Skip to content

De gebedsmolen van Martin Pikaart

21 augustus 2012

_________________________________________________________________

Sommige oudere jongeren zijn erg goed in het naar zich toerekenen bij het oplossen van de pensioenproblematiek. Een woordvoerder, tevens prominent vertegenwoordiger van de alternatieve (mini) vakbond, krijgt hiervoor in de media alle ruimte. Maar wat lossen die voorstellen eigenlijk op? We zullen de voorstellen eens nader onder de loep nemen.

_________________________________________________________________

Afgelopen zaterdag mocht Martin Pikaart zijn gebedsmolen met daarin zijn tekstvoorstel voor de aanpassing van de pensioenregeling weer eens ronddraaien voor de NRC [1] Natuurlijk weer – net als in zijn boek – zonder met werkelijke oplossingen, laat staan kwantificering  te komen. [2 &3] In de standaardtekst van zijn gebedsmolen stonden de volgende voorstellen:

(1) De pensioenpremies moeten in eigendom blijven van de individuele premiebetaler om te voorkomen dat het geld voor toekomstige pensioenen wordt uitbetaald aan de gepensioneerden van nu.

(2) De rekenmethode wordt niet aangepast om de tekorten onder het tapijt te vegen.

(3) De uitkeringen moeten omlaag (bij de fondsen met tekorten),

(4) De pensioenleeftijd moet fors omhoog.

Natuurlijk ging het weer uitsluitend over het benadelen van de jongeren.  Dat ook de oudere actieven interen op hun pensioenvermogen door suppletie van de gepensioneerden en maar moeten afwachten of zij nog kunnen profiteren van het opwaarts rendementspotentieel voor zij zelf met pensioen gaan, daar wordt geen moment bij stil gestaan. [4, §4 slot]

Bij deze stellingen, het zijn er gelukkig geen 95, zijn een aantal  kanttekeningen te plaatsen daarbij tevens gebruik makend van Pikaart’s boek en de jaarverslagen van de drie geselecteerde pensioenfondsen. [2] Alvorens echter op de stellingen in te gaan eerst een historisch samengevoegd overzicht van de ontwikkeling van de pensioenverplichtingen en de dekkingsgraad van de pensioenfondsen ABP (ambtenaren en onderwijs), PFZW (zorg en welzijn) en PMT (metaal en techniek).

Het belang van deze drie fondsen blijkt uit de aantallen actieven, slapers en pensioengerechtigden.

Tabel 1 Aantallen deelnemers van ABP, PFZW en PMT  gezamenlijk 2011

Het belang van de 37% slapers, die veelal te maken hebben met de nog te behandelen doorsneepremie problematiek, blijkt direct.

Tabel 2 Historisch verloop pensioenverplichtingen en dekkingsgraad 2007-2011  van ABP, PFZW en PMT (€ mln.)

(click op tabel om te vergroten)

De kaalslag in de buffers van deze drie pensioenfondsen sinds 2007 wordt hier cumulatief overduidelijk. De wijzigingen in de rentestructuur (RTS) en actuariële veronderstellingen (levensjaren) hebben de verplichtingen opgedreven en daarmee de algemene reserves uitgehold, de dekkingsgraad daalde met 48,3% sinds 2007. Ook het effect van het achterwege laten van de indexering sinds 2008  blijkt duidelijk. De uitkeringen en de ontvangen pensioenpremies houden elkaar niet meer  in evenwicht, als het effect van de PMT-overgangsrechten wordt geëlimineerd.

(1) De pensioenpremies moeten in eigendom blijven van de individuele premiebetaler

Dat eigendomsrecht geldt niet voor de huidige pensioenreserves en deze reserves zullen dus eerst per deelnemer moeten worden verbijzonderd. Een probleem daarbij is natuurlijk de verdeelsleutel . Sterk complicerende factoren zijn de opbouw van die reserves met doorsneepremies en de te hanteren rekenrente. Elke werknemer betaalt een percentage van zijn pensioengrondslag ongeacht, b.v. leeftijd of geslacht, beroep, e.d. In het doorsneepremie systeem betaalt de jonge werknemer te veel premie, de oude werknemer te weinig premie voor de opbouw van zijn rechten. Het omslagpunt ligt bij ca 46 jaar. [5, blz.17]

Het PGGM (thans PFZW) heeft in 2007 eens berekend dat de overstap naar een degressieve opbouw een eenmalige investering nodig zou zijn ter grootte van 15% tot 20% van de pensioenverplichtingen als de impliciete verplichting die voortvloeit uit de bestaande systematiek wordt afgerekend. [5] Deze berekening is voor het PGGM geactualiseerd door Hans Staring en hij komt op een effect op de dekkingsgraad van zo’n 15 procentpunt. [6] De doorsneepremie blijft dan gehandhaafd maar wordt gekoppeld aan een actuariële leeftijdsafhankelijke opbouw. Voordeel van de handhaving van de doorsneepremie is dat oudere werknemers voor de werkgever niet duurder worden.

De volgende grafiek [7] die aan de tabel in de paper is ontleend, laat het volgende beeld zien:

Grafiek 1 Cumulatief verloop degressief opbouwpercentage naar leefttijd 

cum opbouwpercentage GEEL

Het omslagpunt ligt hier bij 44 jaar. In de jonge jaren wordt meer pensioenaanspraak opgebouwd, vanaf het 45e jaar minder dan de doorsneepremieopbouw.  Iemand die 35 jaar is, heeft dan 10 jaar geprofiteerd van een hogere opbouw (5,13%) en gaat t/m zijn 44e jaar nog 1,66% meer opbouwen. Op z’n zestigste is van dat voordeel nog maar 3,58% over. Deelnemers die thans tussentijds uitstappen uit dit piramidespel (b.v. zzp’ers) worden in het huidige doorsneepremie systeem dus benadeeld omdat zij lineair opbouwen.

Het voorstel van Pinkaar is  om deelnemers te compenseren “voor de te veel betaalde premie” dat met “een of ander standaardrendement” gecompenseerd wordt uit het fondsvermogen. [2, blz 220]  Dat “standaard”-rendement fluctueert nogal van jaar tot jaar. De suggestie die daar ook van uit gaat is dat het te veel betaalde geld nog in het fondsvermogen aanwezig is en b.v. niet de poort heeft verlaten door uitbetaling van uitkeringen en overdrachten. De wijzigingen door aanpassing van de  rentetermijnstructuur zullen toch ook op één of andere wijze moeten worden meegenomen. Bovendien is het maar de vraag of alle relevante gegevens voor de berekening wel beschikbaar gezien de krakkemikkige administratie en archivering van sommige fondsen. (zie rapport PwC inzake terugstortingen en bijstortingen) De ouderen actieven met een hoger salaris worden getroffen omdat zij een lager opbouwpercentage krijgen.  Wel gaat daardoor de premie t.o.v. het huidige PGGM-contract met zo’n 16-17% omlaag. [6, blz. 77] Hiervan zullen de jongeren dus het langst profiteren. Omdat demotie van oudere werknemers past binnen een binnenkort te implementeren radicaal progressief personeelsbeleid wordt dat voordeel echter weer gemitigeerd. Zo heeft elk nadeel weer zijn voordeel.

Pikaart stelt een onderling beleggingsfonds constructie voor waarbij de pensioenopbouw gekoppeld is aan de premieinleg in de vorm van beleggingsunits. In een dergelijk fonds worden alleen “extreme langlevenrisico’s nog afgedekt”. Dat risiconiveau ligt voor hem bijvoorbeeld op 85 jaar. Het is overigens maar wat je extreem noemt, het Actuarieeel Gennotschap gaar uit voor het jaar 2050 van 85.5 jaar voor mannen en 87.3 jaar voor vrouwen. Maar het is ook denkbaar dat van tijd tot tijd een nieuwe annuïteit wordt berkend op basis van nieuwe sterfteprognoses. In het laatste geval is natuurlijk helemaal geen sprake van verzekering, maar eerder van een sigaar uit eigen doos. [2 blz. 217) . Dat neemt niet weg dat je pas een sigaar kunt opsteken, als hij betaald is. Een oplossing zou natuurlijk kunnen zijn om dat risico bij de staat te herverzekeren tegen een ongetwijfeld arbitraire actuariële premie omdat dit risico op den duur mogelijk bij private partijen onverzekerbaar is en dat risico dan maar deels collectief gedragen moet worden.

Ultimo 2008, op het dieptepunt van de crisis, hadden de pensioenfondsen nog altijd bijna 25% meer vermogen dan wanneer de uitbreiding in aandelenbeleggingen niet had plaats gevonden. [5, blz.3] . Of ouderen het daaraan verbonden risico willen blijven lopen is echter de vraag. Nu is bijna 50% van het pensioenvermogen in handen van gepensioneerden, over 15 jaar is dat ongeveer tweederde. [4]  Stemrecht in de deelnemersvergadering op basis van een staffel van het aantal beleggingsunits ligt dan ook voor de hand. Ik moet aannemen dat Pikaart hier niet op zit te wachten.

(2) De rekenmethode wordt niet aangepast om de tekorten onder het tapijt te vegen.

Ongetwijfeld wordt hier gedoeld op de rekenrente die gehanteerd wordt bij het contant maken van de verplichtingen,. Maar ook de rekenrente die gehanteerd wordt bij het bepalen van de doorsneepremie is van belang. Aangezien de heer Pikaart wil afrekenen gaat het dus om de rente te hanteren bij het verdelen van de poet. Een te lage rente werkt bij de verbijzondering in het voordeel van de ouderen, die immers een hogere premiereserve zullen hebben en zo dus bij een lage rekenrente een grotere pot meekrijgen. De vraag die zich dan ook direct voordoet is hoe de overrente t.o.v. de rekenrente over de deelnemers wordt verdeeld.  Daar zou toch bij voorrang diegenen die in hun nominale rechten of doorsneepremie rechten worden benadeeld van moeten profiteren. In het bijzonder geldt dat natuurlijk voor actieven die extra zijn gekort {zie verder onder 3) PMT}.

Grafiek 2 Behaald rendement versus nominale marktrente 2004-2011 ABP, PFZW & PMT

De nominale marktrente is de rente waartegen de verplichtingen contant gemaakt worden. Deze verandert van 4,2 % in 2004 tot 2,74% in 2011.  Één procent renteverschil scheelt bij ABP 13% in de dekkingsgraad. [8] De gunst om als rekenrente 2,74 i..p.v. 2,5% te hanteren scheelt 4% dekkingsgraad bij het ABP, die hiermee eind 2011 op 89,7% uitkomt.. Dat het geld in 2008 is zoekgeraakt, zagen we hiervoor en wisten we natuurlijk al uit de analyse van het CPB.

Enerzijds moeten de pensioenfondsen met een rekenrente van 2,74% werken per eind 2011 (werkelijk 2,5%) anderzijds kwamen ABP en PFZW in hun herstelplannen kennelijk nog weg met respectievelijk 6,45% en 6,60% rendement (jaarverslag 2011). En als men denkt dat de rekenrente nu wel extreem laag en onrealistisch is, dan is het misschien goed  om het ESB-artikel van C.C.P Wolff en TH. Ooms in 1998 geschreven bij de introductie van een variabele rekenrente uit de mottenballen te halen. [11]

Pikaart stelt in een recent artikel in Me Judice dat de verplichtingen een “juridisch hard karakter” hebben en derhalve moeten worden verdisconteerd tegen risicovrije rente. Iets verder heet het dan ineens dat er een  mismatch is “tussen nominale garanties ( op papier) en reële ambitie ( verwerkt in de vermogenstitels)” [12]  Neutraal “invaren” houdt volgens hem in dat de nieuwe aanspraken dezelfde contante waarde dienen te hebben als de oude afspraken. Maar waarom zouden we die verplichtingen ‘invaren.’? Als we een beleggingsfonds liquideren dan verdelen we de activa. Het pensioenfonds deelt dus de activa uit in de vorm van beleggingsunits en wordt daarmee van zijn verplichtingen ontheven. Het aandeel in die units wordt verdeeld op basis van de ingebrachte premie en de in het verleden behaalde rendementen en deze rendementen zijn gelukkig niet gelijk aan de risicovrije rente. De risicovrije rente wordt bij een reëel pensioencontract met toerekening van de reserves volstrekt irrelevant, daar kan na verdeling dus ook geen discussie meer over ontstaan. Hoogstens is deze rente nog relevant als indicatie voor de kostendekkende premie, maar alle verschillen die daarbij ontstaan komen in de rekening courant van de deelnemer tot uitdrukking.

Men zal tegenwerpen dat dit voorstel niet in overeenstemming is met de wettelijke regeling. De pensioendeelnemer zal daarop antwoorden dat hij eens begon aan met een Defined Benefit regeling waarvoor decennia lang premie is opgebouwd met 4% rekenrente en dat die pensioenregeling ineens veranderd werd in een Defined Contribution regeling met een rekenrente van 2,5%. Het is alsof hij deelneemt aan een partijtje korfbal en dat de scheidsrechter de laatste twee minuten van de tweede helft plotseling ongevraagd meedeelt dat van nu af aan rugby gespeeld moet worden.

(3) De uitkeringen moeten omlaag

Zoals we zagen zijn de pensioenrechten al gekort door het nalaten van de indexering.  Deze achterstand bedraagt respectievelijk ABP 8,24% en PFZW:  9,48%. Voor PMT geldt voor actieven een cumulatieve korting van 9,29% en voor gepensioneerden en gewezen deelnemers 6,91%. In de door Pikaart voorgestane systematiek valt, na verdeling van de reserves, het risico aan de pensioendeelnemer zelf toe. Of de uitkeringen omlaag moeten kan de deelnemer dan via zijn stemrecht of hopelijk via zijn klantvriendelijke optiemenu zelf beter uitmaken.

(4) De pensioenleeftijd moet omhoog

Die leeftijd moet inderdaad omhoog, maar of dat voor iedereen moet en kan is de vraag..  Een verhoging van de leeftijd met twee jaar kan bij PGGM zo’n 10-12% in de kosten schelen. [6, blz 80]. Door de premie echter gelijk te houden kan het pensioenresultaat worden verbeterd. [6, idem] . Als we de pensioenreserves echter toch aan het invidualiseren zijn, dan is het natuurlijk vanzelf sprekend dat de aanspraken conform de degressieve doorsneepremie methode wordt opgehoogd en dat de verhoging van de leeftijd dus plaats vindt na toerekening van die reserves. (zie stelling 1)

Maar laten we eens kijken wat de effecten zijn als we voor PFZW een reële propositie neerzetten. Een reële propositie is wat mij betreft een voor pijsinflatie geindexeerd pensioen met een degressieve premieopbouw om het piramidespel te beëindigen. Een welvaartsvast pensioen kunnen we tenzij er wonder gebeurt, wel op onze buik schrijven. PFWF heeft het ons gemakkelijk gemaakt doordat de informatie daarvoor aanwezig is:

(a) De reële dekkingsgraad bedraagt rekening houdend met de prijsinflatie, dus nog steeds niet welvaartsvast, 61% per 31-12-2011.

(b) Het effect van de overgang naar een degressieve doorsneepremie is globaal bekend.

Het beeld wordt dan als volgt [9]:

Tabel 3 Dekkingsgraad PFZW  na aanpassing 31-12-2011

(click op tabel om te vergroten)

Pensioenfondsen zouden eigenlijk verplicht moeten worden om dit soort overzichten voor enkele vooraf vastgestelde scenario’s [rekenrente , inflatie, loonstijging, e.d.] te verstrekken. Een nominaal pensioen is een half pensioen. [4] Een voor prijsinflatie geïndexeerd  pensioen is dat kennelijk onder de huidige omstandigheden bijna (54,6%) ook. De 145% in kolom E geeft de gecorrigeerde verplichting t.o.v. de verplichting die in de boeken staat. Deze komt overeen met een wenselijke dekkingsgraad van 128,4%, in lijn met andere berekeningen. Voor een nog wenselijker welvaartsvast pensioen is nog eens ca. 17-22 % extra dekkingsgraad nodig.  De vraag blijft echter niet alleen hoe we het probleem gaan vertellen en uitleggen, maar hoe en wie gaat de oplossing formaliseren? Hierbij zullen diegenen die nu een afboeking voor hun kiezen krijgen bij voorrang de toekomstige overrendementen toegewezen dienen te krijgen., het wordt dus beslist geen free lunch voor de jongeren. In de literatuur wordt altijd betoogd dat de jongeren voor een solidariteitsoffer bij voorrang een claim hebben op toekomstig opwaarts rendementspotentieel. Nu het omgekeerde het geval lijkt te zijn, geldt deze regel natuurlijk ook.

Pikaart stelde ook nog even dat er een veel te hoge uitkeringen beloofd zijn, waarvoor te weinig premie is betaald. [1] In 2007 bedroeg de dekkingsgraad  voor onze drie fondsen 142,2 (zie boven) in totaal 145%, daarvan is door de crisis in totaal zo’n 40% verdwenen. Die 145% dekkingsgraad was voldoende voor een welvaartsvast pensioen (ca 2% inflatie en 1% welvaartsstijging). Ik begrijp dat de heer Pikaart(1968) graag in de jaren 1993-2006 die extra pensioenpremie opgebracht had, jammer dat ik dat nooit van de alternatieve vakbond gehoord heb. Het ledenbestand van die bond was toch al niet groot, ik vrees dat een eenmansvereniging was overgebleven. Nou ja twee leden dan, mevrouw Mei Li Vos zou natuurlijk ook blijven meedoen.

Het zou zeer wenselijk zijn als de staat via b.v. via zijn bloedeigen ABN-AMRO de mogelijkheid zou creëren om zelf aan pensioensparen te doen met een door de staat gegarandeerde renteopbrengst. Die staatsgarantie is nodig omdat de individuele reserves het maximumbedrag van het depositogarantiestelsel ver te boven gaan. Omdat de ABN AMRO momenteel van Europa niet mag concurreren met rentetarieven, zou dat verbod opgeheven moeten worden. De Rabobank biedt momenteel voor een 17-jarig deposito, de gemiddelde duration voor een pensioenfonds, een rente van 4,2%, toch 1,7% boven de “echte” rekenrente. De pensioendeelnemer zou dan wel eens beter af kunnen zijn door zijn boeltje te verkassen. Door die mogelijkheid te scheppen zijn we ook meteen af van de generatie discussie. Jongeren die denken  benadeeld te worden kunnen uitwijken en houden daardoor een (hopelijk door de deelnemers gekozen) pensioenfondsbestuur scherp.[10]

Eerst nog even snel een evenwichtig samengestelde staatscommissie om de pensioenpot te verdelen over de deelnemers  rekening houdend met de doorsneepremie opbouw problematiek, de in het verleden betaalde premies en de werkelijk behaalde rendementen. Zo de rekenrente nog een rol speelt dan zal hij reëlere moeten zijn dan thans te doen gebruikelijk is.[13] Indien de administratieve gegevens van de pensioenfondsen onvoldoende zijn, zou de dekkingsgraad per geboortejaar per fonds zoals voorgesteld door Bernard van Praag nog een belangrijke rol kunnen spelen. [3] De politiek en sociale partners inclusief werkgevers, hebben hun plicht om te zorgen voor een robuust pensioensysteem te lang verzaakt en deelnemers moeten het heft nu in eigen hand kunnen nemen.

___________________

Laatst bijgewerkt 3 oktober 2012

Algemeen: zelf heb ik, gelukkig zou ik bijna zeggen, geen pensioen dat afhankelijk is van de nukken van de politiek of een pensioenfondsbestuur. Ik ben derhalve geen belanghebbende in deze discussie. Met een rekenrente van thans 2,3%, reëel  0,3% bij 2% inflatie, mag ik mij gelukkig prijzen dat die pensioenbeker aan mij voorbijgegaan is.

[1] Martin Pikaart,”Pensioen”,

http://digitaleeditie.nrc.nl/digitaleeditie/NH/2012/7/20120818___/2_04/index.html#page5

[2] Martin Pikaart, De Pensioenmythe, 2011.

http://www.abp.nl/over-abp/publicaties/jaarverslagen/ , http://www.pfzw.nl/over-ons/pers/jaarverslagen/paginas/jaarverslagen.aspx , http://www.bpmt.nl/over-pmt/algemeen/downloads

[3] Bernard van Praag, 2011, “De pensioenmythe doorgeprikt”, Me Judice, 4e jaargang, 22 juni 2011., http://www.mejudice.nl/artikel/629/de-pensioenmythe-doorgeprikt

[4] Jan  B. Kuné, “Hoezo, een robuust pensioensysteem?”, Tijdschrift voor pensioenvraagstukken 2009, 5. http://dare.uva.nl/document/221634

[5] , “Een sterke Tweede Pijler”, http://media.leidenuniv.nl/legacy/kpg-2010-02.pdf , 78.

[6] Hans Staring, “Een optimaal pensioencontract vanuit het oogpunt van jongeren”, Masterscriptie 16 juni 2010, blz. 76,  http://arno.uvt.nl/show.cgi?fid=112918 . De scriptie is toegespitst op de PGGM/PFZW situatie.

[7] Idem , aan de hand van appendix D, “De degressieve opbouwpercentages naar leeftijd”. Er wordt gerekend met een opbouwperiode van 42 jaren.

[8] ABP jaarverslag, blz.112.

[9] De dekkingsgraad voor een prijsinflatie geïndexeerd pensioen bedraagt 61% volgens blz. 131 van het PFZW jaarverslag. Terugrekenen leert dat de voorziening dan € 20.848 mln. hoger wordt. De regressiecorrectie, een herverdeling van premies, bedraagt 15% van de nominale dekkingsgraad volgens een berekening uit 2008. Hiervoor is dus 15% van €46.224/0,885 aangehouden, hetgeen overeenkomt met 17% van de pensioenverplichtingen.{[zie 6, blz 70 & 78] en [5, blz 78]}.

[10] De arrogantie die blijkt uit de bestuurlijke beschouwingen (blz 16) van het ABP jaarverslag 2011 spreekt daarbij boekdelen.  Mogelijk dat men na het jongste persbericht [http://www.abp.nl/over-abp/nieuws/2012/pensioenen-2014-omlaag.asp] een toontje lager gaat zingen.

[11] C.C.P. Wolff, Th. Ooms, “Een variabele rekenrente voor pensioenfondsen”, ESB, 83e jaargang, nr 4171 blz 752 e,.v.,http://esbonline.sdu.nl/esb/images/830752_tcm445-233493.pdf

[12] Martin Pikaart, 2012, “Waarom de pensioenpijn nu genomen moet worden” , www.mejudice.nl, 27 september 2012., http://www.mejudice.nl/artikel/902/waarom-de-pensioenpijn-nu-genomen-moet-worden

[13] Bernard van Praag, 2012, “Hoe fabels over de rekenrente het pensioendebat doen ontsporen” ,www.mejudice.nl, 15 september 2012, http://www.mejudice.nl/artikel/888/hoe-fabels-over-de-rekenrente-het-pensioendebat-doen-ontsporen

Met als commentaar op [12] Bernard van Praag, “Pensioenkorting ouderen is geen structurele oplossing”, Me Judice, 3 oktober 2012., http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/pensioenkorting-ouderen-is-geen-structurele-oplossing

Advertenties

From → 1. Actueel

3 reacties
  1. Pikaart, is de achternaam

  2. jan permalink

    zielige figuren denken we nu echt dat ouderen het zo breed hebben. in dit land wordt je alleen maar beroofd.door figuren die niets gepresteerd hebben en zeker nog geen 50 jaar zich het … hebben gewerkt

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: