Skip to content

Pensioenfondsen ABP, PFZW, PMT, PME en bpfBouw 2012

23 juli 2013

_________________________________________________________________________________________________

Een recentere bijdrage bevat de ABP en PFZW cijfers 2013 de overige drie fondsen zijn nog in diepe winterslaap.

Recent hebben de pensioenfondsen ABP, PFZW, PMT, PME en BpfBouw hun 30 juni 2013 cijfers bekend gemaakt en het wordt dus tijd om de eerdere gegevens te actualiseren en uit te breiden.Voor een goed begrip is het nog steeds noodzakelijk om terug te gaan tot 1 januari 2008, het jaar van de kredietcrisis. De vijf pensioenfondsen maken 57% van de totale pensioenreserves per 31/12/2012 van alle pensioenfondsen uit en zijn dus maatgevend voor de pensioenfondsen als geheel.

Per 1-1-2008 bedroeg de dekkingsgraad van deze gezamenlijk pensioenfondsen nog 141%. Per eind juni 2013 bedroeg de dekkingsgraad 98% een daling van 43%. Zoals we zullen zien wordt die daling met name veroorzaakt door de wijziging in rentetermijnstructuur (€ 179 mld) en in mindere mate door aanpassing van de actuariële veronderstellingen (lang leven risico). (€ 31 mld.) In veel mindere mate geldt dat ook voor de indexering, die inmiddels is stopgezet. (€ 1,6 mld.) Pas recent wordt er ook gekort op de rechten (€ 6,3 mld.).

De paradoxale situatie doet zich voor dat de behaalde rendementen 2008-2012 (€ 116 mld.) ruimschoots verdwenen in het zwarte gat van de wijziging rentetermijnstructuur. Werd eind 2008 nog gerekend met een rente rond de 4,7% voor het bepalen van de pensioenverplichtingen , eind juni 2013 was dit gehalveerd tot ca 2,4%.

_________________________________________________________________________________________________

Het belang van de vijf pensioenfondsen blijkt uit het volgende staatje:

Tabel 1 Aantal deelnemers, hoogte pensioenreserves en dekkingsgraden

(click op tabel om te vergroten)

7002 Aantallen indexatie en dekkingsgraad

(1) De pensioenvermogen van de vijf fondsen eind 2012 groot € € 528 mld. bedroegen 57% van het totale pensioenvermogen van de pensioenfondsen per die datum.(€ 935 mld.) De opbouw van dit laatste vermogen is in een afzonderlijk bijdrage opgenomen.

(2) De getoonde indexatie-achterstanden zijn conform de op de sites verstrekte informatie.

(3) De dekkingsgraden zijn ontleend aan 4e Kwartaalcijfers 2013 en de jaarverslagen. [1] Gegeven de grote mate van onzekerheden bij de bepaling van de componenten die de dekkingsraad bepalen, is het opmerkelijk dat de dekkingsraad één cijfer achter de komma wordt berekend.

(4) In totaal hebben de vijf pensioenfondsen bijna 8 miljoen pensioendeelnemers, waarvan overigens maar 3,1 mln actieve en 1,7 miljoen gepensioneerde deelnemers.

De dekkingsgraad (Pensioenvermogen/pensioenveplichtingen) wordt in belangrijke mate beïnvloed door de rentetermijnstructuur die door de Nederlandse Bank (DNB) wordt gepubliceerd en de gebruikt wordt om de contante waarde van de pensioenverplichtingen uit te rekenen. [2] De ontwikkeling van deze nominale rentetermijnstructuur blijkt uit deze grafiek:

Grafiek 1 Nominale rentetermijnstructuur (zero coupon) 2007, 2008, 2010, 2012 en 30-6-2013

7006 Nominale rentetermijnstructuur (zero coupon)

(1) De grafieken voor het jaar 2012 en de periode 30-6-2013 vallen praktisch samen. De rentetermijnstructuur grafiek geeft de rentestand voor 60 jaar vooruit gebaseerd op de voorgeschreven methodiek van DNB. De grafiek geeft de nominale rentetermijnstructuur voor het Financieel Toetsingskader (FTK) die wordt geconstrueerd op basis van de swapcurve. Deze rentetermijnstructuur dient ter bepaling van de actuele waarde van de pensioenverplichtingen.

(2) In de loop van de tijd is de methodiek herhaaldelijk aangepast. De meest recente systematiek is als volgt: “Voor looptijden tot en met 20 jaar is de zero rente gelijk aan de waargenomen driemaands gemiddelde zero rente. (zie grafiek)Voor looptijden vanaf 21 jaar wordt de zero rente aangepast door de onderliggende 1 jaars forward rente te extrapoleren naar de zogenoemde UFR van 4,2%.” [2]

[3] Een pensioenverplichting per eind juni 2013 die in jaar 17 wordt uitbetaald, wordt contant gemaakt tegen de rente op Jaar(17), etc. Afhankelijk van de looptijd van de pensioenverlichtingen kan dus de gemiddelde rekenrente die gebruikt wordt om de portfolio contant te maken dus verschillen per pensioenfonds. Daarmee verschilt ook het effect op de dekkingsgraad. Zoals uit de grafiek blijkt is de in (2) beschreven aanpassing naar de zogenaamde UFR niet in de DNB cijfers verwerkt aangezien de rente dan op tijdstip Jaar(60) op 4,2% zou moeten uitkomen. De dichtbij rentedaling tikt daarbij harder aan dan een ver weg rentedaling.

(4) Over de Ultimate Forward Rate (UFR) zijn boekdelen geschreven, de logica van de convergentie naar 4,2% is ver te zoeken [4c] en is eerder gebaseerd op het gewoonterecht van de verzekeringsmaatschappijen en hun lobby in Brussel.Voor de liefhebbers zie verder [4] en de site van DNB voor de systematiek.

Voor onze vijf pensioenfondsen zijn de rendementen en rekenrentes als volgt samen te vatten:

Tabel 2 Rekenrente, 10-jaarsrendement en meetkundig rendement 2003-2012.

7005 rekenerente en rendement

(1) Het meetkundig gemiddelde rendement geeft voor de jaren 2003 t/m 2012 het beste inzicht om een vergelijking te maken met de rekenrente. De eerste geeft aan in welke mate het geld werd binnengehaald, het tweede in welke mate het geld moest worden ingehouden omdat de toekomstige rendementen volgens de toezichthouder op basis van de risicovrije rente onder druk staan. Zoals blijkt is het meetkundig gemiddelde rendement lager dan het rendement zoals dat in de jaarrekeningen wordt getoond.

Zo maakte het ABP in 2008 een rendement van -20,2%, het volgende jaar maakt het fonds 20,2% rendement. Per saldo boerde men men dus 4,08% achteruit, een meetkundig rendement van -2,1% [5]. Alle pensioenfondsen gezamenlijk behaalden in de periode 2000-2010 een rekenkundig gemiddeld rendement van 4,8%. Hetgeen te herleiden is tot een meetkundig rendement van 4,25%. [7] En dat met een internetcrisis en de crisis van 2008.De commissie Don heeft in haar “Advies betreffende parameters pensioenfondsen ” dan ook terecht normen gesteld voor het rekenkundig en het meetkundig bepaalde gemiddelde rendement. Overigens valt hieruit te tevens te concluderen dat die 4% rekenrente die we vroeger consequent hanteerden nog zo gek nog niet was.

(2) Die rente wordt in belangrijke mate gemanipuleerd door de ECB om de banken te steunen en daar werkt onze eigen toezichthouder ijverig aan mee. De ECB stuurt de inflatie en redt de banken. Volledige werkgelegenheid was een objective voor een centrale bank uit lang vervlogen tijden uit de tijd van Paul Samuelson. De lage rentelast ondersteunt de banken en de overheden ten koste van de vermogensverschaffers. en pensionado’s.

(3) De relevantie van de rentetermijnstructuur voor schatting van het rendement van de beleggingen is overigens beperkter dan veelal wordt aangenomen. Alle pensioenfondsen gezamenlijk beleggen 17% in Nederland, 31% in andere Eurolanden en 53% daarbuiten en dan ook nog in belangrijke mate in aandelen zoals uit een andere bijdrage blijkt. De pensioendeelnemer zal met indexatie-achterstanden en kortingen van de uitkeringen nu ook niet echt begrijpen wat de relevantie is van een risicovrije rente.

De rendementen van de vijf pensioenfondsen zijn als volgt grafisch weer te geven:

Grafiek 2 Rendementen geselecteerde pensioenfondsen 2003-2012

7005 Grafiek rendementen

De beleggingsresultaten volgens de Staten van baten en lasten laat zich als volgt samenvatten voor de jaren 2008-2012:

Tabel 3 Belegggingsresultaten en wijziging termijnrentestructuur 2008-2012

(click op tabel om te vergroten)

7004 Beleggingsresultaten

(1) Cumulatief bedragen de beleggingsresultaten € 116 mld. De kosten aanpassing rentetermijnstructuur overtreffen de beleggingsopbrengsten met € 63 mld., zodat je wel van een zwart gat kunt spreken. Dit is dweilen met de kraan open ondanks de behaalde rendementen.

(4) Het verschil tussen beleggingsopbrengsten en de wijziging rentetermijnstructuur voor de periode 2008-2012 is voor het ABP en PMT fractioneel groter.

Tabel 4 Mutaties pensioenvermogen 2008 – 2012

7001 mutatieoverzicht pensioenverplichtingen

(1) De met lila aangegeven mutaties beïnvloeden met name de negatieve ontwikkeling van de dekkingsgraden met als grootste boosdoener de cumulatieve wijziging in de rentetermijnstructuur (€ 179 mld.) en ook, in minder mate, de continue aanpassing van de actuariële veronderstellingen w.o. lang leven risico (€31 mld.).

(2) In 2008 daalde het eigen vermogen van de vijf pensioenfondsen van € 114 mld. naar € -33 mld. een achteruitgang van € 147 mld. Het CPB heeft al eens becijferd dat alle pensioenfondsen tezamen 30% dekkingraad kwijt raakten van 1-1-2008 tot januari 2011 door de crisis.

(3) De pensioenpremies en uitkeringen houden elkaar praktisch in evenwicht. De premiestijging in 2009 valt daarbij op.

(4) De laatste substantiële indexeringen werden in 2009 gepleegd (ABP & PFZW)

We kunnen de mutaties ook weergeven per pensioenfonds en krijgen dan de volgende tabel:

Tabel 5 Mutaties pensioenservers 2008-2012 per pensioenfonds

7003 mutaties pensioenverplichtingen per fonds 2008_2012

(1) De mutaties in de pensioenvermogens laten zich als volgt samenvatten, waarbij het relatieve aandeel van elk pensioenfonds wordt aangegeven:

Tabel 6 Mutaties pensioenvermogen en relatief belang 2008-2012 

7003 Mutatie voorzieningen en relatief belang

(1) Omdat de rubricering in de jaarrekening wordt gevolgd zijn de cijfers niet altijd onderling vergelijkbaar.

(2) Alleen het PFZW ontvangt substantieel meer pensioenpremie dan wordt uitbetaald (cumulatieve premie is 1,5 keer de cumulatieve uitbetalingen). De premiestelling kan dus nooit compenseren voor in het verleden opgebouwde tekorten.

Tot slot geven nog geselecteerde statistische data:

Tabel 7 Selectie statistische data

(click op tabel om te vergroten)

7003 statistische data

(1) Het relatieve belang van de vijf pensioenfondsen blijkt uit het aandeel (57%) en in onderlinge vergelijking.

(2) Zonder aanpassing rentetermijnstructuur zou de dekkingsgraad eind 2012 198% hebben bedragen. Hierbij is er van uit gegaan dat de reserves met € 178.601 zouden stijgen en de pensioenverplichtingen overeenkomstig dalen. Dit is natuurlijk een gedachtenexperiment aangezien in dat geval ook andere posten zouden wijzigen. Zo zouden de pensioenpremies minder verhoogd zijn, terwijl ook de indexering niet achterwege was gebleven. [zie b.v. 6]

In deze bijdrage heb ik geen analyse gemaakt van de rendementen die de pensioenfondsen maken. Een ieder kan de sites van deze fondsen raadplegen en zien dat ze binnen elke redelijke termijn een rendement halen dat ver boven de rekenrente uitgaat.[ zie b.v. noot 3]  Het geld dat zo gemaakt wordt verdwijnt met groot gemak in het zwarte gat dat wijziging rentetermijnstructuur heet. Mevrouw Kellermann vindt dan dat ” historische rendementscijfers vaak vertekend zijn (hoezo? – zie grafiek 3) en niet representatief. Rendementen uit het verleden geven dus geen garantie voor de toekomst.” [8]  Voor de prognoses van DNB van de toekomstige rente geef ik ook geen stuiver en over de huidige vertekening daarvan zullen we maar helemaal zwijgen..

Eens zullen die rendementen van de pensioenfondsen toch op dat geprognosticeerde niveau moeten komen (2,4%). Wie steekt straks anders het overrendement dat nu gemaakt wordt en (tijdelijk ?) in dat zwarte gat verdwijnt in zijn zak? Daar hoor ik veel te weinig over, maar misschien wordt ik een beetje doof? Het antwoord is natuurlijk de jongeren, die straks de indexatie-achterstand en de kortingen van Opa bij het b.v. ABP in hun zak steken.

Misschien dus toch maar een staatscommissie om de pot te verdelen en de pensioenreserves per deelnemer te verbijzonderen. De kosten om de doorsneeproblematiek op te lossen (ca 15% pensioenreserves) zouden wel eens een fractie kunnen zijn van de rendementen die de ouderen nu mislopen?

P.S. Dat die oudjes het vroeger nog niet zo slecht ingeschat hadden met hun stabiele 4% rekenrente blijkt uit de volgende grafiek:

Grafiek 3 ABP voortschrijdend 10-jarig gemiddeld meetkundig rendement 2002-2012

7099 ABP meetkundig voortschreidend rendement

En dat rendement werd  gedurende de tienjaarsperioden behaald ondanks de Dot.com bubble rond 2000 en de, once in a lifetime bankencrisis van 2008.

________________

Laatst bijgewerkt 17 oktober 2013

[1] Deze bijdrage verstrekt hoofdzakelijk cijfermateriaal uit de jaarverslagen. De jaarverslagen en de kwartaalberichten zijn op de site van de pensioenfondsen te vinden.

[2] http://www.statistics.dnb.nl/financiele-markten/rentes/index.jsp , excel bestand t1.3

[3] ABP, http://www.abp.nl/over-abp/resultaten/rendementen/overzicht-beleggingsrendement.asp

http://www.abp.nl/over-abp/resultaten/rendementen/ , deze renten zijn aangehouden. Zo wijkt 2004 af van het jaarverslag respectievelijk 11,5% vs. 11,2%.

[4]

[a] Jelle Mensonides en Jean Frijns, “Begrenzing marktwaardering pensioenverplichtingen”, ESB 96 (4614 &4615, 15 juli 2011, http://www.economie.nl/sites/default/files/editie_pdfs/430frijns_tcm445-605824.pdf

]b] De actuaris november 2012, Interviews , “Ultimate forward rate: redmiddel of plakmiddel”, http://www.ag-ai.nl/bibliotheek-1.php?action=view&Content_Id=3314

[c] Diverse bijdragen op WordPress site van de heer Folpmers w.o. : http://folpmers.wordpress.com/2013/07/17/rekenrente-is-een-rommeltje-geworden/ en http://folpmers.wordpress.com/2012/06/11/ufr-trekt-rekenrente-pensioenen-onverantwoord-hoog-op-jongeren-zijn-de-dupe/

[d] http://eiopa.europa.eu/fileadmin/tx_dam/files/consultations/QIS/QIS5/ceiops-paper-extrapolation-risk-free-rates_en-20100802.pdf

[5] 2007:10; 2008: (1-0,202)*100=79,8; 2009: (1-0,202)*79,8= 95,9196 –> meetkundig rendement 0,959196^(1/2)-1 = 2,061% per jaar.

[6] De Nederlandse Bank, Rapport beleggingsopbrengst pensioenfondsen 2000-2010 (in het kader van de motie Van den Besselaar c.s.), http://www.dnb.nl/binaries/DNB%20rapportage%20beleggingsresultaten%20pensioenfondsen_tcm46-262459.pdf , blz 6.

[7] http://folpmers.wordpress.com/2012/05/26/fds-rekenmeester-bartjens-maakt-inschattingsfout-over-abp-dekkingsgraad/

[8] http://nl.investing.com/central-banks/netherlands-bank/toespraken/speech-directeur-kellermann—symposium-abp-%E2%80%98beleggingen-in-nederland%E2%80%99-2900

From → Economie, Pensioenen

One Comment
  1. Arthur Kayser permalink

    Aandacht van 50+ gevraagd voor deze analyse, die vollediger en beter, maar wel geheel in lijn is met een analyse die ik onlangs heb gemaakt van het ABP over de afgelopen 7 jaar.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers like this: