marginale druk van rond de 50%.[1, blz 47] Een kwart van de werknemers ervaart een marginale druk van meer dan 53% als hun inkomen met 3% stijgt.[1, blz 29] Een belangrijke oorzaak van deze hoge marginale druk is de geleidelijke afbouw bij de inkomensstijgingen van allerlei inkomensafhankelijke  toeslagregelingen.

Het toptarief in Nederland is momenteel 52%, als we even afzien van de ondoordachte crisisheffing van 16%, waardoor met name de zzp éénpitters onevenredig zwaar worden getroffen. Een tijdelijke verhoging van b.v. de vennootschapbelasting had meer opgeleverd. In 1990 werd het tarief verlaagd van 72% naar 60% en in 2001 van 60% naar 52% onder verhoging van de belastinggrondslag door afschaffing van bepaalde aftrekposten. Tot de afschaffing van die aftrekposten behoorde niet de HRA en de vermogensrendementsvrijstelling van gestorte pensioenpremies, waarvan de topinkomens bovenmatig profiteren en die vergelijking van de toptarieven met het buitenland zo bemoeilijken. [zie § 5]

Het CPB verstrekte onderstaande informatie, waarmee de stelling dat “het opbrengstmaximaliserende toptarief in Nederland ongeveer 49% is” onderbouwd wordt [4, blz 12].

Tabel 1 Optimaal toptarief inkomstenbelasting bij gegeven elasticiteiten belastbaar inkomen

(click op tabel om te vergroten)

hOGE BOMEN GRAFIEK

(1) Het persbericht van het CPB stelt: “De onderzoekers berekenen dat het opbrengstmaximaliserende toptarief in Nederland ongeveer 49% is. Het huidige toptarief is met 52% al hoger dan het opbrengstmaximaliserende toptarief. Een verdere verhoging ervan levert dan niet meer, maar juist minder belastingopbrengst op. Dat geldt ook als het toptarief zou worden verhoogd vanaf een inkomen van 150.000 euro.” [2] Hetgeen klakkeloos door de media werd overgenomen.

(2) De tabel is gebaseerd op het CPB rapport “Hoger toptarief levert niets op”” ,waarbij de uitkomsten van de berekeningen hier met één cijfer achter de komma zijn weergegeven.[5, blz. 9] Dit is gedaan om het verschil in berekening te adstrueren. Overigens is het cijfer achter de komma natuurlijk baarlijke nonsens gegeven de onnauwkeurigheden waarmee de schatting van ε is omgeven.  De Indirecte belastingpercentages en het verschil tussen 51,6% en 49,4% komt dan beter naar voren. Ik zou verwachten dat de indirecte belastingen in percentage van het netto inkomen (na belasting box I) ongeveer constant zou zijn.[8; 4, blz 4] In de tabel fluctueert dit percentage van 9,9% tot 12,4%, een spreiding van 2,5%.

(3) Uit de grafiek in noot [6]  blijkt overigens dat het gemiddelde BTW-percentage op de bestedingen in 2009 8% was. De stijging sindsdien met 2% is alleen van toepassing op het hoge tarief en b.v. de assurantiebelasting. De onderbouwing van de 11.0% indirecte belastingen heb ik niet aangetroffen. Opmerkelijk is wel dat het CBS in 2010 al op bijna 13% kwam voor de bestedingen voor het 10e deciel en dat was dus ook voor de BTW- en assurantiebelastingverhoging volgens onderstaande grafiek. [8b]

INDIRECTE BELASTINGEN PER INKOMENSGROEP

(1) N.B. dit is dus voor de tariefverhoging van de BTW van 19% naar 21% en de verhoging van de assurantiebelasting.

(2) Het optimale toptarief varieert dus per inkomensdeciel al op grond van de verschillende indirecte belastingen per bestede euro.

Ik geloof dat het CPB er zich wat betreft de indirecte belastingen dan ook met een  jantje-van-leiden vanaf gemaakt heeft en dat terwijl volgens het CPB, getuige het persbericht, elk procentpunt telt.

(4) Om een beeld te krijgen van het effect van (2) zijn de kolommen aanpassingen opgenomen. De aanpassingen zijn een gevolg van het feit dat het toptarief exact 52,0% is en de BTW-percentage als percentage van het besteedbaar inkomen  (bruto-inkomen minus belasting box I) constant is. [8, 4 blz. 4] Voor 52% box I is het BTW-percentage 57,3- 52% of 5,3%, hetgeen leidt tot 11,0 % van het netto-inkomen.[5] Het volgens het CPB optimale belastingpercentage wordt dan 48,8%, maar blijft ≈ 49%. Tevens zijn de CPB tabellen onderaan herrekend.

(5) “Het huidige toptarief van 52% zou opbrengstmaximaliserend zijn bij een elasticiteit van ε = 0,22. Dit zou ook het optimale toptarief zijn indien het welvaartsgewicht voor de topinkomens nul is (g = 0). We kunnen daarom niet uitsluiten dat het huidige toptarief ongeveer opbrengstmaximaliserend is. (italics toegevoegd) Bij een wat lagere (hogere elasticiteit is het opbrengstmaximaliserende toptarief wat hoger (lager)” [4, blz 12] In het persbericht zoals onder 1.1 geciteerd, en uiteraard dus ook in de media, is van deze relatievering niets terug te vinden.

(6) In bovenstaand opstelling is het gewicht (g) dat we toekennen aan één euro meer voor de topverdieners op nihil hebben gesteld. Rechtse partijen zullen een hoger welvaartsgewicht toekennen aan topinkomens. Bij een g van 0,25 wordt het optimale toptarief 41%. [5]. Bij g=1,0 komen we in het Walhalla en wordt helemaal geen belasting meer betaald.

(7) “De vraag hoe hoog het toptarief moet zijn, kan daarom in beginsel niet worden beantwoord zonder stellingname ten aanzien van de wenselijkheid van inkomensherverdeling. Dat zullen wij echter niet doen in deze Policy Brief, want die keuze is aan de politiek.” [5, blz. 3]. Die keuze is echter al gemaakt door te kiezen voor een tarief van 49%, gebaseerd op g=0, een uiterst links standpunt van het CPB, die daarmee geen waarde toekent aan de topinkomens en hun bijdrage aan de economie.  Dat moest natuurlijk ook wel want met een g van 0,25 zou het toptarief al op  41% uitkomen, een tariefsverlaging met 11%. en daar kun je in de huidige crisis niet mee aankomen. Een dergelijk tarief zou natuurlijk ook consequenties hebben voor de andere schijven en voor je het weet houd je na de heffingskortingen en toeslagen geen inkomstenbelasting meer over.

(8) Conclusie op basis van het scenario (paars)  aan de hand van de CPB-papers :

Gegeven het feit dat het CPB drie papers weidt aan de topinkomens kan het niet anders dan dat enige waarde moet worden toegekend aan g en gaan we dus uit van g = 0,25. Een lagere waarde van g zou voor het CPB een te links standpunt zijn. [4, blz. 11] Daarnaast blijkt uit de paper dat de elasticiteit ε voor inkomens boven de 50.000 op 0,29 – 0,46 moet worden gesteld. [4, blz. 11 incl. voetnoot 8]  Het marginale percentage indirecte belastingen op het extra inkomen  zal eerder op ca 14% liggen na  de verhoging van de BTW en de assurantiebelasting als we het over inkomens boven de 100.000 hebben.   De BTW op het zeiljacht of de Taxe sur la valeur ajoutée van 19,6% voor de tweede woning in Frankrijk zal toch betaald moeten worden. Op grond van de informatie en berekeningswijze van het CPB kan de conclusie dan ook niet anders luiden dan dat het optimale toptarief dan ligt rond de 22 – 39% bij een  ε van 0,46 – 0,25 (zie tabel 1)  Een volstrekt ongeloofwaardige uitkomst en uiteraard maatschappelijk gezien ook onaanvaardbaar. Het CPB moest dus wel cherry picken in de parameters om tot de kennelijk gewenste uitkomst van 49% te komen. De commissie Dijkhuizen kauwt dit in haar eindrapport na als het optimale tarief in box I om het daarna in het zelfde rapport op termijn meteen nog verder te verlagen naar 47%.

2a. Pareto-parameter en elasticiteit van belastbaar inkomen.

(1) Het valt op dat de hoogst gemeten elasticiteit bij de geciteerde studie van Kleven en Schultz voor Denemarken op 0,09 ligt voor zelfstandigen met een inkomen > DKK 100.000 en een afgelezen (grafiek 4.3) pareto-parameter van 3,5. [4, blz 9-10] Dit leidt tot een optimaal effectief toptarief van 76%. Daar moet dan nog wel de (hogere) Deense indirecte belastingen vanaf. Vergelijk dit met de 54,4% (voor indirecte belastingen) in de Nederlandse situatie en er ligt direct de vraag op tafel waarom een dergelijk groot verschil niet nader wordt verklaard.[4, blz. 9] Het zou natuurlijk kunnen dat de Denen wel welvaartsgewicht toekennen aan de topinkomens en daarom g op 0,62 stellen, maar dan had ik dat wel graag even toegelicht gezien. Het Deense toptarief was in 2000 62,9% en thans 55,6%. Jammer dat ze in Denemarken ons CPB niet hebben zodat ze precies zouden kunnen uitrekenen hoeveel belasting ze daar wel niet mislopen.

[2] De mate van elasticiteit van het belastbaar inkomen wordt o.a. bepaald door de volgende factoren die in belangrijke mate op gedragsveranderingen (en dus ook cultuur) terug te voeren zijn [4, blz 10]:

a) Het arbeidsaanbod kan dalen doordat mensen minder uren gaan werken of stoppen met werken op de arbeidsmarkt (door bijvoorbeeld vervroegd uit te treden)

b) Investeringen in menselijk kapitaal kunnen afnemen en, bijna tautologisch in onze kennismaatschappij, een succesvolle carrière of ondernemerschap ontmoedigen.

c) belastingontwijking en belastingarbitrage (valt alleen uit te voeren als (b) wordt bijgehouden)

d) prikkels tot belastingontwijking worden sterker ( de knoflooklanden worden daardoor geteisterd, kennelijk zijn de belastingen daar toch nog te hoog of er is een positieve correlatie met het gebruik van knoflook)

e) belastingvlucht ( Het CPB haalt Depardieu aan. [4, blz 2] Wat zou gezien het feit dat die liever bij Poetin gaat wonen zijn persoonlijke ε zijn? Met zijn verlopen hoofd is g in elk geval nihil.

f) Indien de topper zijn bruto-inkomen door zijn marktpositie zelf  netto kan vaststellen dan wordt bij een verhoogd toptarief ook de belastingopbrengst hoger. (toegevoegd)

[3] Het treft dat ik sinds 1983 tot 2003 het gedrag van mijn mede-vennoten van dichtbij heb kunnen gade slaan, een redelijke doorsnede van de vrije beroepsbeoefenaren. Van “elkaar aansteken om meer vrije tijd te genieten, minder carrière te maken en sneller met pensioen te gaan” [9a] is mij nooit iets gebleken In tegendeel de rat race for billable hours werd steeds groter en dat kwam niet door de verlaging van het box I tarief, dat overigens door de vlucht in de BV’s wat minder drukkend werd.

Vervoegd uitreden is voor de belastingdienst een win-win situatie. De winst blijft gelijk en het aantal partners ook. De uitredende partner gaat zijn goodwill eindelijk besteden en neemt misschien iets meer geld uit zijn BV op. De jonge toetredende partner neemt het inkomen graag over. Het upward potential maakt dat de productiviteit blijft toenemen door jonge enthousiaste instroom volgens het up or out principe.

[4] Caminada heeft erop gewezen dat ca 8% (Dijkhuizen 7%) van de belastingplichtigen met het 52% wordt geconfronteerd.”Daarbinnen worden twee subgroepen waargenomen die hun gedrag nauwelijks kunnen aanpassen om een verhoging van dat toptarief te ontgaan. Dat zijn de senioren die genieten van hun pensioen en dat zijn hoger ingeschaalde ambtenaren die geconfronteerd worden met (een verhoging van) het 52%-tarief. Kortom: zij zijn tamelijk ongevoelig voor verhoging van het toptarief, en zij zijn ook niet in de positie om via fiscaal trapezewerk dergelijk inkomen om te zetten naar lager belast (kapitaal)inkomen.”[10; zie ook [20] voor de Amerikaanse mogelijkheden om het inkomen te verschuiven.]

De 2.651 functionarissen die in de (semi-) publieke sector  in 2011 boven de Balkenendenorm oftewel meer dan 130 procent van een ministerssalaris (in totaal ten minste 193.000 euro) verdienden kunnen ook weinig aan hun belastbaar inkomen doen. Tel je alle belastingplichtigen die die onder 2) aangegeven manoeuvreerruimte missen bij elkaar dat moet de inkomenselasticiteit ε van de rest dus wel zeer aanzienlijk veel hoger dan 0,25 zijn.Ik ben dan ook zeer geïnteresseerd in  de mogelijkheden die deze personen gevonden hebben om de belastinggrondslag te verlagen en mis helaas een nadere toelichting. 

Caminada’s seniorenprobleem is door de onderzoekers Jongen en Stoel weinig elegant opgelost door alle werknemers ouder dan 55 jaar uit te filteren en niet in de in data mee te nemen.[6, blz 12] . Het cut-off punt van 55 jaar wordt nergens gemotiveerd. Boven de 55 jaar vindt er volgens het CBS nauwelijks een salarisstijging plaats, voor de topinkomens is dat echter natuurlijk wel het geval. [23]  Daarnaast zijn zelfstandigen en door de leefijd gepensioneerden uitgefilterd zodat alleen werknemers van 20-55 jaar overblijven. Of daar werknemers van bv management b.v.’s bij zitten is niet duidelijk. In elke geval geeft deze tabel enige indicatie van de dekking:

Tabel 2 Leeftijdsopbouw bevolking (2012) en panel

PANEL

Bron leeftijdsopbouw 2012 -[ tabel 4f] ; Panel is onderzoek Jongen en Stoel.[6]

Op deze manier wordt 36% van de Nederlandse bevolking ouder dan 20 jaar niet meegenomen, en dat is niet het minst draagkrachtige deel. De vraag is dan ook hoe representatief de dataset dan nog is voor het geheel. De badinerende opmerkingen [5, blz 11] overtuigen daarbij niet. Zelf voel ik mij ook buitengesloten, ouder dan 55 jaar en geen werknemer, en dat terwijl mijn belastingmaatjes een truc hadden bedacht zodat ik mijn belastbare winst 2002 met 63% kon drukken. Nu was ik toch buiten de prijzen gevallen, want het cut-off punt voor bijzondere gevallen lag op 25%. [6, blz 12] Wat dan ook node gemist wordt in de studie is een indicatie hoeveel belastingplichtingen met een topinkomen (zeg > € 150.000) in de totale panelpopulatie zaten (het CBS-arbeidsmarktpanel omvat ca. 1.1 miljoen personen) en hoeveel er door de onderzoekers om welke reden dan ook ( uit de tekst blijkt dat er nogal wat van zulke gevallen zijn) uitgefilterd werden. [7]

De financiële sector heeft een ε van 0,4654. [6, blz. 18] Het topinkomen zou daarom in die sector aanmerkelijk lager moeten worden belast (berekend toptarief 32%) om een optimale belastingopbrengst te verkrijgen.  Dat brengt echter weer risico’s voor de overheid met zich mee omdat het doen van riskante deals dan nog aantrekkelijker wordt. Per saldo zou de overheid dan wel eens duurder uit kunnen zijn.

Vrouwen hebben over het geheel genomen een veel hogere ε van 0,4566 – 0,5703. [6, blz. 17]  Eigenlijk zouden vrouwen dus minder moeten worden belast (toptarief 26% -32%). De toename van het aantal vrouwen in de top zal derhalve de ε van de topinkomens doen toenemen. Als om die reden de mannen ook hun arbeidsaanbod verminderen door parttime te gaan werken of zelfs huisman worden, is dat maatschappelijk gezien misschien wel wenselijk, gezien de feminisering in het onderwijs. Zelfs economen kunnen beamen dat er belangrijkere zaken dan op geld waardeerbare goederen zijn. [16]

De Amerikanen hebben kennelijk een Pareto parameter (a) van 1,5 en derhalve bij een ε = 0,25 een T van 73% (Saez & Diamond) , overeenkomend met een toptarief van 69%. [20 ; 21 en 22] Waarom de Amerikanen tot 69% het vuur uit hun sloffen lopen en de Nederlander er al bij een  toptarief van 49% het bijtje al bij neergooit, blijft in de CPB paper in nevelen gehuld. Om het alleen op de inkomensverdeling (a) te gooien lijkt mij een beetje al te simpel. Een diepgaande behandeling is te vinden in het artikel van Emmanuel Saez, Joel Slemrod, and Seth H. Giertz (2012) op het internet. [22]

Het is natuurlijk wel zo dat het toptarief in de USA voor de IRS meer oplevert. In de USA heeft de top 1% in 2012 18,7% van van de pre-tax national income  (1993: 11,6%), een stijging van 61%. [20].  In Nederland is dat aandeel voor huishoudens in 2009 5,2%  van het brutohuishoudinkomen (1993: 4,16%), dus een stijging van 25%. [4, blz. 23]

2b. Loonverhoudingen 1999-2005 in 250 grootste ondernemingen

De loonverhoudingen binnen de 250 grootste ondernemingen voor de periode 1999-2005 laten zich in tabelvorm als volgt weergeven [23, blz 28]:

LOON TOP 250 ONDERNEMINGEN

(1) Het gaat hier om het totaal belastbaar inkomen, inclusief beloningen in de vorm van van bonussen, optie-en aandelenregelingen zoals gewaardeerd door de belastingdienst. Zoals bekend had de fiscus nogal moeite met het vinden van de juiste vorm om de voordelen uit optieplannen te belasten. Eerst 1-1-2005 werd een meer juiste vorm gevonden om vermogenswinsten die als loon mosten worden beschouwd afdoend te belasten. Het voordeel van opties verviel daarmee voor een deel en personeel werd plotsklaps geconfronteerd met leningen die moesten worden afgelost terwijl koerswinsten achterwege bleven.

(2) Uit bovenstaand overzicht blijkt dat de top ook in de jaren 1999 – 2005 m.u.z. van de jaren 2002 en 2003 redelijk goed voor zichzelf kon zorgen. In welke mate de belastingverlaging van 2001 daarna nog een rol speelt valt te bezien. Grafisch laat e.e.a. zich als volgt weergeven:

GRAFIEK LOONONTW TOP 250

(1) Gegeven de recessie, die in 2000 aanving, hoeft de daling van de stijging van de topinkomens in 2002 en 2003 niet te verbazen. Dat die inkomens mede in aanmerking nemend de effecten van de optiebeloningen daarna weer stijgen ook niet. Mogelijk is dat een betere verklaring voor het feit dat “adjustment to the new marginal tax rate takes time” [6, blz 14]

3 Belastinggrondslag verlagende faciliteiten voor topinkomens.

Er bestaan twee faciliteiten die de belastinggrondslag verlagen en in het CPB document nogal worden mishandeld i.p.v. behandeld. We kijken daartoe naar twee helaas minder goed leesbare grafieken uit het rapport van de Studiecommissie Belastingstelsel [15, blz 325]

(click op grafiek om te vergroten en verduidelijken)

STUDIECOMMISSIE DERVING HRA EN PENSIOEN

(1) “De grafieken 5a en 5b laten zien dat de fiscale behandeling van het eigen huis en de pensioenpremie bij hebben gedragen aan een lagere grondslagontwikkeling van de Loonheffing/inkomstenbelasting. De hypotheekrenteaftrek is tussen 1995 en 2007 met 300% toegenomen. Dit terwijl de gecumuleerde nominale BBP-groei vanaf 1995 in 2007 95% bedraagt. De verhoging pensioenpremie in 2003 leidt tot verdere “ uitholling” [15, blz 325] Hoe de forse toename van de pensioenaftrek in 2003-2005 in de panelstudie is behandeld is ook volstrekt onduidelijk.

Het aandeel van het 9e en 1oe deciel was in 2005 als volgt [14]

Tabel 3 aandeel 9e en 10e deciel HRA en pensioenvoorziening

decielaandeel

3.1 Pensioenen

De pensioenregeling levert voor de hoogste inkomens nauwelijks voordelen op volgens het CPB.[4, blz. 15] De reden is dat de pensioenuitkering ook tegen het toptarief wordt belast. Toch  opteren veel 10e deciel inkomens voor de regeling zodat zij 40% van de pensioenaftrek voor hun rekening nemen. Dit terwijl een groot deel van deze personen zelf kunnen besluiten in welke mate zij voor een pensioenregeling opteren, b.v. in hun pensioen B.V. Ongetwijfeld heeft de vrijstelling vermogensrendementsheffing hier mee te maken, de hoge inkomens gebruiken de pensioenregeling immers mede als beleggingsvehicle en stellen de belasting in box I/II voorlopig uit. Mogelijk is de hoop gevestigd op de politieke partijen die pleiten voor in de invoering van een vlaktaks, zodat de tegen 52% afgetrokken pensioenpremies bij uitkering tegen een lager tarief worden belast. Het CPB ziet dat anders want het toptarief heeft geen invloed. [4 voetnoot 13].  Het is natuurlijk een beetje selectief winkelen om de BTW dan wel in aanmerking te nemen, ook hier verandert bij een wijziging van het toptarief niets aan.

Onze 40-jarige werker in de gezondheidszorg heeft een bruto-inkomen van € 150.000. Bij het PFZW is de ingehouden pensioenpremie voor ouderdomspensioen dan € 19.862, als daar het werkgeversdeel bij wordt opgeteld komen we op afgerond zo’n €40.000. Dit bedrag wordt belegd, de kosten worden bestreden uit de beleggingsopbrengsten, Het beleggingsrendement wordt gesteld op 4%. (werkelijk laatste 10 jaar 8,7%). De werker gaat met 69 jaar met pensioen en leeft dan nog 16 jaar + vooruit, drie jaar toegift. Op deze basis kunnen we de gederfde vermogensrendementsheffing berekenen en deze bedragen vervolgens tegen 4% contant maken.

Het gederfde vermogensrendement bedraagt dan nominaal € 40.956 , met een contante waarde van € 17.173. Dit is 11,4% van het bruto inkomen of 10,1 % van het echte bruto-inkomen incl. werkgeversbijdrage pensioenen (€ 170.000). Deze derving is dus zeker niet verwaarloosbaar. De Studiecommissie Belastingstelsel stelt dat voor 2010 een belastingderving van € 11,6 mld. ontstaat als wordt uitgegaan van het belasten van de aangroei van het pensioenvermogen in box 3. [15, blz. 34] Daarbij moet natuurlijk nog wel in aanmerking worden genomen dat ca 35% van die reserves al van de overheid is door de daarop rustende belastingclaim (omkeerregel). Gezien de 40% aftrek van het 10e deciel praten we indicatief over een derving van € 4,6 mld.(100%).

De toerekening van het voordeel over de jaren is arbitrair omdat er elk jaar een layer bijkomt.  Na het eerste jaar is het voordeel € 480 voor de 2013 layer oplopend tot € 1.439 in 2042 en daarna loopt het voordeel terug door de uitbetalingen. Gekozen is voor de contante waarde van het voordeel (€ 17.173) voor de layer die in 2013 wordt gestort over de hele looptijd. Met de actuariële sterftekansen is geen rekening gehouden.

3.2. Eigen woning

Indien we weer uitgaan van een bruto-inkomen van € 150.000  kon daarmee 1-1-2013 een huis gekocht worden van €  900.000. De huizenprijzen stijgen conservatief met 2% inflatie (wonen 4.0 gaat van 3% uit, incl. 1% reëel). We laten de “huiseigenaar” netjes 100% lenen op basis van een annuïteitenhypotheek van 4,5%. Voor de jaarkosten gaan we uit van het vierde jaar, waarbij we de contante waarde van de vermogensrendementsheffing annuïtair (4%) over 30 jaar toerekenen.

Tabel 4 Voordeel HRA en vrijstelling vermogensrendementsheffing huidige regime en toekomstig regime – 38%

(click op tabel om te vergroten)

HRA

(1) In de berekening van het huidige regime  is rekening gehouden met de geleidelijke daling van het toptarief voor de HRA naar 38% in 2041.

(2) We geven de last voor het vierde jaar van de annuïteit. Indien de aftrek te veel gaat teruglopen wordt immers naar een duurder huis gehopt.

(3) Omdat het CPB graag vele jaren vooruit kijkt (2041) om “aan te tonen”” dat de subsidie HRA voor de topgroep flink lager uitvalt,  hebben we ook nog even een opstelling gemaakt alsof het 38% tarief over de gehele looptijd van toepassing zou zijn.  Het belastingvoordeel in percentage bruto-inkomen daalt dan wel naar 13%,  maar het effect is slechts 18%, en niet de helft.  Als we alleen naar het netto HRA-effect kijken inclusief eigenwoningforfait dan daalt de HRA met nominaal € 52.366 of 20%.

(4)  Per saldo woont onze topper dus flink scheef, zeker in vergelijking met de marktconforme huur. Eind 2042 zou de woning ca 1,6 miljoen waard zijn, die 7 ton vermogenswinst is onbelast. Indien de uitgangspunten van 4.0 wonen kloppen met 1% reële waardestijging is de vermogenswinst zelfs € 1.285.000, waarvan 313.000 overigens maar reëel.

Ik geef toe, het is maar een micro-benadering, maar wel uit het leven gegrepen. En wat bakt het CPB ervan? Het CPB komt op een reductie van  2-2,5%  van het effectieve toptarief. De redenering daarvan is als volgt.:

Tabel 5 Opbrengsmaximaliserende effectieve toptarief na HRA subsidie

hra OVER THE TOP CPB

(a) De € 7,7 miljard derving vermogensrendementsheffing uit 4. wonen wordt door het CPB  nooit meegerekend. [3, blz 15, voetnoot 12; 12, blz. 35]. De Jezuïtische redenering daarvoor is dat het eigen huis een consumptiegoed is. [11] De huurders mogen deze belasting al bij relatief lage vermogens aftikken. Zie tabel 2 voor het effect in de casus.

(b) De fiscale subsidie zal door de Rutte-Ascher maatregelen structureel met ca. een derde verminderen.[3, blz 12]. In de doorrekening van het begrotingsakkoord en het regeerakkoord daalt de subsidie op het eigenwoningbezit van 25% naar 16%, dus met 36%.[4, blz. 15]]  (zie tabel 3 – (3) voor werkelijk percentage: 20% daling bij een annuïteitenlening)

{d] Bij de berekening van het voordeel eigen woning hanteert het CPB ook een uiterst merkwaardige redenering om het voordeel voor de hoogste inkomens weg te cijferen. Door te stemmen op een partij die claimt dat de HRA “als een huis staat”, wordt de HRA intact gelaten. Hierdoor vallen de huizenprijzen zo’n 20-25% hoger dan zonder HRA het geval geweest zou zijn. Dat effect, een consequentie van hun eigen stemgedrag,  hoeven de topinkomens echter van het CPB niet mee te rekenen bij het berekenen van het netto voordeel van de HRA, zodat het CPB komt op een netto effect van 2-2,5% van het bruto-inkomen, in plaats van een overigens ook onjuiste 4-5% van het bruto-inkomen.[3, blz 12]

De huurders hadden overigens het nakijken toen het CPB een marktconforme huur en de subsidie aan huurders moest berekenen. Conijn en de projectgroep 4 wonen brede herwaardering moesten het CPB bij de les houden om hiervoor een correctie aan te brengen.[12, blz 28]

(g & l) De suggestie in de tekst dat de subsidie eigen woning in tabel 2 is meegenomen is m.i.,z. onjuist. [4, blz 15]  Daarom is een alternatieve presentatie opgenomen. Het effectieve belastingpercentage voor de topinkomens is (52%- 2 of 2,5% subsidie) of 49,5%-50%. Dit is praktisch gelijk aan de 49% die het CPB in tabel 2 opvoert als optimaal. Het persbericht kan dus worden afgedaan als onjuist en niet lijn met de door CPB aangedragen “feiten”. {zie ook 1.(5)},

Als we deze CPB gegevens vergelijken met de gegevens uit tabel 2 zal duidelijk zijn dat het CPB de maatregelen redelijk inkleurt maar matig onderbouwt. [11] Ik heb toch meer vertrouwen in mijn micro-benadering, die een heel ander beeld schetst en meer aansluit bij mijn ervaringen aan de borreltafel. Deze micro-benadering sluit ook beter aan op het gedrag van de belastingplichtige en de feiten zoals die door hemzelf wordt ervaren of door zijn adviseurs wordt voorgeschoteld.

De fiscale faciliteiten van de hoge inkomens zijn dus veel groter dan het CPB aangeeft en daarmee is het werkelijke toptarief aanzienlijk lager dan de gepretendeerde 52%. Er is dus volop ruimte om het optimale belastingtarief van 49%, of eigenlijk nog steeds 52% (zie 1 (5)  en tabel 4), eindelijk binnen te halen. Politiek zal dat wel niet haalbaar zijn want de politiek kan alleen het CPB na papegaaien.

De lage rentestand maakt dat de HRA probleemloos kan worden afgeschaft. [13] De daarbij vrijkomende belasting kan ten dele kan worden teruggegeven, nadat het HRA-effect is genormaliseerd (zie grafiek §3 5a en toelichting daar).  Ineens is er dan weer voldoende ruimte om het toptarief te verhogen voor inkomens boven de zeg € 125.000.

4. Loonstrookje van onze topper

Mocht u inmiddels nieuwsgierig geworden zijn naar het loonstrookje van onze topper dan laat dat zich als volgt weergeven:

Tabel  6 Loonstrook 2013 op basis van casus – inclusief belastingfaciliteiten

(click op tabel om te vergroten)

LOONSTROOKJE TOPPER

Toelichting:

(h) Het kale HRA-voordeel inclusief bijtelling eigen woning forfait is €16.507, 11% van het bruto-inkomen.

(n & o) De effecten van het sparen door middel van pensioenen wordt hier bijgeteld om een juiste bruto-netto verhouding te krijgen.

(p) Volgens de gebruikelijke methode zonder rekening te houden met de derving vermogensrendementsheffing wordt in deze casus 35% belasting betaald. Caminada en de Kam komen voor het 10e deciel op een belastingdruk op inkomen en vermogen van 32%. [18, blz. 9]. “Het belastingstelsel is veel minder progressief dan vaak wordt aangenomen.” [18, blz 10].

(q & r) De annuïtaire  toerekening van de derving vermogensrendementsheffing eigen huis (q; § 3.2) en de derving pensioen (r;§ 3.1)  zijn hier opgenomen. Voor de toelichting zie de eerdere casussen. Het bijtellen van de derving vermogensrendementsheffing geeft een faire vergelijking met de huurder die geen pensioenvoorziening heeft en op een conventionele wijze spaart voor zijn oude dag.

(s) Het cumulatieve effect is dat het netto vergelijkbare inkomen € 120.758 is, waarvan € 87.956 besteedbaar, het verschil ligt in de vermogenssfeer.

(u) De belastingfaciliteiten bedragen 26% van het bruto inkomen.

Effectief wordt dus 19,5% belasting betaald, maar ik kan me voorstellen dat onze topper dat even over het hoofd ziet. Een deel van dat voordeel zal hij nooit zien want ik kan mij niet voorstellen dat de lekken in de derving vermogensrendementsheffing niet ooit gedicht zullen worden (Dijkuizen) en dat bij het dichten van die gaten al die belasting zal worden teruggegeven. Het kost trouwens toch al  knap veel tijd om aan de nieuwe belastingtarieven te wennen en het gedrag daar op aan te passen. In de studie van Jongen en Stoel had men daar al 3-4 jaar voor nodig en dat was een eenvoudige toptariefswijziging van 60% naar 52%, die je op de achterkant van een sigarendoosje kunt uitrekenen. [6, blz. 16]

Als dus 52% het  opbrengstmaximaliserende toptarief in Nederland is, en de CPB studie lijkt dat ondanks het persbericht te onderbouwen is er 21% ruimte (15,1% en 5,9%) om de belastingen te verhogen. Ik bepleit dat overigens niet in die mate voor,  maar er is in elk geval aanzienlijk meer ruimte dan het CPB ons wil laten geloven. In elk geval kan de  HRA afgeschaft worden zonder compensatie voor de toptariefinkomens. [13] De grondslag voor de vermogensrendementsheffing kan aanmerkelijk worden verbreed onder bijstelling van de tarieven en de vrijstelling.

Nu zult u tegenwerpen dat de casus niet geheel representatief is senioren (> 55 jaar) hebben immers een nog hoger inkomen en een deel van hun hypotheek afgelost. Dat is wel zo, maar hun pensioenbesparing is weer groter en als je door het CPB uit de dataset gegooid wordt, moet je niet klagen als die senioren nu ook even niet meedoen. Bij een aflossingsvrije hypotheek maakt dat overigens niet veel uit en is de aftrek hoger.

5. Toptarief ander landen

“In Nederland is het aandeel van de inkomstenbelasting in de totale belastingopbrengst laag in verhouding met het hoge toptarief. Dit lijkt te wijzen op relatief veel grondslagversmallers in verhouding tot andere landen.”[15, blz 51] Ik denk dat we er in elk geval twee van die versmallers behandeld hebben.

top tarieven internationaal

(1) De vraag is natuurlijk hoeveel geld de overheid van al die landen met een hoger toptarief weggooien. Misschien kan Eurocommissaris Rehn eens een onderzoek instellen?

6. Tot slot

“”Bij de CPB-doorrekening van de verkiezingsprogramma’s is nog gerekend met belastingopbrengsten van respectievelijk 200 mln euro bij verhoging van het toptarief naar 60% vanaf 150.000 euro en 400 mln bij verhoging van het toptarief naar 65% vanaf 150.000 euro (CPB, 2012a).De voorgaande analyse laat echter zien dat deze toptarieven tot respectievelijk 120 en 300 miljoen minder belastingopbrengsten zullen leiden. Bij een volgende analyse van een hoger toptarief zal het CPB daarom geen opbrengsten meer inboeken.”

w.g. Bas Jacobs (Erasmus), Egbert Jongen (CPB) en Floris Zoutman {Erasmus) [4, blz 17]

De beleidsvorming van het CPB vindt kennelijk tegenwoordig plaats door de Erasmus Universiteit., waarbij eerder gepubliceerd materiaal en standpunten gerecycled wordt in een CPB-document. [9] De invisible hand van Adam Smith is kennelijk ook van toepassing op de handen van de directeur en de directie van het CPB.

Politieke partijen zouden natuurlijk ook kunnen besluiten niet meer van de diensten van het CPB gebruik te maken voor het doorrekenen van de eendagsvliegen die verkiezingsprogramma’s in Nederland nu eenmaal zijn. De resultaten van de laatste zes jaar laten zien dat de toegevoegde waarde van het instituut toch verwaarloosbaar is. De kredietcrisis kon zij niet voorspellen, het arbeidsmarktmodel kon de stortkoker in,  Rogoff en Reinhart werden omarmd [17] en het IMF (Blanchard) moest het CPB een lesje Keynes en mulitplier geven (CEP 2013, blz. 17-21), etc, etc.

_____________________

Laatst bijgewerkt 4 juni 2013

[1] Gielen, M., J. Goes, M. Lever, R. van Opstal (2009), Ontwikkeling en verdeling van de marginale druk in 2001–2011, CPB Document No 195 , http://www.cpb.nl/publicatie/ontwikkeling-en-verdeling-van-de-marginale-druk-2001-2011

[2] http://www.cpb.nl/persbericht/3213502/geen-extra-belastinginkomsten-door-hoger-toptarief

[3] http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/btwverhoging-treft-hoge-en-lage-inkomens-even-sterk

[4] CPB achtergonddocument, “Meer over de top”,  http://www.cpb.nl/publicatie/meer-over-de-top

[5] CPB, Policybrief 2013/04,  “Hoger toptarief levert niets op”, http://www.cpb.nl/publicatie/over-de-top

De algemene formule wordt dan [zie Caminada, [10] ] of Jacobs[9a]   T = (1-g)/ (1 -g + a*ε- η) = 47,2% – 6,5% indirecte belastingen (neem ik aan) of 40,7%  ≈ 41%.

(η = inkomenselasticiteit van de belastinggrondslag, welke voor toepverdieners nooit geschat is. [3, blz. 4 noot 3 ] en dus nihil is.

Het indirecte belasting perunage Β wordt bepaald door de volgende formule  waarbij b1  het indirecte belasting perunage op de bestedingen is:

Β=b1(1-T)/(1-b1) -zie ook errata [9a]. In het bovengenoemde voorbeeld wordt dat dus 0,1104*(1-0,472)/(1-0,1104) = 0,0655, waarbij is aangenomen dat het CPB van 11,04% uitgaat op basis van de magische cijferreeks 57,3%- 5,3% en 52%.

[6] “Estimating the Elasticity of Taxable Labour Income in the Netherlands”, http://www.cpb.nl/en/publication/estimating-the-elasticity-of-taxable-labour-income-in-the-netherlands

[7] Hierbij doel ik met name op de passage:

“to limit problems of mean reversion and to remove big changes in marginal tax rates and income that are not linked to the tax reform. More generally, we drop individuals whose marginal tax rate changes by more than 25 percentage points, which is due to other factors than the reform.” [4, blz 12]

[8a] Me Judice, “BTW-verhoging treft hoge en lage inkomens even sterk”, http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/btwverhoging-treft-hoge-en-lage-inkomens-even-sterk

De grafiek daar toont aan dat het btw-percentage zo’n 8% is op de bestedingen voor de BTW-verhoging van de hoge BTW van 19% naar 21%  in october 2012.

BROEKZAK GRAFIEK

Ik neem overigens niet aan dat de gemiddelde topper met dit grafiekje in zijn zak loopt en erop zal kijken als hij weer eens moet besluiten of hij vanavond weer zal overwerken?

[8b] Zie overigens ook http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/inkomen-bestedingen/publicaties/artikelen/archief/2012/2012-3587-wm.htm voor 2010 waar het CBS voor het 10e deciel al op bijna 13% komt van de bestedingen voor de BTW verhoging van 2012.

[9a]  Bas Jacobs, Floris Zoutman, “Hoger toptarief leidt tot lagere Belastingopbrengsten”, http://people.few.eur.nl/bjacobs/ESB_toptarief.pdf

[9b] Jacobs, Bas (2010), “Een Economische Analyse van een Optimaal Belastingstelsel voor Nederland”, Essay Studiecommissie Belastingstelsel, http://people.few.eur.nl/bjacobs/studiecommissie_belastingstelsel_finaal.pdf

[9c]  Bas Jacobs, Floris Zoutman, “Het toptarief verhogen werkt niet!”, http://people.few.eur.nl/bjacobs/jacobs_zoutman_aanslag.pdf

[10] K. Caminada (2011), Overleven we een verhoging van het toptarief?, Almanak 2011 Pecunia Non Olet, Leiden: PNO pp.13-15, http://media.leidenuniv.nl/legacy/kc-2011-06.pdf blz 2.

[11] “Es ist nicht das Bewußtsein der Menschen, das ihr Sein, sondern umgekehrt ihr gesellschaftliches Sein, das ihr Bewußtsein bestimmt.”.Ten burele van het CPB moeten dus nogal wat medewerkers een hoge hypotheek hebben, getuige de milde behandeling van diegenen die aan het HRA-infuus liggen.

[12] Min Fin,”Rapport brede heroverwegingen 4 wonen”,http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/beleidsonderzoeken/documenten-en-publicaties/rapporten/2010/04/01/4-wonen.html  , juni 2008.

[13] Patrick Beijersbergen, ‘Hypotheekrenteaftrek kan direct worden afgeschaft’, http://www.z24.nl/columnisten/patrick-beijersbergen-hypotheekrenteaftrek-kan-per-direct-worden-afgeschaft

(14)  Eerste Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 200 en 31 205, B, blz 14.  Uit de beantwoording is op te maken dat dit 2005 betreft.. http://www.eerstekamer.nl/behandeling/20071123/verslag_schriftelijk_over

[15] Rapport studiecommissie belastingstelsel,  http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2010/04/07/rapport-studiecommissie-belastingstelsel.html

[16] Prof.dr.B.M.S.van Praag, “De betekenis van subjectieve benaderingen in de economische wetenschap”, http://www1.fee.uva.nl/research/redevanpraag.pdf

[17] CPB, “Reinhart en Rogoff revisited: ruim 4 jaar later”, http://www.cpb.nl/sites/default/files/cep2013_kader_pag11.pdf

[18] C.A. de Kam en C.L.J. Caminada, “Belastingen als instrument voor inkomenspolitiek”, blz 223, http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2010/04/07/rapport-studiecommissie-belastingstelsel.html

[19] Gezien het belang dat het CPB aan de studie hecht neem ik aan dat een adequaat peer review heeft plaats gevonden, ook van als die o-zo-gevaarlijke spreadsheets en onderliggende calculaties. Het zou toch vervelend zijn als achteraf zou blijken dat er ernstige fouten kleven aan het cijfermateriaal. (vgl. Reinhart en Rogoff, http://krugman.blogs.nytimes.com/2013/05/26/reinhart-and-rogoff-are-not-happy/)

[20] (Met dank aan Paul Krugman’s blog’). Als je Amerikaanse literatuur citeert om de effecten van een toptarief aan te geven, moet je natuurlijk ook rekening houden met het specifieke Amerikaanse belastingsysteem, zodat je de bevindingen niet zo maar op Nederland kan toepassen.

Andrew Fieldhouse, “A review of the economic research on the effects of raising ordinary income tax rates”, inleiding: http://www.epi.org/publication/raising-income-taxes/

en de daarbij behorende paper http://www.epi.org/files/2013/raising-income-taxes.pdf

[21] Ezra Klein, “Where does the Laffer curve bend?”, http://voices.washingtonpost.com/ezra-klein/2010/08/where_does_the_laffer_curve_be.html

[22] Emmanuel Saez, Joel Slemrod, and Seth H. Giertz, “The Elasticity of Taxable Income with Respect to Marginal Tax Rates: A Critical Review”,  http://elsa.berkeley.edu/~saez/saez-slemrod-giertzJEL12.pdf

[23]  CPB document 199, “Hoge bomen in de polder” ,http://www.cpb.nl/publicatie/hoge-bomen-de-polder-globalisering-en-topbeloningen-nederland , blz 53.

Advertenties

From → 1. Actueel

Geef een reactie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: