Skip to content

Vermogensrendementsheffing

18 april 2012

_______________________________________________________________________________________________________

Deze bijdrage is verouderd en geactualiseerd en uitgebreid in vermogensredementsheffing nieuwe stijl 

Zoals bekend is de vermogensrendementsheffing ingevoerd als straf van de belastingdienst voor wie spaart en vermogen opbouwt, waarover al een keer belasting is betaald. [1] Die straf wordt ook nog eens verzwaard doordat de huidige rente voor korte termijn sparen ruim beneden het forfaitaire interestpercentage ligt. Het wordt dus hoog tijd eens naar de vergelijking actueel/forfaitair rendement te kijken. Om de lat niet te hoog te leggen, nemen we als benchmark de beleggingsresultaten in de pensioensector. Gezien het gejeremieer over die resultaten lijkt dat een uitermate faire vergelijking. De uitkomst valt niet eens tegen, toch vallen er een groot aantal kanttekeningen te plaatsen bij de huidige regeling.

¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯¯

Het netto vermogen 2010 bedroeg totaal 1689,7 mld. en bestond uit eigen woning: 533,4 mld. (32%), pensioen -netto na belastingclaim: 476,3 mld. (28%) en overig vermogen: 680,0 mld. (40%). Vanuit de aangifte inkomstenbelasting 2009 (het meest recente belastingjaar waarvan betrouwbare gegevens beschikbaar zijn) blijkt een bruto belastingbedrag met betrekking tot de heffing in box 3 van € 3,7 miljard. Dit is het bedrag vóór verrekening van heffingskortingen, aldus De Jager. [2] Er is dus een weliswaar te laag maar toch aardig bedrag gemoeid met deze vrij stabiele inkomstenbron. Zoals we nog zullen zien worden enkele belangrijke vermogenscomponenten echter buiten de heffing gelaten. In totaal valt in 2009 dus een gemiddeld vermogen van € 308 mld. onder de heffing.  Een bedrag van € 21.139 (met partner €  42,278) is vrijgesteld van de heffing en die vrijstelling is ruim voldoende voor het aanhouden van de benodigde kortlopende liquiditeiten. De belastingbetaler weet precies waar hij aan toe is en kan hier met zijn liquiditeitsplanning rekening mee houden.

Benchmark pensioen sector

De Nederlandse Bank heeft op verzoek van de Tweede Kamer een rapport opgesteld over de rendementen van pensioenfondsen en daarbij hebben zij gebruik gemaakt van de rapportages van 168 pensioenfondsen die over de periode 2000 tot en met 2010 gemiddeld circa 83 procent van het totaal belegde pensioenvermogen vertegenwoordigen. Eind 2010 bedroeg dat totale belegd vermogen van pensioenfondsen 732,8 miljard. [3]  De beleggingsresultaten van pensioenfondsen over de periode 2000 tot en met 2010 zijn ontleend aan het rapport en weergegeven in tabel 1 als rendementspercentages. De vraag blijft natuurlijk in welke mate het rendement van de pensioenfondsen representatief is voor de gemiddelde belegger.

Vergelijking 4% forfaitair rendement met benchmark

De vermogensrendementsheffing is in 2001 ingevoerd  en dat jaar nemen we dus als start voor onze vergelijking.  Het startkapitaal bedraagt € 100.000.  Het rendement in jaar t vermenigvuldigen we met het vermogen in jaar t-1 voor het benchmark rendement.[3, voetnoot 11] Het fictief rendement van 4% wordt berekend over het gemiddelde van het vermogen per 1/1/ en het vermogen per 31/12 conform de fiscale regels (tot 2011). We krijgen dan het volgende resultaat:

Tabel 1 – Vergelijking benchmark benchmark pensioenfonds met 4% forfaitair rendement 2001-2010

In totaal is het benchmark rendement nominaal € 5.658 hoger dan het fictief rendement. De uitkomst is cumulatief zelfs na het knappen van de internet zeepbel (2000) en de grootste crisis sinds 1933 (2008) redelijk. Het gemiddeld rendement ligt 0,8% boven het forfaitaire percentage. De belastingheffing is cumulatief nominaal bijna 11% te laag. Er lijkt derhalve geen reden het bestaande systeem fundamenteel te wijzigen.

Kanttekeningen

Toch zijn er een groot aantal kanttekeningen bij bovenstaande rooskleurige voorstelling van zaken te maken:

1) De belastingplichtige zal niet bepaald vrolijk worden als hij gedurende de jaren met rode cijfers zijn belastingbiljet invult en moet constateren dat hij belasting moet betalen over niet genoten inkomen. Die belastingschuld mag hij dan ook nog een keer niet opvoeren als schuld voor de vermogensrendementsheffing en het geleden verlies mag hij niet verrekenen.

2) De 4 procent al of niet behaald rendement, wordt in elk geval aangetast door inflatie. Fiscalisten stellen vaak dat dit in het tarief van 30% is verwerkt. Het hierboven berekende gemiddelde rendement van 4,8% is rekenkundig en dus te hoog. Gemiddelden uitrekenen blijkt altijd weer moeilijk, ook voor de Nederlandse Bank. In werkelijkheid is het gemiddelde rendement slechts 4,34% (100.000*1,0434345^10 = 152,986). In de periode 2001-2010 trad 22% cumulatieve inflatie (CBS) op, zodat het bruto rendement van 4,34% op slechts 2,187% netto uitkomt. Het effectieve belastingpercentage is dan bijna 55%. Indien we echter ook rekening houden met het heffingvrij vermogen voor 2012 incl. partner € 42.278 wordt het plaatje bij 100.000 vermogen als volgt: netto rendement na inflatie –  € 2.187; rendementsheffing € 693; reëel  belastingpercentage 32% (nominaal 15,9%). Het effectieve  belastingpercentage van 55% is dus alleen voor de grotere vermogens van toepassing.

3) De meeste burgers zijn niet in staat de pensioenfonds rendementen te realiseren omdat ze risico avers zijn en veel geld in de vorm van liquiditeiten aanhouden.De evaluatie van de vermogensrendementsheffing vond dat 38% box 3 bezittingen als laagrentende tegoeden werd aangehouden. [4] Dat aandeel van de liquide middelen is sindsdien nog toegenomen.

4) De gevonden rendementen zijn toevalligheidstreffers, keuze van andere basisjaren geeft een ander uitkomst. De negatieve volatiliteitsrisico’s worden eenzijdig bij de belastingplichtige gelegd.

5) Men kan altijd wel categorieën investeerders aanwijzen die goed geboerd hebben, en dus gematst worden met een forfaitair tarief.  Te denken valt bijvoorbeeld aan de onroerend goed sector in de jaren 1990-2005 die toen een rendement haalden van 12,9%. [4, blz 3]. Meer in het algemeen: “De persoonsgebonden beleggingspremie (die vooral met grote vermogens kan worden geassocieerd) blijft onbelast”.[5]

6) En last but not least – de burgers die pensioen opbouwen zijn vrijgesteld van vermogensrendementsheffing, zowel in de opbouwfase als tijdens de uitkeringsperiode. De logica hiervan is ver te zoeken. Toch 1,2% van 935 miljard (bruto – voor box 1 belastingclaim) of 11,2 miljard. Omdat ca. 35% van dit vermogen eigenlijk al van de overheid is door de omkeerregel, is dit wel deels een sigaar uit eigen doos, zodat netto van 7,3 mld. belasting wordt afgezien. De studiecommissie belastingstelsel komt dus ten onrechte op een derving van 11,6 mld. in 2010. [5, blz. 34] Bovendien ligt het in de rede om dan ook de vrijstelling vermogensrendementsheffing te verhogen zodat er netto nog minder overblijft.

7) Least staat natuurlijk voor het eigen woningbezit. In 2011 bleef 533 miljard (beginstand) buiten de vermogensrendementsheffing. Het eigenwoningforfait was het schaamlapje dat dit moest vergoelijken. Toch 1,2% van 533 miljard of  6,4 mld. minus eigenwoningforfait van 2,2 mld. (2010), netto ongeveer 4,2 mld.

8) Met de huidige stand van de automatisering moet het niet al te moeilijk vallen om in alle eenvoudige gevallen (effectenportefeuille en liquide middelen) af te rekenen op basis van werkelijk behaald rendement, met recht van verliescompensatie. Voor de meer complexe gevallen is voldoende fiscale expertise aanwezig om met redelijke en billijke oplossingen te komen.[6]

9) Met rechtvaardigheid heeft de vermogensrendementsheffing dus weinig van doen, de uitkomst berust op zuivere willekeur en van  een rechtvaardige belastingheffing naar draagkracht is geen sprake. [4, conclusie]  Door een forse grondslagverbreding  zie 6) en 7) kan het tarief meer rekening houden met een vermogensstijging  die op reële basis is gebaseerd. Als de vermogensontwikkeling integraal in de belastingheffing wordt betrokken, ontvalt ook het argument om de successierechten te verhogen, zoals veel economen nu met dat argument bepleiten.

Laatst bijgewerkt 19 april 2012

[1]Uitspraak op website InfoNu:  http://financieel.infonu.nl/sparen/64892-hoge-spaarrente-vermogensrendementsheffing-2010-2011-2012.html

[2] Eerste Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 003, F, 9 december 2011,  blz 7, http://www.eerstekamer.nl/behandeling/20111209/nota_naar_aanleiding_van_het/document3/f=/viv3ive6rpyo.pdf

[3] De Nederlandse Bank, Rapport beleggingsopbrengst pensioenfondsen 2000-2010 (in het kader van de motie Van den Besselaar c.s.), blz 6. http://www.dnb.nl/binaries/DNB%20rapportage%20beleggingsresultaten%20pensioenfondsen_tcm46-262459.pdf , blz 6.

[4] Mr S.M.H. Dusarduijn, Mr. Dr. J.L.M. Gribnau m.m.v. Pof. dr. J.A.G. van der Geld en Prof. dr. A.C. Rijkers, “Vermogensheffing vijf jaar later”, 6 , http://media.leidenuniv.nl/legacy/Dusarduijn%20en%20Gribnau%20%20box%20III.pdf

In dit artikel wordt de kwalijke werking van een forfaitregeling nog aan de hand van een casus uit het Romeinse Rijk gememoreerd. Daaraan hebben we mede eeuwen lijfeigendom te danken (blz. 18):

“De wortels van de vermogensrendementsheffing gaan echter dieper: reeds in het Romeinse Rijk werd de belastingheffing over feitelijke opbrengsten vervangen door een stelsel waarin de grondslag werd gevormd door de enkele mogelijkheid een bepaalde opbrengst te genereren. Keizer Diocletianus voerde deze vermogensrendementsheffing avant-la-lettre in toen het tijdens zijn bewind steeds lastiger bleek belasting te innen van de opbrengst van landbouwgronden. De heffingsgrondslag voor boeren en buitenlui werd voortaan gelijkgesteld met de hoeveelheid grond die een koppel ossen in een dag zou kunnen omploegen. Deze ingrijpende en dictatoriale fiscale hervorming leidde onvermijdelijk tot een vlucht uit de landbouw, hetgeen Diocletianus met dwang trachtte tegen te gaan door de instelling van een erfelijke binding aan beroepen.”

[5] Rapport studiecommissie belastingstelsel,  http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2010/04/07/rapport-studiecommissie-belastingstelsel.html , blz 160.

[6]  Rapport studiecommissie belastingstelsel, blz 160-161. Bas Jacobs,  “Een economische Analyse van een optimaal belastingstelsel voor Nederland,”, blz 2 en 32-34.  C.A. de Kam en C.L.J. Caminada, “Belastingen als instrument voor inkomenspolitiek”, blz 13 en14.

Advertenties

From → 2. Archief

One Comment
  1. U stelt zelf terecht de kanttekening dat het de vraag is of een gemiddelde consument hetzelfde rendement kan halen als een pensioenfonds. Een consument kan veel minder risico lopen vanwege minder mogelijkheden tot diversificatie van de investeringen, en daarmee zal het rendement ook lager zijn. Wellicht een aardig punt om nog eens verder te onderzoeken?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: