Skip to content

Grijsgedraaide grammofoonplaat

7 mei 2012

_________________________________________________________________________________________________________________

Er wordt overdreven aandacht besteed aan het houdbaarheidstekort zoals dat door het CPB tegenwoordig regelmatig wordt herrekend.  Mogelijk is een van de redenen dat wij in Nederland maar een economisch instituut hebben i.t.t. bij voorbeeld Duitsland. Het CPB krijgt daardoor relatief weinig weerwerk voor de nodige nuance. Kernproblemen zijn de tekorten bij de pensioenfondsen en de oplopende zorgkosten. Deze problemen worden opgelost door concrete maatregelen te nemen en niet door telkens arbitraire sommetjes te maken, die toch nooit zo uitkomen. Bovendien is een deel van de in de studie gesignaleerde problemen slechts ten dele een vergrijzingsprobleem zodat het CPB enige vorm van demagogie niet ontzegd kan worden. De oplossing is de staatsschuld in vijf jaar volledig af te lossen door de omkeerregel pensioenen af te schaffen en enkele forse belastinghervormingen door te voeren. Het CPB hoeft dan nooit meer houdbaarheidssommetjes te maken en het geld klotst over de plinten.

‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾‾

Houdbaarheidsdiscussies zijn een exponent van de toenemende individualisering en kenmerkend voor het maakbaarheidsdenken waar neoliberalen momenteel het monopolie op schijnen te hebben. Hadden vorige generaties zich ook zo druk gemaakt over de houdbaarheid van de overheidsfinanciën dan zou het verloop van de UK-staatsschuld er in de periode 1750 -2000 er zeker niet als volgt hebben  uitgezien:

Grafiek 1 UK-Staatsschuld in percentage bbp in de periode  1750 – 2000 [1]

UK debt in % bbp

De zevenjarige oorlog (1756-1763), de Amerikaanse vrijheidsoorlog (1775-1783), de Franse Revolutie, de Napoleontische oorlogen (1792 – 1815) , WO I en WO II waren dan aan ons voorbijgegaan. De sommetjes van Thomas Robert Malthus hadden een nog wat apocalyptischer karakter gekregen.

Generaties

Bij discussies over houdbaarheid spelen generaties een belangrijke rol. De houdbaarheid van de overheidsfinanciën is echter alleen een probleem als de overheid zich met de allocatie tussen generaties bemoeit. Zo dienen ouders primair de opvoeding van hun kinderen te verzorgen zodat ze geen studieschuld oplopen en hun loopbaan niet met een valse start beginnen. Ouders zelf dienen primair voor hun eigen oude dag te zorgen en als dat niet lukt, dienen ze eerst een beroep te doen op hun bloedjes van kinderen. Dit leidt tot een andere toerekening van kosten en baten van de overheid over generaties dan kennelijk bij de EU en het CPB te doen gebruikelijk is. Eigenlijke komen alle baten en lasten toe aan de werkende bevolking, die door de fiscale omkeerregel van de pensioenpremie ook nog eens meer belasting betaalt dan strikt noodzakelijk is. Veronachtzaming door de overheid van dit al oude oikos model, dat eeuwen zijn goede diensten bewezen heeft, maakt dat de staat zich diepgaand in de nesten werkt. Het drama van het PGB is hiervan een recent voorbeeld. Dit alles moet natuurlijk gepaard gaan met de nodige vangnetten zonder dat die netten hangmatten worden, zoals de oude en de jonge Drees ongetwijfeld zouden beamen.

Vergrijzingsstudie

De CPB heeft in haar studie [2] de volgende aandachtsgebieden gesignaleerd, die “echt het verschil kunnen maken in de finale uitkomsten”: 1. de ontwikkeling opbrengt uit aardgas, 2. de pensioenen – waaronder de AOW -, 3. de zorgkosten en tot slot 4. de ontwikkeling arbeidsparticipatie en het beroep WAO. [3] We zullen niet in detail in gaan op deze studie, maar ons tot deze onderwerpen beperken.[4]

In de studie wordt herhaaldelijk gewezen op de inherente onzekerheden die aan een prognose op lange termijn kleven. In de media wordt alleen op het mantra van het € 29 miljard houdbaarheidstekort gehamerd. Dit komt overeen met 4,5% bbp, waarmee de bijbehorende bbp 2015 dus kennelijk voor deze gelegenheid € 644 mld. bedraagt (CEP 2012 stelt 2015: € 669 mld.). In de hele studie is overigens geen bbp-bedrag te vinden.

De wat onoverzichtelijk ingedeelde prognose laat zich voor de relevante onderwerpen als volgt samenvatten:

Tabel 1 Vergrijzingsstudie geselecteerde kerncijfers (in percentage bbp)

(click op tabel om te vergroten)

Het valt op dat bij constante arrangementen de overige inkomsten met 0,8% bbp stijgen, terwijl de overige kosten met 0,1% bbp dalen. Bij het bepalen van het houdbaarheidssaldo wordt de rentelast zelf buiten beschouwing gelaten. Zonder maatregelen om de begroting in evenwicht te krijgen, loopt deze rente uiteraard snel op.

Op pg 17 spreekt het CPB over een stijging van de belastinginkomsten van 4% bbp inzake inkomstenbelasting pensioeninkomen ouderen en de indirecte belastingen consumptie (BTW) van diezelfde ouderen. In de bovenstaande tabel is van die stijging in 2040 echter maar 2,9% terug te vinden.[5]

1. Aardgas

Op 1 januari 2011 bedroeg de waarde van de aardgasreserves volgens het CBS € 152 miljard.[6]. Volgens de vergrijzingsstudie is die waarde in 2015 € 103 miljard (16% bbp 2015). In dit tempo wordt de gasbel er wel heel snel door heen gejaagd.[6] Die gasbel wordt zeker een last als we, omdat hij er straks niet meer is, er nu vast voor moet gaan sparen. In 1974 deed Den Uyl de laatste Limburgse mijn dicht. De kolen zitten nog steeds onder grond en Joost mag weten wat ons nageslacht er straks mee gaat doen en welke waarde we er nu dus aan moeten toekennen. In hoeverre windenergie en zonne-energie in de toekomst in onze energiebehoefte voorzien is onder “constante arrangementen” natuurlijk ook niet te voorspellen. De zon blijft in elk geval nog wel ongeveer 5 miljard jaar schijnen, dat lijkt mij in elk geval een redelijke constante, los van de zonnevlekken natuurlijk.[8]  Overigens is het opmerkelijk, zo niet demagogisch, dat de aardgas problematiek in een vergrijzingsstudie wordt opgenomen.

2a. Pensioenen

In een eerdere bijdrage is al eens uiteengezet wat de gevolgen van de omkeerregel voor onze staatschuld zijn. Zonder ingewikkelde en redelijk arbitraire houdbaarheids- calculaties [9]  is de eenvoudigste oplossing om die regeling weer in zijn geheel om te keren. Dat we wel degelijk tegen de klippen op sparen blijkt uit deze grafiek:

Grafiek 2  Staatsschuld,  pensioenreserves, belastingclaim pensioenreserves en netto staatsschuld in Mld. [bron link]

Ook als de omkeerregel wordt afgeschaft door een voorheffing van 35% zullen de belastingopbrengsten door progressie in box I bij uitkering en de toename van de indirecte belastingen over de bestedingen nog toenemen. Zo stijgt de opbrengst indirecte belastingen op consumptie door 65 plussers van 2,1% bbp (2010) naar 4,3% in 2040 – zie tabel 1.

Dat neemt niet weg dat er een tekort bij de pensioenfondsen is in de orde van grootte van 250 miljard als we aan de ambitie van een welvaartsvast pensioen willen vasthouden. Dit tekort is niet in de vergrijzingsstudie terug te vinden, maar wel in CP policy brief 2011/01, die uitgaat van een benodigde dekkingsgraad van 145%. Impliciet zit het bestaande pensioenbeleid wel in het model, zij het dat de condities deels afwijken: in de vergrijzingsstudie mogen de pensioenverplichtingen wel tegen 4% contant worden gemaakt [blz 48) en is het rendement op de beleggingen 5% (idem), dat scheelt in elk geval een slok op een borrel.

2b. AOW

De AOW wordt waardevast verondersteld en de uitkering zal dus volgens de CPB aannames 3% per jaar stijgen [2, blz 17]. Diverse auteurs hebben er bij herhaling op gewezen dat deze veronderstelling ahistorisch is.[10]

Dankbaar gebruik makend van het artikel van Verbon en enig zoekwerk op CBS statline komen we tot de volgende tabel:

Tabel 2 Aantal AOW’ers en AOW-uitkering  in percentage bbp (2020-2060 prognose CPB)

 

Van 1970 tot 2010 stegen het aantal AOW’ers met  een factor 2,5. Het totaal bedrag aan AOW-uitkeringen steeg met een factor 12, Toch steeg de totale AOW-uitkering als percentage van het bbp in die periode maar van 4,1% naar 4,6% van het bbp. Dit komt omdat de AOW de welvaart, d.w.z. de groei van het bbp, niet volgt.  Het bbp steeg in die periode met een factor 10 (6% groei plus inflatie). terwijl het aantal uitkeringstrekkers met een factor 2,5 steeg.De uitkeringen hadden dus grofweg met een factor 2,5 x 10 of 25 moeten stijgen om de welvaart bij te benen.

Verbon becijfert dat slechts een derde van de welvaartsgroei is doorgegeven.[10, blz 135] Deze groei van het bbp is echter mede mogelijk gemaakt door een aanwas van tweeverdieners (zie Grafiek 2 onder), zodat een vergelijking zonder dat hier rekening mee wordt gehouden misleidend is.[10]  De logica om de AOW’ers te laten delen in dit deel van de welvaartsstijging ontbreekt immers.

De volgende tabel is ontleend aan De Kam en vergelijkt de AOW uitkering na premie ziektekostenverzekering en inclusief zorgtoeslag in euro met de koopkracht van 2008 [11 , blz 12]:

Van het volgen van de welvaartsstijging is in de periode 1980 – 2008 dus ook geen sprake. In de periode 1982 – 2008 is het brutominimumloon meer dan 25% bij de stijging van de cao-lonen achtergebleven. [11]

In de periode 2010 tot 2040 laat het CPB  de totale uitkering in percentage bbp oplopen van 4,9% naar 8,5% een factor 1,7 . Het aantal AOW-uitkeringsgerechtigden stijgt in die dertig jaar met een factor 1,8. Het bbp stijgt echter slechts met een factor 2,5 als gevolg van 1,7% groei en een inflatie van 2%. Het CPB laat de AOW-uitkeringen dus met de welvaart stijgen, in plaats van met de inflatie.[12]

Indien de AOW-uitkering niet met de welvaart (3,7% ) maar met de inflatie (2%) stijgt, komt het AOW percentage op 5,6% bbp in plaats van 8,5% bbp in 2040. Dit is toch 2,9% bbp of bijna 34% lager.[13] De AOW-last in percentage bbp bevindt zich in 2040 dan op het niveau van 1990, niet echt iets om je zorgen over te maken. Mochten de AOW’ers toch voor respectievelijk 1/3 of de helft in de welvaart delen dan stijgt het uitkeringspercentage in 2040 naar respectievelijk 6,5% en 6,9% bbp.

We zullen zien of de AOW welvaartsvast wordt en blijft, ik zou er maar niet te vast op rekenen. Het “houdbaarheidstekort” is voor wat betreft de AOW dus minder houdbaar dan wordt gesuggereerd en het tekort zou wel eens fors lager kunnen uitvallen.

Nog even een grafiek van de SVB, die aantoont dat de groei van het aantal AOW’ ers  van alle tijden is:

De NRC probeert zijn lezers de urgentie tot hervorming van de AOW bij te brengen door in een recent artikel een vergelijking te maken tussen de jaarlijkse AOW-uitkering voor een ongehuwde (1957: € 437; 2011: € 13.150)  en het aantal uitkeringstrekkers (1957: 738.693; 2011: 3.061.955). [16]  Uit het artikel zal de lezer concluderen dat de AOW-uitkering in bijna 65 jaar verdertigvoudigde  en het aantal uitkeringstrekkers ruim verviervoudigde. Als hij dan ook nog even de omwikkeling van het prijsindexcijfer natrekt, dat in die periode maar verzevenvoudigde ( CBS-Index 1957:  369,9; 2011 2.614,6), slaat de lezer de schrik om het hart. Raadpleging van de ontwikkeling van het bbp (1957:15.767; 2011: 601.973), achtendertig keer zoveel, stelt hem al wat geruster. Enig historisch besef zet hem vervolgens weer met beide benen op de grond en brengt de nodige nuance aan, die de NRC even niet kon opbrengen. [17]

3. Zorgkosten

Ik zou niet weten wat ik over dit onderwerp moet schrijven. De Algemen Rekenkamer is in een recent rapport, dat op een studiemiddag van de Wim Dreesstichting behandeld is, van mening dat de minister van VWS over weinig inzicht in de ontwikkeling van de zorguitgaven beschikt en dat zij niet afdoende mogelijkheden heeft om deze tijdig te beheersen. Als dat inzicht, bij de overigens habitueel ontkennende minister, niet bestaat, dan bij mij zeker niet. Marktwerking de zorg is sowieso niet mogelijk zoals al eens door Paul Krugman helder is uiteengezet.[14] In plaats overigens naar de cijfertjes te staren is het misschien handig om het hele proces eens stevig op macro en micro niveau onder de loep te nemen. Ook concrete benchmarking met onze buurlanden zou veel informatie kunnen opleveren. De hele zaak weer nationaliseren en uit handen van de als maar fuserende verzekeringsmaffia halen met hun toch niet bijster goede track record, lijkt mij een eerste vereiste.

Welk deel van de stijging zorgkosten door de vergrijzing veroorzaakt wordt is overigens ook nog steeds een strijdpunt. Als leek op dit onderwerp zijn toch nog wel wat cijfers te produceren die de CPB studie in een ander daglicht plaatsen. Het RIVM concludeert in een recente studie [15]:

” De totale kosten in 2007 voor zorg en welzijn waren volgens het CBS 74,4 miljard euro. In 2010 ging het om 87,6 miljard euro, volgens nog voorlopige cijfers. Voor het onderzoek is de verdeling van de uitgaven van de zorg nader in kaart gebracht, evenals een analyse van de groei van de kosten. Door de cijfers te combineren met resultaten van eerdere studies is de kostenontwikkeling over 1999-2010 samenhangend in beeld gebracht. De studie levert onder meer input voor economische toekomstverkenningen, vergrijzingsstudies en kosteneffectiviteitsanalyses. Drie oorzaken toenemende kosten zorg. De oorzaak van de uitgavengroei ligt deels in vergrijzing van de bevolking (15% aandeel) en prijsstijgingen (35% aandeel). Bijna 50% van de kostenstijging is toe te schrijven aan een complex van oorzaken als verruimde indicaties, groei van het aantal patiënten, intensievere behandelingen en de inzet van nieuwe medische technologie. Sterkste kostenstijging bij jongeren. Ondanks de vergrijzing treden de sterkste kostenstijgingen in recentere jaren (2005-2010) juist op bij jongeren.”

Demagogisch zou men kunnen stellen dat de vergrijzing maar een deel van het probleem is. Het wordt hoog tijd voor een “verjonging verdeeld” studie. Die kosten komen volgens het oikos model echter toch bij de ouders terecht, zodat een dergelijke studie eigenlijk zonde van de moeite is.

4. Arbeidsparticipatie

Un œuf est un œuf zouden de Engelsen zeggen bij 70% groei kan het wel een tandje minder. De vergrijzingsstudie maakt zich zorgen over een vergaande arbeidsparticipatie. Er wordt een verdere stijging van de arbeidsdeelname van vrouwen en ouderen verwacht. Het is nog maar de vraag of men in de toekomst gegeven een terugtredende overheid voor deze optie gaat kiezen.  Knelpunten in zorg en onderwijs worden niet geadresseerd [10 Verbon, pg 139] Ook is enige evrouwcipatie te verwachten en dat zal ten koste gaan van het aantal gewerkte uren. De  toename in het verleden van de arbeidsparticipatie is echter opmerkelijk en daarbij is duidelijk van een eenmalig inhaaleffect sprake:

Grafiek 2 Arbeidsparticipatie beroepsbevolking  1900 – 2009 

Bron: CBS Terugblikken in statistieken, blz 32.

Centrale vraag

Als de centrale vraag volgens Coen Teulings luidt: ”hoe we de begroting aan moeten passen om te voorkomen dat tekorten en schulden in de toekomst uit de hand lopen” dan is de oplossing van een charmante eenvoud. Eerst de staatsschuld in enkele jaren afbouwen tot nihil door afschaffen omkeerregel pensioenen en enkele flinke belastinghervormingen. Vervolgens er voor zorgen dat die schuld niet meer oploopt en door tijdige accommodatie zorgen dat de overheidshuishouding op orde blijft. Maar ik begin al op die grijsgedraaide grammofoonplaat te lijken.

______________

Bijgewerkt op 11 juli 2012

[1] http://www.ukpublicspending.co.uk/downchart_ukgs.php?year=1692_2011&chart=G0-total&units=p Overigens moet een dergelijke historische tijdreeks natuurlijk met de nodige korrels zout genomen worden.

[2] CPB studie 86, “Vergrijzing verdeeld”,  juli 2010.

[3] CPB, “Toelichting n.a.v. vragen over houdbaarheid”, http://www.cpb.nl/publicatie/toelichting-nav-vragen-over-houdbaarheid-overheidsfinanci%C3%ABn

[4] Opsomming van enkele aannames is voldoende om het arbitraire karakter van die berekeningen aan te geven [zie ook 8]:

a) uitkeringen in vast relatie tot lonen dus waardevaste AOW en WW  (pg 16) . Met de jongste trend om de AOW-leeftijd te verhogen wordt de bijstandregeling veel belangrijker.

b)De belastingschijven worden gecorrigeerd op basis inflatie en welvaartsgroei. In het verleden kwamen we zeker voor de hoogste schijf nooit verder dan inflatie (2001: 46.309; 2012: 56.491 •  schijven index 122  • prijsindex 120). Zie voor een (niet overtuigende) verdediging:  R.A. Mooij, “Het houdbaarheidstekort: een omlijning”, TvOF jaargang 41, 2009, nummer 4, blz 191.

c) De inflatie wordt gesteld op 2%, de groei op 1,7%, de reële rente op 3%.

d) zorgpremies stijgen niet mee met de kosten, waardoor de hogere zorgkosten worden gefinancierd uit de overheidsbegroting [blz 68]. Wat die oudjes in hun “ongezonde” levensjaren met hun welvaartsvast pensioen gaan doen vertelt het verhaal niet, de BTW over de tijdens die ongezonde levensjaren toch uitermate geringe consumptieve bestedingen harkt het CPB ten onrechte wel binnen.

e) Beperkte negatieve werkgelegenheidseffecten treden ook op bij lastenverzwaring via een versnelde fiscalisering van de aow premie en door beperking van de hypotheekrenteaftrek. Dit soort macro-economische stellingen leiden bij mij altijd tot jeuk. Als de AOW nu niet gefiscaliseerd was, wat was er dan met de werkgelegenheid gebeurd? Hopelijk hebben ze wel aan de oudere welvarende bejaarde gedacht die mooi aan zijn eigen AOW meebetaalt? Door beperking van de HRA zou de tweeverdieners in hun doorzonwoninkje er eerder nog een schepje bovenop moeten doen om de hypotheek betaalbaar te houden, tenzij ze natuurlijk met een burn-out in de WIA terecht komen. Maar als  we dan de WIA-uitkering omlaag doen, gaan ze volgens het CPB-model weer aan de slag, het zgn. CPB Lourdes effect. U ziet waarom ik nooit macro-economie ben gaan studeren.

[5]  2040: 2,8+4,3 = 7,1; 2015: 1,9+2,3 = 4,2 -> Δ 2,9%.  De totale belasting volgens blz 17 stijgt met 3,9% namelijk 2040: 48,8+24,7 =73,5;  2015: 46,6+23,0 = 69,6 -> Δ 3,9%. Het CPB kent dus op blz 17 de hele stijging aan de ouderen toe, wat bij constante arrangementen niet onlogisch is, maar laat op blz. 50 die opvatting kennelijk weer varen.

[6] CBS, “ De Nederlandse aardgaswinning“ , http://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/530257E9-294D-4B62-9F44-5299E497C472/0/2010p231p19art.pdf , blz 251.

[7] CPB studie 86, blz. 51. De verschillen worden mede veroorzaakt door de wijze van berekening door het CPB ( CW toekomstige overheidsinkomsten).

[8] Theo Koupelis, In Quest of the Universe, 2011, blz 394.http://www.amazon.com/Universe-Bartlett-Titles-Physical-Science/dp/0763768588

[9] De aannames zijn b.v. dat de pensioenverplichtingen tegen 4% contant gemaakt worden (sic!). Het rendement op pensioenvermogen wordt op 5% gesteld. Omdat premievaststelling en de indexering van de aanspraken in het model direct aan deze percentages gekoppeld zijn is de onderlinge afhankelijkheid wel zeer groot.

[10] H.A.A. Verbon, “Het verhogen van de AOW-leeftijd volgens minister Donner”, TvOF, jaargang 41, 2009, nummer 3, Wim Drees Stichting voor Openbare Financiën. Marcel van Dam, Niemandsland, blz 182-183. De Kam, NRC, “Sluipende bezuiniging houdt de AOW beter betaalbaar”, 27-6-2009, http://digitaleeditie.nrc.nl/digitaleeditie/NH/2009/5/20090627___/3_014/#text

[11] Flip de Kam, ”Ouderen in het vizier (1) Vergrijzing: gevolgen voor de overheidsfinanciën”, S&D 12, 2009, blz 13 en C.A. de Kam, “Op weg naar aging III”, TvOF, jaargang 41,2009,  nummer 4 Wim Drees Stichting, blz 224.

[12] Indien de AOW niet met de welvaarts stijgt, wordt de pensioengrondslag en daarmee de pensioenpremie weer hoger door de AOW franchise. Dit gaat in het GAMMA model dan weer ten koste van de werkgelegenheid of ten koste van de loonstijging, indien de loonruimte gelijk blijft.

[13] De berekening is als volgt: 2015 4,5% bbp is € 29 miljard (Houdbaarheidstekort CPB blz 11). Het bbp 2015 is dus berekend volgens de vergrijzingsstudie 644 miljard (vgl. CEP 2012:blz. 79 in 2015 669 mld.). Het bbp stijgt tot 2040 tegen 3,7% naar € 1.598,3 mld. AOW 2040 is 8,5% bbp dus € 135,9 mld. Contant gemaakt naar 2015 (3,7%) of nog eenvoudiger 8,5% van € 644 miljard geeft € 54,8 miljard in 2015. Deze € 54,8 miljard opgerent tegen 2% geeft € 89,9 mld aan AOW-uitkeringen in 2040. Het verschil met € 135,9 mld. is dus € 45,9 mld. minder aan AOW-uitkering of een 33,8% lager beslag op de financiële middelen in 2040. Indien gedeeld wordt in de welvaart voor respectievelijk 1/3 en 50% is het opgerente AOW-uitkeringsbedrag in 2040 respectievelijk € 103,2 mld. (6,5% bbp) en  €  110,6 mld. (6,9 % bbp).

[14] Paul Krugman, “Why markets can’t cure healthcare”, http://krugman.blogs.nytimes.com/2009/07/25/why-markets-cant-cure-healthcare/ en zijn verwijzing Kenneth J. Arrow, “Uncertainty the welfare economics of health care”, The American Economic Review, Bulletin of the World Health Organization,  http://www.who.int/bulletin/volumes/82/2/PHCBP.pdf

[15] RIVM, “Kosten van Ziekten in Nederland 2007 : Trends in de Nederlandse zorguitgaven 1999-2010”,  28-12-2011, http://www.rivm.nl/Bibliotheek/Wetenschappelijk/Rapporten/2011/december/Kosten_van_Ziekten_in_Nederland_2007_Trends_in_de_Nederlandse_zorguitgaven_1999_2010

[16] NRC, 10 juli 2012,  “Versoberde AOW werd er in vijf weken doorgejast”, http://digitaleeditie.nrc.nl/digitaleeditie/NH/2012/6/20120710___/1_04/index.html#page4

[17] We maken hierbij gebruik van het artikel op de website van de SVB en citeren eenvoudigheidshalve:

Bodempensioen

De AOW was bedoeld als een zogenaamd bodempensioen, als aanvulling op andere inkomsten. In 1957 ontving een alleenstaande € 32,45 en een echtpaar € 54,- per maand. De wet was vijf jaar oud toen men inzag dat bejaarden met dit bodempensioen nauwelijks konden rondkomen. Men besloot tot een verhoging van 15%. In 1965 verliet men het principe van het bodempensioen en werd het AOW-pensioen opgetrokken tot het sociaal minimum: € 99,38 per maand voor een alleenstaande en € 142,02 voor een echtpaar.

 Zelfstandig recht

Oorspronkelijk kwamen alleen mannen en ongehuwde vrouwen in aanmerking voor een AOW-pensioen. Werd een gehuwde vrouw eerder 65 jaar dan haar echtgenoot, dan was er pas recht op AOW als ook de man 65 jaar was. Sinds 1 april 1985 hebben mannen en vrouwen een zelfstandig recht op AOW. Iemand die 65 jaar wordt en een partner heeft die jonger is dan 65 jaar, ontvangt daarnaast een toeslag. De verhouding tussen pensioen en toeslag is in de loop der tijd een paar keer veranderd. Sinds 1988 is de hoogte van de AOW-toeslag afhankelijk van het eigen inkomen van de jongere partner. Bij de herziening van het sociale zekerheidsstelsel in 1987 is in de AOW de gelijke behandeling van gehuwden en ongehuwd samenwonenden ingevoerd. Ook is er toen een apart normgedrag voor een alleenstaande ouder met een kind jonger dan 18 jaar ingevoerd.

http://www.svb.nl/int/nl/over_de_svb/wie_zijn_we/de_historie/regelingen_oud/

Advertenties

From → 2. Archief

One Comment
  1. Kokopelli permalink

    Veel van deze punten zijn inderdaad al aangehaald door prof.dr. H.Verbon. Goed om al deze statistieken eens bij elkaar te zien. Goed verhaal, dat laat zien hoe politici niet alleen de boel belazeren, maar erger nog: men papagaait elkaar domweg achterna.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: